VB 25107 - Wijziging huwelijksovereenkomst: behoud stelsel SVG - toevoeging TIGV, verblijvingsbeding, toekenningsbeding
- Nummer
25107
- Datum beslissing
17 november 2025
- Publicatiedatum
14 januari 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.7.4.1.1. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvragers zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] op xx.xx.1977. Zij hebben vooraf een huwelijkscontract gemaakt met keuze voor het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge akte verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.1977 [1], zodat zij gehuwd zijn onder zelfde stelsel, welk stelsel – naar verklaring van de aanvragers – tot op heden ongewijzigd is gebleven.
2. De aanvragers wensen hun huidige huwelijkscontract te wijzigen door:
1) een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen op te richten met daarin de nagemelde goederen;
2) een optioneel verblijvingsbeding [2] (van onverdeelde goederen); en
3) een optioneel toebedelingsbeding [3] (van eigen goederen) te voorzien.
3. Vooraleer ze het ontwerp van wijziging huwelijkscontract [4] in de huidige vorm verlijden, wensen de aanvragers met betrekking tot deze verrichting zekerheid over de fiscale behandeling ervan, voor het geval van overlijden van één van hen.
4. De aanvragers vragen om bevestiging te krijgen dat de inbreng van de gezinswoning en percelen grond niet als fiscaal misbruik zal worden beschouwd, en ten gevolge van de inbreng in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, gelet op artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, een latere toebedeling bij overlijden van één van de echtgenoten onderworpen zal zijn aan de vrijstelling voor de gezinswoning in de erfbelasting.
De aanvraag strekt er daarnaast toe de bevestiging te krijgen dat de toe te voegen artikelen, houdende een optioneel verblijvingsbeding (van onverdeelde goederen) en een optioneel toekenningsbeding (van eigen goederen), aan hun huwelijkscontract niet onderworpen zal zijn aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF [5], en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreren, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
5. De aanvraag wordt ingediend door notaris […], geassocieerd notaris met standplaats te […] namens:
1.- De heer X, geboren te […] op xx.xx.1952, rijksregisternummer […], en zijn echtgenote
2.- Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1957, rijksregisternummer […], samenwonende te […].
Zij worden hierna gezamenlijk de “partijen”, de “aanvragers” of de “echtgenoten” genoemd.
Ze hebben beiden de Belgische nationaliteit en hebben hun (fiscale) woonplaats sedert meer dan 5 jaar in Vlaanderen.
Uit het huwelijk van de heer X en mevrouw Y zijn drie intussen meerderjarige kinderen geboren, te weten A, B en C. [6]
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
VOORAFGAAND
6. De aanvragers zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] op xx.xx.1977. Zij hebben vóór het voltrekken van het huwelijk een huwelijkscontract gemaakt met keuze voor het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge akte verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.1977, zodat zij gehuwd zijn onder zelfde stelsel, welk stelsel - naar verklaring van de aanvragers - tot op heden ongewijzigd is gebleven.
7. De aanvragers wensen hun huidig huwelijkscontract te wijzigen door 1) een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen op te richten met daarin de nagemelde goederen, 2) een optioneel verblijvingsbeding (van onverdeelde goederen) en 3) een optioneel toebedelingsbeding (van eigen goederen) te voorzien.
8. Vooraleer ze het ontwerp van wijziging huwelijkscontract in de huidige vorm laten verlijden, wensen de echtgenoten met betrekking tot deze verrichting zekerheid over de fiscale behandeling ervan, voor het geval van overlijden van één van hen.
Daarom vragen de echtgenoten om bevestiging te krijgen dat de inbreng van de gezinswoning en percelen grond niet als fiscaal misbruik zal worden beschouwd, en ten gevolge van de inbreng in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, gelet op artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, een latere toebedeling bij overlijden van één van de echtgenoten onderworpen zal zijn aan de vrijstelling voor de gezinswoning in de erfbelasting.
De echtgenoten vragen daarnaast de bevestiging dat de toe te voegen artikelen, houdende een optioneel verblijvingsbeding (van onverdeelde goederen) en een optioneel toebedelingsbeding (van eigen goederen), aan hun huwelijkscontract niet onderworpen zijn aan de artikelen:
- 2.7.1.0.2 VCF: onderwerping aan erfbelasting van goederen verkregen uit nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling;
- 2.7.1.0.3,3° VCF: worden als legaten beschouwd alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker;
- 2.7.1.0.4 VCF: belasting ieder huwelijksvoordeel waarbij langstlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt;
- 2.7.1.0.5 VCF: erfbelasting op de goederen waarover de erflater kosteloos heeft beschikt gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden (tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting)
- artikelen 2.8.1.0.1 VCF, artikel 2.8.4.1.1 VCF: schenkbelasting
- En geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreren, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.
