Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25119 - Wijziging huwelijksovereenkomst stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 25119 - Wijziging huwelijksovereenkomst stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

25119

Datum beslissing

1 december 2025

Publicatiedatum

16 januari 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De heer X en mevrouw Y wensen bij wijze van huwelijksvoordeel een optioneel toekenningsbeding te koppelen aan goederen uit het eigen vermogen van de heer X waardoor mevrouw Y, wanneer zij de langstlevende is, de mogelijkheid zal hebben om deze goederen zoveel als nodig en mogelijk zelfs integraal en in volle eigendom te verkrijgen.

Vooraleer zij hun huwelijksstelsel wijzigen, wensen de echtgenoten evenwel bevestiging te krijgen dat de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X geen aanleiding zal geven tot de heffing van successierechten en dat er daarnaast geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen en achtergrond voor de voorgenomen verrichting

2. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:

  • De heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1974, ingeschreven in het Belgische Rijksregister onder nummer […];

hiervoor en hierna genoemd de “heer X”.

  • Mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1979, ingeschreven in het Belgische Rijksregister onder nummer […];

hiervoor en hierna genoemd “mevrouw Y”.

De heer X en mevrouw Y worden hierna gezamenlijk ook de “aanvragers” genoemd.

3. De aanvragers zijn op xx.xx.2006 gehuwd te […] onder het Belgisch stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden op xx.xx.2006 voor notaris […], met standplaats te […], ongewijzigd tot op heden [1].

De aanvragers kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen omwille van het ondernemersrisico dat de professionele activiteiten van de heer X met zich meebrengen en hun wens om hun respectieve vermogens hiervan af te schermen. Het was daarnaast de wens van het echtpaar om gedurende hun huwelijk het exclusieve bestuur en de autonomie over hun eigen vermogen te behouden.

Niettegenstaande deze uitgangspunten, bestond er tussen de echtgenoten reeds een wens om de langstlevende onder hen verzorgd achter te laten. In het huwelijkscontract van de aanvragers werd aan het stelsel van scheiding van goederen een beperkt gemeenschappelijk vermogen toegevoegd, waaraan tevens een keuzebeding werd gekoppeld om de langstlevende de mogelijkheid te bieden de goederen die in het beperkt gemeenschappelijk vermogen werden ingebracht volledig naar zich toe te trekken, dit in volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik. In dit beperkt gemeenschappelijk vermogen werd de (toekomstige) gezinswoning ingebracht, alsook alle goederen die de echtgenoten later ten bate van dit beperkt gemeenschappelijk vermogen zouden aankopen [2].

4. De aanvragers hebben vier gemeenschappelijke kinderen:

  • Jongeheer A, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.2012, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […];
  • Juffrouw B, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.2016, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […];
  • Juffrouw C, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.2016, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […]; en
  • Juffrouw D, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.2018, ingeschreven in het Belgisch Rijksregister onder nummer […].

Er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

5. De aanvragers wonen samen te […] en hebben hun fiscale woonplaats in het Vlaamse gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

Bezorgdheden en wensen van de aanvragers

6. Sedert de huwelijkssluiting is de situatie van de aanvragers sterk gewijzigd. Zo is het eigen vermogen van de heer X aanzienlijk gestegen en is het gezin van de aanvragers uitgebreid met vier kinderen. Om die redenen is er bij het echtpaar:

  • enerzijds de wens ontstaan dat de langstlevende echtgenoot, en in het bijzonder mevrouw Y, de levensstandaard van tijdens hun huwelijk zorgeloos kan verderzetten; en
  • anderzijds de bezorgdheid gerezen over de bescherming van hun kinderen en het lot van het eigen vermogen van de heer X indien hij komt te overlijden op een tijdstip dat de kinderen nog niet in staat zijn om een vermogen van die aard en omvang op adequate wijze te beheren.

7. Om calamiteiten te vermijden en zijn eigen vermogen zoals het op vandaag bestaat voor zover mogelijk af te schermen van de kinderen tot ze een zekere leeftijd en maturiteit hebben bereikt, wil de heer X een vangnet inbouwen dat hem enerzijds toelaat tot aan zijn overlijden zijn eigen vermogen volledig autonoom te beheren en te besturen en anderzijds de nodige bescherming biedt indien hij als eerste echtgenoot overlijdt op een moment dat de kinderen nog te jong zijn om dergelijk vermogen te verkrijgen.

8. Bijkomend wil de heer X in de verzorging van mevrouw Y voorzien indien het huwelijk wordt ontbonden door zijn overlijden. De heer X wil er in dergelijk geval over waken dat mevrouw Y een comfortabel leven kan leiden en ze haar levensstandaard zoals ze deze had ten tijde van het huwelijk kan verderzetten. In het kader van deze verzorgingsgedachte wil de heer X aan mevrouw Y de mogelijkheid bieden om in de mate van het mogelijke zijn eigen vermogen in volle eigendom te verkrijgen op een wijze die zoveel als mogelijk vermijdt dat ze zich zorgen moeten maken over eventuele reservataire aanspraken van de kinderen.

