Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25112 - Wijziging huwelijksovereenkomst stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 25112 - Wijziging huwelijksovereenkomst stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

25112

Datum beslissing

1 december 2025

Publicatiedatum

16 januari 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.1. VCF
  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van (zuivere) scheiding van goederen. Zij hebben thans het voornemen om, voor het geval hun huwelijksstelsel wordt ontbonden ingevolge het vooroverlijden van mevrouw Y, in hun huwelijksovereenkomst en met betrekking tot één enkel specifiek goed van mevrouw Y, een optioneel eenzijdig toekenningsbeding ten voordele van de heer X op te nemen en te integreren in hun huwelijksstelsel.

De echtgenoten wensen met betrekking tot deze beoogde wijziging evenwel voorafgaand fiscale zekerheid te bekomen.

2. Deze aanvraag strekt er daarom toe de bevestiging te verkrijgen dat het optioneel toekenningsbeding dat zij in hun huwelijksovereenkomst en aldus in hun huwelijksstelsel zouden implementeren zoals weergegeven hierna, op grond waarvan een goed (exclusief) behorende tot het eigen vermogen van mevrouw Y bij haar vooroverlijden optioneel in volle en exclusieve eigendom wordt toegekend aan de heer X, als langstlevende echtgenoot, zo hij hiervoor kiest, niet onderworpen zal zijn aan schenk- of erfbelasting op grond van (één van de) volgende artikelen:

  • 2.7.1.0.1. VCF en 2.7.1.0.2. VCF;
  • 2.7.1.0.3, 3° VCF;
  • 2.7.1.0.4. VCF;
  • 2.7.1.0.5. VCF;
  • 2.8.1.0.1. VCF en 2.8.4.1.1. VCF;

alsook geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen en achtergrond voor de voorgenomen verrichting

3. De aanvraag wordt ingediend door […].

4. De betrokken partijen zijn:

  • de heer X, geboren te […] op xx.xx.1976, met rijksregisternummer […], en zijn echtgenote,
  • mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1977, met rijksregisternummer […].[1]

Zij zijn woonachtig te […].

Zij worden hierna gezamenlijk de “partijen”, de “aanvragers” of de “echtgenoten” genoemd.

Zij hebben beiden de Belgische nationaliteit en hebben hun (fiscale) woonplaats sedert meer dan 5 jaar in het Vlaams Gewest.

Zij hebben twee gemeenschappelijke kinderen, te weten:

  • mevrouw A, geboren te […] op xx.xx.2004, met rijksregisternummer […]; en
  • mevrouw B, geboren te […] op xx.xx.2006, met rijksregisternummer […].

Zij hebben geen andere (eigen, gemeenschappelijke of geadopteerde) kinderen.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting:

5. De echtgenoten zijn gehuwd te […] op xx.xx.2004 onder het stelsel van (zuivere) scheiding van goederen blijkens voorafgaande huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] d.d. xx.xx.2004.[2] De huwelijksovereenkomst is tot op heden niet gewijzigd.

6. De echtgenoten wensen thans hun huwelijksovereenkomst aan te passen in het kader van een evoluerende verzorgingsgedachte tussen hen, meer in het bijzonder voor het geval mevrouw Y zou komen te vooroverlijden (en dus wat de vereffening-verdeling in geval van een ontbinding van hun huwelijksstelsel ingevolge haar vooroverlijden betreft).

Meer bepaald wensen de echtgenoten een eenzijdig optioneel toekenningsbeding aan hun huidig huwelijksstelsel van zuivere scheiding van goederen toe te voegen, in het bijzonder (en uitsluitend) met betrekking tot de aandelen die mevrouw Y aanhoudt in de besloten vennootschap ‘C’ [3], met ondernemingsnummer […] en met zetel te […].

7. Mevrouw Y is sinds 2000 werkzaam als […]. Zij baat haar economische activiteit uit in de besloten vennootschap ‘D’, met ondernemingsnummer […] en met zetel te […].[4]

Het vermogen van de BV D per 31 december 2024 bedraagt […] euro en wordt vertegenwoordigd door 126 aandelen.

De aandelen van de BV D worden, op één aandeel na, aangehouden door de BV C. Het ene aandeel houdt mevrouw Y privé aan [5].

De BV C heeft mevrouw Y opgericht in 2008. Het vermogen bedraagt […] euro en wordt vertegenwoordigd door 120 aandelen. Alle aandelen behoren toe aan mevrouw Y. Het kapitaal werd onderschreven met eigen inkomsten en de daarop verwezenlijkte besparingen (te kwalificeren als ‘aanwinsten’).

De BV C heeft de aandelen van de BV D in 2011 onder bezwarende titel middels aankoop verworven.

De BV C houdt verder twee onroerende goederen aan, i.e. (i) het pand waarin de […] wordt uitgebaat gelegen te […] enerzijds en (ii) 50% van een onroerend goed gelegen te […] anderzijds.[6]

In beide vennootschappen is mevrouw Y bestuurder.

Voor het overige zijn de echtgenoten heden onverdeeld eigenaar (elk ten belope van de helft) van de woning gelegen te […] (i.e. hun huidige gezinswoning) en houdt mevrouw Y daarnaast beperkte liquide middelen aan. De heer X van zijn kant houdt diverse (eigen) onroerende goederen aan.

8. Mevrouw Y wenst haar echtgenoot verzorgd achter te laten voor het geval zij komt te vooroverlijden en wenst (in het kader van een evoluerende verzorgingsgedachte tussen hen) een niet-eenzijdig herroepbare solidaire regeling te voorzien waarbij haar echtgenoot, de heer X, voor het geval hij de langstlevende zou zijn, het recht bekomt om de aandelen van de BV C die mevrouw Y op de dag van haar overlijden aanhoudt, in volle en exclusieve eigendom te verwerven, zonder dat deze toekenning erfrechtelijk met de kinderen moet worden verrekend. Zij wil dit doen aan de hand van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding.

