Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25117 - Oprichting maatschap gevolgd door schenking aandelen van de maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik Vlaamse Belastingdienst

VB 25117 - Oprichting maatschap gevolgd door schenking aandelen van de maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik

Voorafgaande beslissing
Nummer

25117

Datum beslissing

28 januari 2026

Publicatiedatum

6 maart 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
  • art. 2.7.1.0.7. VCF
  • art. 2.7.1.0.9. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat de inbreng in een door de ouders X – Y op te richten Maatschap, gevolgd door een schenking van (een gedeelte van) de aandelen van de Maatschap door de ouders aan hun enige gemeenschappelijke dochter:

  • Onderworpen zal zijn aan de normale tarieven in de schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF;
  • Niet onder de toepassing zal vallen van de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF;
  • Geen fiscaal misbruik vormen in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF;

De ouders X - Y verzoeken uitdrukkelijk dat de voorafgaande beslissing die terzake zal worden genomen een geldigheidsduur zal hebben tot het overlijden van de langstlevende van hen.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door Meester […], advocaat te […], namens:

a. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1957, met rijksregisternummer […], en zijn echtgenote:

b. Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1968, met rijksregisternummer […];

Samen wonende te […];

Hierna samen genoemd de “Aanvragers”.

De echtgenoten X – Y zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] op xx.xx.1993 onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen bij gebrek aan voorafgaandelijk opgemaakte huwelijksovereenkomst, gewijzigd bij akte wijziging huwelijksovereenkomst van xx.xx.2017, verleden voor notaris […], waarbij een keuzebeding werd toegevoegd aan hun huwelijksstelsel, welke wijziging evenwel geen wijziging heeft aangebracht aan het gekozen huwelijksvermogensstelsel.

De echtgenoten X – Y hebben hun huwelijksovereenkomst ten slotte gewijzigd, bij akte wijziging huwelijksovereenkomst van xx.xx.2025, verleden voor notaris […], waarbij zij o.a. in afwijking van de bepalingen van hun wettelijk stelsel hebben verklaard dat zij alle vruchten, inkomsten en intresten van hun tegenwoordige en toekomstige eigen goederen uit de gemeenschap sluiten. Voormelde wijziging heeft evenwel geen wijziging aangebracht aan het gekozen huwelijksvermogensstelsel.

De echtgenoten X – Y hebben één gemeenschappelijke dochter:

Mevrouw Z, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.2005, met rijksregisternummer […], ongehuwd, wonende te […].

Zowel de Aanvragers als hun enige dochter zijn sinds meer dan vijf jaar voor heden inwoners van het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

3. De Aanvragers beogen de hiernavolgende verrichtingen te stellen, in chronologische volgorde:

a) Oprichting Maatschap

4. De Aanvragers hebben de intentie om een Maatschap op te richten, waarin zij in verschillende fases bepaalde vermogensbestanddelen uit hun gemeenschappelijk vermogen wensen in te brengen, waaronder aandelen van verschillende vennootschappen en liquide middelen (onder de vorm van o.a. fondsen en beleggingsportefeuille(s)).[1]

De heer X en mevrouw Y zullen in ruil voor hun inbreng een aantal aandelen van de Maatschap verkrijgen die in verhouding staat met hun inbreng.

Beide Aanvragers worden aangesteld als zaakvoerders van de Maatschap. Overeenkomstig artikel 8.3. van de Statuten van de Maatschap zijn de zaakvoerders gerechtigd om alle daden van beheer te stellen en ter zake alle mogelijke beslissingen te nemen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte en nog in te brengen vermogen.

De zaakvoerders zijn daarentegen niet gerechtigd om daden van beschikking te nemen, zoals omschreven in artikel 12.3. van de Statuten.

Iedere daad van beschikking dient met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen overeenkomstig artikel 12.2. van de Statuten te worden genomen. Bovendien wordt het stemrecht dan, wat de geschonken aandelen betreft, door de vruchtgebruikers, in casu de ouders, en de blote eigenaar, in casu hun enige dochter, samen uitgeoefend.

Het ontwerp van de Statuten van de Maatschap wordt in bijlage toegevoegd.[2] De Statuten betreffen op heden een ontwerpdocument waaraan eventuele kleine (hoofdzakelijk tekstuele, doch geen wezenlijke inhoudelijke) wijzigingen kunnen gebeuren. Elementen die op heden nog niet vaststaan, zullen geen invloed hebben op de voorafgaande beslissing.

b) Schenking van de aandelen aan de dochter

5. Na de oprichting van de Maatschap wensen de Aanvragers een deel van hun aandelen van de Maatschap aan hun enige dochter te schenken en dit met voorbehoud van vruchtgebruik.[3]

De schenking zal verleden worden voor een Belgische notaris en aldus in België worden geregistreerd.

De akte houdende schenking zal onder andere volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten voorzien:

  • De schenking zal in blote eigendom gebeuren. De blote eigendom van de geschonken aandelen zal onmiddellijk worden overgedragen aan hun enige dochter. De schenkers zullen zich enkel het vruchtgebruik voorbehouden;
  • Een beding van optionele conventionele terugkeer, dat bepaalt dat de schenking zal worden ontbonden bij een overlijden van de Begiftigde al dan niet met kinderen, doch enkel voor zover de schenker(s) zich er op beroept/beroepen;
  • Een uitsluitingsclausule, die bepaalt dat de geschonken goederen niet kunnen worden ingebracht in een huwelijksvermogen;
  • Een ontbindende voorwaarde, die bepaalt dat de Schenker(s) de ontbinding van de Schenking kan/kunnen vragen bij het zich voordoen van bepaalde ernstige gedragingen van de Begiftigde.

c) Doel van de verrichtingen

6. De Aanvragers wensen met deze verrichtingen een vermogensplanning tot stand te brengen die tegemoet dient te komen aan de volgende bekommernissen:

1) De Aanvragers achten het belangrijk om hun enige dochter geleidelijk aan voor te bereiden op het beheer van het familiaal vermogen, zij het op een gecontroleerde wijze.

