Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25101 - Inbreng in maatschap gevolgd door notariële schenking aandelen maatschap Vlaamse Belastingdienst

VB 25101 - Inbreng in maatschap gevolgd door notariële schenking aandelen maatschap

Voorafgaande beslissing
Nummer

25101

Datum beslissing

1 december 2025

Publicatiedatum

15 januari 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.1. VCF
  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.7.1.0.7. VCF
  • art. 2.7.1.0.9. VCF
  • art. 2.7.4.2.2. VCF
  • art. 2.8.6.0.3. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De vennootschappen BV F, NV G en NV C kwalificeerden als vennootschappen die een reële economische activiteit uitoefenen zoals bedoeld in artikel 2.8.6.0.3, § 2, 2°, eerste lid en artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2°, eerste lid VCF;

2. De vennootschap NV E kwalificeerde als vennootschap die een reële economische activiteit uitoefent zoals bedoeld in artikel 2.8.6.0.3, § 2, 2°, tweede lid en artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2°, tweede lid VCF;

3. De schenking van de deelbewijzen in de op te richten maatschap na inbreng van de aandelen van NV E, BV F, NV G en NV C kan plaatsvinden onder de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3 VCF, evenredig met de waarde van de aandelen van de familiale vennootschappen in het totaal van de activa die aan de vennootschap zijn ingebracht;

4. De winstreservatie in hoofde van de maatschap niet aan erfbelasting zal worden onderworpen op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF;

5.. De voorgenomen schenking door mevrouw X (hierna: de ‘ouder’ of de ‘ouder-schenker’) niet aan erfbelasting zal worden onderworpen bij overlijden van de ouder op grond van artikel 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.1.0.7 of 2.7.1.0.9 VCF al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

6. De aanvraag wordt ingediend door Meester […], advocaat te

[…], in naam en voor rekening van:

Mevrouw X, (NN: […]) wonende te […] en van haar kinderen, de Heer Y (NN: […]) wonende te […], de Heer Z (NN: […],) wonende te […] en Mevrouw A (NN: […]), wonende […].

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

1. Oprichting van een maatschap

7. Mevrouw X bezit in volle eigendom een roerend vermogen bestaande uit onder andere liquide middelen, effectenrekeningen en aandelen in vennootschappen van de familiegroep.

Mevrouw X zal deze roerende goederen inbrengen in een nieuw op te richten Belgische maatschap (hierna de “maatschap” genoemd) en vervolgens de deelbewijzen in de maatschap schenken voor een Belgische notaris aan haar drie meerderjarige kinderen, Meneer Y, Meneer Z [1] en Mevrouw A gedeeltelijk onder de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3 VCF, waarbij door samenwerking, continuïteit en het verstevigen van de familiale banden, beoogd wordt de activiteiten van de groep in stand te houden en uit te breiden.[2]

Mevrouw X en haar kinderen zullen dus samen een Belgische maatschap “B” (hierna de “maatschap” genoemd) oprichten door inbreng.

De kinderen zullen bijkomende geldmiddelen inbrengen.

De goederen die door mevrouw X zullen worden ingebracht, zijn meer bepaald de volgende:

(i) Aandelen

  • de volle eigendom van 883.486 aandelen van de vennootschap C, naamloze vennootschap met maatschappelijke zetel te […], ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer […] (hierna “NV C” genoemd);
  • de volle eigendom van 1.470 aandelen van de vennootschap D, naamloze vennootschap met maatschappelijke zetel te […], ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer […] (hierna “NV D” genoemd);
  • de volle eigendom van 1.470 aandelen van de vennootschap E, naamloze vennootschap met maatschappelijke zetel te […], ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer […] (hierna “NV E” genoemd);
  • de volle eigendom van 7.729 aandelen van de vennootschap F, besloten vennootschap met maatschappelijke zetel te […], ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer […] (hierna “BV F” genoemd)

(ii) Aandelenportefeuille

Mevrouw X is ten persoonlijke titel de enige eigenaar in volle eigendom van de aandelenportefeuille met nummer […] bij […].

Mevrouw X is ten persoonlijke titel de enige eigenaar in volle eigendom van de aandelenportefeuille met nummer […] bij […].

Mevrouw X is ten persoonlijke titel de enige eigenaar in volle eigendom van de aandelenportefeuille met nummer […] bij […]

De oprichting van de maatschap maakt geen voorwerp uit van onderhavige verzoek tot het bekomen van een voorafgaande beslissing.

2. Notariële schenking

8. Onmiddellijk na de oprichting van de maatschap wenst mevrouw X, bij notariële akte (Belgische notaris), in volle eigendom en in gelijke delen, haar aandelen (behalve één) aan haar drie kinderen te schenken. De schenking zal gelden als een voorschot op het erfdeel van elk kind.

De schenking door Mevrouw X aan haar drie kinderen zal dus notarieel gebeuren (Belgische notaris) en, gelet op de verplichte registratie van de akten, aan Vlaamse schenkbelasting worden onderworpen.