Naast haar bezorgdheid om haar echtgenoot verzorgd achter te laten zodoende hij de levensstandaard en het comfort als dit ten tijde van hun huwelijk kan verderzetten, c.q. behouden, wenst mevrouw Y met de beoogde regeling de continuïteit van de exploitatie van de […] te verzekeren. Zoals hoger uiteengezet, komt de exploitatie van de […] (op 1 aandeel na) toe aan de dochtervennootschap van de BV C en wordt het vastgoed waarin de exploitatie wordt uitgebaat, door de BV C aangehouden. Het is derhalve, om de continuïteit van de exploitatie maximaal mogelijk te houden, van belang dat de rechten die aan de aandelen van de BV C zijn verbonden, na het vooroverlijden van mevrouw Y zoveel als mogelijk bij de heer X worden verankerd en niet onder de heer X en de kinderen worden versnipperd, hetgeen de continuïteit van de exploitatie zou kunnen bemoeilijken/verlammen. Bovendien wenst mevrouw Y niet dat de kinderen na haar vooroverlijden inspraak bekomen op het niveau van de respectievelijke vennootschap.

Daarnaast is het van belang dat de heer X als langstlevende echtgenoot de aandelen kan verwerven in volle en exclusieve eigendom zonder dat hij genoodzaakt wordt/kan worden om de kinderen (in natura, i.e. in aandelen) uit te betalen (bijv. indien de heer X zelf over onvoldoende financiële liquide middelen beschikt om de kinderen in waarde (i.e. in geld) uit te betalen). Het vermogen van de heer X bestaat zoals aangehaald op heden immers in hoofdzaak uit onroerende goederen en slechts zeer beperkt uit liquide middelen; het is aldus zeer waarschijnlijk dat de heer X in voorkomend geval gedwongen zou worden om een deel van zijn eigen patrimonium liquide te maken, hetgeen absoluut niet gewenst is. In voorkomend geval zou immers aan de wens van mevrouw Y, die erin bestaat om haar echtgenoot zoveel als mogelijk hetzelfde comfort en welzijn als dit ten tijde van hun huwelijk aan te reiken, niet (kunnen) worden tegemoetgekomen.

9. Het toekenningsbeding is optioneel geformuleerd, zodoende de heer X bij het vooroverlijden van mevrouw Y zelf kan beslissen of hij de aandelen van de BV C in volle en exclusieve eigendom wenst toegekend te krijgen, dan wel of hij het gepast vindt om de aandelen reeds (geheel of gedeeltelijk) te laten toekomen (in volle of blote eigendom) aan de kinderen. De heer X kan deze beslissing op dat ogenblik geheel autonoom nemen in functie van diverse parameters zoals de eigen (financiële) noden op dat ogenblik, de leeftijd, de relatie met de kinderen, enz.

10. In ieder geval wensen de echtgenoten hun bestaande huwelijksstelsel van scheiding van goederen te behouden. Zij hechten met name groot belang aan de (professionele) autonomie die het stelsel hen biedt alsook aan de bescherming die zij hieruit ontlenen tegen andermans schuldeisers. Het aannemen van een gemeenschapsstelsel is om die reden geen optie.

Ook is het de uitdrukkelijke wens van mevrouw Y om de bezorgdheden die zij heeft, op een zodanige wijze te vertalen dat zij tijdens haar leven niet hoeft in te boeten aan autonomie inzake het beheer en het bestuur wat haar eigen aandelen betreft. Om die reden is ook de toevoeging van een beperkte gemeenschap aan hun stelsel van scheiding van goederen in combinatie met een inbreng van de aandelen niet gewenst.

11. Het is de uitdrukkelijke wens van de echtgenoten X-Y om heden een regeling uit te werken die met zekerheid tot uitwerking kan/zal komen bij het vooroverlijden van mevrouw Y. Een legaat van de aandelen is daarom uitgesloten. Vooreest is een testamentaire beschikking te allen tijde door mevrouw Y eenzijdig herroepbaar en heeft de heer X in dat geval geen zekerheid dat hij op het ogenblik van het vooroverlijden van mevrouw Y de aandelen van de BV C zal toegekend worden. Voorts, en meer in het bijzonder, moet een testamentaire beschikking erfrechtelijk worden verrekend en dreigt de heer X in dat geval een deel van de aandelen of een deel van zijn eigen vermogen te moeten afstaan aan de kinderen, indien zij hun rechten opeisen.

12. Om tegemoet te komen aan dit alles wensen de echtgenoten aan de (eigen) aandelen van mevrouw Y in de BV C een huwelijksvoordeel te koppelen dat de heer X als langstlevende echtgenoot toelaat om bij het vooroverlijden van zijn echtgenote mevrouw Y deze aandelen (geheel of gedeeltelijk) in volle en exclusieve eigendom te verwerven, indien hij hiervoor kiest.

Dit huwelijksvoordeel wordt coherent geïntegreerd in het bestaande huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten en aan de bedingen van hun bestaande huwelijkse regeling in het bijzonder, met een coherente regeling voor het passief.

13. De regeling geldt uitsluitend voor de aandelen van de BV C en voor zover de aandelen op het ogenblik van het vooroverlijden van mevrouw Y nog in haar eigen vermogen (in natura) aanwezig zijn. Indien de aandelen bij leven van mevrouw Y niet langer tot haar eigen vermogen behoren (bijv. ingevolge verkoop/overdracht/inbreng van de aandelen), zullen de echtgenoten de bestaande regeling dienen te herzien.

14. Deze regeling hebben de echtgenoten in onderling overleg met elkaar afgesproken. Ze kadert in de interne solidariteits- en verzorgingsgedachte die de echtgenoten tegenover elkaar hebben. Ze gaat derhalve niet uit van enige intentie tot begiftigen. De regeling beoogt de goede werking van de vennootschap(pen) en de continuïteit van de exploitatie van de […] te verzekeren. Ze beoogt tevens een billijke en eerlijke huwelijksvermogensrechtelijke regeling tussen de echtgenoten tot stand te brengen teneinde de hardheid van het stelsel van zuivere scheiding van goederen, dat niet langer verenigbaar is met de wijze waarop de echtgenoten solidariteit met elkaar beogen, te verzachten, los van iedere vrijgevigheidsgedachte.