Duurtijd Voorafgaande Beslissing
9. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt.
Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting, meer bepaald de toepassing van bepaalde fictiebepalingen is dit geheel anders. De heffing zal immers – naar alle verwachting – pas vele jaren later plaatsvinden, bij overlijden van een van de echtgenoten.
Een Voorafgaande Beslissing inzake erfbelasting is volgens aanvragers een geval waarin het voorwerp van de aanvraag ‘automatisch’ een langere duurtijd rechtvaardigt en vereist aldus niet dat de aanvragers expliciet de bevestiging vragen voor een langere duurtijd.
We begrepen dat het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst is dat de verlenging van de duurtijd uitdrukkelijk moet worden gevraagd. We wensen dan ook voor onderhavige aanvraag een verlengde duurtijd aan te vragen, meer bepaald tot aan het overlijden van één van de echtgenoten gezien de aanvraag betrekking heeft op de uitwerking van een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toebedelingsbeding die slechts uitwerking kunnen krijgen als het huwelijksstelsel van de aanstaande echtgenoten [7] door het overlijden van een van de echtgenoten.
III. Motivering van de aanvraag
1. Creatie toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen
10. Echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen kunnen ervoor opteren bepaalde goederen en/of inkomsten onder te brengen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. Vermits het tussen echtgenoten gaat om een “gemeenschappelijk vermogen”, kunnen zij eveneens voorzien hoe dit vermogen, bij de ontbinding van het stelsel, zal worden verdeeld.
11. De ontwerpakte stelt daarover het volgende: “Dit vermogen is een gemeenschappelijk vermogen in de interne verhouding tussen de echtgenoten, maar geldt ten aanzien van derden als een onverdeeldheid.”
Voor de heffing van de erfbelasting is de fiscus in dit verband geen derde en is er bijgevolg sprake van een gemeenschappelijk vermogen.
12. De aanvragers zijn voornemens om volgende goederen in te brengen in het TIGV:
- huidige gezinswoning op en met grond: gelegen […], gekadastreerd volgens recent kadastraal uittreksel […]
- 2 percelen grond (thans dienst doende als vijvers): gelegen […], gekadastreerd volgens recent kadastraal uittreksel […].
13. De grond waarop de gezinswoning thans werd opgericht, werd aangekocht door de heer X alleen. Nadien hebben de echtgenoten X-Y er met tegoeden van hen beiden de constructies laten optrekken. Mevrouw Y heeft echter op heden geen enkele zakenrechtelijke aanspraak op de gezinswoning, die zij mede heeft laten oprichten en gefinancierd.
De inbreng van de gezinswoning in het TIGV zou daarom het onevenwicht dat op heden bestaat tussen beide partijen, recht trekken.
14. Algemeen wordt aanvaard dat de voorgenomen toevoeging van een huwelijksvoordeel welke bij huwelijksovereenkomst zal plaatsvinden, een overeenkomst onder bezwarende titel is. De toebedeling van de goederen aan de langstlevende op grond van het huwelijksvoordeel is geen erfrechtelijke verkrijging, doch wel een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, en valt dus in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting.
De fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.4 VCF maakt hierop een uitzondering en treft de huwelijksvoordelen die de langstlevende verkrijgt op grond van een huwelijksovereenkomst waarbij aan de langstlevende meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen wordt toebedeeld. Hieruit volgt dat de toebedeling van de gezinswoning overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4 VCF onder het toepassingsgebied van de erfbelasting valt.
Gelet op artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF zal een latere toebedeling bij overlijden van één van de echtgenoten in principe onderworpen zijn aan de vrijstelling voor de gezinswoning.
2. Optioneel wederkerig verblijvingsbeding
15. De echtgenoten hebben destijds als dominant basisregime van hun huwelijksvermogensstelsel gekozen voor scheiding van goederen. Deze keuze was ingegeven door hun wens om hun vermogens gescheiden te houden, hun bestuursbevoegdheden zelfstandig te kunnen uitoefenen en de bescherming tegenover elkaars (professionele) schuldeisers.
16. Niettemin wensen de echtgenoten de langstlevende van hen verzorgd achter te laten en wensen zij een niet-eenzijdig herroepbare regeling te voorzien voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van één van hen. De echtgenoten achten dergelijke regeling noodzakelijk teneinde meer zekerheid te kunnen bieden dan met bijvoorbeeld een verrekenbeding mogelijk is en invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar. Deze regeling is dan ook niet ingegeven door de intentie van vrijgevigheid.