De schenking zal een last inhouden tot het uitkeren van een periodieke rente van 4% per jaar per betrokken kind, waarbij de totale uitkering beperkt is tot 75% van de waarde van de schenking op het moment van de schenking, verminderd met de uitkeringen uit de maatschap als dividend.

Aan de gift zal tevens de last gekoppeld worden om de schenker, vanuit het geschonken vermogen, jaarlijks een lijfrente ten belope van maximaal 75% van de waarde van de geschonken goederen uit te keren (waardering ten tijde van de schenking). De lijfrente zal jaarlijks geïndexeerd worden op basis van de index der consumptieprijzen, waarbij de waarde van de geschonken goederen ten tijde van de gift als uitgangspunt geldt. Daarbij wordt bewust niet de waarde van het (fluctuerende) vermogen van de maatschap als referentie genomen.

Aan de gift zal ook een uitsluitingsclausule worden gekoppeld, waardoor de kinderen de geschonken goederen niet mogen betrekken in een relatievermogensrechtelijke regeling met hun partner. Deze clausule dient het familiaal karakter van de geschonken goederen te waarborgen.

Het is de kinderen verboden om de geschonken goederen te vervreemden of verpanden tijdens de duurtijd van de maatschap. Op dit principiële verbod gelden beperkte uitzonderingen. Zo is een overdracht aan de (achter)kleinkinderen van de schenker wel mogelijk.

Wettelijke bepalingen

1. Artikelen 2.8.6.0.3 VCF en 3.21.0.0.1 VCF (vrijstelling familiale vennootschap)

9. Artikel 2.8.6.0.3 VCF luidt als volgt:

In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld:

[…]

2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.

[…]

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder:

[…]

2° familiale vennootschap: een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent. Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.

Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren die voorafgaan aan de datum van de authentieke akte van schenking, cumulatief blijkt dat:

  1. de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage uitmaken dat gelijk is aan of lager is dan 1,50 % van de totale activa;
  2. de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De begiftigde kan het tegenbewijs daarvan leveren.

[…]

§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben”.

2. Art. 3.21.0.0.1. VCF

10. Artikel 3.21.0.0.1 VCF luidt als volgt:

“§ 1. Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is voldaan.

In het verzoek wordt opgave gedaan van de gegevens, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, eerste lid, en de bescheiden, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, worden toegevoegd.

§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen negentig dagen na de ontvangst van het verzoek”.

3. Artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VC

11. Artikel 2.7.1.0.1 VCF luidt als volgt:

“Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden”.

12. Artikel 2.7.1.0.2 VCF luidt als volgt:

“§1. De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.”

4. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (schenking onder opschortende voorwaarde of termijn) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF

13. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF luidt als volgt:

“Worden met oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1°[...]

2°[...]

3°alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden”

5. Artikel 2.7.1.0.9 VCF (voorbehouden van levenslang recht) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF

14. Artikel 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:

Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen. Het eerste lid is niet van toepassing als: 1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer; 2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

6. Artikel 2.7.1.0.5 VCF (niet geregistreerde schenking binnen de verdachte periode) al dan niet in samenlezing met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF

15. Artikel 2.7.1.0.5 VCF luidt op vandaag als volgt:

“§ 1 De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2 De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

7. Artikel 2.7.1.0.7 VCF (gesplitste inschrijving) al dan niet in samenlezing met artikel algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF

16. Artikel 2.7.1.0.7 VCF luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in de nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik zijn ingeschreven op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing:

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

8. Artikel 3.17.0.0.2 VCF

17. Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

III. Motivering van de aanvraag

1. Vrijstelling familiale onderneming is van toepassing onder artikel 2.8.6.0.3. VCF

18. Een attest van de vrijstelling van schenkbelasting voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen volgens artikel 3.21.0.0.1 VCF is ontvangen voor de vier betrokken vennootschappen onder het nummer:

  • […] op 12/09/2024 voor NV C;
  • […] op 12/09/2024 voor NV D;
  • […] op 22/11/2024 voor NV E;
  • […] op 24/03/2025 voor BV F;

Sinds de aangifte van de attesten heeft er geen enkele wijziging plaatsgevonden in de aandeelhoudersstructuur noch in de uitgeoefende activiteit.

2. Geen toepassing van de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF

19. De aanvrager verzoekt met betrekking tot de hiervoor weergegeven verrichtingen te bevestigen dat de schenking in volle eigendom door de ouder aan kinderen van deelgerechtigdheden in de maatschap niet zal worden onderworpen aan erfbelasting op grond van de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.1.0.7 VCF of 2.7.1.0.9 VCF, om de redenen die de aanvragers vermelden, dan wel om de redenen die de Vlaamse Belastingdienst hieromtrent zal uiteenzetten.

A. Artikelen 2.7.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.2 VCF

20. De artikelen 2.7.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.2 VCF belasten met erfbelasting goederen die door een erfgenaam, legataris of begiftigde worden verkregen uit de nalatenschap via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

In casu wenst Mevrouw X een notariële schenking te doen ten voordele van haar drie kinderen.