15. Concreet wensen de aanvragers hun huwelijksstelsel middels een wijzigende akte huwelijksovereenkomst als volgt te wijzigen [7]:

“Artikel 12. Optionele toekenning van een eigen goed in geval van overlijden

De echtgenoten komen ten titel van huwelijksvoordeel overeen dat bij ontbinding van het huwelijksstelsel door het (voor)overlijden van mevrouw Y, en enkel dan, en op voorwaarde dat er op dat ogenblik geen procedure strekkende tot scheiding van tafel en bed, gerechtelijke scheiding van goederen of echtscheiding ingeleid werd, en geen feitelijke scheiding tussen hen bestond welke te wijten is aan een duurzame ontwrichting van het huwelijk (dus niet ten gevolge van overmacht zoals de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van een of beide echtgeno(o)t(en) naar een rust- of verzorgingsinstelling, een verblijf in een ziekenhuis, serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening, een verblijf in het buitenland omwille van beroepsredenen, en dergelijke meer), de (eigen) aandelen die mevrouw Y op de dag van haar overlijden aanhoudt in de besloten vennootschap ‘C’, met ondernemingsnummer […] en met huidige zetel gevestigd te […], in toepassing van artikel 2.3.64, §2 BW en onder de voorwaarden en modaliteiten zoals hierna bepaald, aan de heer X, als langstlevende echtgenoot, worden toegekend.

Deze toekenning geschiedt optioneel. De heer X dient als langstlevende echtgenoot zijn keuze wat het optioneel toekenningsbeding bedoeld hiervoor betreft binnen de vier (4) maanden na daartoe te zijn aangemaand vast te leggen in een notariële akte of in de aangifte van nalatenschap. Dit keuzerecht is een persoonlijk recht van de heer X, welke niet kan uitgeoefend worden door zijn rechtsopvolgers of eventuele schuldeisers, maar wel kan uitgeoefend worden door diegene(n) die ingevolge een buitengerechtelijke of een gerechtelijke beschermingsmaatregel is/zijn aangewezen om zijn goederen te beheren (en mits uiteraard hij of zij hiertoe daadwerkelijk gemandateerd is/zijn).

Bij gebrek aan een keuze binnen de voormelde termijn, wordt de heer X geacht te hebben gekozen voor een volledige toekenning van de aandelen in BV C in vruchtgebruik.

Bij uitoefening door de heer X van zijn recht op toekenning zoals bedoeld hiervoor, zal ook de schuld die desgevallend aan deze aandelen is verbonden, aan de heer X worden toegekend, in verhouding tot het aandeel dat de heer X uit het toekenningsbeding verkrijgt.

De heer X in wiens voordeel onderhavig toekenningsbeding uitwerking vindt, zal aan de erfgenamen of rechtsopvolgers van mevrouw Y voor de toekenning van de aandelen van BV C geen vergoeding verschuldigd zijn.

De echtgenoten verklaren door ondergetekende notaris te zijn geïnformeerd over het bestaan, de toepassing en de draagwijdte van de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW, met name voor wat het effect tegenover de kinderen betreft.

De echtgenoten verklaren in dat opzicht en voor zoveel als nodig dat voormelde aandelen van BV C kwalificeren als aanwinsten en door mevrouw Y gefinancierd werden met eigen (beroeps-) inkomsten en de daarop verwezenlijkte besparingen.

De echtgenoten zijn voorts overeengekomen dat ingeval de heer X door zijn keuze bedoeld hiervoor of door zijn gebrek aan keuze bedoeld hiervoor het vruchtgebruik verwerft op (een deel van) de aandelen van BV C:

a) het vruchtgebruik van de heer X zal overgaan op de goederen die ingevolge zaakvervanging, vervreemding en/of (weder)belegging (geheel of gedeeltelijk) in de plaats treden van de met vruchtgebruik bezwaarde aandelen, deze principes van zakelijke subrogatie ruim geïnterpreteerd en toegepast moeten worden, en het voorgaande dan ook geldt ongeacht het soort of type goederen dat in de plaats van de bezwaarde aandelen treedt;

b) de (uitzonderlijke) opbrengsten van de met vruchtgebruik bezwaarde aandelen overeenkomstig artikel 3.147 BW zullen toekomen aan de blote eigenaar(s), met dien verstande dat de heer X het vruchtgebruik zal bekomen van de goederen die derwijze aan de blote eigenaar(s) worden uitgekeerd of toebedeeld, en dit ongeacht of de hiervoor bedoelde principes van zakelijke subrogatie (al dan niet) van toepassing zijn op de (uitzonderlijke) opbrengsten die worden uitgekeerd of toebedeeld;

c) er geen verrekening van vruchten of tegenover deze vruchten staande lasten zal plaatsvinden, noch bij aanvang van het vruchtgebruik noch bij beëindiging van het vruchtgebruik. De toepassing van het laatste lid van artikel 3.146 BW wordt hierbij aldus uitdrukkelijk uitgesloten. Bijgevolg zal er met betrekking tot de uitgekeerde vruchten geen vergoeding kunnen geëist worden op basis van de leer van de verrijking zonder oorzaak;

d) enkel de heer X het recht zal hebben om de omzetting van zijn vruchtgebruik te vorderen. De blote eigenaar(s) zullen aldus in beginsel niet over dit recht beschikken. Het voorgaande geldt onverminderd de mogelijkheid voor de heer X om te verzaken aan zijn recht van vruchtgebruik;

e) er bij het einde van het vruchtgebruik van de heer X vermoed zal worden dat hij de bezwaarde goederen bij de aanvang van zijn vruchtgebruik heeft ontvangen/verworven in de staat waarin deze goederen zich bevinden bij het einde van zijn vruchtgebruik.

Voor de goede orde en teneinde alle twijfel in dat verband te vermijden, verklaren en erkennen de echtgenoten nog dat onderhavig huwelijksvoordeel vervalt en de heer X zijn keuzerecht in verband met voormeld toekenningsbeding verliest indien hij onwaardig is om van mevrouw Y te erven in de zin van de artikelen 2.3.59. en 4.6. BW.”

III. Motivering van de aanvraag

16. De aanvragers verzoeken bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de heer X als langstlevende echtgenoot zal verkrijgen ingevolge de toepassing van het eenzijdig optioneel toekenningsbeding als bedoeld hiervoor, niet onderworpen zal zijn aan de hierna vermelde bepalingen, om de redenen die de aanvragers hieronder vermelden.

a) Geen toepassing van de artikelen 2.7.1.0.1. en 2.7.1.0.2. VCF

17. Overeenkomstig de artikelen 2.7.1.0.1. en 2.7.1.0.2. VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die overgaan ingevolge het overlijden en aldus verkregen worden uit nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking en/of contractuele erfstelling.

18. Het voordeel dat de heer X als langstlevende echtgenoot zal verkrijgen ingevolge de toepassing van het optioneel toekenningsbeding wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. Dergelijk voordeel wordt in het Belgisch huwelijksvermogensrecht uitdrukkelijk erkend. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek.

De kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt door in een stelsel van scheiding van goederen (cf. art. 2.3.64, §1, vierde lid BW). Indien uit de samenstelling, werking, vereffening, verdeling of verrekening van het stelsel van scheiding van goederen zoals in een huwelijksovereenkomst is uitgewerkt voor één van de echtgenoten een voordeel ontstaat, zal dit voordeel een huwelijksvoordeel zijn.

Het huwelijksvoordeel dat de heer X als langstlevende echtgenoot ingevolge de toepassing van het optioneel toekenningsbeding zal verkrijgen, zal bijgevolg niet uit nalatenschap (niet via wettelijke devolutie, noch via uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling) maar in toepassing van het beding zoals opgenomen in de huwelijksovereenkomst en aldus in toepassing van het huwelijksvermogensrecht worden verkregen. Overigens gaat de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen de vereffening en verdeling van de nalatenschap vooraf, zodoende dat het huwelijksvoordeel nooit een erfrechtelijke verkrijging kan zijn (cf. Cass. 24 maart 2017).

In ieder geval is een huwelijksvoordeel geen schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gekwalificeerd als een niet-schenking. Deze kwalificatie is objectief en ongeacht de feitelijke intenties van de partijen. Zelfs al zou er een intentie om te begiftigen zijn, quod non in casu, wijzigt dit niet de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking. Sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet worden geleverd (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005). Hooguit kan het huwelijksvoordeel het voorwerp uitmaken van een vordering tot inkorting op grond van de artikelen 2.3.57 BW en 2.3.58 BW. Een inkortbaar huwelijksvoordeel blijft evenwel evenzeer een niet-schenking (cf. Cass. 10 december 2010).

Bovendien, maar ten overvloede, wensen de aanvragers te benadrukken dat één en ander geregeld is onder bezwarende titel. De aanvragers voorzien een eenzijdig huwelijksvoordeel ten voordele van de heer X dat hem moet toelaten om als langstlevende echtgenoot verzorgd achter te blijven (na het overlijden van mevrouw Y) en om eenzelfde comfort en welzijn als dit ten tijde van het huwelijk zoveel als mogelijk na te streven. Het moet tevens toelaten om de goede werking van de vennootschap en de continuïteit van de exploitatie van de […] in het bijzonder te faciliteren, zonder (erfrechtelijke) inmenging vanwege de kinderen.

19. De civielrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel wordt overeenkomstig vaststaande rechtspraak en rechtsleer doorgetrokken op fiscaal vlak, zoals ook bevestigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht dient de kwalificatie als huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking, te aanvaarden/te volgen, tenzij een specifieke en uitdrukkelijke bepaling van het fiscaal recht daarvan zou afwijken, quod non in casu.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat het voordeel dat de heer X als langstlevende echtgenoot zal verkrijgen ingevolge de toepassing van het optioneel toekenningsbeding, overeenkomstig de artikelen 2.7.1.0.1. en 2.7.1.0.2. VCF niet met erfbelasting kan worden belast.

b) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

20. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden met erfbelasting belast, de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker.

21. Het voordeel dat de heer X zal verkrijgen ingevolge de toepassing van het optioneel toekenningsbeding wordt, zoals hierboven toegelicht, gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel, en niet als een schenking. Bijgevolg zal dit voordeel overeenkomstig artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet met erfbelasting kunnen worden belast. Het toekenningsbeding zal weliswaar pas uitwerking krijgen bij het overlijden van mevrouw Y, maar er is geen sprake van een schenking, maar van een huwelijksvoordeel (een niet-schenking) waarvan de kwalificatie dient te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.

c) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4. VCF

22. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4. VCF worden belast met erfbelasting, de goederen die de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, waardoor hij/zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt.

De toepassing van artikel 2.7.1.0.4. VCF is beperkt tot huwelijksvoordelen die binnen een gemeenschapsstelsel en met betrekking tot gemeenschapsgoederen worden bedongen.

Deze bepaling dient restrictief te worden gelezen. Huwelijksvoordelen die betrekking hebben op goederen die tot het eigen vermogen van de echtgenoten behoren binnen een stelsel van scheiding van goederen, blijven buiten het toepassingsgebied van deze fictiebepaling.

23. In casu zijn de aanvragers gehuwd onder een stelsel van zuivere scheiding van goederen. Er is geen intern gemeenschappelijk vermogen aan toegevoegd. De (optionele) toekenning van eigen goederen heeft m.a.w. geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap zodoende dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF niet zijn vervuld.

Aangezien het toekenningsbeding in casu betrekking heeft op een eigen goed dat exclusief toebehoort aan mevrouw Y, kan het voordeel dat de heer X als langstlevende echtgenoot zal verkrijgen in toepassing van dit toekenningsbeding, niet overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4. VCF met erfbelasting worden belast.

d) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5. VCF

24. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.5. VCF worden met erfbelasting belast, de goederen waarvan de Vlaamse Belastingdienst bewijst dat de erflater er kosteloos heeft over beschikt, gedurende vijf (5) jaar voorafgaand aan zijn overlijden, tenzij de bevoordeling onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden.

Voor de heffing op grond van artikel 2.7.1.0.5. VCF moeten volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:

1) kosteloze beschikking van roerende goederen;

2) minder dan vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;

3) waardoor een bevoordeling ontstaat die niet aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onderworpen is geweest; en

4) waarbij de begiftigde de schenker overleeft.

25. Het voordeel dat de heer X zal verkrijgen ingevolge toepassing van het toekenningsbeding is zoals hoger uiteengezet een huwelijksvoordeel, en kan niet worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking (rechtshandeling om niet). Dit werd bevestigd door het Hof van Cassatie in een arrest van 5 januari 2017.

Of er sprake is van een huwelijksvoordeel ten voordele van de heer X kan slechts worden beoordeeld bij de ontbinding van het huwelijksstelsel ingevolge het vooroverlijden van mevrouw Y. Daar het voordeel pas tot stand komt bij het vooroverlijden van mevrouw Y, is er geen sprake van een beschikking die tot stand komt in enige periode vóór het overlijden. Er zal derhalve geen sprake zijn van een schenking in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden.

Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en derhalve geen sprake van een bevoordeling in de zin van artikel 2.7.1.0.5. VCF, kan er geen aanleiding zijn geweest tot heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.