17. Om de bovenstaande wensen met elkaar te verzoenen opteren de aanstaande [8] echtgenoten ervoor om (ondanks de scheiding van goederen) een huwelijksvoordeel in hun huwelijkse voorwaarden in te lassen.
Het verblijvingsbeding in artikel ii.b van het huwelijkscontract-ontwerp beoogt daarom, ten voordele van de langstlevende echtgenoot, de optionele integrale toewijzing, in volle en exclusieve eigendom, van alle goederen die tussen de echtgenoten in onverdeeldheid zijn. Op grond van voormeld artikel van de wijzigende huwelijksovereenkomst zullen de goederen die op het tijdstip van overlijden van één van de echtgenoten exclusief tussen hen in onverdeeldheid zijn, toekomen aan de langstlevende echtgenoot, indien de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest.
3. Optioneel wederkerig toekenningsbeding
18. Ingegeven door dezelfde voormelde verzorgingsgedachte in hoofde van de aanvragers ten opzichte van elkeen, beogen zij met artikel ii.c van de huwelijksovereenkomst de mogelijkheid te bieden dat de onverdeelde [9] goederen (voorwerp van het beding) en de goederen en/of rechten die, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging, subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zijn gekomen, behorende tot het eigen vermogen van de eerststervende bij diens overlijden dan ten titel van huwelijksovereenkomst toekomen aan de langstlevende echtgenoot, indien hij/zij daarvoor kiest.
19. Bij het overlijden van één van de echtgenoten zal de langstlevende echtgenoot de keuze krijgen om bovenvermeld beding wel of niet uitwerking te laten krijgen. De langstlevende echtgenoot verkrijgt derhalve de beoordelingsvrijheid of hij/zij wel of niet nood heeft aan de uitgebouwde regeling in de huwelijksovereenkomst die moet toelaten de langstlevende echtgenoot verzorgd achter te laten op het ogenblik dat zijn/haar echtgenoot er niet meer zal zijn.
Betreft punt 2 en 3:
20. De aanvragers verzoeken met betrekking tot artikel ii.b en ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zal verkrijgen door de toepassing van het verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding, niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen, om de redenen die de aanvragers zullen vermelden, dan wel om de redenen die de Vlaamse Belastingdienst hieromtrent zal uiteenzetten.
A. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF
21. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting de goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, hetzij via de wettelijke devolutie, hetzij via uiterste wilsbeschikking, hetzij via contractuele erfstelling.
22. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge het voormelde artikel ii.b en ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via de wettelijke devolutie, noch via uiterste wilsbeschikking, noch via een contractuele erfstelling), maar louter huwelijksvermogensrechtelijk als een huwelijksvoordeel in toepassing van het huwelijksvermogensrecht.
23. Een huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dergelijk voordeel wordt erkend in het Belgisch huwelijksvermogensrecht. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW. Hij heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen expliciet bevestigd (art. 2.3.64 § 1, vierde lid BW).
24. De vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds de vereffening en verdeling van de nalatenschap vooraf. Derhalve kan een verkrijging op basis van het huwelijksvermogensrecht nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn (zie Cass. 24 maart 2017).
25. Er is in casu geenszins sprake van een schenking. Een huwelijksvoordeel is overigens civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling, ongeacht de concrete beweegreden om een huwelijksvoordeel in de huwelijksovereenkomst op te nemen (zie H. CASMAN en A. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, afl. 1, (3) 3.).
26. Aanvragers zijn in casu getrouwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Bovenvermelde kwalificatie werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen. De wettelijke grondslag daartoe is artikel 2.3.64 § 1, in fine Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat indien uit de samenstelling, werking, vereffening, verdeling of verrekening van het stelsel van scheiding van goederen zoals in een huwelijksovereenkomst is uitgewerkt, voor één van de echtgenoten een voordeel kan ontstaan, dat dit voordeel een huwelijksvoordeel zal zijn.
27. De civielrechtelijke kwalificatie werkt ook door in het fiscaal recht. Dit is vaststaande rechtsleer en rechtspraak. Het fiscaal recht moet derhalve de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus niet-schenking aanvaarden, tenzij een specifieke en uitdrukkelijke bepaling van fiscaal recht daar zou van afwijken.
28. De overgang en toebedeling op grond van het overwogen verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding zoals voorzien in de artikelen ii.b en ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
B. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
29. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF belast met erfbelasting de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
30. Aangezien voormelde artikelen ii.b en ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst worden gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel kan artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet toegepast worden op het voordeel dat aan de langstlevende echtgenoot zou toekomen.