Een schenking komt tot stand tijdens het leven van de schenker en is voltrokken door de aanvaarding ervan door de begiftigde. Vanaf dat ogenblik gaat het eigendomsrecht van het geschonken goed over van de schenker op de begiftigde.

Bijgevolg is er geen sprake van een verkrijging uit de nalatenschap van de schenker en zijn de artikelen 2.7.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.2 VCF niet van toepassing.

Met betreft de algemene antimisbruikbepaling artikel 3.17.0.0.2 VCF, de aanvrager is van mening dat de voorgenomen verrichting ook niet middels een gecombineerde toepassing van de artikelen 2.7.1.0.1, 2.7.1.0.2 en 3.17.0.0.2 VCF aan erfbelasting kan worden onderworpen.

De doelstelling van deze bepalingen bestaat er in om iedere verkrijging uit de nalatenschap van de overledene - ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling - bij het overlijden van de erflater te onderwerpen aan erfbelasting.

Aangezien de voorgenomen verrichtingen verkrijgingen uit het vermogen van de aanvragers tijdens hun leven betreffen (schenkingen), wordt de doelstelling van voormelde bepaling niet gefrustreerd.

Artikelen 2.7.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.2 VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kunnen dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen.

B. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

21. Artikel 2.7.1.0.3,3° VCF bepaalt dat schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker, worden beschouwd als een legaat, en bijgevolg worden belast in de erfbelasting.

De aandelen worden door de ouder definitief en onherroepelijk (onrechtstreeks) en meteen geschonken aan de kinderen. De eigendom wordt definitief, onmiddellijk, onvoorwaardelijk [3] en in volle eigendom overgedragen van de ouder aan de kinderen. De schenking wordt niet gekoppeld aan enige opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker.

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF kan dan niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting.

Met betreft de algemene antimisbruikbepaling artikel 3.17.0.0.2 VCF, de aanvrager is van mening dat de voorgenomen verrichting ook niet middels een gecombineerde toepassing van de artikelen 2.7.1.0.3, 3° en 3.17.0.0.2 VCF aan erfbelasting kan worden onderworpen.

In de Memorie van Toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 waarbij artikel 4, 3° Wetboek Successierechten (thans in het Vlaams Gewest: artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF) werd ingevoerd, wordt vermeld:

“Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF werd ingevoerd om te vermijden dat het voordelige tarief in de schenkbelasting voor de schenking van roerende goederen (i.e. 3% dan wel 7%, afhankelijk van de verwantschap tussen schenker en begiftigde) gecombineerd zou worden met het uitstel van overdracht van de geschonken goederen tot aan het overlijden van de schenker. Aangezien schenkingen die plaatsvinden onder de opschortende voorwaarde/termijn van het overlijden van de schenker nagenoeg dezelfde burgerrechtelijke gevolgen kennen als een verkrijging bij overlijden, worden dergelijke schenkingen (fictief) gelijkgesteld met een legaat en aan erfbelasting onderworpen.

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF viseert enkel de schenkingen van roerende goederen waarbij de uitvoering van de schenking wordt uitgesteld tot het overlijden van een schenker. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF kan niet uitgebreid worden tot de eventuele controlebevoegdheid die een schenker zou hebben via een controlevehikel.

De aanvrager verwijst voor de volledigheid naar het arrest van het hof van beroep te Gent van 1 december 2020 (2018/AR/1269) waarin het Hof heeft beslist:

“Het hof stelt vast dat de geïntimeerde als belastingadministratie geenszins voldoet aan de op haar rustende bewijslast. Ook in een voorafgaande beslissing dient dit systeem van bewijs en tegenbewijs strikt te worden gevolgd, zoniet ligt er een schending voor van het grondwettelijk gewaarborgd legaliteitsbeginsel. De belastingadministratie kan niet volstaan met het aantonen dat de verrichting gepaard gaat met een fiscaal voordeel.

Zo toont de geïntimeerde niet aan dat de rechtshandelingen die de appellant voor ogen hebben, met name de inbreng van een deel van hun vermogen in een burgerlijke maatschap gevolgd door een schenking van de deelbewijzen van de maatschap aan hun kinderen onder last voor de kinderen om een jaarlijkse rente te betalen aan de schenkers, in tegenspraak zou zijn met de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF. De Vlaamse Belastingdienst stelt enkel dat deze rechtshandelingen zijn gekozen teneinde de toepassing van de fictiebepaling opgenomen in artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF te ontwijken en dat het de enkele bedoeling van de appellanten is om de volledige controle over het vermogen van de maatschap te behouden alsook dat de begiftigden handelingsonbekwaam zijn voor wat de aan de schenking opgelegde voorwaarden betreft. Tegen welke doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF deze rechtshandelingen ingaan, wordt niet verduidelijkt. Dit bewijs wordt niet geleverd door te poneren dat de rechtsgevolgen van de vooropgestelde constructie identiek zijn aan deze van schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. Bovendien, in welke mate de administratie tijdens deze beoordeling rekening heeft gehouden met de algemene context van de relevante fiscale wetgeving, de praktijken die gewoonlijk gangbaar waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van de fiscale bepaling waarvan zij het misbruik aanvoert alsook met het eventueel bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de betrokken fiscale bepaling tegen te gaan, is niet duidelijk niettegenstaande deze afweging voor de beoordeling van de voorgenomen verrichtingen relevant is gelet op de praktijk terzake.[4]

Daarnaast wijst de aanvrager erop dat er in ieder geval in casu geen sprake is van eenzelfde controlebevoegdheid door de ouder-schenker na de voorgenomen schenking als voordien.