Het voordeel dat de heer X zal verkrijgen ingevolge de toepassing van het toekenningsbeding kan derhalve niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

e) Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1. en 2.8.4.1.1. VCF

26. De artikelen 2.8.1.0.1. en 2.8.4.1.1. VCF belasten in de registratiebelasting akten en geschriften die tot bewijs strekken van betreffende schenking en dit naar aanleiding van een registratie of een verplichting tot registratie ervan.

27. Het voorgenomen toekenningsbeding betreft zoals hoger uiteengezet een huwelijksvoordeel en geen schenking, waardoor de artikelen 2.8.1.0.1. en 2.8.4.1.1. VCF in casu evenmin van toepassing zijn.

f) Geen fiscaal misbruik, zoals voorzien in artikel 3.17.0.0.2. VCF

28. Wat de voorgenomen verrichting betreft, is volgens de aanvragers geen enkele bepaling onder titel 2, hoofdstuk 7 (betreffende de erfbelasting) van de VCF (de zgn. fictiebepalingen) van toepassing. Evenmin is er een bepaling onder titel 2, hoofdstuk 8 (schenkbelasting) van de VCF van toepassing.

29. Dat deze bepalingen niet kunnen worden toegepast, omdat niet aan de voorwaarden daartoe is voldaan, sluit evenwel de inroeping van de algemene antimisbruikbepaling, vervat in artikel 3.17.0.0.2. VCF, niet uit.

Er is (slechts) sprake van fiscaal misbruik indien de belastingplichtige door het stellen van een rechtshandeling (of een geheel van rechtshandelingen die eenzelfde verrichting tot stand brengen) in strijd met de doelstellingen van een fiscale bepaling zich ofwel buiten het toepassingsgebied, ofwel binnen het toepassingsgebied van die fiscale bepaling plaatst, en zodoende aanspraak maakt op een belastingvoordeel.

In eerste instantie komt het daarbij aan de Vlaamse Belastingdienst toe om het objectieve bewijs van fiscaal misbruik aan te tonen, met name dat de voorgenomen verrichting een miskenning uitmaakt van het doel en/of de strekking van een specifieke bepaling uit de VCF.

Enkel indien desbetreffend objectief bewijs is bijgebracht, speelt het subjectieve bewijs en komt het aan de belastingplichtige toe om aan te tonen dat er andere dan louter fiscale motieven ten grondslag liggen aan de verrichting(en) die hij gesteld heeft.

De aanvragers verzoeken daarom om te bevestigen dat de voorgenomen verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt, gelet op de hierna uiteengezette motieven.

(a) Objectief – Geen frustratie van de in de VCF opgenomen specifieke antimisbruikbepalingen

30. Om te kunnen besluiten tot fiscaal misbruik is vereist dat de voorgenomen verrichting de doelstellingen van een bepaling van de VCF frustreert. Dit is in casu niet het geval.

31. De aanvragers frustreren de artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2. VCF niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen teneinde de langstlevende echtgenoot op een niet-eenzijdig herroepbare manier te beschermen (niet alleen op het vlak van welzijn en comfort, maar ook tegen de erfrechtelijke inmenging van/verrekening ten voordele van de kinderen) alsook, zoals aangehaald, om de continuïteit van de exploitatie van de […] maximaal te vrijwaren.

De aanvragers kunnen diezelfde doelstelling niet met dezelfde civielrechtelijke gevolgen en zekerheid bereiken, noch door wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, aangezien dit alles eenzijdig herroepbaar is én erfrechtelijk moet worden verrekend ter bescherming van de (reservataire) erfaanspraken van de kinderen.

32. De voorgenomen verrichting frustreert evenmin de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, omdat de aanvragers niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden wordt uitgesteld.

In de memorie van toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 leest men het volgende over de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF:

“Het verschil met de tarieven van de successierechten voor verervingen tussen dezelfde personen is enorm. Dit kan betrokkenen ertoe aanzetten om nog tijdens het leven, op fiscaal voordelige manier, de roerende goederen aan de toekomstige erfgenamen of legatarissen over te dragen. Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde Vlaamse tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich et de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”

De decreetgever wilde m.a.w. verhinderen dat de ingevoerde verlaagde en vlakke tarieven in de schenkbelasting zouden gecombineerd worden met het uitstel van overdracht van het geschonken goed tot aan het overlijden van de schenker. Men mag niet fiscaal voordelig schenken en tegelijk eigenaar blijven van het geschonken vermogen.

De aanvragers hebben niet de intentie om een dergelijke voorwaardelijke schenking te doen. In casu is bovendien geen sprake van een schenking, noch een kosteloze beschikking. De verrichting kwalificeert als een huwelijksvoordeel, dewelke geen uitwerking krijgt voorafgaand aan het overlijden. Bijgevolg wordt artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet gefrustreerd.

33. Daar de aanvragers een huwelijksvoordeel en geen schenking beogen tot stand te brengen, wordt de doelstelling van artikel 2.7.1.0.5. VCF evenmin gefrustreerd.

34. Verder wordt ook artikel 2.7.1.0.4. VCF niet gefrustreerd, aangezien de aanvragers gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen, zonder dat ooit enige gemeenschap tussen hen heeft bestaan.

35. Tot slot worden ook de artikelen 2.8.1.0.1. en 2.8.4.1.1. VCF niet gefrustreerd. Aangezien de voorgenomen verrichting geen schenking tot stand brengt, kan er ook geen sprake zijn van het ontwijken van schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1. en 2.8.4.1.1. VCF.

(b) Subjectief – Niet -fiscale motieven

36. Vermits er geen fiscaal misbruik voorligt, moeten er geen niet-fiscale motieven worden aangetoond. Niettemin volgt hieronder een uiteenzetting van de voornaamste niet-fiscale motieven van de aanvragers.

A. De aanvragers, de heer en mevrouw X-Y, wensen middels het voorgenomen toekenningsbeding de controle over, en bij uitbreiding de eigendomsaanspraken van de aandelen van, de BV C in geval van het vooroverlijden van mevrouw Y te verankeren bij de heer X. Daarmee beogen zij enerzijds het behoud en de continuïteit van de vennootschap zelf, maar in het bijzonder achterliggend van de […]/de BV D, waarvan alle aandelen (op één na) door de BV C worden aangehouden, te faciliteren/te verzekeren.