Op vandaag is de dochter van Aanvragers weinig vertrouwd met het vermogen van Aanvragers en het omgaan met financiële middelen in het algemeen. De finaliteit van de geleidelijke overdracht van het vermogen van Aanvragers middels de figuur van de Maatschap is er dan ook op gericht om hun dochter hier geleidelijk aan vertrouwd mee te maken en haar voor te bereiden voor het tijdstip waarop zij op zelfstandige wijze het vermogen zal dienen te beheren.

Vandaag heeft de dochter van Aanvragers amper voeling met de waarde van financiële middelen en is zij gevoelig voor invloeden van derden hierop.

De Aanvragers zijn ervan overtuigd dat de betrokkenheid van hun enige gemeenschappelijke dochter groter is wanneer zij geleidelijk – via schenking van de aandelen van de Maatschap – zelf eigenaar wordt van het ingebrachte en verder op te bouwen vermogen, doch op gecontroleerde wijze.

In eerste instantie zal de dochter van Aanvragers mee betrokken worden in de Maatschap als aandeelhouder van de Maatschap. In een tweede fase, zijnde wanneer één van beide of beide Aanvragers niet meer kunnen optreden als zaakvoerder, zal zij mede zaakvoerder worden.

2) De Maatschap vormt in deze ook een beschermingsmechanisme naar de dochter toe voor het geval de Aanvragers voortijdig zelf het beheer niet meer zouden kunnen waarnemen of zouden te komen overlijden.

In dat geval is voorzien dat een derde, zijnde de heer A, als mede-zaakvoerder wordt aangesteld om de dochter mee te begeleiden tot zij de leeftijd van vijfendertig jaar heeft bereikt.

Ook vanuit bovenstaande bekommernis is de duurtijd van de Maatschap beperkt in de tijd en niet gekoppeld aan de levensduur van de Aanvragers – ouders/schenkers.

3) De Aanvragers wensen een veilige financiële positie te behouden na de schenking. Bijgevolg willen de Aanvragers slechts schenken met voorbehoud van vruchtgebruik met terugval naar de langstlevende.[4]

Deze bekommernis indachtig is de figuur van de Maatschap in se het verlengstuk van het door de Schenkers voorbehouden vruchtgebruik. In hoofde van de Aanvragers – ouders/schenkers bewerkstelligt de Maatschap geen andere controle dan een rechttoe rechtaan schenking met voorbehoud van vruchtgebruik ten aanzien van hun dochter zou realiseren (wel integendeel, zie ook hierna), doch evenwel met de nodige omkadering om aan bovenvermelde bekommernissen en overwegingen tegemoet te komen.

III. Motivering van de aanvraag

Vraag 1: bevestigd te zien dat het voorwerp van de te sluiten overeenkomst onderworpen zal zijn aan de gewone tarieven van de schenkbelasting in het Vlaamse Gewest

Toepasselijke wetbepalingen

Artikel 2.8.1.0.1 VCF

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”

Artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF

“§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”

Toepassing in concreto

7. De Aanvragers menen dat de schenking zal onderworpen zijn aan de gewone tarieven schenkbelasting in het algemeen, zoals deze van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest, overeenkomst het artikel 2.8.1.0.1. VCF, en in het bijzonder aan het vlak tarief schenkbelasting voor de schenking van roerende goederen overeenkomstig het artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst dan ook te bevestigen dat de schenking zal onderworpen zijn aan de normale tarieven zoals deze gelden in de Vlaamse schenkbelasting, zoals vastgelegd in de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF.

Vraag 2: Bevestigd te zien dat het voorwerp van de te sluiten overeenkomst niet onder de toepassing valt van artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 vcf

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.

Toepassing in concreto

8. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF viseert specifiek schenkingen, die werden gedaan onder de opschortende voorwaarde of de opschortende termijn, die vervuld worden ingevolge het overlijden van de schenker(s). Dergelijke schenkingen worden als een legaat beschouwd bij het overlijden van de schenker(s) en aldus aan erfbelasting onderworpen.

Het voorwerp van de voorgenomen schenking betreft de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap. Door de schenking van de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap verdwijnt de blote eigendom van de geschonken aandelen definitief uit het vermogen van de schenkers. De blote eigendom van deze geschonken aandelen behoort geenszins nog tot hun eigendom.

Bij een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn bevindt de eigendom van de geschonken goederen zich nog bij de schenkers en dit zolang de opschortende voorwaarde/termijn niet wordt vervuld. De eigendom van de geschonken goederen gaat dus pas over bij het vervullen van de opschortende voorwaarde/termijn van het overlijden van de schenker(s), terwijl dit bij de schenking van de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap onmiddellijk gebeurt. Een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik kan dan ook onder geen enkel beding worden gelijkgesteld met een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn waar de eigendomsoverdracht wordt uitgesteld.

Zoals geschetst, is de Maatschap in se dan ook niet meer dan het verlengstuk van het door de Schenkers voorbehouden vruchtgebruik dat toelaat om maximaal aan de bekommernissen en overwegingen, zoals uiteengezet onder titel II.B.c) tegemoet te komen.

Hierbij wordt overigens – net omwille van de wens van de Aanvragers om hun enige dochter geleidelijk te betrekken in de werking van de Maatschap en dus vertrouwd te maken met financiële middelen en een vermogen – het controlevoorbehoud van de schenker(s)-vruchtgebruiker(s) tot op zekere hoogte in de Maatschap afgezwakt.