In casu wordt niet ingegaan tegen doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, onder meer om volgende redenen:

Er is geen uitstel van eigendomsoverdracht; de kinderen hebben onmiddellijk de volle eigendom van de geschonken delen; bij verkoop van de delen van de maatschap of bij ontbinding van de maatschap komt de verkregen prijs respectievelijk de actiefbestanddelen van de maatschap voor 99,99 % in het vermogen van de kinderen;

Mevrouw X en de kinderen zullen op termijn allemaal samen statutair zaakvoerders zijn, al worden twee van de kinderen pas in 2030 met dat mandaat belast. De oudste zoon van mevrouw X zal met ingang van 1 januari 2026 als zaakvoerder optreden, in afwachting van de oprichting van de maatschap en de implementatie van de voorbereidende verrichtingen, zoals de inbreng van de portefeuilles en het leggen van de eerste bancaire contacten. Hij is momenteel reeds actief binnen de groep in loondienst.

De twee andere kinderen zijn jonger en momenteel nog niet volledig betrokken bij de activiteiten van de groep. Mevrouw X acht het wenselijk dat zij eerst verdere maturiteit en professionele ervaring verwerven alvorens toe te treden als zaakvoerder van de eenvoudige vennootschap.

Er wordt aldus gekozen voor een gefaseerde benadering die aansluit bij de actuele familiale context en dynamiek.

Beslissingen van de statutaire zaakvoerders vereisen een meerderheid, hetgeen impliceert dat Mevrouw X niet alleen kan beslissen en dit vanaf de oprichting van de eenvoudige vennootschap.

Concreet kan Mevrouw X, in haar hoedanigheid van zaakvoerder, de beschikkings- en beheershandelingen niet zelfstandig stellen; vanaf 1 januari 2026 heeft zij daarvoor minstens de medewerking van haar oudste zoon nodig, en vanaf 2030 de medewerking van ten minste twee kinderen.

Hieruit blijkt dat de bevoegdheden van Mevrouw X aan banden zijn gelegd en zij dus duidelijk geen volledige beschikkingsbevoegdheid heeft over het vermogen van de maatschap.

Het beheer van de maatschap dat wordt toegekend aan de zaakvoerders (bestaande uit zowel de ouder als de kinderen) van de maatschap is ingegeven in het belang van het vermogen van de maatschap (gelimiteerd zaakvoerderschap) en dus van alle maten; dit is wezenlijk verschillend van het zeggenschap dat een eigenaar over zijn goederen heeft; een maatschapscontract is enkel een lastgevingscontract waarbij de zaakvoerder voor rekening van alle maten daden van beheer en beschikking binnen het welomschreven voorwerp van de maatschap kan stellen;

De volgende beslissingen moeten bij gewone (eenvoudige) meerderheid worden genomen : (i) indien de maatschap een actiefbestanddeel wenst te hypothekeren of in pand te geven, (ii) indien de maatschap een actiefbestanddeel vervreemdt voor een waarde die lager is dan 90% van de waarde waarvoor het actief werd aangekocht of verworven, (iii) indien de maatschap een beslissing neemt met betrekking tot activa die een financiële impact heeft van meer dan 25% van de waarde van de op de oprichtingsdatum ingebrachte activa, (iv) indien de maatschap beslist tot de overdracht en/of verwerving van een actief die aanleiding kan geven tot een vermogensconflict van belangen met één of meerdere vennoten, (v) indien de maatschap een beslissing neemt met een transactiewaarde van minstens € 5.000.000,00 en (vi) indien de maatschap een lening of andere schuld aangaat van meer dan € 500.000,00. Dit betekent dat de kinderen de zaakvoering overheersen; De kinderen zijn meerderjarig en oefenen derhalve hun stemrecht zelf uit;

Alle anderen beslissingen op het niveau van de algemene vergadering vereist unanimiteit, waaronder onder meer:

  • De goedkeuring van de jaarlijkse rekeningen van de maatschap;
  • De beslissingen met betrekking tot de uitkering aan de Vennoten van interesten, winsten, inkomsten en dividenden ontvangen door de maatschap (en eventueel door haar gereserveerd), met inbegrip van hun toewijzing aan de verschillende categorieën (overeenkomstig artikel 10 van de Statuten);M
  • De aanpassing van de Statuten;
  • De goedkeuring van nieuwe vennoten;
  • Het besluit tot vervroegde ontbinding van de maatschap;
  • Het besluit tot terugbetaling van een deel van het maatschappelijk fonds van de maatschap.

