VB 25109 - Onroerend goed inbreng ten behoeve van een derde - FAM
- Nummer
25109
- Datum beslissing
17 november 2025
- Publicatiedatum
19 januari 2026
Heffing
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 2.8.6.0.3. VCF
- art. 2.8.6.0.4. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Ingevolge de toepassing van de artikelen 2.8.4.1.1, 2.8.6.0.3, 2.8.6.0.4 en 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna VCF) hebben wij de eer U met dit schrijven een aanvraag tot voorafgaande beslissing voor te leggen teneinde Uw standpunt te kennen betreffende de fiscale gevolgen van een verrichting die gebruik maakt van de techniek van een inbreng ten behoeve van een derde.
2. In het licht van de beoogde onderstaande verrichtingen, namelijk de oprichting van een vennootschap middels inbreng in natura (van een onroerend goed) gevolgd door een onrechtstreekse schenking van de aandelen van deze vennootschap door de inbrengers aan een derde, leggen wij U onderstaande situatie voor en geven wij vervolgens een volledige beschrijving van de voorgenomen verrichting en de bijhorende motivatie die hieraan ten grondslag ligt.
Hierna vindt U achtereenvolgens:
- Identiteit van de aanvrager en weergave van de feiten;
- Voorwerp van de aanvraag;
- Omschrijving van de verrichting;
- Motivering van de aanvraag;
- Besluit.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen en achtergrond voor de voorgenomen verrichting
3. De aanvraag wordt gesteld door mevrouw […] voor rekening van:
3.1 de heer X, geboren te […] op xx.xx.1951 met rijksregisternummer […], gehuwd met
3.2 mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1950 met rijksregisternummer […], samenwonend te […].
Aanvankelijk gehuwd onder het stelsel van algemene gemeenschap blijkens huwelijkscontract verleden voor notaris […], destijds te […], op xx.xx.1976, gewijzigd in stelsel van zuivere scheiding van goederen bij akte verleden voor notaris […], destijds te […], op xx.xx.1987, gehomologeerd door de zevende Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te […] op xx.xx.1988 welke wijziging bevestigd werd bij akte verleden voor Notaris […], destijds te […] op xx.xx.1989, voor de laatste maal gewijzigd blijkens akte verleden notaris […], te […], op xx.xx.2024, en nadien niet meer gewijzigd, alzo verklaard.
De aanvragers hebben reeds meer dan vijf jaar hun woonplaats in het Vlaamse Gewest.
Hierna genoemd: "de ouders".
4. Het in te brengen goed (bijlage 1) betreft:
Gemeente […], tiende afdeling […]
Een nijverheidsgrond, gelegen te […], gekend blijkens titel en recente kadastrale legger onder sectie F nummer […] voor een totale oppervlakte van vierentachtig are achtentwintig centiare (84a 28ca).
4.1 Eigendomstitel
Voorschreven onroerend goed behoort de echtgenoten X - Y toe om het te hebben verkregen onder grotere oppervlakte als volgt:
4.1.1 de heer X ingevolge ruil met de gemeente […], bij akte verleden voor de heer […] bij het aankoop comité te […] op xx.xx.2002 en overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te […] op xx.xx.2002 daarna, onder formaliteit […].
4.1.2. mevrouw Y ingevolge aankoop jegens de naamloze vennootschap C, met zetel te […], bij akte verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.2009, en overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te […] op xx.xx.2010 onder formaliteit […]. De NV C was er eigenaar van ingevolge ruil met de gemeente […], bij akte verleden voor de heer […] bij het aankoop comité te […] op xx.xx.2002 en overgeschreven op het eerste hypotheekkantoor te […] op xx.xxx.2002 daarna, onder formaliteit […].
4.1.3. Op xx.xx.2019, schonk de heer X 15 are 30 centiare in volle eigendom aan elk van zijn kinderen, met name de heer A en mevrouw B. Mevrouw Y schonk 7 are 91 centiare in volle eigendom aan elk van haar kinderen, met name de heer A en mevrouw B. Door deze schenking wordt de oorspronkelijke oppervlakte van het perceel van een hectare dertig are tweeënzeventig centiare (1ha 30a 72ca) herleidt naar vierentachtig are achtentwintig centiare (84a 28ca), blijkens schenkingsakte verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.2019, overgeschreven op het Kantoor Rechtszekerheid te […] op xx.xx.2019 daarna, formaliteit […].