Hiertoe voorzien de Statuten van de Maatschap:

  • Op niveau van de zaakvoerders:

“8.4.

b. Hypothese B

Bij het defungeren van Partij sub A of Partij sub B, zal het zaakvoerderschap verder worden waargenomen door de langstlevende onder hen.

Indien evenwel mevrouw Z, geboren te […] op xx.xx.2005, op dat ogenblik reeds de volle leeftijd van vijfentwintig (25) jaar heeft bereikt, zal er een college van zaakvoerders worden samengesteld bestaande uit de langstlevende van Partij sub A of Partij sub B en mevrouw Z,

c. Hypothese C

In zoverre mevrouw Z de volle leeftijd van vijfendertig (35) jaar nog niet heeft bereikt op het ogenblik van het defungeren van de langstlevende van Partij sub A en Partij sub B, zal er een college van zaakvoerders worden samengesteld bestaande uit mevrouw Z, voornoemd, en de heer A, geboren te […] op xx.xx.1977.

d. Hypothese D

Na het defungeren van de langstlevende van Partij sub A of Partij sub B, zal van zodra mevrouw Z de volle leeftijd van vijfendertig (35) jaar heeft bereikt, zij alleen optreden als zaakvoerder.”

[…]

  • Op niveau van de gewone algemene vergadering:

“11.4. Vereiste meerderheid

Beslissingen worden genomen met gewone meerderheid van stemmen.”

[…]

  • Op niveau van de buitengewone algemene vergadering:

“12.2. Vereiste meerderheid

Beslissingen worden genomen met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen.

12.3. Daden van beschikking die dienen goedgekeurd te worden door een buitengewone algemene vergadering (niet-exhaustief)

De buitengewone algemene vergadering is bevoegd om beslissingen te nemen met betrekking tot daden, die kwalificeren als daden van beschikking. Volgende daden behoren onder andere tot de bevoegdheid van de buitengewone algemene vergadering:

  1. Beslissingen aangaande de Maatschap zelf, zijnde onder meer de beslissingen tot goedkeuring met als voorwerp:
  • De beslissing tot voortijdige ontbinding overeenkomstig artikel 4.3 van de Statuten;
  • De beslissing tot overdracht van aandelen onder levenden aan een derde niet-vennoot overeenkomstig artikel 6.1 van de Statuten;
  • De beslissing tot goedkeuring van een bijkomende inbreng overeenkomstig artikel 7.1 van de Statuten;
  • De beslissing tot aanstelling als zaakvoerder overeenkomstig artikel 8.2 van de Statuten;
  • De beslissing tot wijziging van Statuten van de Maatschap;
  • De beslissing tot de overdracht van activa of tot omzetting van de Maatschap overeenkomstig artikel 10bis van de Statuten;
  • De beslissing over de overgang van de aandelen van een vennoot naar niet-afstammelingen of niet-vennoten overeenkomstig artikel 23 van de Statuten.
  1. Wezenlijke beslissingen aangaande de aandelen van een niet-beursgenoteerde vennootschap die de Maatschap aanhoudt, zijn beslissingen aangaande deze aandelen met als voorwerp:
  • de beslissing tot een uitkering van meer dan vijftig procent (50%) van de jaarwinst van deze vennootschap na aftrek van de kosten, zoals ten gevolge van een beslissing tot dividenduitkering; een beslissing tot kapitaalvermindering of vermogensbeweging (door een beslissing tot kapitaalvermindering of terugbetaling van inbreng, liquidatie, inkoop van eigen aandelen of terugbetaling van kapitaal);
  • de stemming tot benoeming of ontslag van een (al dan niet statutaire) zaakvoerder of lid van de Raad van Bestuur in de vennootschap; tenzij het ontslag of de benoeming ertoe leidt dat de samenstelling van het college van zaakvoerders of van de Raad van Bestuur hetzelfde is als de samenstelling van het college van zaakvoerders van de Maatschap;
  • de liquidatie of vroegtijdige ontbinding van de vennootschap;
  • de stemming tot wijziging van de Statuten van de vennootschap;
  • de stemming tot uitoefening van het vetorecht door de algemene vergadering van de vennootschap voor zover een dergelijk vetorecht voorzien is en/of wordt ingesteld;
  • de stemming tot overdracht (door verkoop of anderszins) van de aandelen van de vennootschap.
  • Het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan aandelen die door de Maatschap worden aangehouden, indien het gaat om buitengewone en bijzondere algemene vergaderingen van de vennootschap waarvan de Maatschap de aandelen aanhoudt.
  1. Indien er redelijke twijfel bestaat over de kwalificatie van bepaalde daden als daad van beheer dan wel als daad van beschikking, dan dienen deze daden als daad van beschikking te worden aangemerkt.”

Gelet op het gegeven dat het in deze een dadelijke schenking van de blote eigendom van de aandelen betreft en het daarenboven duidelijk is dat de Aanvragers geen volledige controle meer hebben over de geschonken aandelen, kan er in deze op geen enkele wijze sprake zijn van een schenking onder opschortende voorwaarde of termijn van het overlijden van de schenker(s), die niet dezelfde rechtsgevolgen ressorteert.

De Aanvragers vragen Uw Dienst dan ook te bevestigen dat artikel 2.7.1.0.3,3° VCF niet kan worden toegepast op de schenking van de blote eigendom van de aandelen die zij wensen te verrichten en dat deze schenking niet als een legaat kan worden beschouwd bij het overlijden van de schenker(s).

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.7 VCF

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

Toepassing in concreto

9. Artikel 2.7.1.0.7 VCF beoogt om bepaalde goederen toch tot de fiscale nalatenschap te laten behoren, hoewel zij daar juridisch gezien geen deel van uitmaken. Het gaat zowel om goederen die ten bezwarende titel gesplitst worden aangekocht als om effecten en geldbeleggingen die gesplitst zijn ingeschreven.

