VB 25110 - Wijziging modaliteiten buitenlandse schenking (toevoeging restschenking en optionele terugkeer)
- Nummer
25110
- Datum beslissing
17 november 2025
- Publicatiedatum
12 januari 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Deze aanvraag tot voorafgaande beslissing strekt ertoe bevestiging te verkrijgen omtrent de fiscale gevolgen — zowel bij leven als bij overlijden — van de voorgenomen transactie, namelijk de aanpassing van de modaliteiten van een in het buitenland reeds verleden notariële schenkingsakte.
Specifiek beoogt de aanvraag bevestiging te verkrijgen dat deze aanpassingen geen aanleiding geven tot de heffing van schenk- of erfbelasting en derhalve niet onder de toepassing valt van de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.3, 3° VCF, noch deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling overeenkomstig artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
2 De huidige aanvraag wordt ingediend door mevrouw […], namens
De heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1955, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer […], hierna genoemd ‘X’,
en zijn echtgenote,
Mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1955, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer […], hierna genoemd ‘Y,
X en Y (hierna: de ‘aanvragers’) hebben hun domicilie te […], en zijn reeds langer dan vijf jaar Vlaamse rijksinwoners. Zij zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel naar Belgisch recht.
Uit hun huwelijk is één zoon geboren, de heer Z, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1986, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […], echtgenoot van mevrouw […] en wonende te […] (hierna genoemd: ‘Z’).
Z en zijn echtgenote […] hebben samen ook één zoon (de kleinzoon van de aanvragers), jongeheer A, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.2014, ingeschreven in het rijksregister onder nummer […], wonende te […]. Z en A zijn betrokken partij bij deze aanvraag.
Zowel de heer Z, zijn echtgenote, als jongeheer A woonden tot xx.2023 in Luxemburg. Sinds xx.xx.2023 zijn zij fiscaal rijksinwoner van België. Sindsdien hebben zij steeds hun woonplaats in het Vlaams Gewest gehad.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
1. Beschrijving van de reeds gedane verrichtingen
3. Bij buitenlandse notariële akten d.d. xx.xx.2000, xx.xx.2008 en xx.xx.2011 hebben X en Y gemeenschappelijke roerende goederen aan hun zoon, Z, geschonken [1]:
Op xx.xx.2000 schonken zij 6.350 certificaten in volle eigendom in de Nederlandse Stichting Administratiekantoor […] (later omgezet naar de maatschap ‘[…]’ en ondertussen gekend onder de naam ‘B’);
Op xx.xx.2008 schonken zij 1.081.000.000 aandelen in blote eigendom van de maatschap C (ondertussen gekend als maatschap D);
Bij akte van dd. xx.xx.2011 schonken zij nog eens 249.659.116 aandelen in blote eigendom van de maatschap C (ondertussen gekend als maatschap D).
4. Onder meer volgende bedingen werden aan voornoemde schenkingen gekoppeld:
een beding van terugkeer:
in de schenking van 2000 krijgt het beding enkel uitwerking indien er geen afstammelingen zijn van de vooroverleden begiftigde (wat op vandaag niet meer het geval is):
“De schenkers behouden tot eigen baat zich het recht van terugkeer voor ten aanzien van het betrokken deel van de geschonken certificaten ingeval van vooroverlijden van de begiftigde zonder wettige afstammelingen in leven op het ogenblik van het overlijden van de begiftigde.” (eigen onderlijning)
in de schenkingen van 2008 en 2011 daarentegen krijgt dit beding uitwerking, ongeacht of de vooroverleden begiftigde afstammelingen nalaat:
“Op grond van artikel 951 van Het Belgisch Burgerlijk Wetboek wordt conventioneel het recht van terugkeer bedongen met betrekking tot de geschonken blote eigendom van de delen in geval van vooroverlijden van de begiftigde, ongeacht of de begiftigde op dat moment al dan niet afstammelingen nalaat. (…)” (eigen onderlijning)
een uitsluitingsclausule: deze houdt in dat het geschonken vermogen niet mag ingebracht worden in eender welk gemeenschappelijk vermogen. Bijzonder aan de aktes van 2008 en 2011 hierbij is dat het geschonken vermogen bij overlijden van Z alsnog (automatisch) geacht wordt in de gemeenschap te hebben gezeten indien hij op dat moment nog gehuwd was (zie ook verder).