31. Hoewel het beding pas uitwerking zal hebben bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot, blijft er van een schenking geen sprake, vermits het om een huwelijksvoordeel gaat. Ook hier dient de burgerrechtelijke kwalificatie te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.
32. De overgang en toebedeling op grond van het overwogen verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding zoals voorzien in de artikelen ii.b en ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
C. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF
33. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast met erfbelasting de goederen die de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, waardoor hij/zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt.
34. De toepassing van 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap en dient restrictief gelezen te worden. De verblijving heeft betrekking op de onverdeelde goederen en de toebedeling op de eigen goeden, en dus niet op gemeenschapsgoederen.
35. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn derhalve niet vervuld.
Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de toebedeling, overgang of toekenning op grond van het artikel ii.b respectievelijk het artikel ii.c van de gewijzigde huwelijksovereenkomst.
D. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
36. Artikel 2.7.1.0.5 VCF belast met erfbelasting de goederen waarvan de Vlaamse Belastingdienst bewijst dat de erflater er kosteloos heeft over beschikt gedurende 5 jaar voorafgaand aan zijn overlijden, tenzij de bevoordeling onderworpen is geweest aan de schenkbelasting of de registratierechten op schenkingen onder levenden.
37. Voor de heffing van de erfbelasting op grond van dit artikel moeten derhalve drie (3) cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:
1) Een kosteloze beschikking;
Het voorgenomen verblijvingsbeding en toekenningsbeding uit artikel ii.b en ii.c van de gewijzigde huwelijksovereenkomst verstrekt géén kosteloze beschikking. Een huwelijksvoordeel kan immers niet worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking hiervoor.
2) Gedurende 5 jaar voorafgaand aan het overlijden;
Het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in artikel ii.b en ii.c van de gewijzigde huwelijksovereenkomst wordt nu opgenomen. Of het al dan niet een huwelijksvoordeel oplevert ten voordele van de langstlevende echtgenoot, kan slechts worden beoordeeld bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge het overlijden van de eerststervende echtgenoot. Als het voordeel pas bij zijn/haar overlijden ontstaat en moest het beschouwd worden als een kosteloze beschikking, quod non, kan er geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in enige periode vóór het overlijden. Er kan derhalve geen sprake zijn van een schenking in een periode van 5 jaar voorafgaand aan het overlijden.
3) Waardoor een bevoordeling is ontstaan die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.
Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en derhalve geen sprake is van een bevoordeling in de zin zoals bedoeld in artikel 2.7.1.0.5 VCF, kon/kan er ook geen aanleiding zijn tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht
38. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is derhalve niet van toepassing op de overgang, toebedeling of toekenning op grond van het verblijvings- en toekenningsbeding in de artikelen ii.b en ii.c van de gewijzigde huwelijksovereenkomst.
E. Geen beding van aanwas in de zin van het SP 17044
39. Zowel het voorgenomen verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding verlenen een huwelijksvoordeel, dat beheerst wordt door de specifieke regels van het huwelijksvermogensrecht. De huwelijksvoordelen zijn met het huwelijksstelsel verweven en maken daar integraal deel van uit. Ze kunnen niet los van het huwelijksstelsel worden begrepen, toegepast noch gekwalificeerd.
40. Er is met betrekking tot het overwogen verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding dus geen sprake van een beding van aanwas respectievelijk een kanscontract.
41. Een beding van aanwas is een kanscontract dat ook tussen niet gehuwden kan worden gesloten. Wordt het door gehuwden gesloten, dan staat het los van hun huwelijksstelsel en wordt het niet in een huwelijksovereenkomst opgenomen.
42. De overgang, toebedeling of toekenning van het overwogen verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding is niet onderworpen aan de schenk- en erfbelasting (zonder dat aan de vereisten van SP 17044 moet zijn voldaan) omdat het verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding kwalificeert als een huwelijksvoordeel.
F. Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF
43. Artikel 2.8.1.0.1 VCF belast met schenkbelasting een schenking onder levenden. Op het (eventuele) voordeel dat de langstlevende van de echtgenoten zou verkrijgen op basis van het voorgenomen verblijvingsbeding en toekenningsbeding kan artikel 2.8.1.0.1 VCF niet worden toegepast, wegens de kwalificatie als huwelijksvoordelen.
44. Aangezien er louter sprake is van huwelijksvoordelen, is er dus in casu van een schenking geen sprake. Bijgevolg is evenmin artikel 2.8.4.1.1 VCF van toepassing.