Met betrekking tot de gesplitste inschrijving van effecten of geldbeleggingen, volstaat een loutere materiële inschrijving van effecten voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde, opdat het wettelijk vermoeden van artikel 2.7.1.0.7 VCF speelt. Wel kan het tegenbewijs worden geleverd door aan te tonen dat er geen sprake is van een bedekte bevoordeling.

De Aanvragers wensen na de oprichting van de Maatschap, een gedeelte van hun aandelen van de Maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik te schenken aan hun enige dochter. Bijgevolg zullen deze aandelen gesplitst worden ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de Aanvragers, en voor de blote eigendom op naam van de dochter.

In huidige situatie is er evenwel duidelijk geen sprake van een bedekte bevoordeling. De schenking zal namelijk worden verleden bij notariële akte voor een Belgische notaris. De ‘bedekte bevoordeling’ staat tegenover de openlijke of transparante bevoordeling. Er kan geen sprake zijn van een bedekte bevoordeling - en dus ook niet van de toepassing van voornoemd wetsartikel - wanneer er een openlijke voorafgaande schenking is, of wanneer de gesplitste inschrijving het gevolg is van een openlijke bevoordeling (schenking).

Artikel 2.7.1.0.7 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting. De Aanvragers vragen Uw Dienst dit dan ook te bevestigen.

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.9 VCF

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

Toepassing in concreto

10. Artikel 2.7.1.0.9 VCF viseert de verrichting onder bezwarende titel, waarbij de erflater een goed aan één van zijn erfgenamen, legatarissen, begiftigden of aan een tussenpersoon heeft afgestaan, en zich het vruchtgebruik of om het even welk ander levenslang recht heeft voorbehouden.[5]

Voormelde verrichtingen hebben betrekking op overeenkomsten ten bezwarende titel. Meer bepaald gaat het om rechtshandelingen ten kosteloze titel, die bewust verkeerdelijk worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel.

  • Geen toepassing mogelijk als rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd

De schenking van de Aanvragers aan hun dochter, mevrouw Z, zal niet bedekt zijn, maar wordt openlijk als een schenking gekwalificeerd. De toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF is niet mogelijk indien de rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd.[6]

  • Geen overeenkomst ten bezwarende titel

Mocht, quod non in casu, toch worden geoordeeld dat artikel 2.7.1.0.9 VCF toepassing kan vinden als de rechtshandeling openlijk wordt gekwalificeerd als een schenking, kan de voorgenomen verrichting in elk geval niet worden geherkwalificeerd in een overeenkomst ten bezwarende titel.

Een overeenkomst ten bezwarende titel houdt immers in dat er een wederkerige overeenkomst is die voor beide partijen een pecuniair voordeel oplevert [7]. Indien zij voor één van de partijen geen voordeel oplevert, dan is zij om niet. Wanneer een vermogensbestanddeel derhalve zonder gelijkwaardig geachte economische tegenprestaties van één vermogen naar een ander gaat, ligt er een overeenkomst om niet voor.

Aangezien de Aanvragers, met de intentie om hun enige dochter te begunstigen, de blote eigendom van (een gedeelte van) hun aandelen zullen overdragen en hiervoor geen enkel voordeel, en al zeker geen voordeel van economische aard, zullen ontvangen, kan de voorgenomen rechtshandeling uitsluitend als een schenking worden gekwalificeerd. Gelet op de begunstigingsintentie en het gebrek aan tegenprestatie, kunnen voorgenomen verrichtingen niet worden geherkwalificeerd in een overeenkomst ten bezwarende titel.

Artikel 2.7.1.0.9 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting. De Aanvragers vragen Uw Dienst dit dan ook te bevestigen.

Vraag 3: Bevestigd te zien dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 3.17.0.0.2 VCF

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

Toepassing in concreto

11. De Aanvragers verzoeken Uw Dienst te bevestigen dat de artikelen 2.7.1.0.3,3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, niet zullen kunnen worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen, op grond waarvan bij overlijden van de schenkers, of van één van hen, erfbelasting zou verschuldigd zijn.

Er kan enkel sprake zijn van fiscaal misbruik indien de belastingplichtige zich in een toestand plaatst die strijdig is met een bepaling van de VCF, zonder dat hiervoor andere motieven voorliggen dan het ontwijken van erfbelasting.[7]

Om de algemene misbruikbepaling zoals vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF te kunnen toepassen, moet de Vlaamse Belastingdienst enerzijds aantonen welke bepaling van de VCF geschonden wordt (objectief element) en anderzijds zal de Vlaamse Belastingdienst moeten aantonen dat de belastingplichtige enkel het ontwijken van erfbelasting beoogt (subjectief element).

Dat zowel het objectieve element als het subjectieve element niet vervuld zijn, wordt hieronder verder toegelicht.

3.1. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF wordt niet gefrustreerd

12. Oorspronkelijk werd artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (voorheen artikel 4, 3° Wetboek Successierechten) ingevoerd om te vermijden dat de bij het Vlaamse Decreet van 9 december 2003 ingevoerde verlaagde en vlakke tarieven in de schenkbelasting (i.e. 3% of 7%) gecombineerd worden met het uitstel van overdracht van het geschonken goed tot het overlijden van de schenker.

Bij een schenking onder opschortende voorwaarde van overlijden van de schenker, komt de eigenlijke eigendomsoverdracht van het geschonken goed pas tot stand wanneer de voorwaarde wordt vervuld, i.e. bij het overlijden van de schenker.[8]

Op dat tijdstip verkrijgt de begiftigde de eigendom van het geschonken goed en is zij hierop schenkbelasting verschuldigd (aan het vlakke tarief van 3% of 7%). Ook bij een legaat zal de begiftigde pas de eigendom van het gelegateerde goed verkrijgen wanneer de testator overlijdt. Omdat het in dat laatste geval echter gaat om een uiterste wilsbeschikking en niet om een schenking bij leven, zal de begiftigde wel erfbelasting verschuldigd zijn op deze verkrijging.

