Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25113 - Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking VE aandelen Vlaamse Belastingdienst

VB 25113 - Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking VE aandelen

Voorafgaande beslissing
Nummer

25113

Datum beslissing

17 november 2025

Publicatiedatum

19 januari 2026

Heffing

  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.8.6.0.3. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Met dit schrijven wensen wij graag de bevestiging te bekomen dat

  • de voorgenomen verrichting kwalificeert als een schenking van roerende aard en bijgevolg het belastingregime van de roerende schenkingen van toepassing is overeenkomstig artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF respectievelijk artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF (in geval van kwalificatie) en niet het belastingregime van de onroerende schenking overeenkomstig artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF ;
  • de voorgenomen verrichting op zichzelf dan wel de opeenvolging van verrichtingen (inbreng onroerende goederen in de vennootschap gevolgd door een latere schenking van de aandelen van de vennootschap) niet ingegeven is door fiscale motieven en er aldus geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen en achtergrond voor de voorgenomen verrichting

2. Ik, […], notaris te […], die haar ambt uitoefent binnen de Besloten Vennootschap […], met zetel te […], contacteer u namens:

de heer X (hierna genoemd “X”), van Nederlandse en Belgische nationaliteit, geboren te […] (Nederland) op xx.xx.1967, met rijksregisternummer […], ongehuwd maar wettelijk samenwonende ingevolge verklaring van xx.xx.2022 met mevrouw […], samenwonende te […] (stuk 1).

X woont sedert 2003 in de Belgische provincie […] (oa. […]) en heeft aldus meer dan vijf jaar zijn fiscale woonplaats in het Vlaamse Gewest.

3. X beoogt de volle eigendom van zijn 330 aandelen van de besloten vennootschap Z, met zetel te […] en ingeschreven in de kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer […] (hierna genoemd “BV Z” of “de vennootschap”), te schenken aan

4. zijn zoon de heer Y (hierna genoemd “”Y”), van Nederlandse en Belgische nationaliteit, geboren te […] (Nederland) op xx.xx.1997, met rijksregisternummer […], ongehuwd en geen verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd, wonende te […] (stuk 2).

5. De BV Z is actief in […].

In het kader van het verwezenlijken van dit doel en het centraliseren van het zakelijk vermogen, werden door X een drietal jaar geleden een aantal onroerende goederen in de vennootschap ingebracht, die thans binnen de vennootschap nog steeds professioneel worden aangewend.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

6. De relevante akte met betrekking tot de voorgenomen verrichting betreft de akte van xx.xx.2022 verleden voor mij, notaris […], waarin de buitengewone algemene vergadering van de vennootschap besloot om haar statuten in overeenstemming te brengen met het nieuwe vennootschapsrecht en de vennootschapsvorm van een besloten vennootschap (afgekort BV) aan te nemen. Van deze statutenwijziging werd tevens gebruik gemaakt om de benaming van de vennootschap te wijzigen naar BV Z en het doel uit te breiden met ook “de uitbating van een kleinhandel […]” (stuk 3). Overeenkomstig de gecoördineerde statuten van xx.xx.2022 BV Z luidt het voorwerp van de vennootschap vanaf dan als volgt (stuk 4):

[…]

7. Tijdens diezelfde buitengewone algemene vergadering werd daarnaast besloten tot een inbreng in natura van volgende onroerende goederen in de vennootschap door X waarvoor hem driehonderddertig (330) aandelen in de vennootschap werden uitgegeven:

Gemeente […]– tweede afdeling

  1. Een landgebouw op en met grond en aanhorigheden gelegen te […], gekend volgens titel onder sectie A nummers […] en […] voor een totale oppervlakte van twaalf are vijftig centiare (12a50ca).
  2. Een perceel weiland ter plaatse genaamd […], gekend volgens titel onder sectie A nummer […] voor een oppervlakte van één hectare achtentwintig are zevenenzestig centiare (1ha28a67ca).
  3. Een perceel weiland ter plaatse genaamd […], gekend volgens titel onder sectie A nummer […] voor een oppervlakte van zesentwintig are vijftig centiare (26a50ca).

Deze goederen zijn thans kadastraal gekend als handelshuis gelegen […], sectie A, nummer […], met een oppervlakte van één hectare zevenenzestig are zevenenzestig centiare (1ha67a67ca).