9. Daarnaast is het de uitdrukkelijke wens van de heer X om de verzorging op zodanige wijze te organiseren dat hij vandaag niet hoeft in te boeten aan autonomie inzake het beheer en het bestuur van zijn eigen vermogen. Deze wens ligt in lijn met de principes waarop het huwelijkscontract van 2006 is gesteund (zie supra).

10. Om aan de verzorgingsgedachte van de langstlevende echtgenoot (deels) tegemoet te komen, overwegen de echtgenoten om naast hun gezinswoning, bijkomende onroerende goederen, zijnde een woonhuis te […] met inbegrip van bijhorende bosgronden en een bouwgrond te […], in te brengen in hun beperkt gemeenschappelijk vermogen.

11. Deze bijkomende inbreng komt slechts gedeeltelijk tegemoet aan de wensen van de aanvragers, aangezien het tot gevolg heeft dat de inbrengende echtgenoot de autonomie over de ingebrachte goederen verliest.

Beschrijving van de voorgenomen verrichting

12. De aanvragers menen dat zij aan voormelde bezorgdheden en wensen kunnen tegemoetkomen door aan hun bestaande stelsel van scheiding van goederen een optioneel toekenningsbeding toe te voegen. Enerzijds wijzigt een toekenningsbeding gaande het huwelijk niets aan de huidige eigendomsverhoudingen en bestuursbevoegdheden. Anderzijds zal een toekenningsbeding mevrouw Y in geval van vóóroverlijden van de heer X de mogelijkheid geven om voor zover mogelijk het eigen vermogen van de heer X in volle eigendom te verkrijgen en dit zonder inspraak of inmenging van hun jonge kinderen.

13. Het toekenningsbeding zal voor zover mogelijk gekoppeld worden aan het volledige eigen vermogen van de heer X.

Op vandaag bestaat het eigen vermogen van de heer X uit:

  • aandelen van de naamloze vennootschap naar Belgisch recht […], ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer […], met zetel te […] (hierna […]);
  • aandelen van de naamloze vennootschap naar Belgisch recht […], ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer […], met zetel te […] (hierna […]);
  • aandelen van de naamloze vennootschap naar Belgisch recht […], ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer […], met zetel te […] (hierna […]);
  • aandelen van zijn managementvennootschap […], een commanditaire vennootschap naar Belgisch recht, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer […], met zetel te […] (hierna […]);
  • beleggingsportefeuilles.

De aanvragers wensen het toekenningsbeding te laten rusten op de aandelen van de manco […] en de beleggingsportefeuilles van de heer X, omdat:

  • de heer X enkel over dit deel van zijn eigen vermogen kan beschikken. Hij verkreeg immers de aandelen van […] via schenkingen waaraan telkens een clausule ‘privé zijn’ als last werd gekoppeld, waardoor de heer X niet via huwelijkscontract kan overdragen aan zijn echtgenote. Omwille van dit beding en de ratio ervan, is het bijgevolg niet mogelijk om aan de heer X zijn aandelen van […] een toekenningsbeding te koppelen;
  • de heer X bij een toekenningsbeding 100% eigenaar blijft en autonomie behoudt over deze goederen;
  • de heer X zijn professionele activiteiten uitoefent via zijn manco […], waardoor de aandelen hiervan kwalificeren als aanwinsten en bijgevolg volledig reservebestendig zijn in de zin van artikel 2.3.57. van het Burgerlijk Wetboek;
  • deze goederen het best geplaatst zijn om in de verzorging van mevrouw Y als langstlevende te voorzien, daar de levensstandaard van het echtpaar X-Y op heden bekostigd wordt met de inkomsten uit de manco […] en de beleggingsportefeuilles van de heer X; en
  • voornamelijk deze goederen een afscherming vereisen totdat de kinderen van de aanvragers een zekere maturiteit hebben, aangezien deze goederen vrij en gemakkelijk geliquideerd kunnen worden, terwijl de statuten die van toepassing zijn op de aandelen van […] voorzien in een strikt en omlijnd kader.

