Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25120 - Keuze voor Belgisch huwelijksvermogensrecht - huwelijksovereenkomst scheiding van goederen met toevoeging verblijvings- en toekenningsbedingen Vlaamse Belastingdienst

VB 25120 - Keuze voor Belgisch huwelijksvermogensrecht - huwelijksovereenkomst scheiding van goederen met toevoeging verblijvings- en toekenningsbedingen

Voorafgaande beslissing
Nummer

25120

Datum beslissing

12 januari 2026

Publicatiedatum

30 januari 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De heer X en de heer Y (hierna gezamenlijk genoemd: “aanvragers”) zijn gehuwd op xx.xx.2015 in […], zonder huwelijkscontract. De heer X was op dat moment nog woonachtig in […] terwijl de heer Y de facto reeds woonde in […] sinds de zomer van 2015.

Aanvragers kochten in xx.2015 een gezinswoning aan, gelegen te […]. De heer X verhuisde in xx.2016 eveneens naar deze gezinswoning in […], alwaar dus de eerste gemeenschappelijke verblijfplaats van partijen na de voltrekking van het huwelijk gelegen is. De heer X bezit op heden de dubbele nationaliteit (Belgisch-Amerikaans) en de heer Y is van Amerikaanse nationaliteit. Op het moment van hun huwelijk had de heer X evenwel enkel de Belgische nationaliteit. Aanvragers hebben noch gemeenschappelijke, noch niet-gemeenschappelijke kinderen.

Aanvragers hebben sindsdien in de Verenigde Staten gewoond, totdat zij in xx.2025 samen naar België verhuisden, waar zij op heden verblijven.

Aanvragers hebben besloten om niet terug te keren naar de Verenigde Staten en permanent in België te verblijven en daar hun hoofdverblijfplaats te vestigen zodat zij ook hun juridische (huwelijksvermogensrechtelijke) positie aan deze contextverandering willen conformeren.

Gelet op hun wens om definitief in België te blijven wonen, wensen aanvragers hun huwelijksvermogensstelsel aan te passen aan deze Belgische juridische realiteit. Het Belgisch stelsel van scheiding van goederen, met de nodige correcties, stemt daarbij het best overeen met het huwelijksvermogensstelsel waaronder zij vandaag gehuwd zijn, zijnde het “default” huwelijksvermogensstelsel van […].

Het “default” huwelijksvermogensstelsel van […] betreft immers een individueel vermogensstelsel gedurende het huwelijk, waarbij pas bij en ingeval van echtscheiding – en dus niet bij overlijden – op basis van de Divorce Code van 1980 wordt bepaald welk vermogen als “marital property” kwalificeert en hoe dat vermogen billijk verdeeld moet worden tussen de echtgenoten, hetgeen men de “equitable distribution” noemt. Er geldt bij voornoemde “equitable distribution” geen vermoeden dat het vermogen gelijk verdeeld moet worden tussen beide echtgenoten. Gedurende het huwelijk is er bovendien geen sprake van enig gemeenschappelijk vermogen. Daarenboven werd een poging om in […] een stelsel van gemeenschap van goederen in te voeren, ongrondwettelijk verklaard. De community property-wet van 1947 trachtte immers het eigendomsrecht op inkomsten van gehuwden te wijzigen door deze gemeenschappelijk te maken. Deze wet werd evenwel ongrondwettelijk verklaard. Daarentegen voorziet de Divorce Code van 1980 uitsluitend in een regeling voor de verdeling van vermogen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De bepalingen inzake ‘equitable distribution’ in deze wet zijn wel grondwettig bevonden, aangezien het tot de bevoegdheid van de wetgever behoort om bij echtscheiding een systeem voor vermogensverdeling in te voeren, als onderdeel van de staatsbevoegdheid om het huwelijk en de ontbinding ervan te reguleren. Via de Divorce Code van 1980 wordt dus niet geraakt aan het eigendomsstatuut van de inkomsten van de echtgenoten, die bijgevolg niet in een huwelijksgemeenschap vallen. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat er in […] geen wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen geldt aangezien dergelijk initiatief juist ongrondwettelijk werd verklaard.

Verder wensen aanvragers hun huwelijksstelsel van scheiding van goederen aan te vullen met een bescherming voor de langstlevende echtgenoot. Zij wensen daarbij te opteren voor een onherroepelijke regeling die niet door de ene echtgenoot eenzijdig kan worden aangepast, zonder informatieverplichting ten aanzien van de andere echtgenoot. Immers gold er bij hun voormalige huwelijksvermogensstelsel in geval van echtscheiding eveneens een principe van solidariteit, in de vorm van een billijke verdeling van het vermogen.

2. Aanvragers wensen met betrekking tot deze twee verrichtingen, en de combinatie daarvan, zekerheid te bekomen over de fiscale behandeling, bij leven en bij overlijden, vooraleer ze deze wijzigingen doorvoeren.

In dat verband vragen aanvragers om bevestiging te krijgen dat:

  • de omzetting van hun huwelijksvermogensstelsel naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen (eerste verrichting) geen fiscaal misbruik uitmaakt zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet van toepassing is;
  • de toevoeging en de uitwerking van een toekennings- en verblijvingsbeding (tweede verrichting) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en geen van deze bepalingen, afzonderlijk noch in combinatie, frustreert zodat er geen sprake is van fiscaal misbruik waarop artikel 3.17.0.0.2 VCF van toepassing zou zijn;
  • de combinatie van beide verrichtingen, zijnde de omzetting naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen en de toekenning van een huwelijksvoordeel aan de langstlevende echtgenoot, via het voorzien van een toekennings- en verblijvingsbeding, evenmin fiscaal misbruik vormt zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

Alsook als volgt geformuleerd door aanvragers:

  • De overgang van een Amerikaans, en meer bepaald […], huwelijksvermogensstelsel naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen, maakt geen fiscaal misbruik uit;
  • De opname en de uitwerking van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding, zijn niet onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en frustreren geen van de doelstellingen van deze bepalingen, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet van toepassing is;
  • de opname en de uitwerking van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding, vormt geen fiscaal misbruik zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet van toepassing is;
  • De combinatie van de omvorming van het huwelijkscontract en de toekenning van een huwelijksvoordeel (verblijvings- en toekenningsbeding) ten voordele van de langstlevende echtgenoot maakt evenmin fiscaal misbruik uit.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen en achtergrond voor de voorgenomen verrichting

3. De aanvraag wordt ingediend door […], te […], namens:

  • De heer X, geboren te […] op xx.xx.1973, met rijksregisternummer […] en wonende te […];
  • De heer Y, geboren te […] op xx.xx.1957, met rijksregisternummer […] en wonende te […].