Elk kind beschikt de facto over een vetorecht voor zeer verregaande beslissingen.

In haar hoedanigheid van aandeelhouder van de maatschap kan dus Mevrouw X evenmin zelfstandig beslissen over volgende aangelegenheden, die behoren tot de bevoegdheid van de algemene vergadering.

Hetgeen impliceert dat de ouder geen enkele beslissing alleen kan nemen, zowel omdat hij vanaf het begin niet de enige statutaire zaakvoerder is, als omdat bepaalde beslissingen tot de exclusieve bevoegdheid van de algemene vergadering behoren, waarin hij slechts een minderheidsstem heeft.

Bovendien kan de algemene antimisbruikbepaling geen toepassing vinden wanneer reeds een specifieke antimisbruikbepaling bestaat om bepaalde misbruiken (in casu schenken onder opschortende voorwaarde of termijn) tegen te gaan. Dat er geen misbruik voorligt blijkt ook uit het feit dat de kinderen uit eigen beweging beslissen om een statutenwijziging door te voeren.

Artikel 2.7.1.0.3, 3° in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan niet worden toegepast op voorgenomen verrichting.

C. Artikel 2.7.1.0.5 VCF

a) Winstreservatie door de algemene vergadering is geen onrechtstreekse schenking

22. Standpunt nr. 20067 dd. 21 juni 2021 vermeldt evenwel het volgende: “De beslissing van de algemene vergadering tot incorporatie van de vruchten wordt beschouwd als een onrechtstreekse schenking die onder toepassing van art. 2.7.1.0.5 VCF valt indien de vruchtgebruiker binnen de 3 jaar na de beslissing van de algemene vergadering overlijdt.

Vermits de aandelen (behalve één) in volle eigendom toebehoren aan de kinderen, is de keuze van de zaakvoering of de algemene vergadering om de winsten te reserveren geen onrechtstreekse schenking in de zin van standpunt nr. 20067 dd. 21 juni 2021.

We verwijzen voorts naar de voorafgaande beslissingen nummer 22069 dd. 27 februari 2023, nummer 22070 dd. 27 februari 2023, nummer 23022 dd. 22 mei 2023, nummer 23059 dd. 25 september 2023, nummer 23081 dd. 18 december 2023, nummer 24004 dd. 25 maart 2024, nummer 24005 dd. 25 maart 2024, nummer 24017 dd. 14 mei 2024 en nummer 24018 dd. 14 mei 2024 aangezien er in casu geen sprake is van een gesplitste aankoop of inschrijving. De winstreservatie in hoofde van de maatschap zal bijgevolg niet aan erfbelasting worden onderworpen op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

Artikel 2.7.1.0.5 VCF al dan niet in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de gereserveerde winsten.

b) Notariële schenking

23. De inbreng in natura van de goederen zal gevolgd worden door een notariële schenking (Belgische notaris).

Een notariële schenking moet in ieder geval worden geregistreerd en is dus onderworpen aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden.

Op deze notariële schenking zal artikel 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing zijn. Indien de ouder komt te overlijden binnen de vijf jaar na de schenking, zal deze schenking niet als fictief legaat aan erfbelasting onderworpen zijn.

Met betreft de algemene antimisbruikbepaling artikel 3.17.0.0.2 VCF, de aanvrager is van mening dat de voorgenomen verrichting ook niet middels een gecombineerde toepassing van de artikelen 2.7.1.0.5 en 3.17.0.0.2 VCF aan erfbelasting kan worden onderworpen.

Artikel 2.7.1.0.5 VCF werd ingevoerd om te vermijden dat een derde bedekt bevoordeeld wordt door de gesplitste verkrijging of inschrijving van (bepaalde) goederen en dit zonder de betaling van schenk- of erfbelasting.

Deze doelstelling wordt in casu niet gefrustreerd aangezien de aanvrager via schenkingen openlijke bevoordelingen wenst te doen en er schenkbelasting zal worden geheven.

D. Artikel 2.7.1.0.7 VCF

24. Artikel 2.7.1.0.7 VCF is niet rechtstreeks van toepassing op de beoogde verrichtingen, aangezien geen gesplitste eigendomsverhoudingen tot stand komen. De inbreng in de maatschap zal in volle eigendom plaatsvinden. De voorgenomen notariële schenking gebeurt ook immers in volle eigendom. Bij afwezigheid van een vruchtgebruik-blote eigendom verhouding kan artikel 2.7.1.0.7 VCF niet rechtstreeks toegepast worden.

Wat betreft de algemene antimisbruikbepaling artikel 3.17.0.0.2 VCF, is de aanvrager van mening dat de voorgenomen verrichting ook niet middels een gecombineerde toepassing van de artikelen 2.7.1.0.7 en 3.17.0.0.2 VCF aan erfbelasting kan worden onderworpen.

De doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF blijkt duidelijk uit de tekst van deze wetsbepaling: de wetgever wou vermijden dat goederen uit de nalatenschap van de erflater verdwenen door misbruik te maken van gesplitste eigendomsverhoudingen. Zonder daarbij evenwel elke gesplitste aankoop of gesplitste inschrijving te viseren, aangezien de wetgever zelf een relatief uitgebreide mogelijkheid openliet om het tegenbewijs van de zogenaamde bedekte bevoordeling te leveren.

De door de aanvrager beoogde verrichtingen zullen alle in volle eigendom plaatsvinden. De last om de geschonken goederen in te brengen in een maatschap [5] alsook de last tot uitkering van een periodieke lijfrente (met vaste en variabele component – evenwel op geen enkele wijze gekoppeld aan, of beperkt tot, de vruchten voortvloeiend uit het geschonken kapitaal zodat de rente niet gelijkgesteld kan worden met een vruchtgebruik) kunnen, en mogen, onmogelijk vergeleken worden met de hypothese waarin vruchtgebruik-blote eigendom verhoudingen tot stand gebracht worden.

Bij afwezigheid van gesplitste eigendomsverhoudingen kunnen de beoogde verrichtingen de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.7 VCF, een bepaling die enkel in het leven geroepen werd om misbruik bij gesplitste aankopen of inschrijvingen tegen te gaan, onmogelijk miskennen.

E. Artikel 2.7.1.0.9 VCF

25. De notariële schenking kan niet worden gekwalificeerd als een overeenkomst ten bezwarende titel, vermits de rechtshandeling de kwalificatie schenking moet verkrijgen. Er bestaat geen (en minstens geen gelijkwaardige) tegenprestatie van de begiftigde (betrokken kind) aan de schenkers-ouders.

Aan de schenking wordt een last tot uitkering van een rente gekoppeld, doch de last tot uitbetaling van een levenslange periodieke rente wordt beperkt tot 75% van de waarde van de schenking op datum van de schenking verminderd met Mevrouw X verkregen uitkeringen uit de maatschap (dividend). Hiermee wordt beoogd dat de last niet danig hoog zal oplopen dat de schenking in feite geen schenking meer is. Er kan zich met andere woorden nooit een herkwalificatie naar een contract ten bezwarende titel opdringen.

Artikel 2.7.1.0.9 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting.

Wat betreft de algemene antimisbruikbepaling artikel 3.17.0.0.2 VCF, de aanvrager is van mening dat de voorgenomen verrichting ook niet middels een gecombineerde toepassing van de artikelen 2.7.1.0.9 en 3.17.0.0.2 VCF aan erfbelasting kan worden onderworpen.

Bovendien, de doelstelling van artikel 2.7.1.0.9. VCF bestaat erin om transacties die door partijen worden gekwalificeerd als rechtshandelingen onder bezwarende titel, maar in werkelijkheid (niet geregistreerde) schenkingen betreffen, te belasten. De wetgever wou ermee vermijden dat transacties onder bezwarende titel waarbij de erflater zich een levenslang recht voorbehield, zoals een lijfrente, als voorwendsel gebruikt zouden worden om schenkingen te “maskeren” en zo erf- of schenkbelasting te vermijden.

Het betreft dus een zeer specifieke en welomlijnde doelstelling, die een situatie van burgerrechtelijke veinzing viseert: opdat artikel 2.7.1.0.9. VCF tot heffing van erfbelasting zou leiden moet in principe een verschil bestaan tussen een voorgehouden rechtshandeling onder bezwarende titel en de werkelijk bedoelde rechtshandeling om niet.

De aanvrager herhaalt dat in casu geen sprake is van dergelijk verschil tussen voorgehouden en werkelijke rechtshandeling. Van meet af aan wordt een openlijke notariële schenking beoogd.

Artikel 2.7.1.0.9 VCF in samenlezing met artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op voorgenomen verrichting.

F. Algemeen: niet-fiscale motieven

26. De algemene antimisbruikbepaling kan enkel worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van de fiscale wetgeving, de simulatieleer en de bijzondere fiscale misbruikbepalingen (de fictiebepalingen vervat in de artikelen 2.7.1.0.3 en volgende VCF) geen oplossing meer kunnen bieden. Het Grondwettelijk Hof heeft, in haar arrest van 30 oktober 2013, geoordeeld dat er rekening moet worden gehouden met het eventuele bestaan van specifieke bepalingen die reeds ertoe strekken bepaalde misbruiken van de fiscale wetgeving tegen te gaan. Eén en ander noopt, naar de mening van de aanvragers, tot een mate van “terughoudendheid” bij een gecombineerde toepassing van een specifieke en de algemene antimisbruikbepaling.