5. Tot slot verkreeg de heer Z bij Belgische notariële akte van dd. xx.xx.2024 een schenking van 475 aandelen in volle eigendom van de maatschap B.[2] In deze akte werd ook een (optioneel conventioneel) beding van terugkeer opgenomen, een uitsluitingsclausule, alsook een fideï commis de residuo (of schenking met restschenking) t.a.v. hun (enige) kleinkind, A.
2. Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen
6. Thans wensen de aanvragers (schenkers) in onderlinge overeenstemming met hun zoon, Z (begiftigde), de modaliteiten in hogervermelde schenkingsaktes van 2000, 2008 en 2011 te wijzigen/aan te vullen teneinde ze in lijn te brengen met de voornoemde schenking uit 2024.
7. Concreet zal geschrapt worden dat de uitsluitingsclausule automatisch wegvalt bij overlijden van Z indien hij op dat moment nog gehuwd is. De uitsluiting uit eender welke gemeenschap zal dus steeds gelden.
In aanvulling hierop, ingegeven door de intussen gewijzigde familiale situatie, zal een fideï commis de residuo worden toegevoegd aan de schenkingsakte t.a.v. A, het kleinkind van de aanvragers.
Tot slot zal het beding van terugkeer in elke akte zo worden geschreven dat het om een optioneel conventioneel beding van terugkeer gaat dat uitwerking heeft ongeacht of de vooroverleden begiftigde afstammelingen nalaat. Op heden wordt het beding in de verschillende schenkingsaktes anders uitgewerkt. De aanvragers willen evenwel toekomstige verwarring en complexiteit vermijden.
De aanvragers wensen uitdrukkelijk dat de geschonken goederen, namelijk de aandelen van de maatschappen B en D, zoveel mogelijk en zo lang mogelijk binnen de familie blijven en dat de overdracht aan de volgende generatie wordt verzekerd. De maatschap B houdt namelijk de aandelen aan van de vennootschap x, de familiale holding, terwijl de maatschap D onder meer een belangrijke kunstcollectie van de familie aanhoudt.
Op het moment van de oorspronkelijke schenkingen was Z nog een prille twintiger en had hij op dat moment geen relatie, noch eigen kinderen. Ondertussen is Z gehuwd en heeft hij met zijn echtgenote zelf ook één, nog minderjarig kind, A.
Bijgevolg is het noodzakelijk om de modaliteiten in de hogervermelde schenkingsaktes aan te vullen. De aanvragers hebben onder huidige situatie niet de zekerheid dat het saldo van het geschonken vermogen uiteindelijk aan hun kleinkind(eren) zal toevallen. Met de toevoeging van een fideï-commis de residuo kan het behoud van het vermogen binnen de familie beter gewaarborgd worden.
Bovendien wensen de aanvragers met het uniformiseren van de voorwaarden in alle schenkingsaktes eventuele discrepanties en discussie in de toekomst te vermijden.
Deze wijzigingen/aanvullingen zullen worden opgenomen in een verplicht te registreren notariële akte.
III. Motivering van de aanvraag
8. De aanvragers hebben in hun schenking in 2024 een fideï-commis de residuo ten aanzien van hun kleinzoon A ingeschreven, alsook het conventioneel beding van terugkeer optioneel bedongen. Bij de voorbereiding van die recente schenking kwamen de modaliteiten van de oudere schenkingen ter sprake en werd opgemerkt dat op basis hiervan verschillende resultaten werden bekomen, niet steeds rekening houdend met de huidige situatie en volgens de wens van de aanvragers.
1. Fideï commis de residuo en aanpassing uitsluitingsclausule
9. Zo werd er nog geen fideï-commis bij de hogervermelde schenkingen dd. 2000,
2008 en 2011 opgenomen. In die tijd was het ook niet gangbaar/ongekend dat een fideï-commis de residuo ingeschreven kon worden voor toekomstige, ongeboren kleinkinderen.
