Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25078 - Uitbreng uit TIGV + voorafname en keuzebeding van onverdeelde goederen Vlaamse Belastingdienst

VB 25078 - Uitbreng uit TIGV + voorafname en keuzebeding van onverdeelde goederen

Voorafgaande beslissing
Nummer

25078

Datum beslissing

24 oktober 2025

Publicatiedatum

6 januari 2026

Heffing

  • Verdeelrecht

Wettelijke basis

  • art. 2.10.1.0.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Mag ik u vragen te bevestigen dat:

(i) De uitbreng van het goed uit de huwgemeenschap waarbij elke partner een onverdeelde helft in onverdeeldheid zal aanhouden (dus zonder dat het goed ongelijk wordt toebedeeld aan (één der) partners) wordt belast aan het (federaal) vast recht van 50 euro en niet valt onder toepassing van het verdeelrecht (artikel 2.10.1.0.1. VCF);

(ii) Deze uitbreng uit de beperkte huwgemeenschap, gevolgd door de aanvulling van de huwelijksovereenkomst met gemeld beding van vooruitmaking met keuze en beding van ongelijke toebedeling met keuze geen rechtsmisbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF? [1]

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door […] met zetel te […], namens:

  • De heer X, geboren te […] op xx.xx.1951, rijksregisternummer […], echtgenoot van mevrouw Y, wonende te […].
  • Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1962, rijksregisternummer […], echtgenote van de heer X, wonende te […].

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

3. De feitelijkheden ten grondslag van mijn dossier zijn de volgende:

De echtgenoten X en Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen (akte notaris […] dd. xx.xx.1988). Aan dit stelsel werd later een beperkte gemeenschap toegevoegd (akte notaris […] dd. xx.xx.2021). Deze beperkte gemeenschap bestaat uitsluitend uit het pand te […], dat door de heer X bij zelfde wijziging huwelijksovereenkomst werd ingebracht.

De echtgenoten wensen een beding van vooruitmaking met keuze en beding van ongelijke toebedeling met keuze in te voegen en toepasbaar te maken op alle goederen die zij samen bezitten. Om deze regeling op consequente wijze in te voeren, en dus ook toepassing te laten vinden op het pand aan […], wensen zij het ingebrachte goed uit de gemeenschap te brengen zonder dat dit aan één van beide partijen wordt toebedeeld. Elke partner blijft dus voor een onverdeelde helft in volle eigendom eigenaar van het goed. In casu leidt de uitbreng uit het beperkt gemeenschappelijk vermogen niet tot verdeling van het goed, noch vormt dit een afstand onder bezwarende titel van onverdeelde aandelen in het goed. De uitbreng valt zodus niet onder het toepassingsgebied van artikel 2.10.1.0.1. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Aldus wordt de uitbreng belast aan het vast recht van 50 euro.

Aansluitend wordt het gemelde keuzebeding voor de onverdeeldheden ingevoegd bij zelfde akte/wijziging huwelijksovereenkomst.

III. Motivering van de aanvraag

4. De uitbreng die wordt gevolgd door het invoegen van het keuzebeding voor de onverdeeldheden tussen de echtgenoten heeft tot doel op coherente wijze overgang van het vermogen te plannen. Rekening houdende met eerdere administratieve standpunten kan het naast mekaar bestaan van het keuzebeding voor de beperkte huwgemeenschap en het keuzebeding voor de onverdeeldheden tussen echtgenoten namelijk als rechtsmisbruik worden beschouwd in de zin van artikel 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.[2]

IV. Beslissing

5. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

6. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.

Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht

7. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag en de aanvulling van de aanvraag, vermeld:

  • Artikel 2.10.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :

1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;

2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;

3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.”.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

“De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
”.

De te beoordelen verrichting

8. Aanvragers wensen hun voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst van xx.xx.1988 houdende aanneming van een stelsel van zuivere scheiding van goederen, zoals gewijzigd huwelijksovereenkomst van xx.xx.2021, door toevoeging van een beperkt intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV), met inbreng van een handelspand door de heer X, als volgt aan te passen:

  • uitbreng uit het TIGV van het onroerend goed dat de heer X bij voormelde akte wijziging huwelijksovereenkomst van xx.xx.2021 in dit gemeenschappelijk vermogen inbracht.

Dit onroerend goed zal in onverdeeldheid, elk voor de onverdeelde helft, aangehouden worden door beide echtgenoten;

  • toevoeging aan hun stelsel van scheiding van goederen met TIGV, van een keuzebeding voor alle gemeenrechtelijke onverdeeldheden tussen de echtgenoten, waaronder voormeld uit te brengen onroerend goed.

