VB 21042 - Beding van aanwas/kanscontract
- Nummer
21042
- Datum beslissing
19 juli 2021
- Publicatiedatum
18 augustus 2021
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt er toe bevestiging te krijgen dat:
1.1. de voorgelegde aanwasovereenkomsten (opgenomen in twee afzonderlijke akten) enkel aanleiding zullen geven tot betaling van het algemeen vast recht, zonder enige heffing van schenkingsrechten (artikel 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1, §2, VCF), en evenmin vallen onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°, VCF en artikel 2.7.1.0.5 VCF.
1.2. de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.
1.3. de opgesomde bepalingen van de VCF eveneens niet van toepassing zijn op de goederen die automatisch tot het beding van aanwas behoren ingevolge de clausule van zaakvervanging, zoals de vruchten en de meerwaarden.
2. De aanvraag betreft drie aanwasovereenkomsten, één met als voorwerp een effectenportefeuille, één met als voorwerp een pakket aandelen én één met als voorwerp een kunst- en antiekcollectie. De eerste twee werden opgenomen in één dezelfde akte. De aanwasovereenkomst betreffende de kunst- en antiekcollectie werd in een afzonderlijke akte opgenomen omwille van discretie (daar de aanvragers o.m. niet wensen dat bv. de bank kennis zou nemen van de inhoud van de kunst- en antiekcollectie).
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. De aanvraag wordt ingediend door notaris […], notaris te […], namens zijn cliënten:
3.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1958, rijksregister nummer […], en;
3.2 zijn echtgenote mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1955, rijksregister nummer […] ,
samenwonende te […].
4. De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1986, welk stelsel tot op heden niet gewijzigd werd.
5. Zij hebben samen of afzonderlijk geen kinderen.
II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
6. De echtgenoten X-Y wensen over te gaan tot het sluiten onder elkaar van (drie) aanwasovereenkomsten (opgenomen in twee afzonderlijke notariële akten, zoals voormeld), waarvan de ontwerpen in bijlage bij de aanvraag werden gevoegd.
III. Motivering van de aanvraag
7. De echtgenoten X-Y zijn van mening dat zij met de vooropgestelde ontwerpen overeenkomsten ten bezwarende titel voor ogen hebben in de vorm van een kanscontract.
8 Principe
Kanscontracten en dus ook bedingen van aanwas zijn wederkerige overeenkomsten waarvan de gevolgen, met betrekking tot winst en verlies, hetzij voor alle partijen, hetzij voor één van hen, van een onzekere gebeurtenis afhangen (art. 1964 BW). In de beschreven verrichtingen is de onzekere gebeurtenis niet het overlijden op zich (een overlijden is een zekere gebeurtenis), maar wel de volgorde van het overlijden. Elke echtgenoot kan de langstlevende zijn. Ingevolge de gesloten overeenkomsten bestaat de kans op winst in de verkrijging van het aandeel of de inleg van de eerst overleden echtgenoot. Het verlies is dan het overlijden als eerste van beide partij, waarbij men het eigen aandeel of de eigen inleg moet afstaan aan de langstlevende.
De aanwasovereenkomsten zijn in lijn met Standpunt nr. 17044 dd. 19.09.2018 van VLABEL.
9. Ten bezwarende titel
De drie aanwasovereenkomsten zijn telkens een overeenkomst onder bezwarende titel. Het bezwarend karakter vereist dat de kansen van beide partijen evenwichtig zijn, en dat de inleg door de echtgenoten gelijk is.
Beide echtgenoten hebben een gelijke overlevingskans. Dit wordt enerzijds aangetoond door de gelijkaardige leeftijd (62 jaar en 66 jaar) en anderzijds door dezelfde goede gezondheidstoestand.
Om dit te bewijzen zijn de aanvragers bereid een medisch getuigschrift toe te voegen aan het dossier of zich te onderwerpen aan een medisch onderzoek bij een neutraal geneesheer, eventueel aan te duiden door de administratie.
De inleg van beide echtgenoten voor elk van de aanwasovereenkomsten is eveneens gelijkwaardig:
- de goederen die het voorwerp zijn van het beding van aanwas inzake zowel het doelvermogen betreffende de effecten als het doelvermogen voor de kunst- en antiekcollectie behoren toe aan ieder van de echtgenoten voor de onverdeelde helft.