Het komt dan aan de heer X toe om de […] verder te laten draaien, dan wel een geschikte overnemer daarvoor te vinden. Het is daarom van belang dat, zoals dat ook vandaag het geval is, na het overlijden van mevrouw Y slechts één persoon aan het roer staat/blijft staan. De echtgenoten X-Y willen te allen tijde vermijden dat tegenstrijdige visies en meningen (van hun kinderen) de continuïteit, dan wel de overdracht van de vennootschap in het gedrang (zouden) brengen. Het is om die reden mevrouw Y haar uitvoerige wens dat het na haar overlijden exclusief aan haar echtgenoot, de heer X, toekomt om de verdere toekomst van de vennootschap te bepalen en deze desgevallend klaar te stomen voor een overdracht, dan wel om het onderliggende actief ervan te realiseren.

Anderzijds beogen de echtgenoten met de voorgenomen verrichting om de heer X na het vooroverlijden van mevrouw Y verzorgd achter te laten, zodoende hij de levensstandaard en het comfort als dit van tijdens hun huwelijk zoveel als mogelijk verder kan aanhouden, te meer gezien het eigen vermogen van de heer X hoofdzakelijk uit onroerende goederen bestaat en slechts uit een beperkt deel liquide middelen.

De aanvragers achten de vooropgestelde regeling derhalve noodzakelijk teneinde invulling te geven aan de verzorgings- en beschermingsbehoeften die zij individueel alsook tegenover elkaar en dit zowel op privé als professioneel vlak hebben.

B. Vermits de aandelen van de BV C een belangrijk deel vormen van het vermogen van mevrouw Y, wensen de echtgenoten een regeling uit te werken die binnen de grenzen van de wet zo ruim mogelijk reservebestendig is.

De echtgenoten opteren daarom voor een zakenrechtelijke regeling die geïntegreerd wordt in hun huwelijksovereenkomst en aldus bij uitbreiding in hun huwelijksstelsel en die plaatsvindt op het niveau van de afwikkeling van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaand aan de afwikkeling van de nalatenschap. Dit is iets fundamenteel anders dan een verkrijging door wettelijke of testamentaire devolutie of contractuele erfstelling.

De voordelen die de echtgenoten elkaar zouden toekennen via een testamentaire beschikking of contractuele erfstelling (en bij uitbreiding een schenking) moeten steeds worden opgenomen in de rekenboedel en op het beschikbaar deel worden aangerekend. Dit is met huwelijksvoordelen niet het geval, vermits deze kwalificeren als een niet-schenking. Zolang en voor zover de voordelen die de echtgenoten elkaar toekennen als een volkomen huwelijksvoordeel de grenzen zoals vervat in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW niet overschrijden, is er geen sprake van een opname van de huwelijksvoordelen in de rekenboedel, noch aanrekening op het beschikbaar deel en dus geen risico op inkorting.

Deze reservebestendige bescherming is voor de echtgenoten van doorslaggevend belang bij hun keuze tot opname in hun huwelijksovereenkomst (en bij uitbreiding in hun huwelijksstelsel) van een toekenningsbeding.

De echtgenoten hebben twee gemeenschappelijke kinderen, die de aanrekening op het beschikbaar deel en bijgevolg de inkorting niet kunnen vorderen zolang en voor zover de voordelen die de heer X uit het toekenningsbeding haalt, niet verder reiken dan, enerzijds, hun gezamenlijke aanwinsten, en anderzijds, de helft van de niet-aanwinsten.

Vermits het toekenningsbeding uitsluitend betrekking heeft op huwelijkse aanwinsten, zal derhalve geen erfrechtelijke verrekening aan de orde zijn. Voor de (gemeenschappelijke) kinderen gaat het dan niet om een ontnomen erfrecht, maar louter om een uitgesteld erfrecht.

Het toekenningsbeding zorgt in hoofde van mevrouw Y derhalve voor gemoedsrust dat de aandelen van de BV C bij haar vooroverlijden in volle en exclusieve eigendom zullen (kunnen) toekomen aan de heer X, zo hij dit wil, zonder dat de kinderen hiertegen iets kunnen ondernemen en zonder dat zij hun vader, de heer X, hierover kunnen aanvallen, bijvoorbeeld door een erfrechtelijke verrekening van, dan wel een omzetting van het vruchtgebruik over, de aandelen te vorderen. In voorkomend geval en/of voor zover de financiële middelen van de heer X daartoe ontoereikend (zouden) zijn, zou dat overigens tot een versnippering van het aandelenbezit van de BV C aanleiding geven, hetgeen de echtgenoten met de vooropgestelde planning precies willen vermijden.

Aangezien het beding zich enkel toespitst op een specifiek goed van het eigen vermogen van mevrouw Y, is er tot slot ook nood aan een regeling die de aanvragers toelaat om slechts in één richting te werken, en dus asymmetrisch.

Tot slot biedt een huwelijksvoordeel ook het voordeel van de zekerheid, vermits dit niet eenzijdig door de bedinger kan worden gewijzigd/herroepen, zoals dit bijvoorbeeld wel het geval is bij een testamentaire beschikking.

Het toekenningsbeding biedt dus met zekerheid civielrechtelijke bescherming in hoofde van de langstlevende echtgenoot tegen de erfrechtelijke aanspraken van de kinderen.

C. Verder, en in het bijzonder, wensen de echtgenoten hun stelsel van zuivere scheiding van goederen te behouden, omwille van de voordelen die dit stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt, met name duidelijk afgescheiden vermogens, het behoud van hun (vermogensrechtelijke) autonomie in hun bestuursbevoegdheden en de maximale bescherming tegen elkaars schuldeisers, hetgeen voor hen determinerend is.

Het voorgenomen toekenningsbeding heeft geen onmiddellijke eigendomsoverdracht tot gevolg en laat het recht van mevrouw Y om tijdens haar leven over haar eigen aandelen autonoom en zelfstandig het beheer/de beschikking te blijven hebben onverlet, en schuldeisers kunnen haar op die goederen slechts aanspreken ter betaling van de schulden waartoe alleen zij gehouden is.

Met een gemeenschapsstelsel, een beperkte gemeenschap of een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) kunnen de gewenste doelstellingen niet worden bereikt, omdat de werking van een gemeenschap en de daarmee gepaard gaande onmiddellijke eigendomsoverdracht niet aansluit bij de wensen en noden van de echtgenoten om de autonomie met betrekking tot het eigen vermogen te vrijwaren. De bestuursregels van een gemeenschappelijk vermogen, met name het principiële concurrentiële bestuur als uitgangspunt alsook de vereiste toestemming van de andere echtgenoot voor bepaalde rechtshandelingen, zijn hiermee niet verzoenbaar.