De partijen hebben steeds de bedoeling gehad om de schenking van hun aandelen zo goed mogelijk te regelen en wensen dat de geschonken goederen steeds in de familie blijven. Dit was ook de reden waarom telkens een uitsluitingsclausule werd toegevoegd aan de schenkingsaktes. Evenwel, om enige flexibiliteit in te bouwen, en (louter) rekening houdend met de omstandigheden op het moment van de schenking (hun enige zoon, Z, had op dat moment nog geen relatie/geen eigen kinderen), werd volgende laatste alinea ingeschreven bij de uitsluitingsclausule:
“Bij ontbinding van het huwelijk of van de samenwoning door het overlijden van de begiftigde en behoudens indien op het ogenblik van dat overlijden de begiftigde en zijn echtgenoot of partner feitelijk gescheiden leven of tussen de begiftigde en zijn echtgenoot of partner een procedure van echtscheiding of scheiding van tafel en bed hangende is, zal de uitsluitingsclausule evenwel geen uitwerking hebben in deze zin dat over de goederen die het voorwerp uitmaken van deze uitsluitingsclausule tussen de partners kan afgerekend worden alsof deze goederen deel uitmaakten van een gemeenschappelijk vermogen.” (eigen onderlijning)
Dit betekent dat indien Z vandaag komt te overlijden, op grond van die laatste zinsnede, het risico bestaat dat de aandelen deels zullen worden vererfd door zijn echtgenote (op voorwaarde dat ze op datum van zijn overlijden nog gehuwd zijn). Op deze manier zou het vermogen in handen van de schoonfamilie terechtkomen. Dit is evenwel niet de bedoeling nu er een (klein)kind is aan wie de aandelen, na Z, zouden moeten toekomen.
Omwille van deze redenen wensen de aanvragers aan de oudere schenkingen van dd. 2000, 2008 en 2011 dezelfde voorwaarden te koppelen zoals deze zijn voorzien bij de recente schenking van 2024, namelijk door de toevoeging van een restschenking ten gunste van hun kleinzoon A en door schrapping van de laatste alinea uit de uitsluitingsclausule, zoals opgenomen in de schenkingen van 2008 en 2011.
Het resultaat hiervan is dat zowel de overblijvende aandelen van de maatschap D, als de overblijvende aandelen van de maatschap B, na het overlijden van Z, zullen toekomen aan A en aldus binnen de familie blijven.
2. Optioneel conventioneel beding van terugkeer
10. In de oorspronkelijke schenkingen uit 2000, 2008 en 2011 werd het beding van terugkeer opgenomen dan wel enkel voor het geval er geen afstammelingen zijn van de vooroverleden begiftigde (schenking 2000), dan wel ongeacht of er afstammelingen zijn (schenkingen 2008 en 2011). De aanvragers wensen deze clausule aan te passen naar een optioneel conventioneel beding van terugkeer, net zoals in de schenking van 2024, aangezien zij op dit ogenblik nog niet zeker zijn of de afstammeling(en) voldoende rijp zullen om de geschonken goederen te verkrijgen. Door een optionele terugkeer te voorzien, ongeacht telkens of er afstammelingen zijn van de vooroverleden begiftigde, kunnen de aanvragers dit beoordelen op het moment dat deze onverhoopte situatie zich voordoet.
IV. Beslissing
11. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.
12. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.
Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.
Te onderzoeken artikelen uit de VCF
13. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3°, VCF dat luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
…
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
De te beoordelen verrichting
14. Aanvragers nemen zich voor om bij notariële akte, welbepaalde modaliteiten van drie reeds verleden schenkingsaktes te wijzigen, alsook een restschenking toe te voegen aan elk van deze vroegere schenkingen.
De te wijzigen akten betreffen drie schenkingsakten verleden voor buitenlandse notaris op resp. xx.xx.2000, xx.xx.2008 en xx.xx.2011, waarbij aanvragers telkens gemeenschappelijke roerende goederen geschonken hebben aan hun zoon, de heer Z.
Door de voorgenomen wijzigingen zullen deze drie schenkingsakten gelijke voorwaarden hebben als een schenking die aanvragers in 2024 gedaan hebben aan hun zoon Z. Deze laatste schenking werd gedaan bij Belgische notariële akte van schenking aandelen familiale vennootschap, waarin een optioneel beding van terugkeer bedongen werd ongeacht of de eerste begunstigde met of zonder afstammelingen zou vooroverlijden, alsook een fideïcommis de residuo ten gunste van de kleinzoon van aanvragers, de heer A.