Hierna genoemd: "onroerend goed".
5. De betrokken vennootschappen betreffen:
5.1. De BV "D", met zetel te […], ondernemingsnummer […], RPR […] (afdeling […]) met als economische activiteit […] en bestuurders de heer A en mevrouw […].
5.2 De NV "C", met zetel te […], ondernemingsnummer […], RPR […] (afdeling […]) met als economische activiteit […] en bestuurder de BV ''D", voornoemd.
II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
6. Feiten
6.1. De heer en mevrouw X- Y hebben twee kinderen, de heer A en mevrouw B.
De heer A is werkzaam binnen de vennootschap BV "D", voornoemd.
6.2. De ouders bezitten in privé-eigendom het voormelde onroerend goed gelegen te […] dat op heden reeds wordt verhuurd aan de BV "D" voor diens economische activiteit; de grond doet dienst als stockage. De heer A bezit 180 van de 200 aandelen en mevrouw […] 20 van de 200 aandelen.
Er zal een nieuwe vennootschap worden opgericht door de heer X en mevrouw Y, hierna genoemd "NEWCO". De oprichting zal aldus gebeuren door de ouders door middel van een inbreng in natura, met name door de inbreng van voormeld onroerend goed. Het onroerend goed wordt ingebracht met de bestaande huurovereenkomst afgesloten met de BV "D".
In ruil voor de voormelde inbreng krijgen de ouders aandelen van de "NEWCO" in volle eigendom.
De BV D zal vervolgens een huurovereenkomst afsluiten met de NEWCO teneinde verder gebruik te kunnen maken van het ingebrachte onroerend goed als stockage. Op heden wordt immers de grond ('het onroerend goed') reeds gehuurd door de vennootschap BV D voor stockage. Dit zal aldus na de inbreng niet wijzigen.
Er zullen geen schulden worden overgedragen aan de vennootschap.
6.3 De ouders hebben de bedoeling om de aandelen die verkregen worden in ruil voor hun inbreng van het voormeld onroerend goed zo snel mogelijk na de inbreng/oprichting te laten toekomen aan hun kinderen, de heer A en mevrouw B, elk voor de helft. Zij zouden hiervoor gebruik willen maken van de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde waarbij de aandelen gecreëerd ingevolge de inbreng door de ouders/schenkers rechtstreeks worden ingeschreven in volle eigendom op naam van de begiftigden (de dochter, B en de zoon, A).
7. Voorwerp van de aanvraag
7.1. Om de voormelde doelstelling te realiseren zouden de ouders gebruik willen maken van de techniek van een inbreng ten behoeve van een derde.
Bij de techniek van een inbreng ten behoeve van een derde komt het erop neer dat een persoon een inbreng doet van goederen in een vennootschap en tegelijkertijd in de inbrengakte stipuleert dat hij inbrengt ten behoeve van een derde waardoor de aandelen die in ruil voor de inbreng worden uitgegeven door de vennootschap niet (of niet helemaal) aan de inbrenger zelf toevallen, maar aan de derde in wiens voordeel de inbrenger bedongen heeft.
Toegepast op voornoemde casus betekent dit dat de ouders de volle eigendom van elk hun deel van het onroerend goed inbrengen in de "NEWCO".
7.2. Middels de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde wordt aldus de inbreng gecombineerd met een quasi gelijktijdige onrechtstreekse schenking van de aandelen die in ruil voor de inbreng worden uitgegeven door de vennootschap. De schenking zit verweven in de rechtshandeling van de inbreng en maakt er aldus een wezenlijk onderdeel van uit.
7.3. De aanvraag strekt er aldus toe enerzijds de bevestiging te verkrijgen dat de inbreng ten behoeve van een derde kwalificeert als een schenking van roerende aard in de zin van artikel 2.8.4.1.1 §2 VCF, en dienvolgens niet zal belast worden als een onroerende schenking in de zin van artikel 2.8.4.1.1 §1 VCF.
