Gedaan met laden. U bevindt zich op: Gunsttarief familiale vennootschappen - managementdiensten tegen betaling aan derden (geen dochtervennootschappen) zijn ‘reële economische activiteit’ Vlaamse Belastingdienst

Gunsttarief familiale vennootschappen - managementdiensten tegen betaling aan derden (geen dochtervennootschappen) zijn ‘reële economische activiteit’

Rechtspraak
Nummer

24/781/A

Datum beslissing

27 januari 2026

Publicatiedatum

10 februari 2026

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Definitief

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.4.2.2. VCF

Samenvatting

Het geschil gaat over de erfbelasting die belastingplichtige verschuldigd is n.a.v. het overlijden op 26 oktober 2022 van zijn echtgenote, DP (de erflater). De volledige nalatenschap is aan hem toegekomen.

De aangifte van nalatenschap werd op 31 januari 2023 ingediend.

Onder het actief bevond zich 50 % van de aandelen in volle eigendom in de vennootschap W C BV. In de aangifte van nalatenschap vroeg belastingplichtige om de toepassing van het verlaagd tarief inzake vererving van een familiale vennootschap (artikel 2.7.4.2.2 VCF).

Op 30 juni 2023 vestigde het Vlaamse Gewest een aanslag in de erfbelasting in hoofde van belastingplichtige. De aanslag bedraagt 471.299,62 EUR aan verschuldigde rechten. In de toelichting van het aanslagbiljet werd onder meer vermeld: “Het verminderd tarief voor de 120 aandelen van BV W C werd niet toegestaan: er werd geen nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of een vrij beroep weerhouden. Opnemen van bestuursmandaten en managementactiviteiten worden uitgesloten van het gunsttarief.”

Op 4 augustus 2023 werd in hoofde van belastingplichtige een bijkomende aanslag in de erfbelasting gevestigd. De toelichting hierbij luidt als volgt: “De indieners van deze aangifte hebben een bindende schatting aangevraagd voor de waardering van bepaalde of alle onroerende goederen die zich in de nalatenschap bevinden. Deze waardering is intussen reeds aan u overgemaakt en er is hiermee rekening gehouden voor de berekening van de verschuldigde rechten in dit aanslagbiljet. Indien u met deze waardering niet akkoord bent, kan u hiervoor binnen de daartoe voorziene termijnen een schriftelijk gemotiveerd bezwaarschrift indienen.”

Tegen de beide aanslagen werd tijdig bezwaar ingediend. In het bezwaarschrift werd o.m. aangevoerd dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 2.7.4.2.2 VCF wel degelijk vervuld zijn.

De Vlaamse Belastingdienst wees het bezwaarschrift bij administratieve beslissing van 12 december 2023 af.

Het geschil betreft artikel 2.7.4.2.2 VCF dat voorziet in een verminderd tarief in de erfbelasting van 3 % voor de vererving in rechte lijn en tussen partners van de aandelen van een familiale vennootschap mits aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  1. Voldoening van de participatievoorwaarde in hoofde van de erflater en zijn familie.
  2. De vennootschap dient de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp te hebben en uit te oefenen. Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van een directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
  3. Aanwezigheid van een reële economische activiteit in hoofde van de vennootschap.

De rechtbank onderzoekt in haar vonnis of in casu aan voormelde voorwaarden is voldaan.

1. De participatievoorwaarde.

De erflater is de medeoprichter van W C BV en bezat 50 % van de aandelen in volle eigendom. De participatievoorwaarde, zoals voorzien in artikel 2.7.4.2.2 VCF, is bijgevolg ontegensprekelijk vervuld.

Dit wordt door VLABEL terecht niet betwist.

2. De uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep.

Om te kunnen genieten van het verlaagd tarief moet de vennootschap waarvan de aandelen vererfd worden, kwalificeren als een ‘familiale vennootschap’, dit is een vennootschap ‘die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent’.

