VB 25099 - Oprichting maatschap met toekenning aandelen voor inbreng door mede-oprichter - onrechtstreekse schenking met toekenning aandelen disproportioneel aan inbrengen
- Nummer
25099
- Datum beslissing
24 oktober 2025
- Publicatiedatum
7 januari 2026
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.7.1.0.6. VCF
- art. 2.7.1.0.7. VCF
- art. 2.7.1.0.9. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat, gelet op de argumentatie en motivering zoals hierna uiteengezet, de onrechtstreekse en niet geregistreerde schenking van aandelen in volle eigendom van een nieuw op te richten maatschap middels de techniek van inbreng ten behoeve van een derde (mits een onderhands bewijsdocument), bij overlijden van de Aanvrager niet aan erfbelasting wordt onderworpen:
- op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.01 en 2.7.1.0.2 VCF al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- op grond van artikel 2.7.1.0.7 VCF al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- op grond van artikel 2.7.1.0.9 VCF al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF, althans indien de schenker nog minstens vijf jaar leeft; artikel 2.7.1.0.5 , § 2 VCF is niet van toepassing;
- op grond van artikel 2.7.1.0.6 VCF, althans indien de schenker nog minstens vijf jaar leeft na de oprichting van de maatschap, al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF;
- op grond van artikel 3.17.0.0.2 VCF;
- op grond van enige andere bepaling.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
2. De aanvraag wordt ingediend door […], vertegenwoordigd door de […], bestuurder, vast vertegenwoordigd door de heer […], namens:
de heer X, geboren te […] op xx.xx.1955 (rijksregisternummer: […]), wonende te […], ongehuwd en verklaard hebbende geen verklaring van wettelijke samenwoning te hebben afgelegd.
Betrokken partijen en derden
3. De Aanvrager is voornemens een maatschap, zijnde een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in de artikel 4.1 en volgende van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, op te richten, hierna de “maatschap”, samen met de volgende personen, medeoprichters en - vennoten:
- mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1962 (rijksregisternummer: […]), wonende te […]; niet gehuwd en verklaard hebbende geen verklaring van wettelijke samenwoning te hebben afgelegd; en,
- mevrouw Z, geboren te […] op xx.xx.1999 (rijksregisternummer: […]), wonende te […]; ongehuwd en verklaard hebbende geen verklaring van wettelijke samenwoning te hebben afgelegd.
Mevrouw Z (hierna de “Dochter”), voornoemd, is de gezamenlijke dochter van mevrouw Y, voornoemd, en de Aanvrager, de heer X, voornoemd.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
Doelstelling
4. De Aanvrager is eigenaar van een effectenrekening bij […], een effectenrekening bij […], alsook van een vordering op de naamloze vennootschap […], met zetel te […], en met ondernemingsnummer […].
De Aanvrager wenst met betrekking tot voormelde vermogensbestanddelen aan een planning te doen ten aanzien van zijn enig kind, de Dochter, mevrouw Z, voornoemd.
Oprichting van de maatschap [1]
5. De Aanvrager (de heer X), mevrouw Y en de Dochter (mevrouw Z) zullen bij de oprichting van de maatschap elk een gelijk bedrag in geld van € 2.000,00 inbrengen, waarvoor aan de Aanvrager 2.000 maatschapsaandelen van klasse A zullen worden uitgereikt, aan mevrouw Y 2.000 maatschapsaandelen van klasse B en aan de Dochter 2.000 maatschapsaandelen van klasse C.
Daarnaast zal de Aanvrager ook de in randnummer 4 hierboven bedoelde roerende vermogensbestanddelen inbrengen in de maatschap waarvoor alle aandelen, die tot klasse C zullen behoren, rechtstreeks worden toegekend aan de Dochter. Deze inbreng zal derhalve worden verricht via de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde, waarbij de aandelen uitgegeven naar aanleiding van de inbreng rechtstreeks worden uitgegeven aan de Dochter in volle eigendom.
In de statuten van de maatschap zijn de volgende bepalingen opgenomen:
Duurtijd
6. De maatschap wordt aangegaan voor een vaste duurtijd van dertig (30) jaar (behoudens vervroegde ontbinding van rechtswege wegens eenhoofdigheid, vrijwillige vervroegde ontbinding op grond van een besluit van de algemene vergadering van vennoten, of een vervroegde gerechtelijke ontbinding op grond van een wettige reden).
Inzake de rechten verbonden aan de aandelen
7. De aandelen zijn ingedeeld in drie (3) klassen A, B en C in functie van een verschillend stemrecht zoals nader bepaald in artikel 21 van de statuten van de maatschap (zie verder: randnummer 11).
Ieder aandeel geeft verder een gelijk recht in de winstverdeling en in het vereffeningssaldo van de maatschap.
Zaakvoerders
Samenstelling
8. De maatschap wordt bestuurd door minstens twee zaakvoerders. Iedere zaakvoerder heeft één stem.
Zij vormen samen een collegiaal bestuursorgaan, het “College van Zaakvoerders”, beslissend met meerderheid van stemmen, behalve indien anders bepaald in de statuten. Bij staking van stemmen binnen het College van Zaakvoerders zal de beslissing worden voorgelegd aan de algemene vergadering van vennoten van de maatschap overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 van de statuten van de maatschap (zie verder: randnummer 11).
Tot statutaire zaakvoerders worden aangesteld:
- Mevrouw Y; en,
- De Dochter, mevrouw Z.