Hoewel schenkingen die plaatsvinden onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker dus min of meer dezelfde burgerrechtelijke gevolgen kennen als een legaat dat per testament wordt toegekend, was de fiscale behandeling in de schenk- en erfbelasting verschillend.

Daarom is het volgens de Memorie van Toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 (waarmee artikel 4, 3° W. Succ. werd ingevoerd) nodig dat schenkingen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker gelijkgesteld worden met een legaat:

“Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn/haar overlijden.”

De doelstelling van artikel 4, 3° W. Succ / artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is dus duidelijk: men kan geen schenking bewerkstelligen, onderworpen aan het lagere en vlakke tarief in de schenkbelasting, en tegelijkertijd nog tot aan het eigen overlijden eigenaar blijven van diezelfde goederen die men schenkt.

De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF bestaat er louter in om dit uitstel van de eigendomsoverdracht te viseren en kan niet uitgebreid worden tot de eventuele controle of de beschikkingsbevoegdheid die een schenker zichzelf zou voorbehouden (hoewel de Vlaamse Belastingdienst dit nochtans toch zo interpreteert in diverse voorafgaande beslissingen).

a) Er is geen uitgestelde eigendomsoverdracht gekoppeld aan het overlijden van de schenker(s)

De goederen die door de Aanvragers ingebracht worden in de Maatschap, verdwijnen uit het vermogen van de inbrengende vennoten en zullen een onverdeelde boedel vormen, die omschreven kan worden als een afgescheiden doelvermogen.[9] In ruil voor deze inbreng zullen de Aanvragers aandelen verkrijgen, in dat afgescheiden doelvermogen.

Bijgevolg zullen zij als vennoten nog een zakelijk recht hebben ten aanzien van het afgescheiden vermogen in zijn geheel, maar hebben zij geen rechtstreeks zakelijk recht meer ten aanzien van de goederen, die deel uitmaken van het afgescheiden vermogen. Het voorgaande blijkt o.a. uit de volgende consequenties van de inbreng [10]:

  • Een vennoot kan niet individueel beschikken voor eigen rekening over de goederen van de Maatschap;
  • De goederen van de Maatschap kunnen niet worden uitgewonnen door de persoonlijke schuldeisers van de vennoten;
  • De ontbinding van een Maatschap gaat gepaard met een volwaardige vereffening, waarna enkel het netto-actief wordt uitgekeerd aan de vennoten.

In casu zal de enige dochter van de Aanvragers vervolgens blote eigenaar worden van aandelen van de maatschap ten gevolge van de schenking die zij zal ontvangen vanwege Aanvragers. De overdracht van de blote eigendom van de aandelen geschiedt onmiddellijk en is aldus op geen enkele wijze een uitgestelde overdracht, zoals deze geviseerd wordt door artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

b) Enkel de buitengewone algemene vergadering kan beslissen om daden van beschikking te stellen betreffende het vennootschapsvermogen

Ten overvloede wordt opgemerkt dat de bevoegdheden waarover de Aanvragers als vruchtgebruikers beschikken in het licht van de Maatschap, hetzij in de Statuten van de Maatschap, één op één worden gereflecteerd (zodat ze overeenstemmen met de bevoegdheidsverdeling tussen een vruchtgebruiker/blote eigenaar in een schenking zonder de figuur van de Maatschap), dan wel zelfs nog tot op zekere hoogte worden beperkt.

Daarnaast zou de vennootschapsrechtelijke realiteit worden miskend indien men zou stellen dat de schenker(s) in zijn/haar/hun hoedanigheid van zaakvoerder(s) van de maatschap nog dezelfde bevoegdheden kan/kunnen uitoefenen als was/waren hij/zij volle eigenaar(s) van het vennootschapsvermogen.

Zoals hierboven reeds wordt aangehaald, zijn de zaakvoerders conform artikel 8.3. van de Statuten van de Maatschap gerechtigd om (slechts) alle daden van beheer te stellen en ter zake alle mogelijke beslissingen te nemen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte en nog in te brengen vermogen.

De zaakvoerders zijn daarentegen niet gerechtigd om daden van beschikking te nemen, zoals omschreven in artikel 12.3. van de Statuten. Iedere daad van beschikking dient met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen overeenkomstig artikel 12.2. van de Statuten te worden genomen. Bovendien wordt het stemrecht dan door de vruchtgebruikers, in casu de ouders, en de blote eigenaar, in casu hun enige gemeenschappelijke dochter, samen uitgeoefend.

Enkel alle vennoten samen, waaronder dus ook de enige gemeenschappelijke dochter van de Aanvragers, kunnen over het vermogen van de Maatschap beschikken, gezien er unanimiteit vereist is.

3.2. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF wordt niet gefrustreerd

13. Artikel 2.7.1.0.7 VCF werd ingevoerd om te vermijden dat een derde bedekt bevoordeeld wordt door de gesplitste verkrijging of inschrijving van (bepaalde) goederen en dit zonder de betaling van schenk- of erfbelasting.

Aangezien het doel van artikel 2.7.1.0.7 VCF erin bestaat om de bedekte bevoordeling ingevolge een gesplitste inschrijving te sanctioneren, en er in casu geen sprake is van een bedekte bevoordeling maar van een openlijke bevoordeling, valt de schenking noodzakelijkerwijze volledig buiten de doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF wordt door de voorgenomen verrichtingen niet gefrustreerd.