Wanneer bovenstaande bevestigd wordt komt het zeer waarschijnlijk voor dat deze onrechtstreekse schenking, wanneer voldaan aan de voorwaarden, in aanmerking komt voor de vrijstelling schenkbelasting artikel 2.8.6.0.3. §1, 2° VCF, wanneer de vennootschap waarin het onroerend goed wordt ingebracht kwalificeert als een familiale vennootschap.
Anderzijds heeft voormelde aanvraag eveneens tot doel de bevestiging te verkrijgen dat de voorgenomen verrichting niet ingegeven is door fiscale motieven en aldus niet kwalificeert als fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
7.4 Ter aanvulling van voormelde kan reeds verwezen worden naar de op 27 juni 2017 gepubliceerde Vlaamse Voorafgaande Beslissing nr. 17018 d.d. 21 juni 2017 waarbij het procedé van de inbreng ten behoeve van derden van onroerende goederen in een vennootschap fiscaal aanvaard wordt als een (onrechtstreekse) schenking van roerende goederen. In de voormelde Vlaamse ruling wordt eveneens uitspraak gedaan over de vraag naar eventueel fiscaal misbruik. In casu was er geen sprake van fiscaal misbruik.
Terzake kan eveneens verwezen worden naar de Nieuwsbrief Notariaat van notaris-vennoot Berquin Notarissen, prof. KU Leuven en Fiscale Hogeschool, SPRUYT, Eric, "lnbreng 'ten behoeve van een derde' in een vennootschap
- Kwalificatie als onrechtstreekse schenking voor vrijstelling familiale vennootschap: Vlabel stapt mee in het verhaal".
Het procedé van de inbreng ten behoeve van een derde waarbij het voorwerp van de inbreng onroerende goederen betrof, werd daarenboven eerder al op federaal vlak bekeken. In die voorafgaande beslissing nr. 2013.239 van 11 maart 2014 aanvaardde de federale rulingcommissie reeds de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde.
8. Omschrijving van de voorgenomen verrichting
8.1. Zoals reeds beschreven komt de inbreng ten behoeve van derden erop neer dat een persoon een inbreng doet van goederen in een vennootschap en tegelijkertijd in de inbrengakte stipuleert dat hij inbrengt ten behoeve van een derde waardoor de aandelen die in ruil voor de inbreng warden uitgegeven door de vennootschap niet (of niet helemaal) aan de inbrenger zelftoevallen, maar aan de derde in wiens voordeel de inbrenger bedongen heeft.
Het beding ten behoeve van een derde is een procedé waarbij er geen identiteit is tussen diegene die de inbreng doet en diegene die uiteindelijk de aandeelhouder wordt. De inbreng wordt gecombineerd met een (quasi) gelijktijdige onrechtstreekse schenking van de aandelen die in ruil voor de inbreng warden uitgegeven door de vennootschap. De schenking zit als het ware ingekapseld in de rechtshandeling van de inbreng en maakt hier een wezenlijk onderdeel van uit.
In de relatie tussen de bedinger (inbrenger-schenker) en de belover (de vennootschap) gaat het om een overeenkomst onder bezwarende titel, namelijk het doen van een inbreng in ruil voor aandelen. In de relatie tussen de bedinger en de derde (de begunstigde) ligt duidelijk een onrechtstreekse schenking ten grondslag. Er is in casu sprake van een onrechtstreekse schenking, omdat de schenking ingebed ligt in een rechtshandeling, te weten de inbreng in de vennootschap, die op zich een neutraal en autonoom karakter heeft en waardoor iemand, met 'animus donandi', een voordeel wordt verschaft.
De rechtsleer kwalificeert de techniek van inbreng ten behoeve van derden als een geoorloofd derdenbeding (art. 5.107BW). Ook het Hof van Cassatie heeft het principe van de inbreng ten behoeve van een derde aanvaard.