14. Het toekenningsbeding zal als huwelijksvoordeel worden geïntegreerd in hun bestaande huwelijksvermogensstelsel en aan de bedingen van hun bestaande contract in het bijzonder. Concreet wensen de aanvragers hun huwelijksstelsel te wijzigen als volgt:

“WIJZIGING HUWELIJKSCONTRACT

De echtgenoten wensen bij toepassing van artikel 2.3.8., §1 juncto artikel 2.3.64., §1 van het Burgerlijk Wetboek aan hun bestaande huwelijksstelsel een clausule in artikel 9 toe te voegen als volgt:

“OVERLEVINGSRECHTEN MET BETREKKING TOT HET EIGEN VERMOGEN VAN DE HEER X

1. Algemeen

In geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van de heer X, doch enkel en uitsluitend in dat geval, gelden de regels die hierna zijn uiteengezet ten voordele van mevrouw Y die langer leeft of ‘overleeft’ en die dus aanspraak maakt op overlevingsrechten.

Deze overlevingsrechten worden hierna verder uitgewerkt, doch gelden evenwel niet indien zich op het ogenblik van het overlijden van de heer X één van de volgende hypotheses voordoet:

  • tussen de echtgenoten is een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed ingesteld;
  • tussen hen bestaat een feitelijke scheiding om redenen die wijzen op een ontwrichting van het huwelijk. Er is geen sprake van een ontwrichting van het huwelijk wanneer, bijvoorbeeld, de feitelijke scheiding te wijten is aan overmacht, gezondheidstoestand, verzorgingsbehoeften of beroepsnoodwendigheden;
  • indien mevrouw Y onwaardig is om van de heer X te erven, in de zin van de artikelen 2.3.59. en 4.6. van het Burgerlijk Wetboek;
  • indien mevrouw Y niet tot de nalatenschap van de heer X komt.

2. Optioneel toekenningsbeding

In geval van overlijden van de heer X, zullen de volgende goederen, waarvan hij vandaag exclusief eigenaar is, bij wijze van huwelijksvoordeel toekomen aan mevrouw Y als langstlevende echtgenote, voor zover zij daarvoor kiest.

Meer bepaald gaat het om *in de akte wijziging huwelijkscontract nader te omschrijven goederen van de heer X*.[3]

Mevrouw Y heeft de keuze om zich de bovenstaande goederen van de heer X te laten toebedelen, zowel voor de volle eigendom, de blote eigendom of voor het vruchtgebruik, voor het geheel of voor een door haar te bepalen breukdeel, dit alles naar haar wens.

Indien mevrouw Y opteert om zich slechts een breukdeel van de bovenstaande eigen goederen van de heer X te laten toebedelen, geniet zij het recht om:

  • de goederen aan te wijzen die zij zich, ten belope van de waarde van het door haar bepaalde aandeel in de eigen goederen van de heer X, bij voorrang wenst te laten toebedelen; en
  • om de schulden die betrekking hebben op de eigen goederen aan te wijzen die zij zal voldoen, zonder verhaal op de rechtsopvolgers van de heer X, dit onverminderd het bepaalde in dit artikel sub 4.

Mevrouw Y moet de keuze kenbaar maken overeenkomstig het in dit artikel sub 3 bepaalde.

Op dit toekenningsbeding is zakelijke subrogatie toepasselijk. Indien één van de goederen, voorwerp van dit toekenningsbeding, door de heer X wordt vervreemd, zal het beding uitwerking hebben op het goed of de goederen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, zakelijk in de plaats daarvan zijn getreden, tenzij mevrouw Y heeft ingestemd met deze vervreemding.

Tussen de echtgenoten zal, als gevolg van de toekenning krachtens dit beding, voor geen enkel van de toegekende goederen, nog enige verrekening verschuldigd zijn, als gevolg van enige bijdrage die door de ene of door de andere echtgenoot, financieel of anderszins, zou zijn geleverd voor de verkrijging van deze goederen, of voor kosten of werken met betrekking tot deze goederen. Mevrouw Y zal voor een dergelijke bijdrage niets aan het eigen vermogen van de heer X verschuldigd zijn, en zal evenmin voor een dergelijke bijdrage iets van het eigen vermogen van de heer X kunnen vorderen.

3. Uitoefening keuze

Mevrouw Y maakt haar keuze, in uitvoering van de bedingen van deze overeenkomst, kenbaar in een schriftelijke verklaring, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris.

Mevrouw Y brengt de gemaakte keuze ter kennis van de rechtsopvolgers van de heer X, op eigen initiatief en uiterlijk binnen een termijn van honderdtwintig (120) kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop zij wordt aangemaand door een rechtsopvolger van de heer X om keuze te doen.

Indien de keuze niet tijdig is gemaakt, vervalt de keuzemogelijkheid en behoren de goederen waarop de bedingen van dit contract betrekking hebben, tot de nalatenschap van de heer X.

De keuze is een strikt persoonlijk recht; de keuze kan dan ook uitsluitend door mevrouw Y als langstlevende echtgenote worden uitgeoefend, en niet door haar rechtsopvolgers of schuldeisers. De keuzebevoegdheid gaat echter wel over op de persoon die ingevolge een buitengerechtelijke of een rechterlijke beschermingsmaatregel aangewezen is om de goederen van mevrouw Y te beheren of om haar hierin bij te staan.