Bevoegdheden van de Zaakvoerders
9. Onverminderd de bevoegdheden van de algemene vergadering van vennoten (zie verder: randnummer 11), wordt aan het College van Zaakvoerders de meest ruime bevoegdheid gegeven om de maatschap te besturen en zowel intern als extern te vertegenwoordigen alsmede om alle beheers-, beleggings- en beschikkingsdaden te plegen met betrekking tot het vennootschapsvermogen, met dien verstande evenwel dat de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 van de statuten van de maatschap (zie verder: randnummer 11) vereist is voor:
- de vervreemding van het geheel of een deel van het vennootschapsvermogen, daaronder niet verstaan, het beleggen en herbeleggen binnen het kader van beheer van rekeningen of beleggingsportefeuilles als feitelijke universaliteit(en);
- het verstrekken of het aangaan van leningen, of het stellen van zekerheden (ongeacht of het voor eigen schulden is of voor schulden van derden);
- de aan- en verkoop van deelnemingen in andere vennootschappen of ondernemingen;
- het toekennen van bijzondere volmachten aan derden aan wie beslissingen omtrent het beheer van het vennootschapsvermogen zouden worden opgedragen;
- handelingen waarbij één of meerdere zaakvoerders een tegenstrijdig belang van vermogensrechtelijke aard heeft/hebben;
- het verhogen van het risicoprofiel van beleggingen;
- het aangaan van een verzekering.
Elke zaakvoerder afzonderlijk is bevoegd om de maatschap extern te vertegenwoordigen en om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het voorwerp van de maatschap, daarbij optredend in naam en voor rekening van alle vennoten.
Algemene vergadering van vennoten
Bevoegdheden van de algemene vergadering (artikel 24, juncto de artikelen 13 en 15 van de statuten)
10. De algemene vergadering van vennoten is bevoegd om:
- over alle statutenwijzigingen te beslissen;
- de jaarrekeningen goed te keuren en kwijting te geven aan de zaakvoerder voor zijn of haar bestuur;
- de overdracht of overgang van aandelen goed te keuren, waar deze overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- het bezwaren van aandelen met enige rechten of zekerheden goed te keuren, waar dit overeenkomstig deze statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- alle nieuwe inbrengen in de maatschap toe te staan;
- een zaakvoerder af te zetten of te benoemen;
- over de bestemming van het resultaat en alle uitkeringen van winsten te beslissen;
- over iedere vermindering van het vennootschapsvermogen door toebedeling aan de vennoten te beslissen;
- in te stemmen met de volledige of gedeeltelijke terugtrekking van een vennoot;
- de maatschap vervroegd te ontbinden en te vereffenen;
- de maatschap te verlengen;
- bij vereffening, de toebedeling van het Vennootschapsvermogen via gelijkwaardige kavels goed te keuren.
Daarnaast worden aan de algemene vergadering van vennoten nog in het bijzonder de volgende bevoegdheden toegekend:
- het nemen van een beslissing in de plaats van het College van Zaakvoerders wanneer er binnen het College van Zaakvoerders een staking van stemmen optreedt (artikel 13);
- het verlenen van de voorafgaande goedkeuring waarvan de geldigheid van de volgende handelingen of beslissingen van het College van Zaakvoerders afhankelijk is gemaakt (artikel 15):
- de vervreemding van het geheel of een deel van het Vennootschapsvermogen, daaronder niet verstaan, het beleggen en herbeleggen binnen het kader van beheer van rekeningen of beleggingsportefeuilles als feitelijke universaliteit(en);
- het verstrekken of het aangaan van leningen, of het stellen van zekerheden (ongeacht of het voor eigen schulden is of voor schulden van derden);
- de aan- en verkoop van deelnemingen in andere vennootschappen of ondernemingen;
- het toekennen van bijzondere volmachten aan derden aan wie beslissingen omtrent het beheer van het Vennootschapsvermogen zouden worden opgedragen;
- handelingen waarbij één of meerdere Zaakvoerders een tegenstrijdig belang van vermogensrechtelijke aard heeft/hebben;
- het verhogen van het risicoprofiel van beleggingen;
- het aangaan van een verzekering.
Besluitvorming binnen de algemene vergadering (artikel 21)
11. Ieder aandeel van klasse C (alle in het bezit van de Dochter, mevrouw Z) geeft in alle gevallen recht op één (1) stem.
De aandelen van klasse B (alle in het bezit van mevrouw Y) zullen samen steeds recht geven op evenveel stemmen als het totaal aantal stemmen verbonden aan de aandelen van klasse C.
De aandelen van klasse A (alle in het bezit van de Aanvrager, de heer X) geven slechts in de hierna limitatief opgesomde gevallen elk recht op één (1) stem:
- in een algemene vergadering die dient te beslissen over:
- enige wijziging van de statuten;
- de overdracht of overgang van aandelen, waar deze overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- het bezwaren van aandelen met enige rechten of zekerheden, waar dit overeenkomstig deze statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- een bijkomende inbreng van vermogensbestanddelen in de maatschap door een persoon aan wie een vrije overdracht of overgang van aandelen niet mogelijk is;
- alle bestuurszaken waarover zich binnen het College van Zaakvoerders een staking van stemmen voordoet, zodat de algemene vergadering daarover dient te beslissen overeenkomstig artikel 13 van de statuten;
- de beslissing tot benoeming of ontslag van een zaakvoerder;
- de beslissingen of de handelingen inzake bestuur waarvoor de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering vereist is overeenkomstig artikel 15 van deze statuten;
- het geven van een volmacht door een vennoot aan een derde niet-vennoot om hem of haar te vertegenwoordigen op de algemene vergadering;
- bij staking van stemmen tussen de aandelen van klasse B (alle in het bezit van mevrouw Y) en de aandelen van klasse C (alle in het bezit van de Dochter, mevrouw Z).
In alle andere gevallen hebben de aandelen van klasse A (alle in het bezit van de Aanvrager, de heer X) geen stemrecht.