De Aanvragers verzoeken te willen bevestigen dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, omdat de geplande verrichtingen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF duidelijk niet frustreren.

3.3. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.9 VCF wordt niet gefrustreerd

14. Artikel 2.7.1.0.9 VCF heeft tot doel om rechtshandelingen ten kosteloze titel, die bewust verkeerdelijk worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel, toch tot de fiscale nalatenschap te laten behoren, hoewel zij daar juridisch gezien geen deel van uitmaken. De doelstelling bestaat er kortom in om overeenkomsten die in het vooruitzicht van het overlijden van de schenker onder het mom van een vervreemding ten bezwarende titel werden gedaan, maar waarbij het eigenlijk om schenkingen gaat, te belasten in het erfrecht.

Voormelde doelstelling blijkt duidelijk uit de wettekst zelf en verder uit de Memorie van Toelichting van de wet van 11 oktober 1919 bij de invoering van de artikelen 5 tot 7 W.Succ (thans de artikelen 9 tot 11 W.Succ. en 2.7.1.0.7 tot 2.7.1.0.9 VCF). De wet bepaalt namelijk dat het tegenbewijs kan geleverd worden indien:

“wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer”. Voormelde Memorie van Toelichting stelt: “Eindelijk ziet men vaak personen, in het vooruitzicht van hun overlijden, aan hunne wettige of aangestelde erfgenamen alle hunne goederen of een deel daarvan mits eene lijfrente afstaan. De akte wordt geboekt tegen het voor verkoopen bepaalde recht en de schatkist blijft verstoken van het verschil tusschen dit recht en het erfenisrecht”.

In casu zal de begiftiging van de enige dochter op geen enkele manier verborgen worden gehouden. Integendeel, de aandelen worden geschonken aan de dochter middels een notariële schenkingsakte, die wordt verleden voor een Belgisch notaris. Bijgevolg is er kennelijk geen sprake van bedrog.

De Aanvragers verzoeken te willen bevestigen dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, omdat de geplande verrichtingen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.9 VCF niet frustreren.

3.4. Er zijn andere dan fiscale motieven om de verrichtingen tot stand te brengen

15. Mocht de Vlaamse Belastingdienst evenwel de mening zijn toegedaan dat er wel degelijk sprake is van frustratie van een doelstelling van één van voornoemde bepalingen van de VCF, quod non, wijzen de Aanvragers erop dat het geheel van de verrichtingen die zij beogen ingegeven is door andere dan fiscale motieven. Hiervoor wordt verwezen naar II.B.c).

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst te bevestigen dat ingevolge de aanwezigheid van de niet-fiscale motieven de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet kan worden toegepast.

CONCLUSIE

16. Gelet op al het voorgaande, dient te worden geconcludeerd dat de voorgenomen schenking zal onderworpen zijn aan de normale tarieven zoals deze gelden in de Vlaamse schenkbelasting, zoals vastgelegd in de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst dit te willen bevestigen.

Dat de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF niet zullen kunnen worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen, op grond waarvan bij overlijden van de schenkers/ouders, of van één van hen, erfbelasting zou verschuldigd zijn.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst dit te willen bevestigen.

Dat er geen sprake is van fiscaal misbruik, omdat de geplande verrichten de doelstellingen van de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF niet frustreren, evenals gelet op de aanwezigheid van niet-fiscale motieven.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst dit te willen bevestigen.

De Aanvragers vragen dat de geldigheid van de voorafgaande beslissing zich in de tijd zou uitstrekken tot aan het overlijden van de langstlevende van de Aanvragers.

IV. Beslissing

17. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

18. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

19. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de verrichting.

20. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

A. Te onderzoeken artikelen VCF

21. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF, dat luidt als volgt:

“§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

  • Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, dat luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”

  • Artikel 2.7.1.0.7 VCF, dat luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • Artikel 2.7.1.0.9 VCF, dat luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

B. Beoordeling

22. Aanvragers nemen zich voor om volgende verrichtingen uit te voeren:

a. de oprichting van een maatschap tussen beide partners van een echtpaar gehuwd onder het wettelijk stelsel, waarbij roerende goederen (aandelen van vennootschappen en liquide middelen onder de vorm van fondsen en beleggingsportefeuilles) van het gemeenschappelijk vermogen in maatschap worden gebracht;

b. gevolgd door een schenking bij notariële akte van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik, van een aantal van de aandelen van de voorheen opgerichte maatschap aan het enig kind van het echtpaar

23. Aanvulling door aanvragers van de oorspronkelijke aanvraag

a. Bij email bericht van xx.xx.2025 deelde aanvrager volgende bijkomende informatie mee aan het besluitvormingsorgaan:

Verder opteren de aanvragers, de heer X en mevrouw Y, voor een inbreng (en schenking) in verschillende fases, omdat zij hun enige dochter, mevrouw Z, willen stimuleren in haar persoonlijke en professionele ontwikkeling. Het is immers niet de bedoeling dat mevrouw Z, die – zoals ook geschetst in de voorafgaande beslissing – op heden weinig voeling heeft met de waarde van financiële middelen, op een jonge leeftijd al haar ambitie zou verliezen door zich blind te staren op de globale huidige financiële situatie van de aanvragers.

De aanvragers zullen in eerste instantie aandelen van een vennootschap inbrengen, zoals u kan afleiden uit de oprichtingsakte van de maatschap. Vervolgens zal naarmate de tijd vordert, evenals de maturiteit van hun dochter verder ontwikkelt, samen met haar vertrouwen/voeling om dergelijk vermogen te beheren, andere roerende goederen uit hun gemeenschappelijk vermogen door de aanvragers (zoals fondsen, beleggingsportefeuille(s), aandelen van een andere vennootschap) in de maatschap worden ingebracht.”.