4. Gevolgen van de keuze voor het passief

De voordelen die door de bedingen van dit contract aan mevrouw Y worden toegekend, leiden voor mevrouw Y tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de heer X te dragen, doch enkel voor wat de schulden betreft die verband houden met de eigen goederen van de heer X waarvan mevrouw Y de toebedeling vraagt.

Indien mevrouw Y kiest voor een beperkte uitvoering van het toekenningsbeding moet zij slechts proportioneel bijdragen in de schulden van de heer X zoals in het vorige lid omschreven.

5. Huwelijksvoordelen

De voordelen die door de bedingen van dit contract aan mevrouw Y worden toegekend, zijn huwelijksvoordelen die niet aan de regels van de schenkingen onderworpen zijn.

Er kan slechts sprake zijn van aanrekening op het beschikbaar deel en bijgevolg van een eventuele inkorting ervan indien een huwelijksvoordeel de grenzen overschrijdt zoals bepaald in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek.”

III. Motivering van de aanvraag

15. Hierna motiveren de aanvragers waarom zij zich op geen enkele manier in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving door implementatie van de voorgenomen verrichting (objectief element). Daarnaast verantwoorden zij waarom enkel de voorgenomen verrichting aansluit bij hun uitgangspunt, en die keuze geenszins strekt tot het verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element).

a. Objectief element: geen frustratie van de doelstellingen van de fiscale wetgeving

16. De aanvragers verzoeken te bevestigen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van hogervermeld optioneel toekenningsbeding niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen, om de redenen die de aanvragers vermelden.

17. Als eerste tonen de aanvragers aan dat zij zich op geen enkele manier in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element).

I. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2. VCF

18. Artikel 2.7.1.0.2. VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap van de vóóroverleden echtgenoot verkregen. In casu is er sprake van een voordeel dat louter huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking (H. CASMAN en A.-L. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022/1, 9, nrs. 18-19).

19. Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel (H. CASMAN, Huwelijksvoordelen, Antwerpen, Kluwer, 1976; deze definitie werd reeds in 2012 expliciet door de wetgever overgenomen in artikel 1429bis van het oud Burgerlijk Wetboek en is thans vervat in artikel 2.3.59. van het Burgerlijk Wetboek).

20. Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voor gaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

21. Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

22. Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als niet-schenking dus aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken, wat in casu niet het geval is.

23. Volledigheidshalve wensen de aanvragers te verduidelijken dat ook de civielrechtelijke kwalificatie van een volkomen dan wel onvolkomen huwelijksvoordeel in de zin van artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek (in casu van toepassing aangezien er geen gemeenschappelijke kinderen zijn), van dit huwelijksvoordeel geen schenking maakt.

Een volkomen huwelijksvoordeel houdt in dat de langstlevende ingevolge de werking van het huwelijksvoordeel niet meer dan alle aanwinsten en de helft van de niet-aanwinsten van de vóóroverleden echtgenoot verkrijgt. Civielrechtelijk heeft dit tot gevolg dat de goederen waarop het huwelijksvoordeel betrekking heeft, integraal aan de langstlevende zullen worden toegekend zonder dat deze voordelen kunnen worden ingekort. Ze worden niet opgenomen in de rekenboedel (artikel 4.153 van het Burgerlijk Wetboek), bepalen de omvang van het beschikbaar deel van de nalatenschap niet mee, en worden noch op dat beschikbaar deel noch op de reserve aangerekend.

Een onvolkomen huwelijksvoordeel betreft de toekenning boven de helft aan de langstlevende echtgenoot van de niet-aanwinsten. Louter met het oog op de erfrechtelijke verrekening wordt dergelijk huwelijksvoordeel civielrechtelijk gelijkgesteld met een schenking. Deze gelijkstelling heeft enkel als doel de rechten van de reservataire erfgenamen te vrijwaren (Cass. 5 januari 2017), en leidt aldus niet tot een volledige assimilatie van het huwelijksvoordeel met een schenking.

24. De toebedeling van de goederen van het eigen vermogen van de heer X op grond van het overwogen optioneel toekenningsbeding, dat kwalificeert als een huwelijksvoordeel, kan aldus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2. VCF.

II. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3., 3° VCF

25. De aanvragers frustreren dit artikel niet omdat zij niet overgaan tot een schenking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld door het overlijden van de eerste echtgenoot. Een toekenningsbeding is zoals vermeld een huwelijksvoordeel en geen schenking (zie randnummers 21 t.e.m. 23).

III. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4. VCF

26. De aanvragers kunnen zich onmogelijk in strijd met de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.4. VCF plaatsen; zij zijn immers niet getrouwd onder een gemeenschapsstelsel. Bijgevolg kwalificeert de toevoeging van een toekenningsbeding aan een stelsel van scheiding van goederen onmogelijk als fiscaal misbruik.

​​​​​​​IV. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5. VCF

27. De aanvragers frustreren dit artikel niet omdat zij niet overgaan tot een kosteloze beschikking. Een toekenningsbeding is zoals voormeld een huwelijksvoordeel, en dus een overeenkomst onder bezwarende titel en geen schenking, zoals bevestigd door het Hof van Cassatie (zie supra randnummers 21 en 22). Ook de mate waarin het huwelijksvoordeel de grenzen van artikel 2.3.57 van het Burgerlijk Wetboek overschrijdt leidt niet tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.5. VCF, aangezien dit voordeel louter voor de erfrechtelijke verkrijging met een schenking wordt gelijkgesteld ter vrijwaring van de rechten van de reservataire erfgenamen (zie supra randnummer 23).

​​​​​​​V. Tussentijdse samenvatting

28. De voorgenomen wijziging van het huwelijksstelsel frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.2., artikel 2.7.1.0.3., 3°, artikel 2.7.1.0.4. en artikel 2.7.1.0.5. VCF niet. De verrichting verleent immers een huwelijksvoordeel dat huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, en de aanvragers gaan niet over tot enige schenking of kosteloze beschikking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker, noch kwalificeert de verrichting als een erfrechtelijke verkrijging. Dit impliceert dat de overgang/toebedeling op grond van het overwogen toekenningsbeding niet onderworpen is aan (schenk- of) erfbelasting. Voormelde overgang/toebedeling valt dus niet onder de hierboven vermelde decretale bepalingen. Aangezien de voorgenomen verrichting geen enkele fiscale bepaling frustreert, kan er ook geen sprake zijn van fiscaal misbruik.

b. Subjectief element: civielrechtelijk oogmerk dat niet strekt tot verkrijgen belastingvoordeel

​​​​​​​I. De wijze waarop het huwelijksstelsel thans is vormgegeven, beantwoordt niet volkomen aan de wensen van de aanvragers

29. De aanvragers benadrukken dat hun keuze om een toekenningsbeding aan hun huwelijksstelsel toe te voegen met betrekking tot goederen van het eigen vermogen van de heer X geenszins strekt tot het verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element). Dit lichten zij hieronder nader toe.

30. Zoals eerder vermeld, hebben de aanvragers in 2006 ervoor geopteerd om te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen. Hun overwegingen waren de volgende:

  • zij wensten gedurende het huwelijk hun autonomie te behouden en hun vermogen alleen en zelfstandig te kunnen besturen; en
  • zij wensten hun respectieve vermogens te beschermen tegen potentiële schuldeisers van de andere echtgenoot.

Deze overwegingen zijn op vandaag ongewijzigd. Doorheen de jaren is er evenwel bij de aanvragers de wens ontstaan om (1) in de verzorging van mevrouw Y als langstlevende te voorzien zodat zij hun levensstandaard van tijdens het huwelijk kan verderzetten en (2) hun jonge kinderen af te schermen van het beheer en het bestuur van een aanzienlijk vermogen tot ze een zekere leeftijd en maturiteit hebben bereikt.

31. Om die redenen opteren de aanvragers voor een planning van de goederen van het eigen vermogen van de heer X via een optioneel toekenningsbeding. Zij zijn van mening dat er geen alternatieve planningstechniek voorhanden is die beantwoordt aan alle wensen en bezorgdheden. Hun overwegingen zijn de volgende:

Nood aan een asymmetrische regeling

32. Aangezien de bezorgdheid van de aanvragers zich toespitst op de goederen van het eigen vermogen van de heer X, is er nood aan een planningstechniek die de aanvragers toelaat om slechts in één richting te werken. Een planning via kanscontract, beding van aanwas of een klassiek verrekenbeding is hierdoor niet aan de orde.

Bescherming tegen de reservataire aanspraken van hun jonge kinderen

33. Aangezien de aanvragers de goederen van het eigen vermogen van de heer X willen afschermen van de kinderen totdat ze een bepaalde leeftijd hebben bereikt en in staat zijn om het vermogen op adequate wijze te beheren, is het van belang dat de planningstechniek, in het geval van een voortijdig overlijden van de heer X, zoveel als mogelijk bescherming biedt tegen:

  • de erfrechtelijke verkrijging van deze goederen door de kinderen; en
  • de reservataire aanspraken die de kinderen kunnen laten gelden in het kader van de vereffening en verdeling van de nalatenschap van de heer X.