De heer X en de heer Y zijn op heden gehuwd zonder huwelijkscontract en hebben geen kinderen. Ze hebben beiden de Amerikaanse nationaliteit. De heer X heeft daarnaast ook de Belgische nationaliteit.

Hun fiscale woonplaats bevindt zich op heden in België. Het vermogen van de heer X en de heer Y is verspreid over België en de Verenigde staten. Zij bezitten evenwel geen onroerend vermogen in de Verenigde Staten.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

Eerste verrichting: Omzetting naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen

4. Aanvragers wensen hun vermogensrechtelijke situatie af te stemmen op hun huidige situatie ten gevolge van hun verhuis uit de Verenigde Staten naar België. Gelet op de internationale context waarin zij zich bevinden, is het voor hen van belang dat hun vermogensrechtelijke situatie duidelijk vaststaat in een Belgische en internationale context zodat zij in België een familiale regeling kunnen uitwerken met betrekking tot hun vermogen. Aanvragers zijn immers in xx.2025 van de Verenigde Staten naar België verhuisd en hebben de bedoeling om definitief in België te verblijven en niet meer naar de Verenigde Staten terug te keren.

Aanvragers zijn op heden reeds gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen. Aangezien zij gehuwd zijn na 1 oktober 2004, doch voor 29 januari 2019, wordt het op hun huwelijksvermogensstelsel toepasselijke recht op basis van het Belgisch internationaal privaatrecht bepaald conform artikel 51 Belgisch WIPR, hetgeen luidt als volgt:

Bij gebreke van rechtskeuze door de echtgenoten wordt het huwelijksvermogen beheerst:

1° door het recht van de Staat op wiens grondgebied beide echtgenoten na de voltrekking van het huwelijk hun eerste gewone verblijfplaats vestigen;

2° bij gebreke van gewone verblijfplaats op het grondgebied van een zelfde Staat, door het recht van de Staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben bij de voltrekking van het huwelijk;

3° in de andere gevallen, door het recht van de Staat op wiens grondgebied het huwelijk is gesloten.”

Bovenvermeld artikel leidt in casu tot de toepassing van het huwelijksvermogensrecht van […] aangezien zowel de eerste gezamenlijke verblijfplaats na de voltrekking van het huwelijk als de staat op wiens grondgebied het huwelijk gesloten is, […] is. Aanvragers hadden bij de voltrekking van het huwelijk geen gemeenschappelijke nationaliteit.

Het huwelijksvermogensstelsel naar het recht van […] betreft, zoals reeds hoger aangehaald, een individueel vermogensstelsel gedurende het huwelijk. Gedurende het huwelijk is er immers geen sprake van een gemeenschappelijk vermogen en blijven de inkomsten van beide echtgenoten hen individueel toebehoren. In die zin leunt dit huwelijksvermogensstelsel eerder aan bij een stelsel van scheiding van goederen, gelet op het gebrek aan gemeenschappelijk huwelijksvermogen en het feit dat er niet wordt geraakt aan het eigendomsstatuut van de inkomsten die de echtgenoten gedurende het huwelijk verwerven.

Naar Belgisch recht maakt de bestemming van deze inkomsten juist het demarcatiecriterium uit om te kunnen spreken van een stelsel van gemeenschap, dan wel scheiding van goederen. Indien de inkomsten van de echtgenoten automatisch in het gemeenschappelijk huwelijksvermogen vallen, is er sprake van een stelsel van gemeenschap van goederen. Indien de inkomsten van de echtgenoten daarentegen buiten de gemeenschap worden gehouden, spreekt men van een stelsel van scheiding van goederen.

Bij het huwelijksstelsel naar het recht van […], waarbij gedurende het huwelijk niet wordt geraakt aan het eigendomsstatuut van de inkomsten en evenmin een gemeenschappelijk huwelijksvermogen bestaat, komen de inkomsten van de echtgenoten niet terecht in een gemeenschap. Het is pas ten tijde van en in geval van een echtscheidingsprocedure, en enkel dan, dat bepaalde vermogensbestanddelen als “marital property” kunnen worden gekwalificeerd met het oog op een billijke verdeling (“equitable distribution”) daarvan, conform de Divorce Code van 1980. Bij deze billijke verdeling geldt bovendien geen vermoeden dat beide echtgenoten ten belope van de helft gerechtigd zijn in het vermogen. De verdeling dient billijk te zijn, hetgeen naar het recht van […] geen gelijke verdeling impliceert. Wel integendeel, de eisen van de billijkheid zullen veeleer leiden tot een ongelijke verdeling tussen de echtgenoten teneinde bepaalde (economische en/of sociale) onevenwichten op te vangen. Elementen die daarbij in aanmerking worden genomen zijn onder meer de duur van het huwelijk, de bijdragen van beide echtgenoten, de leeftijd en gezondheid van de echtgenoten, de verdiencapaciteiten van de echtgenoten,…

Bovendien werd een poging om in […] een stelsel van gemeenschap van goederen in te voeren, ongrondwettelijk verklaard. De community property-wet van 1947 trachtte immers wel het eigendomsrecht op inkomsten van gehuwden te wijzigen maar werd ongrondwettelijk verklaard. Daarentegen voorziet de Divorce Code van 1980 uitsluitend in een regeling voor de verdeling van vermogen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De bepalingen inzake ‘equitable distribution’ in deze wet zijn wel grondwettig bevonden. Via de Divorce Code van 1980 wordt dus niet geraakt aan het eigendomsstatuut van de inkomsten van de echtgenoten, die bijgevolg niet in een huwelijksgemeenschap vallen. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat er in […] geen wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen geldt aangezien dergelijk wetgevend initiatief juist ongrondwettelijk werd verklaard.