In principe worden alle beslissingen van de algemene vergadering rechtsgeldig genomen met een gewone meerderheid van de stemmen, behalve de beslissingen over de volgende aangelegenheden die met unanimiteit moeten worden genomen:
- enige wijziging van de statuten;
- de overdracht of overgang van aandelen, waar deze overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- het bezwaren van aandelen met enige rechten of zekerheden, waar dit overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- een bijkomende inbreng van vermogensbestanddelen in de maatschap door een persoon aan wie een vrije overdracht of overgang van aandelen niet mogelijk is;
- de beslissing tot benoeming of ontslag van een derde niet-vennoot als zaakvoerder;
- de beslissingen of de handelingen inzake bestuur waarvoor de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering vereist is overeenkomstig artikel 15 van de statuten;
- het geven van een volmacht door een vennoot aan een derde niet-vennoot om hem of haar te vertegenwoordigen op de algemene vergadering.
Samenvatting van de positie van de partijen in de maatschap
12. Op het vlak van het bestuur van de maatschap kan de ene zaakvoerder (de Dochter of mevrouw Y) niet beslissen zonder het akkoord van de andere zaakvoerder (mevrouw Y of de Dochter), en is er dus sprake van een gezamenlijk bestuur.
Komen de voormelde zaakvoerders niet tot een consensus, dan zal de zaak worden voorgelegd aan de algemene vergadering van vennoten, waarbinnen de Aanvrager, de heer X, als houder van de aandelen van klasse A, uiteindelijk de doorslag zal kunnen geven.
Met betrekking tot een aantal limitatief opgesomde materies ten aanzien waarvan de Aanvrager, de heer X, als houder van de aandelen van klasse A, niettegenstaande deze zonder stemrecht zijn, toch stemrecht verkrijgt [2], zal hij eveneens bij onenigheid tussen de Dochter en mevrouw Y uiteindelijk de doorslag kunnen geven.
Anderzijds heeft de Aanvrager, de heer X, met betrekking tot de meeste van diezelfde belangrijke limitatief opgesomde materies, wegens de hiervoor voorgeschreven unanimiteitsvereiste [3], een vetorecht, wat betekent dat zijn Dochter en mevrouw Y hem in deze door samenspanning niet buiten spel kunnen zetten.
Tegen beslissingen die de Dochter en mevrouw Y op welk niveau dan ook gezamenlijk nemen over alle andere aangelegenheden van de maatschap, kan de Aanvrager, de heer X in principe niets inbrengen.
Pacte Adjoint [4]
13. De Aanvrager bewerkstelligt middels de inbreng ten behoeve van een derde een onrechtstreekse schenking, waarvan naderhand een pacte adjoint zal worden opgemaakt, strekkende tot bewijs van onrechtstreekse schenking.
Een onrechtstreekse schenking wordt gekenmerkt door haar autonoom en neutraal karakter.
Het autonoom karakter houdt in dat de gestelde rechtshandeling aan een eigen specifieke reglementering onderworpen is en op zichzelf staat. De inbreng in een maatschap is aan de eigen specifieke reglementering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen onderworpen. De inbreng door oprichting van een maatschap (waarbij de aandelen uitgegeven worden aan een andere persoon dan de inbrenger) heeft bijgevolg een autonoom statuut, waaraan een onmiddellijke en definitieve vermogensoverdracht gekoppeld is.
Het neutraal karakter van de gestelde rechtshandeling houdt in dat een onrechtstreekse schenking tot stand komt via een neutrale en definitieve rechtshandeling, die niet aangeeft of ze ten kosteloze titel of ten bezwarende titel is aangegaan, m.a.w. de oprichtingsakte vermeldt niet dat het om een schenking gaat.
De pacte adjoint zal onder meer volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten verbonden aan de onrechtstreekse schenking uitdrukkelijk schriftelijk bevestigen:
- voorschot op erfenis;
- zaakvervangingsclausule;
- conventioneel recht van terugkeer;
- optionele lijfrentelast;
- uitsluitingsclausule;
- tijdelijk vervreemdingsverbod;
ontbindende voorwaarden.
III. Motivering van de aanvraag
1. Artikel 2.7.1.0.3 , 3° VCF (schenking onder opschortende voorwaarde of termijn), artikel 2.7.1.01 en 2.7.1.02 VCF al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
Artikel 2.7.1.0.3 , 3° VCF luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° (…)
2° (…)
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”
14. De aandelen worden door de Aanvrager definitief en onherroepelijk (onrechtstreeks) en meteen geschonken aan de Dochter. De eigendom wordt definitief en in volle eigendom overgedragen van de Aanvrager aan de Dochter. De (onrechtstreekse) schenking wordt niet gekoppeld aan enige opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de Aanvrager (schenker).
Artikel 2.7.1.0.3 , 3° VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting.
Artikel 2.7.1.0.1 VCF bepaalt: “Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.”
Artikel 2.7.1.0.2 , lid 1 VCF bepaalt: “De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.”
15. De artikelen 2.7.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.2 VCF belasten met erfbelasting goederen die door een erfgenaam, legataris of begiftigde worden verkregen uit de nalatenschap via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
In casu wenst de Aanvrager een onrechtstreekse schenking via een beding ten behoeve van een derde te doen ten voordele van zijn Dochter.
Een schenking komt tot stand tijdens het leven van de schenker en is voltrokken door de aanvaarding ervan door de begiftigde. Vanaf dat ogenblik gaat het eigendomsrecht van het geschonken goed over van de schenker op de begiftigde.
Bijgevolg is er geen sprake van een verkrijging uit de nalatenschap van de schenker en zijn de artikelen 2.7.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.2 VCF niet van toepassing.
Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
16. De fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF werd destijds ingevoerd kort na de invoering van de lage vlakke tarieven van 3 % en 7 % bij schenking van roerende goederen. De lage tarieven hadden als doelstelling roerende kapitalen sneller te laten doorvloeien naar de jongere generatie. Van de vlakke tarieven zou echter eenvoudig misbruik kunnen gemaakt worden door te schenken onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker. Daardoor wordt de overdracht van het vermogen uitgesteld tot op het ogenblik van het overlijden, waardoor toch van de lage schenkingstarieven gebruik gemaakt kan worden. Bij het overlijden werden dan immers enkel schenkingsrechten opeisbaar (en niet de vaak veel hogere successierechten), vermits de schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden de schenkingsrechten maar opeisbaar maakte bij het voltrekken van de voorwaarde, zijnde het overlijden. Omdat zo'n schenking burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen heeft als een legaat, is toen beslist om ze fiscaalrechtelijk gelijk te stellen met een legaat (MvT, Parl.St. Vl.Parl. 2004-05, nr. 124/1, 11-12).
Het hof van beroep Gent heeft in haar arrest benadrukt dat het in het kader van de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling aan de Vlaamse belastingdienst is om aan te tonen dat een welbepaalde verrichting ingaat tegen de doelstelling van een fiscale bepaling (Gent 1 december 2020, 2018/AR/1269).
In casu wordt niet ingegaan tegen doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, onder meer om volgende redenen:
- De maatschap heeft een vaste duurtijd van dertig (30) jaar vanaf de oprichting, en is dus niet afhankelijk van het leven van de Aanvrager.
- Er is geen uitstel van eigendomsoverdracht; de Dochter verkrijgt onmiddellijk de volle eigendom van de onrechtstreeks geschonken delen; bij verkoop van de delen van de maatschap of bij ontbinding van de maatschap komt de verkregen prijs respectievelijk de actiefbestanddelen van de maatschap in verhouding tot haar deelneming in de maatschap in het vermogen van de Dochter.
- Het beheer van de maatschap dat wordt toegekend aan de zaakvoerders, bestaande uit mevrouw Y en de Dochter, van de maatschap is ingegeven in het belang van het vermogen van de maatschap (gelimiteerd zaakvoerderschap) en dus van alle vennoten; dit is wezenlijk verschillend van het zeggenschap dat een eigenaar over zijn goederen heeft; een maatschapscontract is enkel een lastgevingscontract waarbij de zaakvoerder voor rekening van alle vennoten daden van beheer en beschikking binnen het welomschreven voorwerp van de maatschap kan stellen.
- De Aanvrager (de schenker) is geen zaakvoerder in de maatschap. De Dochter wordt mede aangesteld als zaakvoerder van de maatschap, naast haar moeder, mevrouw Y, waardoor de Dochter (begiftigde) actief deelneemt aan de beraadslagingen over de beslissingen op het niveau van de zaakvoering.
Op het vlak van het bestuur van de maatschap kan de ene zaakvoerder (de Dochter of mevrouw Y) niet beslissen zonder het akkoord van de andere zaakvoerder (mevrouw Y of de Dochter), en is er dus sprake van een gezamenlijk bestuur. Komen de voormelde zaakvoerders niet tot een consensus, dan zal de zaak worden voorgelegd aan de algemene vergadering van vennoten, waarbinnen de Aanvrager als houder van de aandelen van klasse A, uiteindelijk de doorslag zal kunnen geven.
Met betrekking tot een aantal limitatief opgesomde materies ten aanzien waarvan de Aanvrager, als houder van de aandelen van klasse A, niettegenstaande deze zonder stemrecht zijn, toch stemrecht verkrijgt [5], zal hij eveneens bij onenigheid tussen de Dochter en mevrouw Y uiteindelijk de doorslag kunnen geven.
Anderzijds heeft de Aanvrager met betrekking tot de meeste van diezelfde belangrijke limitatief opgesomde materies, wegens de hiervoor voorgeschreven unanimiteitsvereiste [6], een vetorecht, wat betekent dat zijn Dochter en mevrouw Y hem in deze door samenspanning niet buiten spel kunnen zetten.
Tegen beslissingen die de Dochter en mevrouw Y op welk niveau dan ook gezamenlijk nemen over alle andere aangelegenheden van de maatschap, kan de Aanvrager, de heer X in principe niets inbrengen (zoals bijvoorbeeld de goedkeuring van de jaarrekening van de maatschap, het verrichten van winstuitkeringen).
Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op voorgenomen verrichtingen.
2. Artikel 2.7.1.0.7 VCF (gesplitste inschrijving) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
Artikel 2.7.1.0.7 VCF luidt als volgt:
“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing:
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
17. Voor de toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF blijkt de gesplitste inschrijving van een effectenportefeuille of geldbelegging die door een maatschap wordt aangehouden uit:
- Ofwel de vermeldingen in het matenregisters;
- Ofwel de vermeldingen in de documenten zoals door de financiële instellingen bijgehouden (SP 20067 dd. 21 juni 2021).
In casu ligt geen gesplitste inschrijving voor, vermits geen enkel deel van de maatschap aangehouden wordt in vruchtgebruik door de Aanvrager en in blote eigendom door de Dochter.
Mocht deze inschrijving op de aandelen van de maatschap zoals hierboven beschreven als een gesplitste inschrijving worden beschouwd, quod non, dan benadrukken wij dat er bij de inschrijving geen handeling ten bezwarende titel voorligt.
Artikel 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF, kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen.
3. Artikel 2.7.1.0.9 VCF (voorbehouden van levenslang recht) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
Artikel 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:
“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als:
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”
18. De delen van de maatschap worden verkregen middels een onrechtstreekse schenking.
De onrechtstreekse schenking door toebedeling van aandelen aan de Dochter kan niet worden gekwalificeerd als een overeenkomst ten bezwarende titel, vermits de rechtshandeling de kwalificatie schenking moet verkrijgen. Er bestaat geen (en minstens geen gelijkwaardige) tegenprestatie van de begiftigde (de Dochter) aan de Aanvrager.