Op grond van artikel 3.22.0.0.1, §2 VCF is vereist dat de aanvraag een volledige beschrijving bevat van een bijzondere situatie of verrichting die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. Men dient bijgevolg de situatie of verrichting nauwkeurig uiteen te zetten en duidelijk te omschrijven, met verwijzing naar een concreet project waarvan de realisatie ernstig overwogen wordt.

De bedoeling van de voorafgaande beslissing is immers aan de aanvrager rechtszekerheid te verstrekken met betrekking tot verrichtingen of situaties die hij in het kader van zijn aanvraag voorlegt aan de administratie en voor zover hij deze verrichtingen verwezenlijkt of deze situatie zich concretiseert overeenkomstig de beschrijving die hij eraan gegeven heeft.

Onderhavige beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op de inbreng bij oprichting van de maatschap gevolgd door de schenking bij notariële akte, de concreet voorgenomen rechtshandelingen, en bijgevolg niet op latere inbrengen en/of schenkingen waarnaar slechts hypothetisch en niet concreet verwezen wordt in de bijkomende toelichting bij de aanvraag.

b. Bij zelfde email bericht van xx.xx.2025 werd het ontwerp van de voorgenomen notariële schenkingsakte voorgelegd. In dit ontwerp van akte wordt naast het voorbehoud van vruchtgebruik, zoals beschreven in de oorspronkelijke aanvraag, eveneens voorzien in een mogelijke (optionele) rentelast op te leggen aan de begiftigde in voordeel van de schenkers. Anders dan bij het voorbehoud van vruchtgebruik, wordt bij deze mogelijke (optionele) rentelast geen aanwas van de rentelast bedongen. In onderstaand onderzoek naar de toetsing van de VCF-artikelen zoals opgegeven door aanvrager, wordt bijgevolg een aanwas van rentelast voor de langstlevende van de schenkers niet beoordeeld.

1) Onderzoek van artikelen 2.8.1.0.1 VCF / 2.8.4.1.1,§2 VCF

24. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

Aanvragers geven aan dat de voorgenomen schenking zal gebeuren bij notariële en dus te registreren akte.

Omdat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, is zij fiscaal transparant. Voor de bepaling van het tarief in de schenkbelasting wordt bijgevolg rechtstreeks gekeken naar de vermogensbestanddelen die door de natuurlijke personen achter de maatschap worden aangehouden.

Bij aanbieding ter registratie van de notariële akte houdende schenking, zal deze bijgevolg in casu onderworpen worden aan de tarieven in de schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF.

2) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.3,3° VCF

25. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker.

Schenkingen die onder de toepassing vallen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden fiscaal beschouwd als een legaat en belast met erfbelasting in hoofde van de begiftigde.

Aangezien aan de voorgenomen schenking geen opschortende modaliteit die wordt vervuld ingevolge het overlijden van één van de schenkers, zal gekoppeld worden, vindt artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF geen rechtstreekse toepassing op de voorgenomen verrichting.

3) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.7 VCF

26. Artikel 2.7.1.0.7 VCF viseert de inschrijving van effecten op naam van de toekomstige erflater voor het vruchtgebruik en op naam van een toekomstig erfopvolger voor de blote eigendom. Deze fictiebepaling heeft tot gevolg dat de goederen die het voorwerp waren van de verrichting geacht worden in volle eigendom in de nalatenschap aanwezig te zijn en door de medecontractant als legaat te zijn verkregen.

Aanvrager stelt dat de schenking van de blote eigendom van de deelbewijzen van de maatschap zal gebeuren middels een Belgische notariële akte die aan schenkbelasting zal worden onderworpen. Het tegenbewijs van het vermoeden van bedekte bevoordeling van artikel 2.7.1.0.7 VCF bij een gesplitste inschrijving kan geleverd worden door middel van een voorafgaande al dan niet geregistreerde schenking, zodat geen toepassing zal gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.7 VCF.

4) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.9 VCF

27. Zoals hiervoor onder randnummer 23 aangehaald, wordt in het op vraag van het besluitvormingsorgaan voorgelegde ontwerp van notariële schenkingsakte optioneel voorzien om een rentelast op te leggen aan de begiftigde:

“[OPTIE] Artikel 8. Optionele rentelast

De Schenkers bedingen als last van de door hen gedane Schenking (of wat bij wijze van wettelijke of contractuele zaakvervanging of indeplaatsstelling hiervan in de plaats zou zijn getreden) lastens de Begiftigde dat zij jaarlijks een rente ten belope van maximaal * euro (€ *) (te indexeren conform het hierna bepaalde) aan de Schenkers zal betalen.

De Begiftigde zal de jaarlijkse rente voldoen bij éénmalige betaling, en dit binnen de maand nadat de Schenkers of de langstlevende van hen erom heeft gevraagd, via storting op een door de betreffende Schenkers aangeduide bankrekening.

Voormelde rente wordt jaarlijks, dit is op de verjaardag van onderhavige akte, aangepast aan de evolutie van het Belgisch indexcijfer van de consumptieprijzen (consumptie- en prijsindex) en wordt daartoe gekoppeld aan het basisindexcijfer van de maand * 2026. Het nieuwe indexcijfer waaraan het bedrag aangepast zal worden, is dat van de maand die de aanpassing voorafgaat. Deze aanpassing geschiedt automatisch en zonder dat de Schenkers erom moeten verzoeken. Het aangepaste bedrag kan nooit lager zijn dan het in deze akte overeengekomen basisbedrag.

Deze last is pas uitvoerbaar enkel en alleen voor zover de uitvoering ook effectief wordt verzocht door de Schenkers en is niet meer opeisbaar indien het totaal van de opgevraagde rentelasten door de Schenkers sinds de Schenking een bedrag gelijk aan vijfenzeventig procent (75%) van de waarde van de Schenking heeft bereikt.