Onder vennootschappen die ‘een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit’ uitoefenen, kan worden begrepen, vennootschappen die een economische activiteit uitoefenen, zonder uitsluiting van vennootschappen die andere ondernemingen controleren, behalve wanneer zij enkel de eenvoudige verkrijging en het in bezit houden van deelbewijzen tot doel hebben (zie en vergelijk Cass. 15 oktober 1998 waarin het Hof van Cassatie de destijds geldende federale regeling van artikel 48/2 W.Succ. onder de loep nam, TFR 1999, p. 508). Het determinerende criterium voor een dergelijke vennootschap is dat zij daadwerkelijk een economische of operationele activiteit of exploitatie uitoefent. Louter passieve holdings, te begrijpen als vennootschappen die enkel tot (maatschappelijk) doel hebben om participaties in andere vennootschappen aan te houden en zich ook alleen daarmee bezighouden, vallen niet binnen de definitie van familiale vennootschappen. Ze zullen evenwel geacht worden toch familiale vennootschappen te zijn, op voorwaarde dat zij een aanzienlijke participatie hebben in een directe dochtervennootschap die wel kwalificeert als een familiale vennootschap.

Dat louter passieve holdings zelf niet voldoen aan het concept ‘familiale vennootschap’ vloeit onmiskenbaar voort uit het tweede lid van artikel 2.7.4.2.2, §2, 2° juncto §3 VCF, dat voorziet dat een vennootschap die zelf niet aan het concept van ‘familiale vennootschap’ beantwoordt, toch geacht wordt er een te zijn als (en in de mate dat) zij aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van een directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding in de EER heeft. Een activiteit die louter bestaat in het aanhouden (en beheren) van participaties in dochtervennootschappen wordt aldus krachtens de wet geacht geen activiteit te zijn die kwalificeert als de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of van een activiteit van vrij beroep.

Ook de parlementaire voorbereidingen laten er geen twijfel over bestaan dat (zuivere) holdingvennootschappen enkel voor het verlaagde tarief in aanmerking komen indien en voor zover zij middels een participatie in een als familiale vennootschap gekwalificeerde dochter, aangezien worden als familiale vennootschappen. Deze zienswijze ligt tevens besloten in de beoordeling van het Hof van Cassatie in het hierboven geciteerde arrest van 15 oktober 1998. Dat het Hof van Cassatie zich in dat arrest uitsprak over de destijds geldende federale regeling van artikel 48/2 W.Succ. doet de relevantie ervan niet teniet, nu hetzelfde activiteitsconcept als basisvoorwaarde in de nieuwe regeling werd overgenomen. Niettegenstaande een zuivere holdingvennootschap (die louter financiële participaties verkrijgt en beheert) niet per se zonder activiteit is, maakt deze activiteit haar dus niet tot een bedrijfsactieve vennootschap in de zin van het eerste lid van artikel 2.7.4.2.2, §2, 2° VCF. Daarentegen is voor vennootschappen die het passieve beheer van financiële participaties overstijgen en een daadwerkelijke exploitatie of activiteit van operationele of economische aard tot voorwerp hebben en uitoefenen - waarbij in bepaalde omstandigheden ook het actief uitoefenen van bestuurstaken en het actief voeren van beleid en controle als dergelijke activiteit in aanmerking kunnen komen -, een zelfstandige kwalificatie als familiale vennootschap mogelijk (zonder beroep te moeten doen op de uitbreidingsbepaling van het tweede lid van artikel 2.7.4.2.2, §2, 2° VCF) (zie en vergelijk Gent 1 oktober 2024, rolnummer 2023/AR/302).