Het opvragen of opnemen van de rentes mag er immers in geen geval toe leiden dat aan de begiftigde (de Dochter) in totaal meer zou kunnen worden gevraagd dan vijftig procent (50%) van de geschonken waarde. Hiermee wordt beoogd dat de last niet danig hoog zal oplopen dat de schenking in feite geen schenking meer is. Er kan zich met andere woorden nooit een herkwalificatie naar een contract ten bezwarende titel opdringen.
Artikel 2.7.1.0.9 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen.
We verwijzen voorts op dit punt naar de voorafgaande beslissingen nummer 22069 dd. 27 februari 2023, nummer 22070 dd. 27 februari 2023, nummer 23022 dd. 22 mei 2023 en nummer 24055 van 13 januari 2025, waarin wordt aanvaard dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar een contract ten bezwarende titel zal gebeuren. Dat bijgevolg voor zover de schenking niet uitgeput kan worden door de plafonnering van de last, er geen toepassing zal worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.9 VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
De aanvragers zijn van mening dat de voorgenomen verrichting ook niet middels een gecombineerde toepassing van de artikelen 2.7.1.0.9 en 3.17.0.0.2 VCF aan erfbelasting kan worden onderworpen.
De algemene antimisbruikbepaling kan enkel worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van de fiscale wetgeving, de simulatieleer en de bijzondere fiscale misbruikbepalingen (de fictiebepalingen vervat in de artikelen 2.7.1.0.3 en volgende VCF) geen oplossing meer kunnen bieden. Het Grondwettelijk Hof heeft, in haar arrest van 30 oktober 2013, geoordeeld dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de fiscale wetgeving tegen te gaan. Eén en ander noopt, naar de mening van de Aanvrager, tot een mate van “terughoudendheid” bij een gecombineerde toepassing van een specifieke en de algemene antimisbruikbepaling.
Artikel 2.7.1.0.9 VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op voorgenomen verrichting.
4. Artikel 2.7.1.0.5 VCF al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
Artikel 2.7.1.0.5 VCF luidt als volgt:
“§ 1 De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2 De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”
19. Vermits de delen in volle eigendom toebehoren aan de Dochter, is een keuze van de algemene vergadering om de winsten te reserveren geen onrechtstreekse schenking in de zin van standpunt nr. 20067 dd. 21 juni 2021.
De inbreng in natura ten behoeve van een derde (de Dochter) door de Aanvrager waarbij de aandelen door de maatschap worden uitgegeven aan de Dochter vormt een onrechtstreekse schenking die niet a priori ter registratie zal aangeboden worden.
Op deze onrechtstreekse schenking zal artikel 2.7.1.0.5 VCF van toepassing zijn. Indien de Aanvrager komt te overlijden binnen de vijf jaar na de onrechtstreekse schenking, zal deze schenking als fictief legaat aan erfbelasting onderworpen zijn, tenzij het bewijsdocument voorafgaand aan het overlijden van de Aanvrager ter registratie wordt aangeboden.
5. Artikel 2.7.1.0.6 VCF al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF
Artikel 2.7.1.0.6 VCF luidt als volgt:
“§ 1 De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen vijf jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.
Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.
§ 2 Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.
Dit artikel is niet van toepassing op:
1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater, of door tussenkomst van de werkgever van de langstlevende echtgenoot van de erflater die met de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.”
20. Bij overlijden van de Aanvrager zullen uit hoofde van de inbreng ten behoeve van een derde geen sommen, renten of waarden toekomen aan de Dochter. De aandelen van de maatschap komen onmiddellijk toe aan het vermogen van de Dochter.
Het voordeel is met andere woorden uitgekeerd op het ogenblik van de oprichting van de maatschap, waardoor de verkrijging van aandelen van de maatschap onmiddellijk opeisbaar is (en niet slechts bij het overlijden van de erflater of op een later tijdstip). Overlijdt de schenker (de Aanvrager) binnen de vijf jaar na de oprichting van de maatschap, zal evenwel erfbelasting verschuldigd zijn op basis van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
Een uitkering uit de maatschap, zoals een dividend, gaat vennootschapsrechtelijk terug op een overeenkomst tussen de maatschap en de aandeelhouders van de maatschap. Een uitkering uit de maatschap gaat dus niet terug op een contract afgesloten tussen de ouders en de maatschap, maar om een overeenkomst tussen de aandeelhouders en de maatschap, waardoor ook na het overlijden van de schenker geen erfbelasting kan geheven worden op een uitkering verkregen uit de maatschap op basis van artikel 2.7.0.1.6 VCF.
De Aanvrager is verder van mening dat de voorgenomen verrichting niet middels een gecombineerde toepassing van de artikelen 2.6.1.0.6 en 3.17.0.0.2 VCF aan erfbelasting kan worden onderworpen. De algemene antimisbruikbepaling kan enkel worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van de fiscale wetgeving, de simulatieleer en de bijzondere fiscale misbruikbepalingen (de fictiebepalingen vervat in de artikelen 2.7.1.0.3 en volgende VCF) geen oplossing meer kunnen bieden. Het Grondwettelijk Hof heeft, in haar arrest van 30 oktober 2013, geoordeeld dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de fiscale wetgeving tegen te gaan. Eén en ander noopt, naar de mening van de Aanvrager, tot een mate van “terughoudendheid” bij een gecombineerde toepassing van een specifieke en de algemene antimisbruikbepaling.
Artikel 2.7.1.0.6 VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen.