G. (Desgevallend) toepassing van artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF
45. Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge overlijden van één van de echtgenoten, er een onroerend goed in onverdeeldheid tussen de echtgenoten is, zal de uitwerking van het verblijvingsbeding, dat de echtgenoten voornemens zijn toe te voegen aan hun huwelijksvermogensstelsel, op grond waarvan het aandeel van de eerststervende in de onverdeeldheid zal toekomen aan de langstlevende echtgenoot onder hen, aanleiding geven tot de heffing van het verdeelrecht (2,5%), vermits de onverdeeldheid die tussen hen heeft bestaan derwijze ophoudt te bestaan (artikel 2.10.1.0.1 VCF).
46. Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge overlijden van één van de echtgenoten, een echtgenoot een eigen onroerend goed heeft (niet in onverdeeldheid met de andere echtgenoot), zal de uitwerking van het toekenningsbeding, dat de echtgenoten voornemens zijn toe te voegen aan hun huwelijksvermogensstelsel, op grond waarvan een eigen onroerend goed van de eerststervende zal toekomen aan de langstlevende echtgenoot onder hen, aanleiding geven tot de heffing van verkooprecht (12%), vermits deze laatste een onroerend goed verwerft waarin hij/zij eerder geen aandeel in had (artikel 2.9.1.0.1 VCF).
H. Geen fiscaal misbruik
47. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zgn. fictiebepalingen) geen toepassing vinden. Ook het Grondwettelijk Hof heeft reeds gesteld dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling.
48. De aanvraag door de aanvragers frustreert echter geen enkele mogelijke toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling.
49. Evenmin kan daarentegen de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. Om de algemene antimisbruikbepaling zoals vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF te kunnen aanwenden, moet de Vlaamse Belastingdienst enerzijds aantonen dat de belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen stelt dat eenzelfde verrichting tot stand brengt (objectief element) en anderzijds dat het doorslaggevende, zo niet exclusieve, motief erin bestaat belasting te ontwijken (subjectief element).
50. De aanvragers verzoeken om te bevestigen dat er geen antimisbruikbepaling van toepassing is, op grond van de hierna uiteengezette motieven.
H.1 Geen frustratie van de in de VCF opgenomen specifieke antimisbruikbepalingen
51. De voorgenomen verrichting verleent huwelijksvoordelen die huwelijksvermogensrechtelijk worden verkregen. De voordelen zijn dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF.
De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.2 VCF niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen teneinde de langstlevende echtgenoot op een niet-eenzijdig herroepbare manier te beschermen. Aanvragers kunnen dezelfde doelstelling niet met dezelfde burgerrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, aangezien dit alles eenzijdig herroepbaar is. Binnen het opzet van de partijen is dit niet de bedoeling.
Bovendien wordt iedere erfrechtelijke verkrijging op de nalatenschap aangerekend, terwijl de partijen net willen vermijden dat de goederen die het voorwerp van de verrichting uitmaken in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot zou terecht komen. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de partijen om de voordelen aan de langstlevende echtgenoot toe te kennen op het niveau van de huwelijksovereenkomst. Hoewel deze huwelijksvoordelen, in de mate dat deze de plafonds van de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 Burgerlijk Wetboek overschrijden, theoretisch vatbaar zullen zijn voor inkorting, achten partijen dit beding burgerrechtelijk nog steeds als het beste ter regeling van hun bedoelingen.
52. De voorgenomen verrichting frustreert evenmin de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, omdat de aanvragers niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden wordt uitgesteld. Ze passen hun huwelijksovereenkomst aan om tot een regeling te komen, die tot een billijke regeling moet leiden voor goederen waarin ze beiden (verblijvingsbeding) of elk afzonderlijk (toekenningsbeding) gerechtigd zijn.
In casu is op geen enkele manier sprake van een schenking. Aanvragers hebben reeds uitvoerig aangetoond en beargumenteerd dat in het artikel ii.b en het artikel ii.c van de gewijzigde huwelijksovereenkomst sprake is van een toebedeling van een onverdeeld goed, respectievelijk van een eigen goed dat dient gekwalificeerd te worden als een huwelijksvoordeel. De aanvragers nemen deze bedingen, die ten bezwarende titel zijn, op in hun gewijzigde huwelijksovereenkomst om tot een regeling te komen bij overlijden die tot een billijke en beschermende regeling moet leiden ten voordele van de langstlevende echtgenoot.
53. Verder wordt ook artikel 2.7.1.0.4 VCF niet gefrustreerd. De aanvragers zijn destijds gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen omdat ze een groot belang hechten aan het behoud van (professionele) autonomie van elk van hen en om een grotere bescherming te genieten voor (professionele) schuldeisers van de andere echtgenoot. De creatie van het TIGV zoals voorschreven, is tevens ingegeven vanuit niet-fiscaal motief om de zakenrechtelijke eigendomsverhouding in lijn te brengen met de achterliggende financiering.