8. De aandelen in de BV Z worden thans als volgt aangehouden (stuk 5):

  • 100 aandelen door Y;
  • 330 aandelen door X.

9. X wenst heden zijn driehonderddertig (330) aandelen – in ruil verkregen voor de inbreng van de onroerende goederen – in volle eigendom te schenken aan zijn zoon Y. Deze schenking zal gebeuren bij notariële akte, desgevallend met toepassing van artikel 2.8.6.0.3 VCF in geval de vennootschap zal kwalificeren als een familiale vennootschap. Hiervoor zal in een tweede fase nog een testattest aangevraagd worden. Vooreerst wenst X de bevestiging van uw dienst te verkrijgen, dat de voorgenomen verrichting kwalificeert als een roerende schenking een bijgevolg uitsluitend het overeenkomstig belastingregime van de roerende schenking (2.8.4.1.1 VCF respectievelijk in geval van kwalificatie artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF) van toepassing is.

III. Motivering van de aanvraag

10. De aanvraag kadert in de verderzetting en continuïteit van de bedrijfsactiviteiten door de volgende generatie. De zoon Y is als enige van de kinderen reeds geruime tijd actief binnen het familiebedrijf en is bijgevolg als enige van de kinderen geïnteresseerd in het zakelijk vermogen en aldus de verderzetting van het familiebedrijf. X wenst dan ook over te gaan tot de schenking van (al) zijn aandelen in de voormelde vennootschap aan zijn zoon Y, die thans ook reeds enige tijd (mede)aandeelhouder en (mede)bestuurder is in voormelde vennootschap.

11. Dit voornemen om te schenken wordt ingegeven door het feit dat X zijn werkzaamheden in de vennootschap wil gaan beperken en de uitbating van het familiebedrijf meer aan zijn zoon wil overlaten, zodat deze op termijn de bedrijfsactiviteiten alleen zal kunnen voortzetten.

12. De voormelde onroerende goederen werden vroeger, toen ze nog privé werden aangehouden door X, reeds aangewend voor de bedrijfsexploitatie. Zo werden (en worden) deze percelen weiland aangewend voor […].

Gelet op de professionele bestemming en geografische ligging van de onroerende goederen, die gelegen zijn langs en grenzen aan de hoeveslagerij (stuk 6), maar ook de toekomstplannen met […], werd het destijds nuttig en logisch geacht de onroerende goederen in te brengen in de vennootschap om de (onroerende) goederen gebruikt voor de bedrijfsactiviteit zoveel als mogelijk te centraliseren en één samenhangend en coherent geheel te vormen (via de vennootschapsstructuur). De ingebracht onroerende goederen kennen aldus een professionele bestemming en worden onderworpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis), nu zij thans worden aangewend voor de bedrijfsactiviteit.

13. Ook na de schenking van de aandelen aan Y zullen de ingebrachte onroerende goederen verder worden aangewend voor de bedrijfsactiviteit en de behartiging van de vennootschapsdoelen.

14. Bovenstaande toont aan dat X nooit de intentie heeft gehad de onroerende goederen rechtstreeks aan Y (privé) te schenken noch dat de intentie thans heerst de onroerende goederen op korte of middellange termijn uit de vennootschap te halen (in het voordeel van de enige aandeelhouder).

15. Tot slot, dient ook het tijdsverloop tussen de inbreng van de onroerende goederen in de vennootschap en de schenking van de aandelen van de vennootschap (drietal jaar) in rekening te worden genomen bij de beoordeling van de aanvraag.

16. Vraagomschrijving

Gelet op voorgaande feitelijke uiteenzetting is er in casu volgens X sprake van een roerende schenking (van aandelen) en zijn er voldoende niet-fiscale motieven aanwezig om de voorgestelde verrichting te rechtvaardigen.

Bijgevolg verzoek X uw dienst te bevestigen dat de voorgenomen verrichting kwalificeert als een schenking van roerende aard en bijgevolg het belastingregime van de roerende schenking van toepassing is overeenkomstig artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF respectievelijk artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF (in geval van kwalificatie) en bovendien de voorgenomen verrichting op zichzelf dan wel de opeenvolging van verrichtingen (inbreng onroerende goederen in de vennootschap gevolgd door een latere schenking van de aandelen van de vennootschap) niet ingegeven is door louter fiscale motieven en er aldus geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF X verwijst voor zijn motivering naar hetgeen hiervoor is uiteengezet.