34. Bovendien wensen de aanvragers de verzorging van mevrouw Y als langstlevende op een sluitende wijze te organiseren, zijnde een wijze die haar zoveel als mogelijk beschermt tegen de reservataire aanspraken van de kinderen.

35. Een toekenningsbeding, dat een huwelijksvoordeel is, is slechts vatbaar voor erfrechtelijke verrekening of inkorting als de grenzen van artikel 2.3.57. van het Burgerlijk Wetboek worden overschreden (zogenaamd onvolkomen huwelijksvoordeel), dit in tegenstelling tot een planning via schenking, testament of contractuele erfstelling. Mevrouw Y zal als langstlevende bijgevolg, naar haar eigen keuze, de volle eigendom van de goederen van het eigen vermogen van de heer X verwerven. De kinderen van de aanvragers zullen hoogstens de inkorting in waarde kunnen vragen in de mate dat het voordeel dat de langstlevende verkrijgt de grenzen van artikel 2.3.57. van het Burgerlijk Wetboek overschrijdt, en aangezien het toekenningsbeding niet aan het volledige eigen vermogen van de heer X kan gekoppeld worden, is dit risico op een inkortingsvordering eerder beperkt. Het toekenningsbeding maakt aldus een geschikt instrument uit om ervoor te zorgen dat de goederen van het eigen vermogen van de heer X zoveel als mogelijk zonder discussie of inmenging van de gemeenschappelijke kinderen aan de langstlevende toekomen.

Geen mogelijkheid tot eenzijdige herroeping

36. Daarnaast veronderstelt de herroeping van een huwelijksvoordeel steeds de wijziging van het huwelijkscontract, hetgeen enkel kan met akkoord van beide echtgenoten, terwijl een planning via testament, schenking of contractuele erfstelling te allen tijde eenzijdig herroepen kan worden. Een huwelijksvoordeel creëert aldus zekerheid en comfort voor mevrouw Y.

Eigendomsrecht

37. Voormelde zekerheid en comfort voor mevrouw Y wordt bovendien versterkt door de zakelijke werking van een toekenningsbeding, waardoor zij vanaf de kennisgeving van haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit en in de volle eigendom zal treden van de goederen die haar op basis van het toekenningsbeding in natura werden toegekend. Dit staat in schril contrast met andere klassieke planningstechnieken (bijvoorbeeld een verrekenbeding) die aan mevrouw Y louter een verbintenisrechtelijke schuldvordering op de rechtsopvolgers van de heer X verlenen.

Flexibiliteit

38. Tot slot biedt een optioneel toekenningsbeding flexibiliteit voor mevrouw Y. Zij zal immers als langstlevende kunnen kiezen welk deel van het eigen vermogen van de heer X zij verkrijgt, en zij zal haar keuze aldus kunnen laten afstemmen op haar eigen noden, haar leeftijd op dat moment, de leeftijd van de kinderen en hun capaciteiten om zelf een vermogen te beheren en te besturen, enz.

Autonomiebehoud in hoofde van de heer X

39. Verder speelt de wens tot volstrekt autonomiebehoud in hoofde van de heer X een belangrijke rol bij de keuze voor de planning via huwelijksvoordeel. Zoals reeds meermaals aangegeven, is het voor de heer X van belang dat hij de goederen van zijn eigen vermogen en de opbrengsten die eruit voortkomen op autonome wijze kan blijven beheren en besturen zonder inmenging van anderen, dit conform de principes zoals voorzien in het huwelijkscontract van 2006. In tegenstelling tot een bijkomende inbreng in een beperkte gemeenschap, heeft een optioneel toekenningsbeding geen onmiddellijke eigendomsoverdracht tot gevolg en laat het het recht van de heer X om de goederen van zijn eigen vermogen autonoom te beheren en te besturen onverlet.

40. Gelet op al het bovenstaande, zijn de redenen voor de aanvragers om een toekenningsbeding toe te voegen aan hun huwelijkscontract aldus duidelijk civielrechtelijk van aard.

41. Ter staving van het feit dat deze aanvraag artikel 3.17.0.0.2. VCF niet frustreert, verwijzen de aanvragers voor de volledigheid ook nog naar een aantal voorafgaande beslissingen die eerder door uw dienst werden gewezen in soortgelijke gevallen en waarin uitdrukkelijk werd bepaald dat de toekenning van een huwelijksvoordeel door toevoeging van een optioneel toekenningsbeding aan het huwelijksstelsel met betrekking tot welbepaalde eigen goederen geen fiscaal misbruik uitmaakt:

In alle gevallen gaat het om echtgenoten die door middel van de toevoeging van een toekenningsbeding aan hun huwelijksstelsel een huwelijksvoordeel wensen toe te kennen aan de langstlevende van hen met betrekking tot goederen die tot hun eigen vermogen behoren, dit vanuit een verzorgings- en/of beschermingsgedachte.