- de l.250 aandelen van de naamloze vennootschap […], waarvoor eveneens een (afzonderlijk) 'beding van aanwas' wordt gesloten, behoren niet in onverdeeldheid toe aan de echtgenoten, maar ze hebben elk wel een gelijk aantal, d.i. elk 625 aandelen. Doordat de inleg van beide echtgenoten gelijkwaardig is, ligt ook hier een kanscontract voor, zoals ook in Standpunt 17044 bevestigd.
Het evenwichtig en bezwarend karakter van de overeenkomsten is aanwezig op het moment van het afsluiten van het contract.
Om de gelijkwaardigheid van de echtgenoten in de aanwasovereenkomsten te verstevigen, werd erin bedongen dat, zolang deze aanwasovereenkomsten gelden, het uitdrukkelijk akkoord van beide echtgenoten vereist is voor alle verrichtingen betreffende elk doelvermogen,
Enige uitzondering kan gemaakt worden voor het geval dat één van de echtgenoten handelingsonbekwaam wordt en beroep moet gedaan worden op een buitengerechtelijke volmacht. Dit vanuit een beschermingsoogmerk voor beide echtgenoten.
10. Ten bijzondere titel
De aanwasovereenkomsten zijn ten bijzondere titel afgesloten aangezien de overeenkomsten betrekking hebben op goederen die nauwkeurig in de overeenkomsten werden omschreven (en dus niet de algemeenheid van de goederen van één van de echtgenoten betreffen).
De echtgenoten komen overeen dat de in de plaats getreden goederen automatisch ook tot het beding van aanwas behoren. Vruchten en meerwaarden van de betrokken goederen maken ook automatisch deel uit van het beding van aanwas. Dit werd ook aanvaard bij vorige voorafgaande beslissingen (o.a. voorafgaande beslissing nr. 19014 dd. 27.05.2019, voorafgaande beslissing nr. 18036 dd. 05.09.2018).
De echtgenoten komen tevens overeen dat zaakvervanging schriftelijk zal worden bevestigd, behoudens bij een feitelijke universaliteit, zoals een effectenportefeuille.
Een kunst- en antiekcollectie beschouwen de echtgenoten niet als een feitelijke universaliteit, zodat zij voor deze collectie de zaakvervanging telkens schriftelijk zullen bevestigen. Aan de akte zal een gedetailleerde inventaris gehecht worden, waarin elk kunst- of antiekobject afzonderlijk, deel uitmakend van de kunstcollectie (op datum van de overeenkomst), uitgebreid zal beschreven worden (zonder waardebepaling evenwel, gezien het volatiel karakter van de kunst- en antiekmarkt).
De betreffende aanwasovereenkomsten zijn zowel onder bezwarende als onder bijzondere titel en zijn dus geldig volgens de aanvragers.
11. Beding van aanwas tussen echtgenoten
Het feit dat het beding van aanwas tussen echtgenoten wordt afgesloten maakt het beding op zich niet ongeldig zoals ook meermaals bevestigd is door de Vlaamse Belastingdienst (zie o.a. voormeld Standpunt nr. 1 7044) .
In casu zijn de echtgenoten gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (sinds 1986), zodat er geen enkel discussie op dit punt kan zijn.
12. Niet fiscale motieven
Indien en in de mate het besluitvormingsorgaan zou stellen dat er sprake is van fiscaal misbruik, hetgeen volgens de aanvragers niet het geval is, dan nog maakt het beding van aanwas geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Er zijn immers niet-fiscale motieven die voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.
De voorgelegde aanwasovereenkomsten bieden voor de echtgenoten immers de enige goede oplossing naar wederzijdse bescherming.
Een testament biedt geen sluitende oplossing, gezien testamentaire regelingen eenzijdig herroepbaar zijn, zodat de langstlevende echtgenoot of echtgenote absoluut geen zekerheid geeft. Hetzelfde geldt voor schenkingen tussen echtgenoten, die ook altijd herroepbaar zijn.
Bij aanwasovereenkomsten daarentegen blijven de echtgenoten gebonden, ook indien ze het later oneens worden over de aangegane verbintenissen.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
13. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
14. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.
15. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”;
- Artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF dat luidt als volgt:
“Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;
- Artikel 2.7.1.0.3 VCF dat luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”;
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”;
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”.
16. De echtgenoten verklaren dat zij met betrekking tot de effectenportefeuille bij […] met contractnummer […] en de kunst- en antiekcollectie, die zij beiden in onverdeeldheid bezitten een beding van aanwas wensen af te sluiten.
Bovendien verklaren de echtgenoten dat zij met betrekking tot de 1.250 aandelen van de naamloze vennootschap […], welke gelijk zijn verdeeld tussen de echtgenoten, een kanscontract wensen af te sluiten.