54. Ten slotte zijn de aanvragers ook van oordeel dat ook artikel 2.7.1.0.5 VCF niet wordt gefrustreerd omdat het verblijvingsbeding respectievelijk het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel niet kan worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking.
H.2. Niet-fiscale motieven
55. De echtgenoten wensen hun huwelijksovereenkomst te wijzigen door de toevoeging van zowel een verblijvingsbeding als een toekenningsbeding. De echtgenoten wensen nog steeds hun stelsel van scheiding van goederen te behouden omwille van de voordelen die dit stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt, met name hun vermogensrechtelijke autonomie en de bescherming tegen elkaars schuldeisers. Daarnaast wensen zij ook nog steeds een goede regeling daarin te behouden, om invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar.
56. Het toekenningsbeding en verblijvingsbeding dat de echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen willen toevoegen, laten hen toe om hun beider wensen voor het comfort en welzijn van de langstlevende echtgenoot zeer ruim te bereiken.
Het verblijvingsbeding slaat immers op onverdeelde goederen waarvan de echtgenoten door de gezamenlijke verkrijging ervan reeds bevestigen dat het gaat om goederen die belangrijk zijn voor beide echtgenoten en tot het gezamenlijk gebruik en genot dienen van beide echtgenoten. (H. CASMAN en A.L. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, nr. 1, (3) 6-7). De desbetreffende onverdeelde goederen moeten daarom op basis van de loutere wilsuiting van de langstlevende echtgenoot, ter zijne of hare beschikking blijven.
Het toekenningsbeding slaat op concrete goederen [10] van de ene dan wel van de andere echtgenoot, waarvan beide echtgenoten willen dat de langstlevende echtgenoot daar evenzeer bij overlijden van de andere langstlevende op basis van de loutere wilsuiting van de langstlevende echtgenoot, ter zijne of hare beschikking moeten worden gesteld.
57. In beide gevallen behoudt de langstlevende echtgenoot aldus de optie om na het overlijden van de andere, genoegen te nemen met een kleiner voordeel.
58. Ingevolge het gewijzigde huwelijksvermogensrecht (zie de wet van 22 juli 2018) is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen die, in het bijzonder in geval van overlijden, burgerrechtelijke voordelen bieden die andere technieken en bedingen, zoals een legaat of een verrekenbeding, niet bieden.
59. De gecombineerde werking van het verblijvingsbeding en van het toekenningsbeding creëren voor de langstlevende echtgenoot een veel comfortabelere positie dan deze die hij/zij zou genieten bij een klassiek verrekenbeding.
Het nadeel van een verrekenbeding is dat het zich tot een geldelijke verrekening, na berekening, beperkt. Door de onmiddellijke en zakelijke werking van beide optionele bedingen, treedt de langstlevende vanaf de kennisgeving van zijn of haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit en in de gewenste eigendomsverhouding al naargelang zijn of haar keuze, van de goederen waarvan de aanstaande [11] echtgenoten willen dat de langstlevende er ruim en vrij over kan beschikken. (H. CASMAN en A.L. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, nr. 1, (3) 3-15). Dit is niet het geval in de situatie van een verrekenbeding waar de langstlevende in confrontatie kan komen met de overige erfgenamen van de vooroverleden echtgenoot, de verrekenvordering moet laten vaststellen en bovendien ook nog betaald moet krijgen.
60. Verder wensen de echtgenoten de goederen die het voorwerp van het toekenningsbeding vervat in artikel ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst uitmaken tijdens het huwelijk zelfstandig te kunnen blijven besturen en van ieder schuldeisersrisico te onttrekken. De echtgenoten blijven met andere woorden ten aanzien van de goederen die het voorwerp van het toekenningsbeding vervat in artikel ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst uitmaken volledig beschikkingsbevoegd en schuldeisers kunnen hen op die goederen slechts aanspreken ter betaling van de schulden waartoe elk van hen gehouden is.
61. Tegelijkertijd vinden de aanvragers de bescherming van de langstlevende echtgenoot in geval van overlijden van één van de echtgenoten belangrijk. De aanvragers willen de langstlevende echtgenoot het nodige comfort en welzijn bieden op het ogenblik dat één van hen er niet meer zal zijn. De echtgenoten willen ten aanzien van elkaar zorgen op een manier die niet eenzijdig kan worden herroepen.