Gedurende het huwelijk blijven de echtgenoten naar het recht van […] eigenaar van hun vermogen en inkomsten. Er ontstaat geen gemeenschappelijk huwelijksvermogen of doelgebonden vermogen door de huwelijksvoltrekking, zoals dit wel het geval is bij een Belgisch stelsel van gemeenschap van goederen. Het is juist om die reden dat er heel wat rechterlijke uitspraken zijn waarbij de rechter in het kader van een echtscheiding een “equitable distribution” uitspreekt en overgaat tot een “allocation of marital property” aan de ene of de andere echtgenoot. Via deze “equitable distribution” worden de gevolgen van het huwelijksstelsel van scheiding van goederen enigszins verzacht.

Gelet op hun keuze om zich permanent in België te vestigen, kan het huidige huwelijksvermogensstelsel van aanvragers tot internationaalrechtelijke discussies leiden en onverwachte juridische gevolgen teweegbrengen in een niet-Amerikaanse context, zoals de Belgische context waarin zij zich thans bevinden. Aangezien het de bedoeling is van aanvragers om definitief in België te verblijven, willen zij voorvermelde problemen en ongemakken voorkomen door klaarheid te scheppen in hun huwelijksvermogensrechtelijke positie en deze aan te passen aan de juridische context waarin zij zich thans bevinden en in de toekomst zullen blijven bevinden, zijnde de Belgische juridische context.

Om die reden wensen zij te voorzien in een helder huwelijksvermogensrechtelijk regime dat zowel in België als in de Verenigde Staten uitvoering zal krijgen.

Het Belgisch stelsel van scheiding van goederen sluit daarbij het meeste aan bij hun huidige huwelijksvermogensstelsel naar het recht van […], zoals reeds hoger uiteengezet.

Aanvragers wensen daarom in een eerste fase hun Amerikaans […] huwelijksstelsel om te vormen in een Belgisch stelsel van scheiding van goederen, waarbij ook uitdrukkelijk zal bepaald worden dat de Belgische rechtbanken bevoegd zullen zijn ingeval van een procedure gerelateerd aan het primair en/of secundair huwelijksrecht. Een voorafgaandelijke verdeling van het huwelijksvermogen is daarbij niet nodig aangezien er nooit een gemeenschappelijk huwelijksvermogen heeft bestaan. Elke echtgenoot behoudt m.a.w. het vermogen waarvan hij of zij op vandaag eigenaar is. Onverdeeldheden zullen zij eveneens in onverdeeldheid behouden.

Dit stelsel van scheiding van goederen naar Belgisch recht biedt voor aanvragers evenals voor derden duidelijkheid en rechtszekerheid omtrent het eigendomsstatuut van hun vermogen, zodat zij hun familiale planning, die eveneens in België zal worden uitgewerkt en uitgevoerd, daarop kunnen afstemmen. Bij een overlijden is er voor derden/nabestaanden dan ook geen onderzoek meer nodig naar de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van het vermogen en het daarop van toepassing zijnde recht. In die zin komt de omzetting naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen de rechtszekerheid ten goede, welke omzetting in lijn ligt met de werking van het huidige stelsel van de aanvragers.

Tweede verrichting: Toevoeging van een optioneel toekenningsbeding voor niet-onverdeelde goederen en een optioneel verblijvingsbeding voor onverdeelde goederen

5. Voor het geval een van hen komt te overlijden, wensen aanvragers te voorzien in een huwelijksvermogensrechtelijke regeling die ten voordele strekt van de langstlevende echtgenoot. Deze regeling bestaat uit twee afzonderlijke, doch samenhangende bedingen, zijnde enerzijds een optioneel verblijvingsbeding en anderzijds een optioneel toekenningsbeding. Beide bedingen zijn optioneel van aard, in die zin dat de langstlevende echtgenoot na het overlijden van de andere echtgenoot, vrij kan kiezen voor een volledige toepassing, dan wel voor een beperkte of niet-toepassing van deze bedingen.

De echtgenoten vragen om de opname van zowel en verblijvingsbeding als een toekenningsbeding, met de daaraan gekoppelde keuzemogelijkheden. In wat volgt worden deze bedingen respectievelijk aangeduid als “optioneel verblijvingsbeding” en het “optioneel toekenningsbeding”.

Daaronder wordt telkens begrepen:

  • Voor het optioneel verblijvingsbeding: de regeling die voorziet in de optionele toekenning aan de langstlevende echtgenoot van de onverdeelde rechten van de eerst stervende in de onverdeeldheden die bij overlijden van de eerst stervende bestaan of zullen bestaan tussen de eerst stervende en de langstlevende, evenals de keuzemogelijkheden die een beperkte of afwijkende toepassing daarvan toelaten (m.i.v. de keuzevrijheid bij de kavelvorming);
  • Voor het optioneel toekenningsbeding: de regeling die voorziet in de optionele toekenning van de eigen goederen van de vooroverleden echtgenoot aan de langstlevende echtgenoot, evenals de keuzemogelijkheden die toelaten om slechts een deel of zelfs geen van deze goederen toe te kennen aan de langstlevende echtgenoot.

Aanvragers wensen bovenstaande bedingen in hun huwelijkscontract van scheiding van goederen op te nemen ter verwezenlijking van een maximale bevoordeling en bescherming van de langstlevende onder hen, zonder verlies van de autonomie die gepaard gaat met een stelsel van scheiding van goederen. De echtgenoten wensen in hun Belgisch stelsel van scheiding van goederen solidariteitsmechanismen in te bouwen ter bescherming van de langstlevende echtgenoot, vanuit een zorggedachte naar elkaar toe. Daarbij wensen zij evenwel niet te raken aan het eigendomsstatuut van hun inkomsten en eigen vermogen en wensen zij de bestuursautonomie uit het stelsel van scheiding van goederen te behouden. Zij willen in de mogelijkheid blijven om hun eigen vermogen autonoom en onafhankelijk te besturen, zoals dit ook reeds mogelijk is onder hun huidige huwelijksvermogensstelsel, naar recht van […], waarbij evenmin sprake is van een gemeenschappelijk vermogen.