Wanneer het om een kanscontract (ten bezwarende en bijzondere titel) gaat, dan valt dit contract onder dezelfde fiscale regeling als een beding van aanwas, waarvoor onderstaande redenering kan worden gevolgd.
17. Er wordt vanuit fiscaal oogpunt aanvaard dat de betrokken goederen in een beding van aanwas/kanscontract niet zijn onderworpen aan de erfbelasting of schenkbelasting (maar bij onroerende goederen wel aan het verkooprecht) mits het beding van aanwas beperkt is via een beschikking onder bijzondere titel, en ten bezwarende titel is.
18. Het feit dat het beding van aanwas tussen echtgenoten wordt afgesloten maakt dit beding op zich niet ongeldig. Wanneer een dergelijk beding van aanwas wordt afgesloten tussen echtgenoten moet het slaan op de eigen goederen van de echtgenoten die ze in onverdeeldheid bezitten.
19. De contracten zijn onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
20. De contracten zijn in casu onder bijzondere titel aangezien de contracten betrekking hebben op roerende goederen die specifiek in de overeenkomst worden omschreven (zie de 2 bijlagen bij de aanvraag).
21. De effectenportefeuille wordt beschouwd als een feitelijke universaliteit. Bijgevolg aanvaardt Vlabel dat het contract m.b.t. de effectenportefeuille betrekking heeft op de effectenportefeuille in haar geheel, zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de vereiste dat het contract onder bijzondere titel moet zijn.
22. Zaakvervanging is mogelijk binnen dergelijke contracten. Het vervanggoed volgt dan dezelfde regels/bestemming als het goed dat het vervangt. Hetzelfde geldt voor meerwaarden.
In beide gevallen gelden volgende (bijkomende) voorwaarden:
- er moet in de akte conventionele zaakvervanging voorzien worden;
- als er zaakvervanging is, moet dit nog bevestigd worden op het moment van de verwerving van het nieuwe zaakvervangende goed.
Wat de effectenportefeuille betreft heeft de aanvaarding van de kwalificatie als feitelijke universaliteit tot gevolg dat er van rechtswege zaakvervanging optreedt. Het contract zal dus uitwerking krijgen op de effectenportefeuille zoals deze is samengesteld op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten ongeacht de gewijzigde samenstelling hiervan ingevolge transacties van wederbelegging.
23. De contracten wordt aanzien als een kanscontract ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. Er wordt niet vereist dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.
24. Een gelijkaardige levensverwachting kan niet enkel worden beoordeeld op basis van sterftetabellen maar kan ook worden beïnvloed door specifieke factoren zoals de gezondheidstoestand van de partijen, bepaalde activiteiten die ze uitvoeren, een overlijden dat kort volgt op het sluiten van de contracten, etc...
25. De gelijkaardigheid van de levensverwachting dient aanwezig te zijn bij het afsluiten van de contracten. Het is evenwel mogelijk dat pas bij de realisatie van de contracten blijkt dat bij het afsluiten van de contracten niet aan deze voorwaarde was voldaan.
26. Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat er in casu sprake is van een gelijkaardige levensverwachting. De echtgenoten hebben een gelijkaardige leeftijd (62 jaar en 66 jaar) en zij verklaren beiden in dezelfde goede gezondheidstoestand te verkeren.
27. De gelijkwaardigheid van inleg wordt beoordeeld bij het afsluiten van de contracten, niet bij het realiseren van de opschortende voorwaarde (een goed kan in waarde stijgen of dalen).
28. Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat de inleg van de aanvragers gelijkwaardig is. De goederen die het voorwerp zijn van het beding van aanwas behoren toe aan ieder van de echtgenoten voor de onverdeelde helft. De aandelen die het voorwerp uitmaken van het kanscontract behoren de echtgenoten voor een gelijk aantal toe.
29. Op basis van de elementen en feiten vermeld in de aanvraag tot voorafgaande beslissing, kan worden besloten dat het in casu om een beding van aanwas/kanscontract ten bezwarende titel gaat.
30. De voorgenomen verrichting maakt in principe geen fiscaal misbruik uit in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er ook niet-fiscale motieven aan de contracten ten grondslag liggen, tenzij uit de feiten blijkt dat de kansen uiteindelijk niet gelijkwaardig waren omdat één van de partijen kort na het sluiten van de contracten niet onverwacht is komen te overlijden.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratie- en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.