Als, per hypothese, de voorgenomen verrichtingen wel een doelstelling van artikel 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.1.0.7 en/of artikel 2.7.1.0.9 VCF zouden frustreren, wijst de aanvrager erop dat er niet-fiscale motieven aanwezig zijn.

a) Motieven van familiale governance: oprichting van een maatschap

27. Belangrijk is, met het oog op een familiaal beheer en op optimaal rendement van het vermogen, om versnippering ervan tegen te gaan. Dit is een van de belangrijkste drijfveren ter verantwoording van de keuze van partijen voor de beoogde verrichtingen en in het bijzonder voor de oprichting van een familiale maatschap. De belangrijkste drijfveer voor het oprichten van een maatschap is familiale governance afspraken vast te leggen op lange termijn. Uiteraard betreft dit een niet-fiscaal motief. De maatschap is immers een fiscaal transparante vennootschap. De oprichting ervan brengt geen rechtstreeks fiscaal voor- of nadeel te weeg, maar laat wel toe bepaalde familiale afspraken in een vennootschapsstructuur te verankeren.

b) Operationele motieven

28. De familie van de schenker is zeer nauw verbonden met de familiale groep, hetgeen meespeelt in de meeste beslissingen inzake het private vermogen van de familie. Het bijeenhouden van het geschonken vermogen is ook, en vooral, ingegeven vanuit de bezorgdheid om dit deel van het familiale vermogen – als het ooit nodig mocht blijken – ter beschikking te kunnen stellen van de familiale groep. Hetgeen uiteraard veel moeilijker, zelfs quasi onmogelijk is, zonder de oprichting van een bijkomende controlestructuur.

c) Economische motieven: inkomstenvoorbehoud via een last tot (vaste) lijfrente

29. De ouder wenst een veilige financiële positie te behouden na de schenking.

De schenker behoudt zich via een last tot lijfrente een deel van de inkomsten van de geschonken tegoeden voor. Het spreekt voor zich dat hij daarbij handelt vanuit economische of financiële – en dus niet louter fiscale – motieven. Hij wenst daarmee immers zijn financiële onafhankelijkheid, en onrechtstreeks die van zijn echtgenote, zoveel als mogelijk te garanderen. Ook, en vooral, na het doen van de schenking.

Merk daarbij ook op dat elke latere rente-uitkering aan de schenker diens vermogen opnieuw laat aangroeien waardoor de waarde van de nalatenschap, en dus het bedrag van de verschuldigde erfbelasting bij overlijden van de schenker, telkenmale verhoogt. De rente-uitkeringen creëren dus in hoofde van de schenker eerder een risico op bijkomende erfbelasting dan dat zij belastingontwijkend werken.

IV. Beslissing

30. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

31. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

32. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de verrichting.

33. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

A. Onderzoek artikelen VCF

34. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.8.6.0.3, §2 VCF, dat luidt als volgt:

In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld:

[…]

2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.

[…]

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder:

[…]

2° familiale vennootschap: een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent. Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.

Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren die voorafgaan aan de datum van de authentieke akte van schenking, cumulatief blijkt dat:

  1. de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage uitmaken dat gelijk is aan of lager is dan 1,50 % van de totale activa;
  2. de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief. De begiftigde kan het tegenbewijs daarvan leveren.

[…]

§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben”.

  • Artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF, die luiden als volgt:

Artikel 2.7.1.0.1 VCF “Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.”

Artikel 2.7.1.0.2, lid 1 VCF “De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.”

  • Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, dat luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1 De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2 De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”

  • Artikel 2.7.1.0.7 VCF, dat luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • Artikel 2.7.1.0.9 VCF, dat luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

B. Beoordeling

35. Aanvrager neemt zich voor om volgende verrichtingen uit te voeren:

a. de oprichting van een nieuwe maatschap door aanvrager samen met haar drie kinderen, met inbrengen:

  • door aanvrager: van een roerend vermogen bestaande uit aandelen van vier vennootschappen waarvoor volgens de aanvraag een attest van vrijstelling schenkbelasting werd bekomen, alsook drie beleggingsportefeuilles;
  • door de drie kinderen: van elk honderd euro (100,00).

De aandelen van de maatschap worden toegekend aan de inbrengers proportioneel aan hun inbreng.

b. gevolgd door een schenking door de moeder aan elk van de drie kinderen bij notariële akte van de volle eigendom van de aandelen van de maatschap die aan de moeder toegekend werden, uitgenomen één aandeel dat de moeder blijft toebehoren.

1) Artikel 2.8.6.0.3, §2, 2°, tweede lid VCF en artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2°, tweede lid VCF

36. De artikelen 2.8.6.0.3 en artikel 2.7.4.2.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit bepalen dat aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vrijstelling/verlaagd tarief in de schenkbelasting/erfbelasting moet voldaan zijn op het ogenblik van de schenking/het overlijden. Het recht op vrijstelling/verlaagd tarief zal door de Vlaamse Belastingdienst dan ook op het ogenblik van de schenking/het overlijden beoordeeld worden.

Aangezien het gaat over het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen (art. 3.22.0.0.1, §3, tweede lid, c, VCF), kan geen voorafgaande beslissing worden genomen over het al dan niet voldoen aan voormelde voorwaarden.

Huidige voorafgaande beslissing vervangt het voorafgaand attest waarvan sprake in art. 3.21.0.0.1 VCF niet.