6. Geen toepassing artikel 2.8.1.0.1 VCF
Artikel 2.8.1.0.1 VCF luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
21. Vermits het gaat om een onrechtstreekse schenking door middel van een inbreng ten behoeve van een derde rust er geen verplichting op de partijen om tot registratie van de schenking over te gaan. Om deze reden is artikel 2.8.1.0.1 VCF niet van toepassing voor zover partijen niet vrijwillig overgaan tot het registreren van de onrechtstreekse schenking, zodoende dat er geen schenkbelasting verschuldigd is op de voorgenomen verrichtingen.
7. Geen toepassing artikel 3.17.0.0.2 VCF
22. Er is sprake van fiscaal misbruik in de zin van de algemene antimisbruikbepaling indien de belastingplichtige een rechtshandeling stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van een fiscale bepaling in de wet, buiten het toepassingsgebied van die bepaling stelt terwijl er voor die keuze geen enkele andere verklaring bestaat dan het vermijden van de belasting of zich juist binnen het toepassingsgebied van een verminderde of vrijstellende wet stelt terwijl er voor die keuze geen enkele andere verklaring bestaat dan het besparen van belastingen.
In casu is evenwel geen sprake van fiscaal misbruik, vermits er geen doelstellingen van fiscale bepalingen worden gefrustreerd. Samengevat, de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF kan niet toegepast worden op de voorgenomen verrichtingen.
Verzoek
23. Gelet op het voorgaande verzoeken wij het besluitvormingsorgaan onderhavig verzoek ontvankelijk te willen verklaren, en bij wijze van voorafgaande beslissing te willen bevestigen dat:
- artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF niet kan worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen;
- artikel 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF, niet kan worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen;
- artikel 2.7.1.0.9 VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF niet kan worden toegepast op voorgenomen verrichting;
- de inbreng in natura ten behoeve van een derde (de Dochter) door de Aanvrager waarbij de aandelen door de maatschap worden uitgegeven aan de Dochter vormt een onrechtstreekse schenking die niet aan registratieverplichting is onderworpen. Op deze onrechtstreekse schenking zal artikel 2.7.1.0.5 VCF van toepassing zijn. Indien de Aanvrager komt te overlijden binnen de vijf jaar na de onrechtstreekse schenking, zal deze schenking als fictief legaat aan erfbelasting onderworpen zijn, tenzij het bewijsdocument voorafgaand aan het overlijden van de Aanvrager ter registratie wordt aangeboden ter heffing van de schenkbelasting;
- artikel 2.7.1.0.6 VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF niet kan worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen;
- de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet kan toegepast worden op de voorgenomen verrichtingen.
IV. Beslissing
24. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepalingen van de VCF worden toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.
Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de verrichting.
In casu betreffen de voorgenomen verrichtingen:
a. de oprichting van een nieuwe maatschap tussen een vader, zijn partner en hun enig (meerderjarig) kind, met toekenning van aandelen proportioneel aan de inbrengen aan de vader, de partner en het kind in deze maatschap,
b. samen in zelfde oprichting, met de inbreng in maatschap door de vader van vermogensbestanddelen, met toekenning van aandelen proportioneel aan deze inbreng door de vader, doch waarvan de aandelen uitgegeven worden aan het enig kind als beding ten behoeve van derden.
Aanvragers kwalificeren dit tweede deel (b.) van de voorgenomen verrichting als een onrechtstreekse schenking, op basis van beding ten behoeve van derden, door de vader aan zijn kind.
Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘onrechtstreekse schenking’ niet wettelijk gedefinieerd is, en dat er in de rechtsleer verschillende strekkingen bestaan voor de invulling van dit begrip. In casu kwalificeert aanvrager de inbreng in de maatschap door de vader, waarbij aandelen worden uitgegeven ten behoeve van een mede-oprichter-vennoot (het kind), als een onrechtstreekse schenking van de inbrengende vennoot aan het kind.
Gezien het besluitvormingsorgaan bij voorafgaande beslissing echter geen uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de voorgelegde verrichtingen, wordt er voor de toetsing van voormelde artikelen van het VCF van uitgegaan dat de oprichting van de maatschap geldig is en bovendien voor wat betreft de inbreng met beding ten behoeve van derden kan kwalificeren als onrechtstreekse schenking.
Enkel in de mate dat de verrichtingen die door de aanvragers worden voorgesteld burgerrechtelijk geldig zijn en dat bovendien de inbreng kan kwalificeren als een schenking, en meer bepaald als een onrechtstreekse schenking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
25. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van “enige andere bepaling” in het algemeen.
A. Onderzoek artikelen VCF
26. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.
- Artikel 2.7.1.0.2 alinea 1 VCF, dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
- Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 2.7.1.0.6 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen vijf jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.
Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.
Dit artikel is niet van toepassing op :
1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater, of door tussenkomst van de werkgever van de langstlevende echtgenoot van de erflater die met de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.
- Artikel 2.7.1.0.7 VCF, dat luidt als volgt:
De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.
- Artikel 2.7.1.0.9 VCF, dat luidt als volgt:
Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling), dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
B. Beoordeling
1) Mogelijke toepassing van artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
27. Artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF betreffen de overgang van goederen bij overlijden.
Zoals hiervoor uiteengezet, neemt het besluitvormingsorgaan voor haar fiscale beoordeling bij voorafgaande beslissing aan, dat de burgerrechtelijke kwalificatie die aanvrager geeft aan de door hem voorgenomen verrichting geldig is, en voor wat de bijkomende inbreng in maatschap betreft, dat deze kan kwalificeren als een (onrechtstreekse) schenking.