​​​​​​​​​​​​​​II. Tussentijdse samenvatting

42. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvragers de voorgenomen verrichting duidelijk overwegen omwille van niet-fiscale motieven. Er kan maar sprake zijn van fiscaal misbruik indien ook het vereiste subjectieve element is vervuld, met name het feit dat een belastingplichtige een rechtshandeling (of het geheel van rechtshandelingen) alleen kiest met als wezenlijk doel het verkrijgen van een belastingvoordeel. De aanvragers verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven er hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de voorgenomen verrichting die ze u voorleggen, en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2. VCF niet toepasselijk is.

Conclusie

43. De aanvragers hebben op basis van goed overwogen uitgangspunten een wijziging van hun huwelijksstelsel uitgewerkt waarbij zij via de toevoeging van een optioneel toekenningsbeding voor zover mogelijk de toebedeling van de goederen van het eigen vermogen van de heer X aan mevrouw Y als langstlevende waarborgen, dit met een drieledige doelstelling:

  • het vermogen beschermen tegen de potentiële gevaren van een voortijdig overlijden van de heer X;
  • voorzien in de verzorging van mevrouw Y als langstlevende echtgenoot; en
  • behoud van autonomie over hun respectievelijke eigen vermogens.

44. De motieven zijn duidelijk aangehaald en zijn niet-fiscaal van aard. Om die reden menen de aanvragers dat de voorgenomen verrichting bij overlijden van de eerste echtgenoot niet leidt tot de heffing van successierechten en dat de voorgenomen verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.

45. Een toekenning van bepaalde eigen goederen door een echtgenoot aan de langstlevende via het huwelijkscontract vanuit een beschermings- en verzorgingsgedachte kan niet worden belast in de erfbelasting. Erfbelasting kan immers maar verschuldigd zijn op basis van een decreet (artikel 170 van de Grondwet). Bij gebrek aan decretale bepaling in die zin, kan de toekenning van een eigen goed door een echtgenoot aan de langstlevende via huwelijkscontract niet worden belast.

46. Graag vragen wij uw dienst om bevestiging hiervan.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

47. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

48. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

49. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

50. De echtgenoten X – Y zijn gehuwd onder het Belgisch stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden op xx.xx.2006, ongewijzigd tot op heden. In deze huwelijksovereenkomst werd aan het stelsel van scheiding van goederen een beperkte gemeenschap toegevoegd, waaraan tevens een keuzebeding werd gekoppeld. In dit beperkt gemeenschappelijk vermogen werd de (toekomstige) gezinswoning inbracht, alsook alle goederen die de echtgenoten later ten bate van dit beperkt gemeenschappelijk vermogen zouden aankopen.

De aanvragers hebben vier gemeenschappelijke, minderjarige kinderen.

De echtgenoten X - Y wensen aan hun bestaande stelsel van scheiding van goederen een eenzijdig optioneel toekenningsbeding toe te voegen. Het toekenningsbeding zal voor zover mogelijk gekoppeld worden aan het volledige eigen vermogen van de heer X.

Volgens aanvragers bestaat het eigen vermogen van de heer X vandaag uit:

  • aandelen van de NV […];
  • aandelen van de NV […];
  • aandelen van de NV […];
  • aandelen van de managementsvennootschap […], commanditaire vennootschap;
  • beleggingsportefeuilles.

De aanvragers wensen om verscheidene redenen het toekenningsbeding te laten rusten op de aandelen van de managementsvennootschap […] en de beleggingsportefeuilles.

Aan het bestaande huwelijksstelsel zal het onder randnummer 14 aangehaalde artikel 9 worden toegevoegd aan het bestaande huwelijksstelsel. Dit artikel voorziet dat in geval van overlijden van de heer X, nader in het betreffende artikel te omschrijven goederen waarvan de heer X vandaag exclusief eigenaar is, bij wijze van huwelijksvoordeel zullen toekomen aan mevrouw Y als langstlevende echtgenote, voor zover zij daarvoor kiest. Mevrouw Y heeft de keuze om zich de nader te omschrijven goederen te laten toebedelen, zowel voor de volle eigendom, de blote eigendom of voor het vruchtgebruik, voor het geheel of voor een door haar te bepalen breukdeel, dit alles naar haar wens. In het eenzijdig optioneel toekenningsbeding is voorzien in zakelijke subrogatie en een passiefregeling.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF

51. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

52. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding als geldig huwelijksvoordeel dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.

In de mate bijgevolg dat het voorgenomen toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

53. In de mate dat het eenzijdig toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

54. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

55. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF?

56. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

57. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

58. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen, onder erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De echtgenoten X - Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, waaraan in hun oorspronkelijke huwelijksovereenkomst een beperkt gemeenschappelijk vermogen werd toegevoegd.