62. Hoewel dergelijke verzorgingsgedachte op diverse burgerrechtelijke manieren kan worden geboden, is er geen enkele andere burgerrechtelijke regeling of beding gepast om de intenties en bedoelingen van de aanvragers na te streven. Noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking.
63. Tegelijkertijd biedt het huwelijksvermogensrecht mogelijkheden om - voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden - te voorzien in verregaande vermogensrechtelijke bescherming van de langstlevende echtgenoot, die bovendien in belangrijke mate reservebestendig is ten opzichte van de gemeenschappelijke kinderen van de aanstaande [12] echtgenoten. Zolang en voor zover de maxima of plafonds van artikel 2.3.57 BW niet zijn bereikt, is er voor huwelijksvoordelen geen sprake van opname in de rekenboedel, noch aanrekening op het beschikbaar deel, en dus evenmin van inkortbaarheid.
64. Deze voorafgaandelijke civielrechtelijke motieven zijn dan ook voor de echtgenoten doorslaggevend bij hun voornemen om het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding, met verzoek tot bevestiging van hun fiscale consequentie als uiteengezet, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.
65. Zoals reeds hoger in deze aanvraag uiteengezet is het belangrijk dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding:
- niet eenzijdig door de echtgenoten kan worden herroepen;
- een forfaitaire regeling betreft zonder dat er rekening wordt gehouden met de besparingen en de aanwinsten die werden opgebouwd tijdens het huwelijk;
- niet erfrechtelijk kan worden verrekend en derhalve vatbaar zou zijn voor inkorting;
- zakelijke werking heeft.
66. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvragers het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in het artikel ii.b, respectievelijk artikel ii.c van de wijzigende huwelijksovereenkomst niet voorzien op grond van fiscale motieven. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet fiscale motieven hoe dan ook geen sprake zal zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot deze aanvraag en dat de algemene antimisbruikbepaling niet van toepassing is.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
67. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.
68. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
69. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, dat luidt als volgt:
In afwijking van het tweede lid wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de partner die een deel verkrijgt in die gezinswoning, een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.
- Artikel 2.8.4.1.1 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
- Artikel 2.9.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
- Artikel 2.10.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende:
1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
70. De echtgenoten X – Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.1977, niet gewijzigd tot op heden.
Zij hebben drie gemeenschappelijke, meerderjarige kinderen.
71. De aanvragers wensen hun huidige stelsel te behouden, maar hun huwelijksovereenkomst te wijzigen door 1) een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen op te nemen, 2) een optioneel verblijvingsbeding te voorzien voor de onverdeelde goederen en 3) een optioneel toekenningsbeding te voorzien voor de eigen, niet-onverdeelde goederen.
72. De aanvragers zijn voornemens om volgende goederen in te brengen in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen:
- de huidige gezinswoning met grond te […];
- 2 percelen grond (thans dienst doende als vijvers), te […].
De grond waarop de gezinswoning is opgericht werd aangekocht door de heer X alleen. Nadien hebben de echtgenoten X – Y er met de tegoeden van hen beiden constructies laten optrekken.
Aan het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen wordt een keuzebeding toegevoegd.
73. Met het optioneel wederkerig verblijvingsbeding wensen de aanvragers de langstlevende van hen verzorgd achter te laten. Het verblijvingsbeding heeft betrekking op alle goederen die de aanvragers in onverdeeldheid toebehoren op het tijdstip van overlijden van de eerststervende.
74. Ingegeven door dezelfde verzorgingsgedachte in hoofde van de aanvragers, beogen zij met het optioneel wederkerig toekenningsbeding de mogelijkheid te bieden dat de eigen goederen die hen niet in onverdeeldheid toebehoren, bij het overlijden van de eerststervende ten titel van huwelijksvoordeel toekomen aan de langstlevende van hen, indien deze daarvoor kiest. Het toekenningsbeding heeft betrekking op alle niet-onverdeelde eigen goederen van de aanvragers.
75. In de toe te voegen clausules aangaande het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, het verblijvings- en het toekenningsbeding is telkens voorzien in zakelijke subrogatie en een passiefregeling.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.4.1.1 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF, 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF
76. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
77. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.
In de mate bijgevolg dat de door de aanvragers voorgenomen bedingen burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
78. In de mate dat de voorgenomen bedingen in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.
A. Creatie toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen
A.1 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.4.1.1, §2, lid 3 VCF?
79. Op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF wordt erfbelasting geheven op de toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden.
Indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld, kan dan ook toepassing worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
80. Artikel 2.7.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de erfbelasting. Op basis van artikel 2.7.4.1.1, §2, lid 3 VCF wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden.