D. De werking van het toekenningsbeding leidt voor de heer X als langstlevende echtgenoot ook tot een meer comfortabele positie dan hij zou genieten ingevolge een klassiek verrekenbeding.

Door de onmiddellijke en zakelijke werking van het toekenningsbeding zal de heer X als langstlevende echtgenoot vanaf de kennisgeving van zijn keuze en met uitwerking vanaf het overlijden in het bezit van de aandelen van de BV C worden gesteld.

De heer X zal m.a.w. onmiddellijk de volle en exclusieve eigendom van de betreffende aandelen verwerven.

Dit is niet het geval bij een klassiek verrekenbeding, hetgeen louter een verbintenisrechtelijke regeling behelst en geen zakenrechtelijke uitwerking heeft. De aanvragers wensen integendeel een regeling uit te werken die de heer X beschermt bij het vooroverlijden van mevrouw Y met onmiddellijke en zakelijke werking en met uitwerking vanaf het overlijden.

Evenmin is het de bedoeling dat er rekening wordt gehouden met de besparingen en de aanwinsten die elk van beide echtgenoten tijdens het huwelijk heeft opgebouwd. Om die reden hebben de echtgenoten geopteerd voor een forfaitaire regeling ten voordele van de heer X als langstlevende echtgenoot.

E. Zoals hoger aangehaald, is het de bedoeling van mevrouw Y om voor haar echtgenoot te voorzien in een bescherming als langstlevende echtgenoot op een wijze die niet eenzijdig door haar kan worden gewijzigd of herroepen.

Deze doelstelling kan niet op een ander wijze allesomvattend en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen worden bereikt dan met het voorgenomen toekenningsbeding.

Met respect voor de autonomie van de aandeelhouder-titularis willen de echtgenoten aan de heer X (indien hij de langstlevende is) op de aandelen van de BV C (die op datum van het overlijden van mevrouw Y afhangen van haar vermogen) rechten toekennen die ontegensprekelijk en louter uit hoofde van de huwelijksovereenkomst door de heer X kunnen worden uitgeoefend.

Een testamentaire beschikking heeft een essentieel herroepbaar karakter, en is bijgevolg niet geschikt.

Een schenking of een contractuele erfstelling kan wel onherroepelijk worden bedongen indien ze in de huwelijksovereenkomst wordt opgenomen, maar beiden zijn evenmin een waardig alternatief. Zowel een contractuele erfstelling als een schenking doen afbreuk aan de vermogensrechtelijke autonomie die de echtgenoten tijdens het huwelijk wensen te behouden. In het bijzonder wenst mevrouw Y tijdens haar leven vrij en zelfstandig over haar aandelen te kunnen blijven beschikken en daarover het autonome beheer te voeren. Tevens wensen de echtgenoten, die hun professionele activiteiten beiden op zelfstandige basis uitoefenen, elkaar te beschermen tegen mogelijke aanspraken van elkaars (professionele) schuldeisers. Het toekenningsbeding kent enkel overlevingsrechten toe, geen actuele eigendomsrechten.

Zowel een contractuele erfstelling als een schenking (en bij uitbreiding een testamentaire beschikking) behelzen tot slot erfrechtelijke verkrijgingen die erfrechtelijk moeten worden verrekend, zodoende geen van beide in zelfde mate reservebestendig zijn als dat het toekenningsbeding (met haar kwalificatie als huwelijksvoordeel) is.

F. Tot slot wensen de echtgenoten een flexibele regeling na te streven waarbij de heer X als langstlevende echtgenoot op het ogenblik van het overlijden van mevrouw Y naar schatting van zijn eigen noden, zijn mogelijkheden om het beheer van de aandelen (en meer concreet het beheer van de onderliggende vennootschap en de door haar aangehouden onroerende goederen) waar te nemen en in functie van de familiale situatie op dat ogenblik, zelf mag/kan bepalen of en in welke mate hij zich op het optioneel toekenningsbeding wenst te beroepen.[8]

De optionele regeling biedt de heer X immers ook de mogelijkheid om na het overlijden van mevrouw Y genoegen te nemen met een kleiner voordeel.

Deze flexibiliteit kan niet worden bereikt met een contractuele erfstelling. Een contractuele erfstelling kan na het overlijden van de beschikker wel door de begiftigde worden aanvaard of verworpen, maar de begiftigde kan niet de optie worden verleend voor een gedeeltelijke aanvaarding, noch voor een aanvaarding beperkt tot bepaalde goederen.

37. Ingevolge het gewijzigde huwelijksvermogensrecht (zie de wet van 22 juli 2018) is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen die, in het bijzonder in geval van overlijden, burgerrechtelijke voordelen bieden die andere technieken en bedingen, zoals een legaat of een verrekenbeding, niet bieden.

Het optioneel toekenningsbeding dat de echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen wensen toe te voegen, laat hen toe om hun doelstellingen zoals hoger geformuleerd via een huwelijksvermogensrechtelijke regeling te realiseren, op een flexibele en onherroepelijke wijze, met een maximale beperking van het risico op inkorting en met behoud van de autonomie voor mevrouw Y, dit alles binnen de krijtlijnen van de wet.

Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de echtgenoten van doorslaggevend belang bij hun voornemen om het optioneel toekenningsbeding dat in deze aanvraag is vermeld, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen. De door de echtgenoten beoogde cumulatieve doelstellingen kunnen de echtgenoten enkel huwelijksvermogensrechtelijk, en niet op een andere wijze (met dezelfde voordelen) bereiken.

Uit wat voorafgaat volgt dat het voorgenomen optioneel toekenningbeding geen specifieke antimisbruikbepalingen frustreert, is ingegeven door civielrechtelijke motieven en de aanvragers het huwelijksvoordeel aldus niet voorzien op grond van (louter) fiscale motieven. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat de voorgenomen verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt.

IV. Vraagstelling

38. Gelet op de feiten, de voorgenomen verrichting en de toelichting daarbij, wensen de echtgenoten van uw dienst een bevestiging te verkrijgen dat:

  • de opname en de uitwerking van het optioneel toekenningsbeding zoals opgenomen in artikel 12 van het ontwerp van wijziging huwelijksovereenkomst zoals als bijlage aan de aanvraag gevoegd, niet onderworpen is/zal worden aan (één van) de volgende artikelen:
    • 2.7.1.0.1. VCF en 2.7.1.0.2. VCF;
    • 2.7.1.0.3, 3° VCF;
    • 2.7.1.0.4. VCF;
    • 2.7.1.0.5. VCF;
    • 2.8.1.0.1. VCF en 2.8.4.1.1. VCF; alsook
  • geen van de doelstellingen van (één van) voormelde bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2. VCF niet van toepassing is.