Optioneel verblijvingsbeding

6. Aanvragers wensen hun onverdeelde goederen te onderwerpen aan een optioneel verblijvingsbeding, als volgt:

Artikel 10: optioneel verblijvingsbeding met betrekking tot de onverdeelde goederen

Met toepassing van artikel 2.3.64, §1 van het Burgerlijk Wetboek, komen de echtgenoten overeen dat, bij ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden van een van hen, de goederen, rechten en/of vermogensbestanddelen, van welke aard ook, die tussen hen in onverdeeldheid zijn, bij wijze van huwelijksvoordeel kunnen verblijven aan de langstlevende echtgenoot, naar keuze van die langstlevende echtgenoot voor de geheelheid of slechts gedeeltelijk in volle eigendom, blote eigendom dan wel vruchtgebruik, ongeacht of er afstammelingen zijn die tot de nalatenschap van de overledene echtgenoot komen. De langstlevende echtgenoot heeft hierbij aldus de vrije keuze om deze verblijving geheel of gedeeltelijk te laten plaatsvinden, hetzij in volle eigendom, hetzij in vruchtgebruik, hetzij in blote eigendom.

Dit beding heeft slechts uitwerking indien de echtgenoten niet samen of ten gevolge van hetzelfde incident komen te overlijden, en voor zover de langstlevende echtgenoot zich op de hoedanigheid van erfgenaam van de eerststervende kan beroepen.

De langstlevende echtgenoot heeft de keuze, ongeacht of er al dan niet afstammelingen tot de nalatenschap van de eerststervende komen, om zich geheel of gedeeltelijk te beroepen op voormelde verblijving van het onverdeeld vermogen in volle eigendom, blote eigendom dan wel vruchtgebruik.

De langstlevende echtgenoot kan er tevens voor opteren om zich niet te beroepen op de verblijving van de onverdeelde goederen, in welk geval het onverdeeld vermogen verdeeld zal worden volgens de gewone regels van het huwelijksvermogensrecht en erfrecht.

De langstlevende echtgenoot kan zich op basis van dit optionele verblijvingsbeding, naar eigen keuze, zoveel onverdeelde goederen of onverdeelde rechten daarin laten toebedelen en van zodanige aard als de langstlevende zal verkiezen. De langstlevende echtgenoot geniet hierbij van een vrije keuze met betrekking tot de kavelvorming. De langstlevende echtgenoot zal dus zelf de goederen of de onverdeelde aandelen daarvan aanwijzen die hij in zijn kavel wenst op te nemen, en voor elk van deze goederen aanwijzen of hij ze in vruchtgebruik, of in blote eigendom of volle eigendom wenst. Deze optionele verblijving kan desgevallend alle onverdeelde goederen in volle eigendom omvatten.

Het passief van dit onverdeeld vermogen is ten laste van de langstlevende echtgenoot, in verhouding tot hetgeen hij uit dat vermogen verkrijgt.

De langstlevende echtgenoot zal zijn keuze ter kennis brengen van de erfgerechtigden binnen de vier maanden na het overlijden van de eerststervende. Bij overschrijding van deze termijn vervalt het keuzerecht niet. In dat geval zal de langstlevende echtgenoot op verzoek van één der erfgenamen zijn keuze moeten mededelen binnen de maand na daartoe bij aangetekend schrijven te zijn aangemaand, op straffe van verval van het keuzerecht en verdeling van het onverdeeld vermogen volgens het gemene recht.

Indien de langstlevende echtgenoot in de onmogelijkheid verkeert zijn wil omtrent de verblijving van het onverdeeld vermogen bekend te maken, zal het onverdeeld vermogen, behoudens een eventuele keuze namens de echtgenoot krachtens een zorgvolmacht of een bewindvoerder, verdeeld worden volgens de gewone regels van het huwelijksvermogensrecht.

Nadat de langstlevende echtgenoot van het optionele verblijvingsbeding gebruik heeft gemaakt, worden de overige onverdeelde goederen en/of rechten integraal toebedeeld aan de nalatenschap van de eerststervende om er te worden vererfd volgens het van toepassing zijnde erfrecht, desgevallend rekening houdende met de uiterste wilsbeschikkingen die de eerststervende zou hebben gemaakt.

Dit optionele verblijvingsbeding zal evenmin toepassing vinden, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden van de eerststervende sinds meer dan zes (6) maanden feitelijk gescheiden leefden om andere dan dwingende medische redenen of anders dan wegens overmacht, of indien er tussen hen een echtscheidingsprocedure hangende is op het moment van overlijden van de eerststervende.

Indien het onder artikel 10 vermelde optionele verblijvingsding geen uitwerking krijgt, wordt het onverdeeld vermogen verdeeld volgens de gewone regels van het huwelijksvermogensrecht, in twee gelijke helften, onverminderd uiteraard hetgeen hiervoor vermeld is onder artikel 9 aangaande het bewijs van een andere eigendomsverhouding met betrekking tot het onverdeeld vermogen.

De aanvragers beogen deze goederen bij het overlijden van de eerst stervende toe te bedelen aan de langstlevende echtgenoot conform diens wensen en inzichten op het moment van overlijden van de eerst stervende, rekening houdende met de familiale, financiële en emotionele omstandigheden op dat moment.

Bij gebreke aan keuze door de langstlevende echtgenoot onder de voorwaarden en modaliteiten zoals voorzien, zal het keuzerecht in hoofde van de langstlevende komen te vervallen, en zal de verdeling plaatsvinden overeenkomstig het gemeen recht.

Optioneel toekenningsbeding

7. Aanvragers wensen de niet-onverdeelde goederen onder te brengen in een toekenningsbeding, als volgt:

Artikel 11: optioneel toekenningsbeding met betrekking tot de goederen in exclusieve eigendom

Met toepassing van artikel 2.3.64, §1 van het Burgerlijk Wetboek, komen de echtgenoten overeen dat, bij ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden van een van hen, de goederen, rechten en/of vermogensbestanddelen, van welke aard ook, zijnde, zonder echter exhaustief te zijn, roerende en onroerende (zakelijke) goederen en/of rechten en lichamelijke en/of onlichamelijke goederen en/of rechten, die exclusief toebehoren aan de eerststervende echtgenoot, bij wijze van huwelijksvoordeel kunnen toekomen aan de langstlevende echtgenoot, naar keuze van de langstlevende echtgenoot voor de geheelheid of slechts gedeeltelijk in volle eigendom, blote eigendom dan wel vruchtgebruik, ongeacht of er afstammelingen zijn die tot de nalatenschap van de overledene echtgenoot komen. De langstlevende echtgenoot heeft hierbij aldus de vrije keuze om deze toekenning geheel of gedeeltelijk te laten plaatsvinden, hetzij in volle eigendom, hetzij in vruchtgebruik, hetzij in blote eigendom.

