Gedaan met laden. U bevindt zich op: Meeneembaarheid door teruggave - begrip woning vs. bouwgrond - afbraak- en sloopvergunning en opname in het leegstandsregister leidt niet automatisch tot kwalificatie bouwgrond Vlaamse Belastingdienst

Meeneembaarheid door teruggave - begrip woning vs. bouwgrond - afbraak- en sloopvergunning en opname in het leegstandsregister leidt niet automatisch tot kwalificatie bouwgrond

Rechtspraak
Nummer

23/1462/A

Datum beslissing

16 juni 2025

Publicatiedatum

14 januari 2026

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Definitief

Heffing

  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 3.6.0.0.6, §3 VCF

Samenvatting

Belastingplichtigen argumenteren dat de aankoop van de nieuwe woning dient gelijkgesteld te worden met een bouwgrond, waardoor de termijnen waarvan sprake in artikel 3.6.0.0.6, §3 VCF 5 jaar i.p.v. 2 jaar bedragen. Belastingplichtigen hebben te goeder trouw het onroerend goed beschouwd als een ‘bouwgrond’ in de zin van de VCF. Volgens belastingplichtigen bewijzen de voorgelegde foto’s dat de aangekochte woning niet als woonst kon gebruikt worden zonder belangrijke en grote werkzaamheden. Het onroerend goed bevond zich in een verloederde toestand nog voor belastingplichtigen eigenaars waren. Het onroerend goed werd aangekocht met het oog om af te breken en te verkavelen. Dat was ook een opschortende voorwaarde. Er werd een verkavelingsvergunning verkregen waar een sloopvergunning aan gekoppeld was. Het onroerend goed stond vermeld in het leegstandsregister.

De rechtbank merkt op dat de meeneembaarheid door teruggave is geregeld in het artikel 3.6.0.0.6, §3 VCF.

De rechtbank merkt op dat overeenkomstig artikel 3.6.0.0.6, § 3 VCF de verkoopakte van de oude woning moet worden verleden binnen twee jaar na de koopakte van de nieuwe woning. Deze termijn wordt echter verlengd tot vijf jaar voor de aankoop van een bouwgrond.

De rechtbank stelt vast dat in de aankoopakte het onroerend goed duidelijk werd omschreven als een “woonhuis”. Verder is in de aankoopakte overeengekomen tussen de koper en de verkoper dat geen controleonderzoek op de elektrische installaties zal worden uitgevoerd omdat de kopers, belastingplichtigen in het voorliggende geschil, het gebouw gaan afbreken.

De rechter is van oordeel dat de hoedanigheid van een woning dient beoordeeld te worden op het ogenblik van de aankoop. Dat belastingplichtigen de woning na de aankoop afbreken om een nieuwe woning op te richten betekent nog niet dat zij een bouwgrond aankopen. Des te meer daar zij verwijzen naar een controleonderzoek van elektrische installaties hetgeen uiteraard niet van toepassing is bij een bouwgrond.

De rechtbank deelt niet de zienswijze van belastingplichtigen dat de opname van het onroerend goed in het leegstandsregister ipso facto zou bewijzen dat het onroerend goed een bouwgrond zou zijn of als een bouwgrond moet worden beschouwd.

De opname in het leegstandsregister betreft enkel de al of niet leegstaande status van het onroerend goed. Het onroerend goed werd niet opgenomen in de inventaris ongeschiktheid/onbewoonbaarheid, die de staat weergeeft van de bewoonbaarheid van de woning.

Dat belastingplichtigen de woning willen afbreken, na de aankoop ervan, om vervolgens de grond te verkavelen in verscheidene percelen bouwgrond, waarbij één lot zou worden aangewend voor een eigen nieuwe woonst, bewijst niet in afdoende mate dat de aangekochte woning in die mate onbewoonbaar zou zijn, dat deze gelijkgesteld diende te worden met een bouwgrond. Des te meer daar over het aspect van de onbewoonbaarheid niets wordt vermeld in de aankoopakte.

De rechtbank stelt ook vast dat geen plaatsbeschrijving of enig ander objectief stuk wordt voorgelegd waaruit de staat van de woning voorafgaand aan de aankoop blijkt en op basis waarvan de noodzaak tot het uitvoeren van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken zou kunnen blijken. Belastingplichtigen tonen niet aan dat de toenmalige staat van de woning hen verplichtte tot de afbraak van de bestaande woning teneinde het onroerend goed opnieuw bewoonbaar te maken.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen en overwegingen, dat de hoofdverblijfplaats daar diende te worden gevestigd uiterlijk binnen de twee jaar na de datum van registratie van de aankoopakte. Belastingplichtigen hebben zich pas gevestigd buiten de termijn van twee jaar zodat er geen toepassing kan gemaakt worden van de meeneembaarheid overeenkomstig artikel 3.6.0.0.6, §3 VCF.