28. In de mate dat door de voorgenomen verrichtingen, de heer X inderdaad een geldige (onrechtstreekse) schenking aan zijn dochter, Z tot stand bracht, zullen de bijkomend ingebrachte goederen zich bij het overlijden van de heer X zich niet meer in zijn nalatenschap bevinden, en zal er geen toepassing gemaakt worden van de artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
2) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
29. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker. De ratio legis van deze bepaling is dat de schenker niet de facto de overdracht van de geschonken goederen mag uitstellen tot op het ogenblik van het overlijden.
30. Gelet op de concrete feitenconstellatie zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
3) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
31. Voor zover door de voorgenomen verrichtingen inderdaad een geldige schenking door de vader aan zijn kind tot stand gebracht wordt, zal deze schenking onder het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.5 VCF vallen.
Indien de vader zou overlijden binnen de termijn voorzien in artikel 2.7.1.0.5 VCF, wordt de begiftigde geacht het voorwerp van de schenking als legaat te hebben verkregen, tenzij het bewijsdocument voorafgaand aan het overlijden van de schenker ter registratie werd aangeboden.
Bij gebrek aan registratie van het bewijsdocument van een schenking, zal op het moment van overlijden dienen bewezen te worden dat buiten de termijn voorzien in artikel 2.7.1.0.5 VCF een schenking, bevattende alle constitutieve elementen van een schenking, heeft plaatsgevonden.
32. Aanvrager verwijst naar Standpunt nr. 20067 van de Vlaamse Belastingdienst om aan te geven dat de winstreservatie door de algemene vergadering van de maatschap niet valt onder de belastbaarheid van artikel 2.7.1.0.5 VCF. Aangezien het in casu niet om een gesplitste inschrijving gaat, is het SP 20067 niet van toepassing.
4) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
33. Artikel 2.7.1.0.6 VCF treft bedingen ten behoeve van een derde.
Een beding ten behoeve van een derde is een beding in een contract waarbij een van de contractanten van de medecontractant bedingt dat deze laatste iets zal geven of iets zal doen in het voordeel van een derde, die vreemd is aan het contract en er niet in vertegenwoordigd is.
Gezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, en als dusdanig geen actief en passief rechtssubject is, kan de heer X geen contract met de maatschap sluiten. Artikel 2.7.1.0.6 VCF is hierop niet van toepassing.
34. Dezelfde redenering is van toepassing op de latere uitkeringen via het doelvermogen dat de maatschap is.
De uitkeringen uit dit doelvermogen worden fiscaal aanzien als uitkeringen uit de achterliggende goederen, zodat artikel 2.7.1.0.6 VCF niet van toepassing is.
5) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
35. Artikel 2.7.1.0.7 VCF is hier niet aan de orde, aangezien het niet gaat om roerende of onroerende goederen die gesplitst worden aangekocht noch om effecten of geldbeleggingen die gesplitst zijn ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
36. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.7 VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
6) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF en artikel 3.17.0.0.2 VCF?
37. In het ontwerp van pacte adjoint wordt volgende last verbonden aan de als onrechtstreekse schenking gekwalificeerde inbreng in de maatschap:
“Optionele lijfrentelast
De schenking gebeurde onder last van betaling van een lijfrente van maximaal honderdvijfentwintig duizend euro (€125.000,00) per kalenderjaar, ten laste van de Begiftigde, in het voordeel van de Schenker, (…).”“
Het opvragen of opnemen van de rentes mag er in geen geval toe leiden dat aan de Begiftigde in totaal meer zou kunnen worden gevraagd dan vijftig procent (50%) van de Geschonken Waarde.”
38. Door de plafonnering van de geldelijke last op 50% van de waarde van de schenking op het moment van de schenking, wordt beoogd dat de last niet zo hoog oploopt dat het in feite geen schenking meer is, waardoor er zich een herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zou opdringen.
Het besluitvormingsorgaan aanvaardt dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zal gebeuren.
In dit geval zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.9 VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
7) Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF?
39. Aanvragers geven aan dat de verplichting tot registratie voorzien in artikel 2.8.1.0.1 VCF niet van toepassing is “vermits het gaat om een onrechtstreekse schenking door middel van een inbreng ten behoeve van een derde” en er bijgevolg geen verplichting op de partijen rust om tot registratie van de schenking over te gaan.
40. Artikel 2.8.1.0.1 VCF verwijst naar federale bepalingen inzake de registratieplicht van akten. Het besluitvormingsorgaan kan geen uitspraak doen over de gevraagde (rechtstreekse) toepassing van deze federale bepalingen.
41. Er kan geen toetsing gevraagd van deze federale bepalingen inzake de registratieplicht aan de anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Een toetsing van deze federale bepalingen kan enkel aan de federale anti-misbruikbepaling, hetgeen een federale ruling zou vereisen.
42. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratie- en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Een ontwerp van de overeenkomst houdende oprichting en vaststelling van de statuten van de maatschap werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.
[2] I.e.:
- enige wijziging van de statuten;
- de overdracht of overgang van aandelen, waar deze overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- het bezwaren van aandelen met enige rechten of zekerheden, waar dit overeenkomstig deze statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- een bijkomende inbreng van vermogensbestanddelen in de maatschap door een persoon aan wie een vrije overdracht of overgang van aandelen niet mogelijk is;
- de beslissing tot benoeming of ontslag van een zaakvoerder;
- de beslissingen of de handelingen inzake bestuur waarvoor de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering vereist is overeenkomstig artikel 15 van de statuten [i.e.: de vervreemding van het geheel of een deel van het vennootschapsvermogen, daaronder niet verstaan, het beleggen en herbeleggen binnen het kader van beheer van rekeningen of beleggingsportefeuilles als feitelijke universaliteit(en); het verstrekken of het aangaan van leningen, of het stellen van zekerheden (ongeacht of het voor eigen schulden is of voor schulden van derden); de aan- en verkoop van deelnemingen in andere vennootschappen of ondernemingen; het toekennen van bijzondere volmachten aan derden aan wie beslissingen omtrent het beheer van het vennootschapsvermogen zouden worden opgedragen; handelingen waarbij één of meerdere zaakvoerders een tegenstrijdig belang van vermogensrechtelijke aard heeft/hebben; het verhogen van het risicoprofiel van beleggingen; het aangaan van een verzekering];
- het geven van een volmacht door een vennoot aan een derde niet-vennoot om hem of haar te vertegenwoordigen op de algemene vergadering;
- bij staking van stemmen tussen de aandelen van klasse B (alle in het bezit van mevrouw Y) en de aandelen van klasse C (alle in het bezit van de Dochter, mevrouw Z).