De Schenkers of de langstlevende van hen behouden zich het recht voor om de rente op te vragen, tot twee maand na het jaar waarin ze er recht op hebben. Ze zullen de rente aan de Begiftigde schriftelijk opvragen, hetzij per brief, hetzij per email, hetzij via enig ander communicatiemiddel. Na het verstrijken van deze termijn, en bij gebreke aan tijdige opvraging, vervalt dit recht.

Indien de Begiftigde in gebreke blijft de rente te voldoen binnen veertien dagen na de vervaldag, zal het vervallen en niet betaalde bedrag van rechtswege en zonder ingebrekestelling interest opbrengen tegen de interestvoet die wordt gehanteerd om de gerechtelijke interesten te berekenen, vanaf de vervaldag tot de dag van de werkelijke betaling.

[OPTIE] Artikel 9. Last tot verzorging

De Schenkers bedingen als last van huidige Schenking lastens de Begiftigde dat zij de verplichting heeft ten aanzien van hen, om kosten van medische en ambulante verzorging, kosten van ziekenhuis, rusthuis, serviceflat, thuisverpleging, en dergelijke meer, kortom alle kosten van onder andere medische hulpbehoevendheid en zorgbehoevendheid van de Schenkers of de langstlevende te dragen, voor zover deze kosten niet worden terugbetaald door een ziekenfonds of enige verzekering en zij de som van tweeduizend vijfhonderd euro (€ 2.500) per jaar overtreffen.

Deze last is pas uitvoerbaar voor zover de uitvoering ervan ook effectief wordt verzocht door de Schenkers of de langstlevende onder hen en is niet meer opeisbaar indien het totaal van de ten laste genomen kosten (samen met de rentelast voormeld in artikel 8 van onderhavige schenking) sinds de Schenking een bedrag gelijk aan vijfenzeventig procent (75%) van de waarde van de Schenking heeft bereikt.”

28. Door de plafonnering van de geldelijke last op 75% van de waarde van de schenking op het moment van de schenking, wordt beoogd dat de last niet zo hoog oploopt dat het in feite geen schenking meer is, waardoor er zich een herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zou opdringen.

Het besluitvormingsorgaan aanvaardt dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zal gebeuren.

In dit geval zal geen rechtstreekse toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.9 VCF,.

5) Onderzoek van artikel 3.17.0.0.2 VCF (de antimisbruikbepaling)

29. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

Gelet op de concrete feitenconstellatie is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgenomen verrichtingen, namelijk de oprichting van een maatschap, gevolgd door een notariële schenking van aan aantal aandelen van deze maatschap voor de blote eigendom aan het kind van de oprichters, in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

30. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.

Voetnoten

[1] Bij email bericht van xx.xx.2025 deelde aanvrager volgende bijkomende informatie mee aan het besluitvormingsorgaan betreffende deze inbreng ‘in verschillende fases’:

“ Verder opteren de aanvragers, de heer X en mevrouw Y, voor een inbreng (en schenking) in verschillende fases, omdat zij hun enige dochter, mevrouw Z, willen stimuleren in haar persoonlijke en professionele ontwikkeling. Het is immers niet de bedoeling dat mevrouw Z, die – zoals ook geschetst in de voorafgaande beslissing – op heden weinig voeling heeft met de waarde van financiële middelen, op een jonge leeftijd al haar ambitie zou verliezen door zich blind te staren op de globale huidige financiële situatie van de aanvragers.

De aanvragers zullen in eerste instantie aandelen van een vennootschap inbrengen, zoals u kan afleiden uit de oprichtingsakte van de maatschap. Vervolgens zal naarmate de tijd vordert, evenals de maturiteit van hun dochter verder ontwikkelt, samen met haar vertrouwen/voeling om dergelijk vermogen te beheren, andere roerende goederen uit hun gemeenschappelijk vermogen door de aanvragers (zoals fondsen, beleggingsportefeuille(s), aandelen van een andere vennootschap) in de maatschap worden ingebracht.”.

[2] Een ontwerp van de statuten van de maatschap wordt als bijlage bij de aanvraag gevoegd.

[3] Een ontwerp van de notariële schenkingsakte werd als bijlage bij een emailbericht van aanvrager van xx.xx.2025 voorgelegd. Uit dit ontwerp blijkt dat, naast het voorbehoud van vruchtgebruik, zoals beschreven in de oorspronkelijke aanvraag, eveneens optioneel voorzien wordt in een rentelast op te leggen aan de begiftigde in voordeel van de schenkers.

[4] Opmerking van het besluitvormingsorgaan. Tijdens de hoorzitting gehouden op 16 december 2025 heeft aanvrager aan het besluitvormingsorgaan bevestigd dat de aanvraag enkel betrekking heeft op goederen behorend tot het gemeenschappelijk vermogen van aanvragers en dat het gaat om een aanwas van vruchtgebruik (en geen terugval).

[5] Ruysseveldt J., Vlaamse Erfbelasting, Knokke, Lex Forum, 2015, 87.

[6] Ruysseveldt J., Vlaamse Erfbelasting, Knokke, Lex Forum, 2015, 87.

[7] Van Gerven W., Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 1998-99, 18-19

[8] Decuyper J. en Ruysseveldt J., Successierechten 2018-2019, 2019, Deel II, 1552-1553, afl. 1712/1.

[9] Barbaix R., Het contractuele statuut van de schenking, 2008, 339-340.

[10] Gruyaert D., ‘Fiduciaire rechtsfiguren in het notariaat’ in Buyssens F. en Verbeke A. L. (eds.), 2016-2017, 2017, 64-74

[11] Vanroye J., ‘Slingerende toerekening: de zakelijke rechten van een maatschap’, TRV 2014, 258.