Volgens de ontwerpclausule heeft het optioneel toekenningsbeding betrekking op in de akte wijziging huwelijkscontract nader te omschrijven goederen van de heer X. Volgens de gegevens in de aanvraag bestaan deze nader te omschrijven goederen uit aandelen van de managementsvennootschap […] en beleggingsportefeuilles.

59. Voor zover het toekenningsbeding enkel betrekking heeft op eigen goederen van de heer X, zal hiervoor geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Er kan wel toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld.

4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

60. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

61. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

62. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

63. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

64. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).

65. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

66. De aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […], met standplaats te […], op xx.xx.2006, ongewijzigd tot op heden.

De echtgenoten X – Y kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen omwille van het ondernemingsrisico dat de professionele activiteteiten van de heer X met zich meebrengen en hun wens om hun respectieve vermogens hiervan af te schermen. Daarnaast wilden zij gedurende hun huwelijk het exclusieve bestuur en de autonomie over hun eigen vermogen behouden.

Niettegenstaande deze uitgangspunten, bestond er tussen de echtgenoten reeds een wens om de langstlevende onder hen verzorgd achter te laten. In het huwelijkscontract van de aanvragers werd aan het stelsel van scheiding van goederen een beperkt gemeenschappelijk vermogen toegevoegd, waaraan tevens een keuzebeding werd gekoppeld.

Sedert de huwelijkssluiting is de situatie van de aanvragers sterk gewijzigd. Zo is het eigen vermogen van de heer X aanzienlijk gestegen en is het gezin van de aanvragers uitgebreid met vier kinderen. Het echtpaar heeft enerzijds de wens om bij vooroverlijden van de heer X ervoor te zorgen dat mevrouw Y de levensstandaard van tijdens het huwelijk zorgeloos kan verderzetten en anderzijds de bezorgdheid over de bescherming van hun kinderen en het lot van het eigen vermogen van de heer X indien hij komt te overlijden op een tijdstip dat de kinderen nog niet in staat zijn om een vermogen van dien aard en omvang op adequate wijze te beheren.

De aanvragers menen aan hun bezorgdheden en wensen tegemoet te komen door aan hun bestaande stelsel van scheiding van goederen een optioneel toekenningsbeding toe te voegen.

67. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

68. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een kopie van het huwelijkscontract verleden voor notaris […] op xx.xx.2006 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: In artikel 8 van de huwelijksovereenkomst, verleden voor notaris […] op xx.xx.2006 worden de goederen die behoren tot het beperkt gemeenschappelijk vermogen als volgt omschreven:

Aan deze scheiding van goederen voegen de aanstaande echtgenoten een – beperkt – gemeenschappelijk vermogen toe.

Het zal bestaan uit zowel de roerende als de onroerende goederen die zij ten bate van dit gemeenschappelijk vermogen aankopen, uit de beleggingen op beider naam verricht en uit de gelden door hen of een van hen geplaatst op rekeningen waarvan zij beiden de titularis zijn, een en ander tenzij zij bewijsbaar verklaard hebben in onverdeeldheid te hebben gehandeld. De beide echtgenoten zijn bijgevolg in gelijke mate in dit gemeenschappelijk bezit gerechtigd zonder dat hieromtrent – tijdens het huwelijk noch bij de ontbinding ervan – verrekening of verantwoording zal kunnen worden gevorderd.

Het zal zich daarnaast evenzeer uitstrekken tot het onroerend goed dat zij samen zullen verwerven om hen tot gezinswoning te dienen. De verbintenissen die zij met dit doel eventueel zullen aangaan jegens de kredietinstelling van hun keuze vallen bijgevolg ook in dit vermogen net als alle andere rechten en plichten die met dit goed verband houden. Ieder goed dat ooit in de plaats van deze gezinswoning komen zal, net als wat er door natrekking of aangroei zou bijkomen, eveneens tot dit gemeenschappelijk vermogen behoren. Mutatis mutandis valt ook nog de stofferende huisraad en de inboedel aldaar binnen dit vermogen, tenzij deze bewijskrachtig voortkomt uit erfenis, schenking of legaat.

Het passief van dit – beperkt – gemeenschappelijk vermogen zal, net als de kosten van de huishouding en de zorg plus de opvoeding van de eventuele kinderen, bij voorrang aangezuiverd worden via de beleggingen en de rekeningen op beider naam die tot dit beperkt gemeenschappelijk vermogen behoren.”

[3] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Volgens de gegevens in de aanvraag heeft het toekenningsbeding betrekking op de aandelen van de heer X in de managementsvennootschap […], commanditaire vennootschap naar Belgisch recht, en de beleggingsportefeuilles van de heer X.