De statuten van W C BV vermelden het volgende doel:

“het verlenen van bijstand en hulp onder hun meest verschillende vormen aan derden, bijvoorbeeld andere vennootschappen, overheidslichamen en/of éénmanszaken. en dit op het vlak van het beheer, de controle, het toezicht, de organisatie; het verlenen van adviezen en Intellectuele en administratieve hulp, het ter beschikking stellen aan derden onder welke vorm ook van benodigdheden, materiaal. instrumenten, hard- en software. Het uitvoeren in verband met hetgeen voorafgaat van concrete projecten. het dienstbetoon Inzake organisatie en toepassing van de meest verschillende wetgevingen, het ter beschikking stellen van management, het uitoefenen van bedrijfsleiding en het organiseren ervan, alsook het waarnemen van het bestuur op alle niveaus; zowel voor eigen rekening als voor rekening van of In deelneming met derden, van handels-, nijverheid …. of andere ondernemingen, bestaande onder het even welke vorm, en dit zonder enige beperkingen;

Het verstrekken van advies met betrekking tot het uitvoeren en doen uitvoeren van, het begeleiden bij de uitvoering Van binnenhuis- en Interieurdecoratie; het stofferen en decoreren van binnenhuisinterieurs; de klein- en groothandel, de Import en export, de aan- en verkoop van allerlei interieur- en decoratieartikelen In de meest ruime betekenis, bekledingsmaterialen en van zowel nieuwe als antieke meubels;

Het coachen, adviseren en bijstaan In het ontwikkelen en uitvoeren van specifieke en bestaande projecten; op het vlak van standenbouw, het inrichten van showrooms en kantoren; evenals het aanbrengen van nieuwe projecten voor het cliënteel van de vennootschap.”

Daarnaast kan de vennootschap ook alle verrichtingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het beheer van roerende en onroerende goederen.

Uit de stukken van het dossier blijkt dat de kernactiviteit van W C BV bestaat uit adviesverlening aan derden op het vlak van management en marketing, namelijk aan M NV (van 01.11.2020 tot heden), Q-V (van 30.03.2021 tot heden), C K P (van 16.07.2015 tot heden), VM (van 2011), W Uitgever (van 2012 tot 2016), S B (van 2016 tot 2020), P- I BV (van 25.05.2022 tot heden) en P BV (van 19.12.2024 tot heden).

Het gaat bijgevolg niet om een ‘managementvennootschap’ in de klassieke betekenis van het woord, zijnde een vennootschap die uitsluitend een bestuursmandaat uitoefent voor een of meerdere verbonden vennootschappen. W C BV verleent haar managementdiensten tegen betaling aan derden (geen dochtervennootschappen) en biedt haar diensten bijgevolg aan op de markt.

Aangezien de kernactiviteit van W C BV bestaat uit het actief uitoefenen van bestuurstaken en het actief voeren van beleid en controle, kwalificeert de vennootschap als een familiale vennootschap in de zin van artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° VCF.

Aan de tweede voorwaarde van artikel 2.7.4.2.2 VCF is in casu voldaan, aldus de rechtbank.

3. De aanwezigheid van een reële economische activiteit.

Het derde lid van artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° VCF bepaalt dat vennootschappen die ‘geen reële economische activiteit hebben’, uitgesloten worden van het verlaagde tarief. De bepaling roept vervolgens een wettelijk vermoeden in het leven, op grond waarvan een vennootschap geacht wordt geen reële economische activiteit te hebben indien twee mathematische parameters in de jaarrekening van de vererfde vennootschap cumulatief vervuld zijn (die erop neerkomen dat de vennootschap relatief gezien te weinig loonkosten heeft en te veel terreinen en gebouwen op haar actief heeft).