Dit keuzebeding is volgens de aanvragers een huwelijksvoordeel dat uit te oefenen is door de langstlevende echtgenoot bij ontbinding van het huwelijk door overlijden:

  • hetzij als een voorafname uit elke onverdeeldheid tussen de echtgenoten, overeenkomstig artikel 2.3.55,§1, lid 1 BW, met een optionele modulering van deze keuze voor de langstlevende echtgenoot.
  • hetzij als een toebedeling van de onverdeeldheden tussen de echtgenoten voor een ander deel dan de helft van dit onverdeeld vermogen aan de langstlevende echtgenoot, overeenkomstig artikel 2.3.56, lid 1 BW, met een optionele modulering van deze keuze voor de langstlevende echtgenoot.

Beoordeling

1. Onderzoek van artikel 2.10.1.0.1 VCF

9. Hoewel een gemeenschappelijk vermogen civielrechtelijk geen onverdeeldheid is, wordt dit vermogen fiscaal gezien gelijkgesteld met een onverdeeld vermogen.

Gezien de uitbreng in casu niet tot gevolg heeft dat aan een echtgenoot meer dan de helft van het uitgebrachte goed wordt toebedeeld, valt de uitbreng in casu niet binnen het toepassingsgebied van het verdeelrecht.

Artikel 2.10.1.0.1 VCF is bijgevolg niet van toepassing op de voorstelde verrichting.

2. Onderzoek van artikel 2.7.1.0.4 VCF

10. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

11. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het voorgestelde keuzebeding van hetzij voorafname door de langstlevende echtgenoot uit het onverdeeld vermogen tussen de echtgenoten, hetzij verblijving van dit vermogen aan de langstlevende echtgenoot, burgerrechtelijk kan kwalificeren als een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de voorafname en/of verblijving aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

12. In de mate dat het beding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

13. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De voorafname uit onverdeelde goederen en/of verblijving van deze onverdeelde goederen, heeft volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.

14. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

3. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

15. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

16. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, en dit doorslaggevend met fiscale motieven.

17. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

18. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

19. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de aanvragers gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen met een TIGV.

De aanvragers wensen het (enige) onroerend goed dat bij akte van xx.xx.2021 in dit TIGV ingebracht werd, uit dit TIGV te halen en dit onroerend goed in onverdeeldheid aan te houden.

In combinatie hiermee, wensen de aanvragers voormeld keuzebeding als huwelijksvoordeel toe te voegen aan de onverdeelde goederen tussen de echtgenoten, waaronder het goed dat zij bij de voorgenomen verrichting uit het TIGV halen.

20. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de in de aanvraag opgenomen motivering, is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt van voormelde artikelen, in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

21. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen

Voetnoten

[1] Opmerking van het besluitvormingsorgaan. Per emailbericht van xx.xx.2025 werd hieraan toegevoegd door aanvragers dat zij een toetsing van artikel 2.7.1.0.4 VCF aan de misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF wensen te vragen:

“Ter aanvulling van mijn oorspronkelijke aanvraag licht ik toe dat wat betreft de uitspraak over eventueel fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF:

de voorgenomen verrichting de doelstelling van 2.7.1.0.4. VCF niet frustreert (…)”

[2] In het emailbericht van aanvragers van xx.xx.2025, onder voetnoot 1 aangehaald, werd de motivatie voor de verrichting als volgt gegeven:

“’(…) de voorgenomen verrichting de doelstelling van 2.7.1.0.4. VCF niet frustreert aangezien er geen (beperkte) gemeenschap (meer) zal bestaan nadat het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen wordt geledigd. De voorafgaandelijke onttrekking van het onroerend goed uit het bestaande beperkt gemeenschappelijk vermogen heeft namelijk tot doel om de keuze van de echtgenoten voor hun oorspronkelijk basisstelsel van (zuivere) scheiding van goederen te bestendigen. Het beperkt gemeenschappelijk vermogen bestaat namelijk uit één enkel onroerend goed. Aangezien in eerdere voorafgaandelijke beslissingen het naast mekaar bestaan van een optioneel verblijvingsbeding voor gemeenschappelijke goederen en een optioneel verblijvingsbeding voor onverdeeldheden niet wordt getolereerd zijn de echtgenoten genoodzaakt om één van beide pistes te kiezen. Rekening houdende met de voordelen van het basisstelsel van scheiding van goederen dat zij oorspronkelijk hebben gekozen, m.n. het behoud van autonomie van de echtgenoten en de bescherming tegen aanspraken van schuldeisers, voeren echtgenoten consequent de keuze door voor het basisstelsel van scheiding van goederen door onttrekking uit/lediging van het beperkt gemeenschap en invoeging van het optioneel verblijvingsbeding voor de tussen hen bestaande onverdeeldheden. Zij wensen namelijk te voorzien in een huwelijksvermogensrechtelijke regeling ter bescherming van de langstlevende echtgenoot.

De motieven die aan de grondslag van de voorgenomen verrichting liggen zijn daarmee overwegen niet-fiscaal.”