8.2. De ouders zullen van het onroerend goed de volle eigendom inbrengen, in ruil waarvoor aandelen in volle eigendom zullen worden uitgegeven, die vervolgens in volle eigendom worden toebedeeld aan de kinderen, elk voor 50%.
In ruil voor deze inbreng ontvangen de ouders aandelen van de "NEWCO". In diezelfde akte zullen de ouders de volle eigendom van hun aandelen verkregen ingevolge de inbreng schenken aan hun dochter en zoon, elk voor de helft, onder de vorm van een onrechtstreekse schenking.
8.3. De ouders bevestigen dat hun kinderen, als begiftigden van de inbreng ten behoeve van derden zullen tussenkomen in de authentieke akte van inbreng en daarin de schenking zullen aanvaarden.
8.4. Beschrijving van het onroerend goed dat zal ingebracht worden (kadastraal uittreksel als bijlage)
Type onroerend goed: nijverheidsgrond
Perceelnummer: […] Eigendom:
- 65,89657 % het eigen vermogen van de heer X
- 34,10343 % het eigen vermogen van mevrouw Y
Specifieke rechten: volle eigendom
Oppervlakte: 8428 vierkante meter
Kadastraal inkomen: 1328 euro
Huidig gebruik: gebruikt voor de bedrijfsvoering/exploitatie van de BV "D", voornoemd.
In te brengen in de "NEWCO":
- Het volledige onroerend goed zal in volle eigendom worden ingebracht in het kapitaal/vermogen van de vennootschap.
- De ouders bevestigen dat er geen schulden worden overdragen aan de vennootschap.
- Met voormeld onroerend goed gaan eveneens proportioneel alle bijhorende verzekeringen, waarborgen en vorderingen mee die hiermee verband houden.
8.5. De ouders bevestigen dat voormelde transactie zal gebeuren voor een Belgische notaris.
8.6. Er wordt bevestigd door de aanvragers/ouders dat het niet de bedoeling is om, op korte of middellange termijn, het ingebrachte onroerend goed uit de bestaande vennootschap te halen in het voordeel van de aandeelhouders (kapitaalvermindering, dividenduitkering, of anderszins), noch het ingebrachte onroerend goed te verkopen aan een van de aandeelhouders, noch de aandelen van de bestaande vennootschap te vervreemden aan derden.
III. Motivering van de aanvraag
9. Schenking van roerende goederen
9.1. Wettelijke bepaling
9.1.2. Artikel 2.8.4.1.1. §1 t.e.m. §2 VCF luidt:
"§ 1 De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABELI verkrijging in rechte lijn en tussen partners gedeelte van de schenking |
| |||||
A Schijf in euro |
tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in ko/om A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten, in euro |
| |||
Vanaf | tot en met |
|
| |||
0,01 | 150.000 | 3 | - | |||
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 | |||
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 | |||
450.000,01 |
| 27 | 49.500 | |||
§ 2 Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3 % voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7 % voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”
9.1.3. Ingevolge artikels 2.8.6.0.3 en 2.8.6.0.4 VCF is er een vrijstelling van bovenvermeld tarief van de schenkbelasting op de schenking van aandelen van de familiale vennootschap.
9.2. Motivering van de aanvraag
9.2.1. Via deze aanvraag wensen de aanvragers bevestiging te bekomen dat de voorgenomen handeling van inbreng ten behoeve van een derde zal vallen onder het regime van een schenking van roerende goederen en aldus niet zal belast worden als een schenking van onroerende goederen.
Inbreng is een rechtshandeling ten bezwarende titel die onmiddellijke eigendomsoverdracht teweegbrengt in het voordeel van de vennootschap. Er is dus eigendomsoverdracht van de onroerende goederen tussen inbrenger en vennootschap.
Als vergoeding voor die inbreng worden aandelen toegekend aan de inbrenger. Het zijn deze aandelen die het voorwerp uitmaken van het beding ten behoeve van de derde. Door het beding ten behoeve van derden aan de inbreng te koppelen, bevrijdt de inbrenger de vennootschap tot inschrijving van de aandelen op naam van de inbrenger zelf.