81. Bij overlijden van de eerststervende echtgenoot zal dan ook toepassing worden gemaakt van artikel 2.7.4.1.1, §2, lid 3 VCF, voor zover aan de toepassingsvoorwaarden voldaan is.
B. Optioneel wederkerig verblijvingsbeding en optioneel wederkerig toekenningsbeding
B.1 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2. VCF?
82. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
83. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
B.2 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF?
84. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
85. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
B.3 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
86. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen, onder erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
De echtgenoten X - Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, waaraan zij ingevolge de voorgenomen wijziging van huwelijksovereenkomst een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen wensen toe te voegen.
Volgens de gegevens in de aanvraag en in het ontwerp van de akte wijziging huwelijksovereenkomst, heeft het verblijvingsbeding betrekking op alle goederen die tussen de aanvragers in onverdeeldheid zijn, en heeft het toebedelingsbeding betrekking op de eigen goederen die niet in onverdeeldheid zijn tussen hen.
87. Voor zover dat het verblijvingsbeding betrekking heeft op zuiver onverdeelde goederen (en niet op goederen die in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen zijn opgenomen) en het toekenningsbeding enkel betrekking heeft op eigen goederen, zal hiervoor geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
Er kan wel toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld.
B.4 Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
88. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
89. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
B.5 Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?
90. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.
Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
91. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.
B.6 Mogelijke toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF en artikel 2.10.1.0.1 VCF?
92. De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. We vallen dus terug op de algemene regels inzake het verkoop- of het verdeelrecht.
93. Samengevat betekent dit concreet het volgende:
- op de toebedeling/toekenning van de roerende goederen zal geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd zijn;
- op de toebedeling van onroerende goederen zal het verdeelrecht verschuldigd zijn indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid. Is de verkrijger echter een derde-verkrijger, dan zal op de toebedeling/toekenning aan deze verkrijger het verkooprecht van toepassing zijn op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF;
- op de toekenning aan de echtgenoot-verkrijger van de onroerende goederen, zal het verkooprecht van toepassing zijn op grond van artikel 2.9.1.0.1 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
94. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
95. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
96. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).
97. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
98. De aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.1977, niet gewijzigd tot op heden.
De echtgenoten X – Y zijn voornemens de gezinswoning en twee percelen grond in te brengen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. De grond waarop de gezinswoning werd opgericht werd aangekocht door de heer X alleen. Nadien hebben de echtgenoten X – Y er met tegoeden van hen beiden de constructies laten optrekken. Met deze inbreng in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen willen de aanvragers de zakenrechtelijke eigendomsverhouding in lijn brengen met de achterliggende financiering, zoals opgenomen in randnummer 53.
De keuze voor het basisstelsel van scheiding van goederen was destijds ingegeven door de wens van de aanvragers om hun vermogens gescheiden te houden, hun bestuursbevoegdheden zelfstandig te kunnen uitoefenen en de bescherming tegenover elkaars (professionele) schuldeisers. Niettemin wensen de echtgenoten X – Y de langstlevende van hen verzorgd achter te laten en wensen zij een niet eenzijdig herroepbare regeling te voorzien voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van een van hen. Om de bovenstaande wensen met elkaar te verzoenen opteren de aanvragers ervoor om een optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst in te lassen.
99. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
100. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.1977, werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[2] Het verblijvingsbeding, zoals opgenomen in artikel II.B van het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst, luidt als volgt: […]
[3] Het toekenningsbeding, zoals opgenomen in artikel II.C van het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst, luidt als volgt: […]
[4] Het ontwerp van de voorgenomen wijzigingsakte werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[5] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: onder randnummers 45 en 46 hierna bespreken de aanvragers in hun aanvraag eveneens de toepassing van de artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF, zodat deze artikelen ook onderzocht worden n.a.v. deze voorafgaande beslissing.
[6] Deze gegevens blijken uit het bijgevoegd ontwerp van de voorgenomen wijzigingsakte.
[7] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: de aanvragers zijn gehuwd sedert 1977 zodat het niet gaat om ‘aanstaande’ echtgenoten.
[8] Zelfde opmerking als onder voetnoot 7.
[9] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Uit het bijgevoegde ontwerp van akte blijkt dat het toekenningsbeding betrekking heeft op de niet-onverdeelde goederen.
[10] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Uit het bijgevoegde ontwerp van akte blijkt dat het toekenningsbeding slaat op alle eigen goederen waarvan de eerstervende onder hun exclusieve eigenaar is, niet op concrete goederen.
[11] Zelfde opmerking als onder voetnoot 7.
[12] Zelfde opmerking als onder voetnoot 7.