Dit beding heeft slechts uitwerking indien de echtgenoten niet samen of ten gevolge van hetzelfde incident komen te overlijden, en voor zover de langstlevende echtgenoot zich op de hoedanigheid van erfgenaam van de eerststervende kan beroepen.

De langstlevende echtgenoot heeft de keuze, ongeacht of er al dan niet afstammelingen tot de nalatenschap van de eerststervende komen, om zich geheel of gedeeltelijk te beroepen op voormelde toekenning van de eigen goederen van de eerststervende echtgenoot, in volle eigendom, blote eigendom dan wel vruchtgebruik.

De langstlevende echtgenoot kan er tevens voor opteren om zich niet te beroepen op de toekenning van de eigen goederen van de eerststervende echtgenoot, in welk geval deze eigen goederen verdeeld zullen worden volgens de gewone regels van het huwelijksvermogensrecht en erfrecht.

De langstlevende echtgenoot kan zich op basis van dit optionele toekenningsbeding, naar eigen keuze, zoveel eigen goederen van de eerststervende echtgenoot of rechten daarin laten toebedelen en van zodanige aard als de langstlevende zal verkiezen. Deze optionele toekenning kan desgevallend alle eigen goederen van de eerststervende echtgenoot in volle eigendom omvatten.

Het passief van dit eigen vermogen van de eerststervende echtgenoot wordt als volgt gedragen door de langstlevende echtgenoot, in verhouding tot hetgeen hij uit dat eigen vermogen verkrijgt:

Specifieke schulden:

De schulden die betrekking hebben op een bepaald goed en/of recht, waarvoor de langstlevende echtgenoot ingevolge het toekenningsbeding opteert, komen voor diens rekening in de mate dat hij dit goed en/of recht verkrijgt.

Algemene schulden:

De overige, algemene schulden en passiva van het eigen vermogen van de eerststervende echtgenoot worden gedragen door de langstlevende echtgenoot in verhouding tot het aandeel dat hij uit bedoeld eigen vermogen verkrijgt op grond van het toekenningsbeding.

De langstlevende echtgenoot zal zijn keuze ter kennis brengen van de erfgerechtigden binnen de vier maanden na het overlijden van de eerststervende. Bij overschrijding van deze termijn vervalt het keuzerecht niet. In dat geval zal de langstlevende echtgenoot op verzoek van één der erfgenamen zijn keuze moeten mededelen binnen de maand na daartoe bij aangetekend schrijven te zijn aangemaand, op straffe van verval van het keuzerecht en verdeling van het eigen vermogen van de eerststervende echtgenoot volgens het gemene huwelijksvermogensrecht en erfrecht.

Indien de langstlevende echtgenoot in de onmogelijkheid verkeert zijn wil omtrent de toekenning van het eigen vermogen van de eerststervende echtgenoot bekend te maken, zal dit eigen vermogen, behoudens een eventuele keuze namens de echtgenoot krachtens een zorgvolmacht of een bewindvoerder, verdeeld worden volgens de gewone regels van het huwelijksvermogensrecht en erfrecht.

Nadat de langstlevende echtgenoot van het optionele toekenningsbeding gebruik heeft gemaakt, worden de overige eigen goederen van de eerststervende echtgenoot en/of rechten hierin integraal toebedeeld aan de nalatenschap van de eerststervende om er te worden vererfd volgens het van toepassing zijnde erfrecht, desgevallend rekening houdende met de uiterste wilsbeschikkingen die de eerststervende zou hebben gemaakt.

Dit optionele toekenningsbeding zal evenmin toepassing vinden, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden van de eerststervende sinds meer dan zes (6) maanden feitelijk gescheiden leefden om andere dan dwingende medische redenen of anders dan wegens overmacht, of indien er tussen hen een echtscheidingsprocedure hangende is op het moment van het overlijden van de eerst stervende.

Indien het onder artikel 11 vermelde optionele toekenningsbeding geen uitwerking krijgt, wordt het eigen vermogen van de eerststervende echtgenoot verdeeld volgens de gewone regels van het huwelijksvermogensrecht en erfrecht.

De aanvragers beogen deze goederen bij het overlijden van de eerst stervende toe te bedelen aan de langstlevende echtgenoot conform diens wensen en inzichten op het moment van overlijden van de eerst stervende, rekening houdende met de familiale, financiële en emotionele omstandigheden op dat moment.

Bij gebreke aan keuze door de langstlevende echtgenoot onder de voorwaarden en modaliteiten zoals voorzien, zal het keuzerecht in hoofde van de langstlevende komen te vervallen, en zal de verdeling plaatsvinden overeenkomstig het erfrecht.

Algemeen

8. Via de invoering van voornoemde twee bedingen beogen aanvragers elkaar maximaal verzorgd achter te laten in het geval dat hun huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van een van hen. Zij wensen daarbij een wederkerige regeling uit te werken die niet eenzijdig herroepbaar is zonder informatieverplichting ten aanzien van elkaar.

Volgens aanvragers is een dergelijke wederkerige regeling gerechtvaardigd, gelet op de bijdragen die zij wederzijds (in geld dan wel in natura) geleverd hebben in het kader van hun huwelijk. De bedingen zijn dan ook niet ingegeven door een intentie tot vrijgevigheid maar door het streven naar een evenwicht en solidariteit binnen het huwelijk en vanuit een zorggedachte ten aanzien van elkaar.

III. Motivering van de aanvraag

9. Naast hetgeen reeds verweven zit in de uiteenzetting met betrekking tot de voorgenomen verrichtingen zoals hoger uiteengezet, motiveren aanvragers de voorgenomen verrichtingen verder in wat volgt.