37. Wanneer gewerkt wordt via een maatschap, kunnen overgedragen aandelen in een familiale vennootschap tevens in aanmerking komen voor de vrijstelling of vermindering. Omdat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, is zij fiscaal transparant. Er wordt zodoende rechtstreeks gekeken naar de participaties die door de natuurlijke personen achter de maatschap worden aangehouden.

Gezien in casu de te schenken aandelen van de maatschap zowel aandelen in familiale vennootschappen als effectenportefeuilles bevatten, zal bijgevolg een de taxatie als familiale vennootschap enkel kunnen gebeuren voor het proportioneel gedeelte in de aandelen die aandelen in familiale vennootschappen vertegenwoordigen.

2) Onderzoek van artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF

38. Artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF betreffen de overgang van goederen bij overlijden.

39. In de mate dat de voorgenomen schenking tot stand gebracht zal zijn bij de notariële akte, zullen deze geschonken goederen zich bij het overlijden van mevrouw X niet meer in haar nalatenschap bevinden, en zal er geen toepassing gemaakt worden van de artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF.

3) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

40. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker. De ratio legis van deze bepaling is dat de schenker niet de facto de overdracht van de geschonken goederen mag uitstellen tot op het ogenblik van zijn overlijden.

41. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

4) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.5 VCF

42. Overeenkomstig de gegevens van de aanvraag, nemen de aanvragers zich voor een schenking te doen bij notariële akte.

Bij de registratie van deze notariële akte zal de bevoordeling onderworpen worden aan de schenkbelasting zodat artikel 2.7.1.0.5 VCF hierop niet van toepassing zal zijn.

43. Aanvragers verwijzen naar Standpunt nr. 20067 van 21 juni 2021 van de Vlaamse Belastingdienst om aan te geven dat de winstreservatie door de algemene vergadering van de maatschap niet valt onder de belastbaarheid van artikel 2.7.1.0.5 VCF. Aangezien het in casu niet om een gesplitste inschrijving gaat, is het SP 20067 niet van toepassing.

5) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.7 VCF

44. Artikel 2.7.1.0.7 VCF is hier niet aan de orde, aangezien het niet gaat om roerende of onroerende goederen die gesplitst worden aangekocht noch om effecten of geldbeleggingen die gesplitst zijn ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

45. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.7 VCF.

6) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.9 VCF

46. In het ontwerp van de notariële schenking van de aandelen van de maatschap in de voorgenomen verrichting, worden aan de begiftigde de last van een optionele lijfrente van maximaal 4% per jaar opgelegd.

Deze optionele rentelast wordt in zelfde ontwerp geplafonneerd op 75% van de waarde van de schenking op het moment van de schenking, waardoor wordt beoogd dat de last niet zo hoog oploopt dat het in feite geen schenking meer is.

47. Het besluitvormingsorgaan aanvaardt dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zal gebeuren.

In dit geval zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.9 VCF.

7) Onderzoek van artikel 3.17.0.0.2 VCF (de antimisbruikbepaling)

48. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

49. Gelet op de concrete feitenconstellatie is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgenomen verrichtingen, namelijk de oprichting van een maatschap, gevolgd door een schenking van een aantal aandelen van deze maatschap, in casu geen fiscaal misbruik uitmaken van één voormelde artikelen uit de VCF, in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

50. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: er wordt vanuit gegaan dat aanvrager de hiervoor vermelde heren Y en Z bedoelt.

[2] Bij mail van 4 november 2025 meldde aanvrager verder nog: “Op basis van een raming van de activa op heden zullen in totaal 70.000 aandelen worden gecreëerd, waarvan één aandeel door zal worden behouden. De resterende 69.999 aandelen zullen worden toegekend aan haar drie kinderen, elk ten belope van 23.333 aandelen.”

Opmerking van het besluitvormingsorgaan bij dit bericht: op basis van de beschrijving van de voorgenomen verrichting zullen de resterende aandelen van de (naar schatting) 69.999 aandelen van de maatschap niet ‘toegekend’ worden aan de kinderen, maar aan hen geschonken worden bij voor notaris te verlijden akte.

[3] De eigendom gaat onvoorwaardelijk over. Wel worden een aantal ontbindende voorwaarden, zoals een conventioneel beding van terugkeer, en een last opgelegd aan de begiftigden. De eigendomsoverdracht wordt daardoor echter niet (voorwaardelijk) uitgesteld. Civielrechtelijk valt dit niet gelijk te stellen met een “opschortende voorwaarde of termijn” in de zin van artikel 2.7.1.0.3,3° VCF.

[4] Gent, 1 december 2020, TFR, 2021, 276.

[5] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Noch uit de verklaringen van aanvragers in onderhavige aanvraag, noch uit de bijgevoegde stukken, blijkt dat de last van inbreng in maatschap zou bedongen worden bij de schenking door mevrouw X aan haar 3 kinderen. Uit deze verklaringen en stukken blijkt dat de oprichting van de maatschap chronologisch eerst zal uitgevoerd worden, waarna mevrouw X een deel van de haar toegekende aandelen in de maatschap zal schenken aan haar kinderen.