Tot slot, wordt hierbij ook nog verwezen naar de voorafgaande beslissing 23018 de dato 19 juni 2023, waarin tevens verwezen wordt naar de voorafgaande beslissing 17018 de dato 21 juni 2017, en de voorafgaande beslissing 23040 de dato 23 oktober 2023. X wenst echter te benadrukken dat in deze voorafgaande beslissingen de inbreng van onroerende goederen in de vennootschap vrijwel onmiddellijk wordt gevolgd door een schenking van de aandelen van de familiale vennootschap, hetgeen in casu geenszins het geval is.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

17. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

18. De Vlaamse Belastingdienst doet geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

19. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • Artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt

berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”

  • Artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF dat luidt als volgt:

“2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.”

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

20. Overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §3, tweede lid VCF kan het besluitvormingsorgaan geen beslissing nemen met betrekking tot het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen. Het besluitvormingsorgaan kan aldus niet beslissen of de voorgenomen schenking van aandelen zal voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF.

Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende overeenkomstig artikel 3.21.0.0.1 VCF een verzoek richten tot de Vlaamse Belastingdienst om een attest te bekomen waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, VCF is voldaan.

21. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.

Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger/schenker om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is het onroerend goed te schenken aan de begunstigden van de aandelen.

De inbreng, gevolgd door de schenking van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF. Indien de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF voldaan zijn kan de schenking zelfs worden verwezenlijkt met vrijstelling van de schenkbelasting. Dit in tegenstelling tot een schenking van het onroerend goed zelf - in de veronderstelling dat deze schenking niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van een schenking van een familiale onderneming – die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.

22. Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van de onroerende goederen voornoemd in randnummer 7, in de vennootschap Z door de heer X voornoemd in randnummer 2, gevolgd door de voorgenomen schenking van de hiervoor in ruil verkregen aandelen aan zijn zoon de heer Y voornoemd in randnummer 4, fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2, lid 2 VCF gezien hiermee wordt ingegaan tegen artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.

Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.

Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden:

Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen.

Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd. Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.

Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.

In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19 , 109) is het volgende te lezen:

Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poincaré “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.… ”.

Deze maatregel gaf geen bevrediging.

Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.

Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.

In het verslag aan de koning valt te lezen:

“Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten.

Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn.

Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadeelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.

Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten.

Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven.

In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.

23. Door de inbreng van de onroerende goederen voornoemd in randnummer 7 in de BV Z gevolgd door een schenking van de aandelen kan de begiftigde genieten van het schenktarief voor roerende goederen i.p.v. het schenktarief voor onroerende goederen. Dit zorgt voor een aanzienlijke besparing des te meer als de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3 VCF kan worden genoten.

24. De aanvragers geven de volgende niet-fiscale motieven voor de voorafgaande inbreng gevolgd door een voorgenomen schenking van de aandelen:

  • De verrichting kadert in de verderzetting en continuïteit van de bedrijfsactiviteiten door de volgende generatie gezien de zoon Y als enige van kinderen reeds geruime tijd actief is binnen het familiebedrijf en geïnteresseerd is deze verder te zetten. Het voornemen om te schenken wordt ingegeven door de wens van X om de uitbating van het familiebedrijf meer aan zijn zoon over te laten.
  • De betrokken goederen werden reeds voor de inbreng aangewend voor de bedrijfsexploitatie en de aanvragers achtten het nuttig en logisch om de onroerende goederen gebruikt voor de bedrijfsactiviteit zoveel mogelijk te centraliseren in de vennootschap. Hierbij werden de onroerende goederen onderworpen aan het ondernemingsrisico. Na de schenking zullen deze goederen verder aangewend worden voor de bedrijfsactiviteit

Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van de onroerende goederen in de BV Z door de vader X, gevolgd door een schenking van de aandelen aan diens zoon, gelet op de aangehaalde niet-fiscale motieven, geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

Het besluit dat de voorgenomen verrichting niet geviseerd wordt door artikel 3.17.0.0.2 VCF, blijft slechts gelden voor zover noch de onroerende goederen binnen een korte termijn door de vennootschap worden vervreemd, noch de aandelen van de vennootschap worden verkocht aan derden.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.