De ‘oudere’ schenkingen zullen als volgt in onderlinge overeenstemming aangepast worden:
- het beding van terugkeer dat in de drie te wijzigen akten niet optioneel bedongen werd, zal optioneel bedongen worden;
- het beding van terugkeer dat in voormelde akte van xx.xx.2000 enkel uitwerking zou hebben bij vooroverlijden van de begiftigde zonder afstammelingen, wordt uitgebreid naar de hypothese dat de vooroverleden begiftigde afstammelingen nalaat;
- de uitsluitingsclausule wordt in de voormelde akten van xx.xx.2000, xx.xx.2008 en van xx.xx.2011 gewijzigd.
Bovendien wordt aan drie te wijzigen schenkingsakten een restschenking toegevoegd ten gunste van de kleinzoon van aanvragers, de heer A, zoon van de oorspronkelijke begiftigde. De heer A is geboren op xx.xx.2014.
15. Deze wijzigingen/aanvullingen zullen worden opgenomen in een verplicht te registreren notariële akte.
Beoordeling
1. Onderzoek van artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.7.1.0.3,3° VCF
16. De door aanvragers voorgenomen wijziging van de modaliteiten van de schenkingen (wijziging van de conventionele terugkeer en wijziging van de uitsluitingsclausule) opgenomen in voormelde schenkingsakten verleden voor buitenlandse notaris, heeft op zich en in casu niet tot gevolg dat hetzij schenkbelasting, hetzij erfbelasting verschuldigd zal zijn.
Volgens de gegevens van de aanvraag zullen deze wijzigingen worden opgenomen in een verplicht te registreren notariële akte. De registratie van deze akte komt neer op de aanbieding ter registratie in België van de titels van de initiële schenkingen van xx.xx.2000, xx.xx.2008 en van xx.xx.2011, voor zover deze althans nog niet eerder ter registratie aangeboden werden. Deze schenkingen zullen belast worden met schenkbelasting overeenkomstig artikel 2.8.1.0.1 VCF.
17. De voorgenomen toevoegingen van een fideïcommis de residuo aan de schenkingen opgenomen in voormelde schenkingsakten verleden voor buitenlandse notaris, maken schenkingen uit aan de tweede begiftigde, onder de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de eerste begiftigde, de heer Z en het overleven van de tweede begiftigde, de heer A.
Deze schenkingen hebben betrekking op hetgeen bij het overlijden van de eerste begiftigde, de heer Z nog overblijft van de aan deze begiftigde door de schenker geschonken goederen.
Bij aanbieding ter registratie van de akte waarbij deze tweede (rest)schenking onder opschortende voorwaarde wordt bedongen, zal schenkbelasting verschuldigd zijn op de oorspronkelijke schenkingen aan de eerste begiftigde, de heer Z, zoals hiervoor ook gemeld onder randnummer 16. Zoals eveneens vermeld onder randnummer 16, zullen deze oorspronkelijke schenkingen belast worden met schenkbelasting overeenkomstig artikel 2.8.1.0.1 VCF. De restschenking zal hierbij niet als een last bij deze schenkingen beschouwd worden.
Bij vooroverlijden van de heer Z, en in de veronderstelling dat de ouders hun optioneel beding van terugkeer niet zullen uitgeoefend hebben, en de tweede begiftigde is nog in leven zal zijn, zal de restschenking actueel worden. Op dat moment zal ook de schenkbelasting opeisbaar worden op de tweede schenking aan de heer A.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
18. Of de voorgenomen verrichting al dan niet fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF uitmaakt, dient in casu niet onderzocht te worden gezien de rechtstreekse toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF zoals hiervoor uiteengezet is.
19. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Afschriften van de notariële akten van xx.xx.2000, xx.xx.2008 en xx.xx.2011 werden door aanvragers bezorgd bij de indiening van de aanvraag.
[2] Een afschrift van de akte van xx.xx.2024 werd door aanvragers bezorgd bij de indiening van de aanvraag.