Bij een beding ten behoeve van een derde ontstaat het voordeel rechtstreeks in hoofde van de begunstigden. Het voordeel (de aandelen) komen hen rechtstreeks toe. Het voordeel (de aandelen) heeft nooit deel uitgemaakt van het vermogen van de bedinger. Het voorwerp van de onrechtstreekse schenking kan alleen de aandelen zijn; het onroerend goed kan nooit het voorwerp van de schenking geweest zijn aangezien het rechtstreeks in eigendom is overgegaan van inbrenger naar vennootschap en eigendom is en blijft van de vennootschap.
Het onroerend goed is alleen het voorwerp van de inbreng tussen inbrenger en vennootschap en niet het voorwerp van het beding ten behoeve van derden, wat ook niet zou kunnen gelet op de definitieve eigendomsoverdracht in het voordeel van de vennootschap.
9.2.2. De aanvragers wensen te benadrukken dat er andere dan fiscale motieven voorliggen om de keuze van de voorliggende rechtshandelingen te motiveren.
Hierna worden de eigen financiële, economische en commerciële, niet-fiscale motieven verder toegelicht.
Gelet op de gevorderde leeftijd van de ouders wensen zij hun vermogen te herschikken om:
- de vennootschap voor zoveel als mogelijk de zekerheid te bieden dat zij ook in de toekomst deze strategisch gelegen nijverheidsgrond kan blijven gebruiken;
- het onroerend goed onder te brengen in een vennootschap waarvan de aandelen voor de helft toekomen aan de zoon die actief is in de vennootschap en voor de andere helft toekomen aan de dochter die niet actief is in de vennootschap, dit met het oog op een gelijke behandeling van de beide kinderen;
- het familiaal vermogen verder te laten renderen en te beheren op de best mogelijke manier;
- te verzekeren dat ook de nieuw uitgegeven aandelen toekomen aan bepaalde erfgenamen;
- bepaalde vermogensbestanddelen aan bepaalde erfgenamen te laten toekomen;
- bepaalde vermogensbestanddelen te behoeden voor (gedwongen) uitonverdeeldheidtreding.
9.2.3. Het is duidelijk de intentie van de ouders om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico ('affectio societatis')
De ouders hebben geenszins de intentie om het onroerend goed an sich te schenken aan de begunstigen van de aandelen. Met voormelde verrichting wensen de ouders immers het onroerend goed in te brengen in de vennootschap waardoor de BV D de zekerheid heeft het ingebrachte onroerend goed te kunnen blijven gebruiken als stockageplaats.
Hun opzet betreft aldus om het onroerend goed in te brengen in de NEWCO met het oog op verhuur aan de BV D, zodat er sprake is van intragroepsverhuur, waardoor de vennootschap D de zekerheid verkrijgt dat zij het onroerend goed kan blijven huren; en zodoende de voortzetting van haar exploitatie te blijven garanderen, met name de uitbating van een bedrijf gespecialiseerd in het uitvoeren van grond- en nivelleringswerken, en heeft aldus de continuïteit van de handelsactiviteit tot doel.
Het is duidelijk dat het de bedoeling is dat de "NEWCO" eigenaar wordt van het onroerend goed en niet de begiftigden zelf eigenaar maken van het onroerend goed, doch slechts van de aandelen.
9.2.4 Uit het geheel der feiten blijkt daarenboven duidelijk dat de inbrengers/schenkers niet de bedoeling hebben zich aan het aandeelhouder zijn te onttrekken.
De aanvragers bevestigen nogmaals dat het niet de bedoeling is om, op korte of middellange termijn, het ingebrachte onroerend goed uit de vennootschap te halen in het voordeel van de aandeelhouders, het ingebrachte onroerend te verkopen aan een van de aandeelhouders noch de aandelen te vervreemden aan derden.
10. Fiscaal misbruik
10.1. Wettelijke bepaling
Artikel 3.17.0.0.2. VCF luidt:
"Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen een van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of dezer uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden."
10.2. Motivering van de aanvraag
10.2.1. Via deze aanvraag wensen de ouders eveneens de bevestiging te bekomen dat de voorgenomen verrichting niet kwalificeert als fiscaal misbruik in de zin van voormeld artikel 3.17.0.0.2. VCF.