III. 1. Eerste verrichting: Omzetting naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen

10. De wijziging van het huwelijksstelsel kan niet worden beschouwd als fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF aangezien deze wijziging niet is ingegeven door het streven naar enig belastingvoordeel. Zodoende is het subjectieve element – dat aanwezig moet zijn om te kunnen spreken van fiscaal misbruik – niet voorhanden. De echtgenoten plaatsen zich via voornoemde wijziging evenmin binnen het toepassingsgebied van een belastingverminderende bepaling, dan wel buiten het toepassingsgebied van een belastingverhogende bepaling, op een wijze die indruist tegen de doelstellingen van de fiscale wetgeving. In die zin ontbreekt ook het objectieve element dat bewezen moet worden opdat er sprake zou kunnen zijn van fiscaal misbruik.

Uit onderstaande motivering van de echtgenoten zal blijken dat zij geen fiscale motieven voor ogen hebben bij de wijziging van hun huwelijksstelsel. Voor zover er sprake zou kunnen zijn van fiscaal misbruik, quod non, geldt onderstaande motivering tevens als niet-fiscale motieven die de rechtshandeling hoe dan ook rechtvaardigen.

  • Echtgenoten reeds gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen, naar het recht van […]: Aanvragers zijn gehuwd op xx.xx.2015 in […], zonder huwelijkscontract. Op grond van het Belgisch internationaal privaatrecht werd het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensstelsel bepaald door het recht van de eerste echtelijke verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking, dan wel het recht van de staat alwaar het huwelijk werd voltrokken [1], zijnde het recht van […] (cfr. supra).

In […] geldt een stelsel van scheiding van goederen gedurende het huwelijk aangezien er geen gemeenschappelijk vermogen ontstaat en het eigendomsstatuut van inkomsten niet wordt gewijzigd door het huwelijk. Een initiatief tot invoering van een stelsel van gemeenschap van goederen in […] werd bovendien ongrondwettelijk verklaard. Het huwelijksstelsel waaronder de heer X en de heer Y gehuwd zijn op xx.xx.2015 betreft dan ook een stelsel van scheiding van goederen. Het feit dat in geval van echtscheiding bepaalde vermogensbestanddelen gekwalificeerd kunnen worden als “marital property” en het voorwerp kunnen uitmaken van een “equitable distribution” doet hieraan geen afbreuk. Voornoemde “equitable distribution” betreft immers louter een soort billijkheidscorrectie ter verzachting van de gevolgen van het feit dat er geen gemeenschapsstelsel geldt naar het recht van […].

  • Afstemming van de juridische situatie op de feitelijke context van de echtgenoten: de echtgenoten bevinden zich in een internationale structuur met betrekking tot hun vermogen en nationaliteit en mede gelet op hun recente (en definitieve) verhuis vanuit de Verenigde-Staten naar België.

Partijen bezitten vermogen in België evenals (roerend) vermogen in de Verenigde-Staten. De heer X bezit zowel de Belgische als de Amerikaanse nationaliteit en de heer Y heeft de Amerikaanse nationaliteit. Zij woonden aanvankelijk in de Verenigde-Staten, doch zijn in januari 2025 naar België verhuisd met de bedoeling om definitief in België te verblijven. Zij zullen dus ook hun oude dag in België doorbrengen en hebben niet de intentie om nog naar de Verenigde-Staten terug te keren.

Gelet op bovenstaande wensen de echtgenoten hun huwelijksvermogensrechtelijke situatie juridisch af te stemmen op hun feitelijke context, zijnde deze van een definitieve hoofdverblijfplaats in België. Bovendien hebben de echtgenoten plannen om te investeren in onroerende goederen in België en wensen zij hun familiale planning logischerwijze dan ook naar Belgisch recht te structureren. De beperkte banden die zij met de Verenigde-Staten behouden (met name louter roerend vermogen en de nationaliteit van de heer Y) wegen niet op tegen de banden die zij op heden met België hebben.

De echtgenoten wensen zich er dan ook van te verzekeren dat er geen onduidelijkheden of betwistingen zullen ontstaan bij hun overlijden (in België) over het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel. Om die reden wensen zij uitdrukkelijk te opteren voor het Belgisch stelsel van scheiding van goederen, hetgeen het meeste aanleunt bij het huwelijksstelsel waaronder zij op heden reeds gehuwd zijn.

III. 2. Tweede verrichting: Toevoeging van een optioneel toekenningsbeding voor niet-onverdeelde goederen en een optioneel verblijvingsbeding voor onverdeelde goederen

1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

11. Op basis van artikel 2.7.1.0.2 VCF worden goederen die worden verkregen uit een nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling onderworpen aan erfbelasting. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge de voorgenomen verrichtingen zal verkrijgen, wordt evenwel niet uit de nalatenschap verkregen en dus niet via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Immers wordt het voordeel louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, in de vorm van een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk immers gedefinieerd als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. De wetgever heeft in artikel 2.3.64 § 1, vierde lid BW expliciet bevestigd dat dergelijke huwelijksvoordelen naar analogie van toepassing zijn in een stelsel van scheiding van goederen.

Echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen kunnen aan dit stelsel clausules toevoegen ter nadere regeling van hun onverdeelde en niet-onverdeelde. De artikelen 2.3.57 tot 2.3.60 BW zijn in een stelsel van scheiding van goederen van overeenkomstige toepassing (art. 2.3.64, § 1, vierde lid BW).

Het optionele toekennings- en verblijvingsbeding zijn huwelijksvermogensrechtelijke bedingen die de wijze van vereffening van het huwelijksvermogensstelsel nader regelen en waaruit voor de langstlevende echtgenoot aldus een huwelijksvoordeel, zijnde een niet-schenking, ontstaat.

Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van de werking van het huwelijksstelsel. Aangezien de vereffening van het huwelijksstelsel voorgaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017, T.Not. 2017, 503), kan dergelijke huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging nooit een erfrechtelijke verkrijging uitmaken.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gekwalificeerd als een niet-schenking en kan bij uitbreiding dus ook geen contractuele erfstelling uitmaken. De civielrechtelijke kwalificatie als niet-schenking betreft een objectieve kwalificatie zodat het tegenbewijs van het voorhanden zijn van een animus donandi zelfs niet geleverd kan worden. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen is onontvankelijk en mag bijgevolg niet geleverd worden (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut en kent geen uitzonderingen. Hoewel een huwelijksvoordeel inkortbaar kan zijn – met name indien de maxima zoals uiteengezet in artikel 2.3.57 BW of artikel 2.3.58 BW worden overschreden – blijft de kwalificatie als niet-schenking ook dan gelden. Enkel de bepalingen met betrekking tot de inkorting van schenkingen zijn desgevallend van toepassing op het inkortbare huwelijksvoordeel, dat voor het overige haar civielrechtelijke kwalificatie als niet-schenking behoudt.

De civielrechtelijke kwalificatie werkt door in het fiscaal recht. Dit principe werd reeds bevestigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 9 juli 1931 (Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, 218). Het fiscaal recht moet de civielrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking, zowel voor volkomen als voor inkortbare huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke fiscale bepaling daar expliciet van afwijkt, quod non in casu.

De huwelijksvermogensrechtelijke voordelen die kunnen voortvloeien uit het overwogen optioneel verblijvingsbeding en het overwogen optioneel toekenningsbeding kunnen gelet op bovenstaande niet worden belast op basis van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

12. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (het zgn. fictielegaat) bepaalt dat schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn van het overlijden van de schenker onderhevig zijn aan erfbelasting aangezien dergelijke schenkingen worden gelijkgesteld met legaten.

Zoals reeds hoger uiteengezet (cfr. supra 3.2.1) kwalificeren de voorgenomen toekennings- en verblijvingsbedingen als huwelijksvoordelen en dus als niet-schenkingen, zodat onmogelijk binnen het toepassingsgebied van voornoemd artikel kunnen vallen. Opdat artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF van toepassing kan zijn, dient er immers sprake te zijn van een schenking, quod non.

Hoewel de voorgenomen bedingen pas uitwerking zullen krijgen bij het overlijden van een van de echtgenoten, kan er geen sprake zijn van een fictielegaat in de zin van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF aangezien er geen sprake is van een schenking.

De huwelijksvermogensrechtelijke voordelen die kunnen voortvloeien uit het overwogen optioneel verblijvingsbeding en het overwogen optioneel toekenningsbeding kunnen gelet op bovenstaande niet worden belast op basis van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

13. Artikel 2.7.1.0.4 VCF luidt als volgt (eigen nadruk):

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Op basis van artikel 2.7.1.0.4 VCF worden huwelijksvoordelen belast indien de langstlevende echtgenoot krachtens een beding van de huwelijksovereenkomst meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt. Het toepassingsgebied van voornoemd artikel wordt dus expliciet beperkt tot situaties waarbij er sprake is van een gemeenschap en dus tot stelsels van gemeenschap van goederen. Aangezien er bij stelsels van scheiding van goederen geen sprake is van een gemeenschap, kan voornoemd artikel hier onmogelijk op van toepassing zijn.

De echtgenoten zullen in casu evenwel gehuwd blijven onder het stelsel van scheiding van goederen. Aan dat stelsel wordt zelfs geen beperkte noch een interne gemeenschap (of toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen) toegevoegd. De echtgenoten voegen aan hun stelsel van scheiding van goederen enkel een optioneel verblijvingsbeding voor onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor niet-onverdeelde goederen toe. Deze bedingen hebben echter geen betrekking op gemeenschapsgoederen aangezien er tussen de echtgenoten geen gemeenschappelijk vermogen bestaat, noch wordt gecreëerd. Bijgevolg kan artikel 2.7.1.0.4 VCF niet van toepassing zijn.

In de rechtspraak werd bovendien reeds bevestigd dat artikel 2.7.1.0.4 VCF niet van toepassing is op clausules die geen betrekking hebben op een gemeenschappelijk vermogen (Antwerpen 5 oktober 2004, Not.Fisc.M. 2004, 268). Dit werd ook reeds door uw Dienst bevestigd in onder meer Voorafgaande Beslissing nummer 24076.

Gelet op bovenstaande zijn de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.7.1.0.4 VCF niet vervuld. De huwelijksvermogensrechtelijke voordelen die kunnen voortvloeien uit het overwogen optioneel verblijvingsbeding en het overwogen optioneel toekenningsbeding kunnen bijgevolg niet worden belast op basis van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

14. Artikel 2.7.1.0.5., §1, eerste lid VCF luidt als volgt:

De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Voor de heffing van erfbelasting op grond van de fictiebepaling uit artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten de volgende drie cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:

  • een kosteloze beschikking;
  • gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van de beschikker;
  • waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen werd aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

Zoals reeds hoger uiteengezet, worden huwelijksvoordelen civielrechtelijk gekwalificeerd als niet-schenkingen zodat er geen sprake is van een kosteloze beschikking. Dat een huwelijksvoordeel niet kan worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking werd reeds bevestigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 5 januari 2017 (cfr. Cass. 5 januari 2017, RPP 2017, 196).

De toepassingsvoorwaarden van artikel 2.7.1.0.5 VCF zijn niet vervuld. De huwelijksvermogensrechtelijke voordelen die kunnen voortvloeien uit het overwogen optioneel verblijvingsbeding en het overwogen optioneel toekenningsbeding kunnen bijgevolg niet worden belast op basis van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

5. Geen beding van aanwas in de zin van SP 17044

15. De beoogde verblijvings- en toekenningsbedingen verlenen een huwelijksvermogensrechtelijk voordeel. Dit voordeel wordt civielrechtelijk als een huwelijksvoordeel/een niet-schenking gekwalificeerd. Deze kwalificatie is voorbehouden aan personen die door het huwelijk met elkaar verbonden zijn, en aan voordelen die zij elkaar binnen hun huwelijksvermogensstelsel of huwelijkscontract toekennen.

De kwestieuze bedingen kunnen derhalve niet worden gekwalificeerd als een beding van aanwas in de zin van SP 17044. Een beding van aanwas betreft immers een kanscontract tussen twee of meerdere partijen, dat ook buiten een huwelijk kan worden overeengekomen. Indien gehuwden een dergelijk kanscontract sluiten, staat dit los van hun huwelijksstelsel en wordt dit niet bij huwelijksovereenkomst bedongen.