Familiale vennootschappen in de zin van het eerste lid (en bij uitbreiding het tweede lid) van artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° VCF worden derhalve alsnog van het gunsttarief uitgesloten indien zij (of hun directe dochters in het geval van holdingvennootschappen) ‘geen reële economische activiteit’ hebben. De concepten ‘de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of van een vrij beroep’ en ‘het niet hebben van een reële economische activiteit’ houden nauw verband met elkaar. Ze hebben immers allebei betrekking op de (aard van de) activiteit van de betrokken vennootschap, waarbij de positieve activiteitsvoorwaarde van een familiale vennootschap in het eerste lid, verder verstrengd wordt door de realiteitsvereiste van het derde lid. Zij zijn evenwel niet met elkaar te identificeren. Uit de parlementaire voorbereidingen komt naar voor dat het voor de decreetgever essentieel was dat de door de familiale vennootschap uitgeoefende activiteit een bijkomend kenmerk had, in die zin dat de (exploitatie)activiteit gericht moet zijn op het creëren van een economische (maatschappelijke) ondernemingswaarde - en dat precies daarom het derde lid van artikel 2.7.4.2.2, §2, 2° VCF in het leven werd geroepen. De realiteitsvereiste van het derde lid kan niet los gezien worden van het wettelijke vermoeden dat erop volgt, waarbij het niet hebben van een reële economische activiteit - op weerlegbare wijze - wordt verbonden aan twee specifieke parameters in de jaarrekening die op zich niet peilen naar de aard van de activiteit die wordt uitgeoefend, maar wel naar het bestaan van factoren die wijzen op de afwezigheid van (een activiteit bestaande in) het genereren van een maatschappelijke meerwaarde of ondernemingsmeerwaarde.

De vereiste van een ‘reële economische activiteit’ zoals bedoeld in het derde lid moet in die zin begrepen worden dat, indien de beide parameters inzake bezoldigingen (te weinig) en vastgoed (te veel) cumulatief voorhanden zijn waardoor vermoed wordt dat er ‘geen reële economische activiteit’ is, de belastingplichtige moet aantonen dat er toch een activiteit (zoals omschreven in het eerste lid) voorligt, die daadwerkelijk en actief wordt uitgeoefend en die gericht is op het op duurzame wijze genereren van een maatschappelijke meerwaarde (en dus de vereiste finaliteit heeft) (zie en vergelijk Gent 1 oktober 2024, rolnummer 2023/AR/302).

Het is in casu niet betwist dat ten aanzien van W C BV de beide parameters van het derde lid van artikel 2.7.4.2.2, §2, 2° VCF vervuld zijn. Dit werd ook zo bevestigd tijdens de openbare terechtzitting van 6 januari 2026. Bijgevolg geldt het wettelijke vermoeden dat de vennootschap geen economische activiteit had.

Om aanspraak te maken op de toepassing van het verlaagd tarief dient belastingplichtige te bewijzen dat W C BV een economische activiteit uitoefent, die daadwerkelijk en actief wordt uitgeoefend en die gericht is op het op duurzame wijze genereren van een maatschappelijke meerwaarde.

Hierboven heeft de rechtbank reeds beslist dat de kernactiviteit van W C BV bestaat uit het actief uitoefenen van bestuurstaken en het actief voeren van beleid en controle, en daarom als een familiale vennootschap in de zin van artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° VCF kwalificeert.

De vennootschap treedt in concurrentie met andere marktdeelnemers en verricht daadwerkelijk economische activiteiten op duurzame wijze. Het feit dat het zwaartepunt van de dienstverlening een leidinggevend karakter vertoont (CEO, dagelijks bestuurder en managementconsultancy), doet geen afbreuk aan het economisch karakter van haar activiteit, in tegendeel. De vergoedingen die de vennootschap voor haar leidinggevende activiteiten ontvangt, worden o.m. berekend in functie van het behalen van bepaalde omzet doelstellingen en groei-targets, en zijn dus gekoppeld aan deze prestaties.

Het staat dan ook vast dat in casu aan de derde voorwaarde van artikel 2.7.4.2.2 VCF is voldaan.

De rechtbank besluit dat belastingplichtige kan genieten van het verlaagd tarief van de familiale vennootschappen zoals beschreven onder artikel 2.7.4.2.2. VCF.

De vordering van belastingplichtige is gegrond in de mate dat inzake de vererfde aandelen van W C BV geen toepassing werd gemaakt van het verlaagde tarief voorzien bij artikel 2.7.4.2.2 VCF. Een passende herberekening en ontheffing van de bestreden aanslagen dringt zich op.