10.2.2. Het is de bedoeling van de inbrengers/schenkers om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het is niet de bedoeling het onroerend goed te schenken aan de begunstigden van de aandelen.
Daarenboven zijn er nog andere niet-fiscale motieven aanwezig die de voorgenomen verrichting rechtvaardigen. De aanvragers verwijzen in dit verband naar punt 9.2. waarin de motieven voor de voorgenomen verrichting uitgeschreven werden.
Er wordt immers geen registratiebelasting ontweken, gezien er schenkbelasting op de schenking van roerende goederen worden geheven.
10.2.3. De aanvragers wensen alle fiscale gevolgen van voormelde verrichting te ondergaan (schenkbelasting) zodat zij geen registratierechten wensen te ontwijken, noch wensen zij zich buiten het toepassingsgebied van een wettelijke bepaling te plaatsen. Zij wensen evenmin aanspraak te maken op enig belastingvoordeel, noch te handelen in strijd met de doelstelling van enige wetsbepaling.
11. Conclusie
Verwijzend naar bovenstaande uiteenzetting, verzoeken wij vriendelijk de bevestiging om te mogen besluiten dat:
- de techniek van inbreng ten behoeve van derden in casu kwalificeert als een roerende schenking conform artikels 2.8.4.1.1. §2 VCF;
- de techniek van inbreng ten behoeve van een derde in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt conform artikel 3.17.0.0.2. VCF.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
12. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
13. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.
14. Volgende artikelen uit de VCF worden in de aanvraag gevraagd te onderzoeken:
- Artikel 2.8.4.1.1. VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid, 10°, of het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.”
- artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
15. Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende overeenkomstig artikel 3.21.0.0.1 VCF een verzoek richten tot de Vlaamse Belastingdienst om een attest te bekomen waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, VCF is voldaan.
16. Het procedé van de inbreng ten behoeve van een derde bestaat erin dat de inbrenger onroerende goederen in volle of blote eigendom inbrengt in een vennootschap waarbij de tegenprestatie, namelijk de als vergoeding voor deze inbreng toegekende aandelen, door de vennootschap worden toebedeeld aan een andere persoon dan de inbrenger. De aanvragers motiveren dat er begiftigingsinzicht aanwezig is vanwege de inbrengers en dat de begiftigden zullen tussenkomen in de authentieke akte van inbreng en daarin de schenking zullen aanvaarden.
17. Aanvragers kwalificeren de voorgenomen verrichting als een onrechtstreekse schenking door de echtgenoten X - Y aan hun twee kinderen. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘onrechtstreekse schenking’ op zich niet wettelijk gedefinieerd is, en dat er in de rechtsleer verschillende strekkingen bestaan voor de invulling van dit begrip. Gezien het besluitvormingsorgaan bij voorafgaande beslissing echter geen uitspraak kan doen over de burgerrechtelijke geldigheid van de voorgelegde verrichting, wordt er voor de toetsing van voormelde artikelen van het VCF van uitgegaan dat de verrichting als schenking bestaat en geldig is. Bijgevolg spreekt deze beslissing zich enkel uit over de fiscale gevolgen.
Deze techniek kan in het onderhavig geval fiscaal worden aanvaard mits de kinderen in de authentieke akte van inbreng tussenkomen en de schenking aanvaarden.
18. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.
Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger/schenker om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is het onroerend goed te schenken aan de begunstigden van de aandelen.
De inbreng, gepaard met de schenking van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF. Indien de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF voldaan zijn kan de schenking zelfs worden verwezenlijkt met vrijstelling van de schenkbelasting. Dit in tegenstelling tot een schenking van het onroerend goed zelf - in de veronderstelling dat deze schenking niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van een schenking van een familiale onderneming – die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.
19. Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van het onroerend goed in een nieuw opgerichte vennootschap door de ouders X-Y, gevolgd door een onmiddellijke schenking van de aandelen aan hun kinderen, fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.
Door het onroerend goed in te brengen ten behoeve van de begiftigden wordt ingegaan tegen artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.
Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.
Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden:
Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen.
Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd. Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.
Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.
In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19 , 109) is het volgende te lezen:
“Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poincaré “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.… ”.
Deze maatregel gaf geen bevrediging.
Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.
Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.
In het verslag aan de koning valt te lezen:
“Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten.
Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn.
Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadeelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.
Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten.
Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven.
In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.
20. Door de inbreng van het onroerend goed voornoemd in rn. 4 in de NEWCO vennootschap onmiddellijk gevolgd door een schenking van de aandelen kunnen de begiftigden genieten van het schenktarief voor roerende goederen i.p.v. het schenktarief voor onroerende goederen. Dit zorgt voor een aanzienlijke besparing des te meer als de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3 VCF kan worden genoten.
Gelet op het eenheid van opzet bestaande uit de inbreng van het onroerend ten behoeve van de begiftigden-kinderen oordeelt het besluitvormingsorgaan dat er sprake is van fiscaal misbruik.
21. In randnummer 9.2.2 geven de aanvragers de volgende niet-fiscale motieven voor de voorgenomen verrichtingen:
- de vennootschap voor zoveel als mogelijk de zekerheid te bieden dat zij ook in de toekomst deze strategisch gelegen nijverheidsgrond kan blijven gebruiken;
- het onroerend goed onder te brengen in een vennootschap waarvan de aandelen voor de helft toekomen aan de zoon die actief is in de vennootschap en voor de andere helft toekomen aan de dochter die niet actief is in de vennootschap, dit met het oog op een gelijke behandeling van de beide kinderen;
- het familiaal vermogen verder te laten renderen en te beheren op de best mogelijke manier;
- te verzekeren dat ook de nieuw uitgegeven aandelen toekomen aan bepaalde erfgenamen;
- bepaalde vermogensbestanddelen aan bepaalde erfgenamen te laten toekomen;
- bepaalde vermogensbestanddelen te behoeden voor (gedwongen) uitonverdeeldheidtreding.
22. De niet-fiscale argumenten volstaan in dit geval niet om het misbruik te weerleggen:
De BV D zal door de inbreng van het betrokken onroerend goed in een andere vennootschap geen bijkomende zekerheid ontvangen om dit goed in de toekomst te kunnen gebruiken. Het verdere gebruik door BV D blijft afhankelijk van een huurovereenkomst. Het feit dat beide vennootschappen een gelijke aandeelhouder zullen hebben biedt niet meer zekerheid dan als deze aandeelhouder het onroerend goed in eigen bezit zou hebben en het zou verhuren aan de BV D. Verder tonen de aanvragers niet aan dat het de bedoeling is van de schenkers om het in te brengen goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico. Door het onroerend goed in te brengen in een nieuwe vennootschap in plaats van de vennootschap die het goed zal gebruiken en bij gebrek aan verdere activiteiten of investeringen door deze nieuwe vennootschap zal het onroerend goed niet meer aan het ondernemingsrisico worden blootgesteld dan als het zonder voorafgaande inbreng rechtstreeks aan de kinderen zou worden geschonken.
De aanvraag geeft niet aan dat de inbreng van het onroerend goed noodzakelijk is om het familiaal vermogen te laten renderen gelet op de voortdurende nood aan een huurovereenkomst voor het verder gebruik van het onroerend goed.
De wens om een gelijke behandeling tussen de kinderen te bekomen en de wens om bepaalde vermogensbestanddelen te laten toekomen aan een bepaalde erfgenaam vereist niet dat het betrokken onroerend goed in een nieuwe vennootschap wordt ingebracht waarna de aandelen worden geschonken aan beide kinderen. De gelijke behandeling tussen de kinderen zal blijken uit de globale verdeling van de nalatenschap. De rechtstreekse schenking van een onroerend goed aan de actieve erfgenaam kan worden gecompenseerd door een andere schenking aan het niet actieve kind of door een last verbonden aan de schenking om het niet actieve kind te vergoeden.
De schenking van de aandelen verkregen door inbreng van de onroerende goederen in de NEWCO vennootschap zal getaxeerd worden als een schenking van een onroerend goed.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.