[3] I.e.:
- enige wijziging van de statuten;
- de overdracht of overgang van aandelen, waar deze overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- het bezwaren van aandelen met enige rechten of zekerheden, waar dit overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- een bijkomende inbreng van vermogensbestanddelen in de maatschap door een persoon aan wie een vrije overdracht of overgang van aandelen niet mogelijk is;
- de beslissing tot benoeming of ontslag van een derde niet-vennoot als zaakvoerder;
- de beslissingen of de handelingen inzake bestuur waarvoor de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering vereist is overeenkomstig artikel 15 van de statuten [i.e.: de vervreemding van het geheel of een deel van het vennootschapsvermogen, daaronder niet verstaan, het beleggen en herbeleggen binnen het kader van beheer van rekeningen of beleggingsportefeuilles als feitelijke universaliteit(en); het verstrekken of het aangaan van leningen, of het stellen van zekerheden (ongeacht of het voor eigen schulden is of voor schulden van derden); de aan- en verkoop van deelnemingen in andere vennootschappen of ondernemingen; het toekennen van bijzondere volmachten aan derden aan wie beslissingen omtrent het beheer van het vennootschapsvermogen zouden worden opgedragen; handelingen waarbij één of meerdere zaakvoerders een tegenstrijdig belang van vermogensrechtelijke aard heeft/hebben; het verhogen van het risicoprofiel van beleggingen; het aangaan van een verzekering];
- het geven van een volmacht door een vennoot aan een derde niet-vennoot om hem of haar te vertegenwoordigen op de algemene vergadering.
[4] Het ontwerp van pacte adjoint werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.
[5] I.e.:
- enige wijziging van de statuten;
- de overdracht of overgang van aandelen, waar deze overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- het bezwaren van aandelen met enige rechten of zekerheden, waar dit overeenkomstig deze statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- een bijkomende inbreng van vermogensbestanddelen in de maatschap door een persoon aan wie een vrije overdracht of overgang van aandelen niet mogelijk is;
- de beslissing tot benoeming of ontslag van een zaakvoerder;
- de beslissingen of de handelingen inzake bestuur waarvoor de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering vereist is overeenkomstig artikel 15 van de statuten [i.e.: de vervreemding van het geheel of een deel van het vennootschapsvermogen, daaronder niet verstaan, het beleggen en herbeleggen binnen het kader van beheer van rekeningen of beleggingsportefeuilles als feitelijke universaliteit(en); het verstrekken of het aangaan van leningen, of het stellen van zekerheden (ongeacht of het voor eigen schulden is of voor schulden van derden); de aan- en verkoop van deelnemingen in andere vennootschappen of ondernemingen; het toekennen van bijzondere volmachten aan derden aan wie beslissingen omtrent het beheer van het vennootschapsvermogen zouden worden opgedragen; handelingen waarbij één of meerdere zaakvoerders een tegenstrijdig belang van vermogensrechtelijke aard heeft/hebben; het verhogen van het risicoprofiel van beleggingen; het aangaan van een verzekering];
- het geven van een volmacht door een vennoot aan een derde niet-vennoot om hem of haar te vertegenwoordigen op de algemene vergadering;
- bij staking van stemmen tussen de aandelen van klasse B (alle in het bezit van mevrouw Y) en de aandelen van klasse C (alle in het bezit van de Dochter, mevrouw Z).
[6] I.e.:
- enige wijziging van de statuten;
- de overdracht of overgang van aandelen, waar deze overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- het bezwaren van aandelen met enige rechten of zekerheden, waar dit overeenkomstig de statuten de instemming van de algemene vergadering vereist;
- een bijkomende inbreng van vermogensbestanddelen in de maatschap door een persoon aan wie een vrije overdracht of overgang van aandelen niet mogelijk is;
- de beslissing tot benoeming of ontslag van een derde niet-vennoot als zaakvoerder;
- de beslissingen of de handelingen inzake bestuur waarvoor de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering vereist is overeenkomstig artikel 15 van de statuten [i.e.: de vervreemding van het geheel of een deel van het vennootschapsvermogen, daaronder niet verstaan, het beleggen en herbeleggen binnen het kader van beheer van rekeningen of beleggingsportefeuilles als feitelijke universaliteit(en); het verstrekken of het aangaan van leningen, of het stellen van zekerheden (ongeacht of het voor eigen schulden is of voor schulden van derden); de aan- en verkoop van deelnemingen in andere vennootschappen of ondernemingen; het toekennen van bijzondere volmachten aan derden aan wie beslissingen omtrent het beheer van het vennootschapsvermogen zouden worden opgedragen; handelingen waarbij één of meerdere zaakvoerders een tegenstrijdig belang van vermogensrechtelijke aard heeft/hebben; het verhogen van het risicoprofiel van beleggingen; het aangaan van een verzekering];
- het geven van een volmacht door een vennoot aan een derde niet-vennoot om hem of haar te vertegenwoordigen op de algemene vergadering.