39. Verder stelt artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF dat indien de Vlaamse Administratie zich uitspreekt bij voorafgaande beslissing, deze beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt.

Bij kwesties inzake erfbelasting, meer bepaald de toepassing van fictiebepalingen, is een termijn van vijf jaar mogelijk ontoereikend. De beoordeling/heffing zal mogelijk immers pas vele jaren later plaatsvinden, met name (in casu) bij het vooroverlijden van mevrouw Y. De voorafgaande beslissing zoals in casu gevraagd, rechtvaardigt volgens de aanvragers dan ook een langere duurtijd.

Gelet op het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst dat de verlenging van de duurtijd van een voorafgaande beslissing uitdrukkelijk moet worden gevraagd, verzoeken de aanvragers hierbij dan ook om een verlenging van de duurtijd, meer bepaald tot aan het overlijden van mevrouw Y en dus tot aan de ontbinding van het huwelijksstelsel van de aanvragers door overlijden. De huidige aanvraag heeft immers betrekking op een toekenningsbeding dat in casu slechts uitwerking krijgt op het moment dat het huwelijksstelsel van de aanvragers wordt ontbonden door het vooroverlijden van mevrouw Y.

V. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

40. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

41. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

42. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

43. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen blijkens huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.2004, ongewijzigd tot op heden.

Zij wensen thans hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen, voor het geval van ontbinding van het huwelijksstelsel door het (voor)overlijden van mevrouw Y.

De echtgenoten wensen concreet een eenzijdig optioneel toekenningsbeding toe te voegen, in het bijzonder (en uitsluitend) met betrekking tot de aandelen die mevrouw Y aanhoudt in de BV C. Ingevolge dit toekenningsbeding zullen de aandelen bij vooroverlijden van mevrouw Y in volle en exclusieve eigendom kunnen worden toegekend aan de heer X als langstlevende echtgenoot, indien hij hiervoor kiest.

Het beding wordt optioneel geformuleerd. Bij gebrek aan keuze binnen de gestelde termijn, wordt de heer X geacht te hebben gekozen voor een volledige toekenning van de aandelen in vruchtgebruik.
Partijen voorzien tevens in een passiefregeling.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

44. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

45. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding als geldig huwelijksvoordeel, dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

46. In de mate dat het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.1 VCF en artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF?

47. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.1 VCF wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.

Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

48. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.1 VCF en artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

49. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

50. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

51. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Volgens de gegevens in de aanvraag zijn aanvragers steeds gehuwd geweest onder een stelsel van zuivere scheiding van goederen. De optionele toekenning van een eigen goed dat exclusief toebehoort aan mevrouw Y, heeft volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.

52. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

53. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

54. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?

55. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

56. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

57. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

58. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

59. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

60. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

61. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen blijkens huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.2004, ongewijzigd tot op heden.

De echtgenoten hebben twee gemeenschappelijke meerderjarige kinderen.

Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen.

Mevrouw Y wenst haar echtgenoot verzorgd achter te laten voor het geval zij komt te vooroverlijden en wenst een niet-eenzijdig herroepbare solidaire regeling te voorzien, waarbij de heer X, als langstlevende echtgenoot, het recht bekomt om de aandelen van de BV C die mevrouw Y bij haar overlijden aanhoudt, in volle en exclusieve eigendom te verwerven, zonder dat deze toekenning erfrechtelijk met de kinderen moet worden verrekend. De reservebestendige bescherming is voor de echtgenoten van doorslaggevend belang bij hun keuze tot opname van een toekenningsbeding in hun huwelijksovereenkomst. Echtgenoten geven aan dat het toekenningsbeding uitsluitend betrekking heeft op huwelijkse aanwinsten, waardoor geen erfrechtelijke verrekening aan de orde zal zijn.

Het is eveneens de bedoeling om met de beoogde regeling de continuïteit van de exploitatie van de […] te verzekeren. Het is voor partijen van belang dat de heer X als langstlevende echtgenoot de aandelen kan verwerven in volle en exclusieve eigendom zonder dat hij genoodzaakt kan worden om de kinderen uit te betalen, aangezien het vermogen van de heer X op heden hoofdzakelijk uit onroerende goederen bestaat, die hij anders mogelijk zou moeten verkopen, hetgeen niet gewenst is.

Concreet wensen de echtgenoten dus een eenzijdig optioneel toekenningsbeding aan hun huidig huwelijksstelsel van zuivere scheiding van goederen toe te voegen, in het bijzonder (en uitsluitend) met betrekking tot de aandelen die mevrouw Y aanhoudt in de BV C.

62. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

63. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een kopie van de uittreksels uit het Rijksregister werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.2004 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Een kopie van de oprichtingsakte, de gecoördineerde statuten en het aandelenregister van de BV C werden bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[4] Opmerking van het Besluitvormingsorgaan: Uit het bezorgde aandelenregister blijkt dat het gaat om de Naamloze Vennootschap D in plaats van de Besloten Vennootschap D, zoals in de aanvraag wordt vermeld.

[5] Een kopie van het aandelenregister van BV D en het organigram van de respectieve vennootschap werden bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[6] Opmerking van de aanvrager: De overige 50% van het onroerend goed wordt aangehouden door de besloten vennootschap […], met ondernemingsnummer […], en met zetel te […]. De BV […] is de management-/patrimoniumvennootschap van de heer X.

[7] Het ontwerp van de wijzigende akte huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[8] Opmerking van het Besluitvormingsorgaan: uit de voorgelegde clausule zoals aangehaald in randnummer 15 van de aanvraag blijkt dat de toekenning optioneel geschiedt, en dat de heer X als langstlevende echtgenoot zijn keuze wat het optioneel toekenningsbeding betreft binnen de 4 maanden moet laten vastleggen. Bij gebrek aan keuze wordt er geacht te zijn gekozen voor een volledige toekenning van de aandelen in BV C in vruchtgebruik.

Uit deze formulering blijkt echter niet dat de heer X ook een keuze kan uitoefenen wat betreft de omvang van de toebedeling (geheel of gedeeltelijk), zoals bijvoorbeeld in randnummer 12 van de aanvraag door aanvrager wordt vermeld.