Volgens voornoemd SP 17044 is een beding van aanwas als kanscontract in principe niet onderworpen aan schenk- of erfbelasting, maar wel aan het verkooprecht wanneer het betrekking heeft op onroerend goed, mits aan onderstaande voorwaarden voldaan is:

  • Enerzijds moet het beding van aanwas betrekking hebben op goederen die ten bijzondere titel zijn aangewezen;
  • Anderzijds moet het beding van aanwas ten bezwarende titel worden bedongen in die zin dat het daadwerkelijk moet gaan om een kanscontract, waarbij de kansen van de partijen evenwichtig zijn. Hiervoor is vereist dat de inleg van beide partijen gelijkwaardig is en dat hun overlevingskansen gelijkaardig zijn.

De huwelijksvermogensrechtelijke bedingen die de echtgenoten in casu in hun huwelijkscontract wensen op te nemen, moeten evenwel niet aan deze voorwaarden voldoen. Immers, is het voor dergelijke huwelijksvoordelen niet vereist dat partijen gelijkaardige overlevingskansen zouden hebben. Het optionele toekennings- en verblijvingsbeding zijn onderworpen aan zelfstandige eisen om niet aan schenk- en erfbelasting onderworpen te zijn en vallen dus niet onder de vereisten van het SP 17044.

De door de echtgenoten beoogde verblijvings- en toekenningsbedingen kunnen niet als een beding van aanwas worden gekwalificeerd, maar vormen huwelijksvoordelen in de zin van het huwelijksvermogensrecht. Deze bedingen vallen bijgevolg onder de specifieke fiscale regels die voor huwelijksvoordelen gelden, en moeten – om aan schenk- of erfbelasting te ontsnappen – afzonderlijk aan die criteria worden getoetst. Het SP 17044 is hiervoor irrelevant.

6. De tweede verrichting vormt geen fiscaal misbruik

16. De voorgenomen optionele toekennings- en verblijvingsbedingen doorkruisen de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet. De echtgenoten beogen immers geen schenking of andere kosteloze beschikking ten voordele van elkaar met uitwerking bij het overlijden van een van hen. Zij wensen integendeel huwelijksvoordelen overeen te komen met specifieke toepassingsvoorwaarden en een civielrechtelijke kwalificatie als niet-schenking, zoals hoger uitvoerig toegelicht. Bijgevolg kunnen deze verrichtingen evenmin worden beschouwd als een frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat immers enkel betrekking heeft op kosteloze beschikkingen.

Ook artikel 2.7.1.0.4 VCF wordt evenmin gefrustreerd door de voorgenomen verrichtingen. Er bestaat tussen de echtgenoten immers geen gemeenschappelijk vermogen aangezien zij gehuwd blijven onder het stelsel van scheiding van goederen. De omzetting naar het Belgisch stelsel van scheiding van goederen is bovendien gestoeld op duidelijke en legitieme niet-fiscale motieven, zoals eveneens uitvoerig toegelicht in wat voorafgaat.

Ook de keuze voor de optionele toekennings- en verblijvingsbedingen en de daaruit voortvloeiende huwelijksvermogensrechtelijke voordelen vinden hun grond in dergelijke niet-fiscale motieven, namelijk de bescherming en verzorging van de langstlevende echtgenoot zonder verlies van de autonomie die kenmerkend is voor stelsels van scheiding van goederen. Aanvragers wensen dit te doen via een onherroepelijke regeling die niet door de ene echtgenoot eenzijdig kan worden aangepast, zonder informatieverplichting ten aanzien van de andere echtgenoot.

Geen van de voorgenomen verrichtingen, noch afzonderlijk beschouwd noch in hun onderlinge samenhang, leidt tot een frustratie van enige antimisbruikbepaling, noch van een specifieke, noch van de algemene antimisbruikbepaling. Artikel 3.17.0.0.2 VCF is derhalve niet van toepassing op de geplande verrichtingen.

Aanvragers verzoeken u dan ook om deze beoordeling formeel te bevestigen, op basis van de motieven zoals uiteengezet in onderhavige aanvraag.

III. 3. De combinatie van bovenstaande twee verrichtingen maakt evenmin fiscaal misbruik uit

17. Aanvragers wensen via de eerste verrichting hun huwelijksvermogensstelsel om te zetten van een Amerikaans (met name […]) huwelijksvermogensstelsel naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen. Nadien zouden zij aan de langstlevende echtgenoot een huwelijksvoordeel willen toekennen in de vorm van een verblijvings- en toekenningsbeding. Deze combinatie van verrichtingen maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. De echtgenoten beogen deze verrichtingen uit te voeren vanuit zowel feitelijke als juridische motieven, die niet fiscaal van aard zijn.

De wijziging van het huwelijkscontract heeft dan ook niet als doel om een belastingvoordeel te bereiken zodat niet is voldaan aan het subjectieve element van fiscaal misbruik. Aanvragers plaatsen zich met de wijziging van hun huwelijkscontract evenmin binnen het toepassingsgebied van een belastingverminderende bepaling, noch buiten het toepassingsgebied van een belastingvermeerderende bepaling op een manier die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving zodat ook aan het objectieve element van fiscaal misbruik niet is voldaan.

De redenen waarom aanvragers willen overschakelen naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen werden hierboven reeds uitgebreid uiteengezet. De echtgenoten zijn reeds gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen en willen dit stelsel thans vertalen naar een Belgisch stelsel teneinde hun juridische positie aan te passen aan hun feitelijke context. Verder is hun juridische en financiële situatie op heden internationaal complex. Aanvragers wensen daarom helderheid te scheppen omtrent de uitvoering van hun familiale regeling evenals discussies en onduidelijkheden omtrent het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel bij hun overlijden te vermijden. Dit komt de rechtszekerheid ten goede ten aanzien van derden, nabestaanden en aanvragers zelf.

Met de tweede verrichting (met name het verblijvings- en toekenningsbeding) beogen aanvragers te voorzien in de bescherming van de langstlevende echtgenoot. De wet van 22 juli 2018 biedt echtgenoten de mogelijkheid om ook in een stelsel van scheiding van goederen huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen met civielrechtelijke voordelen die niet bereikt kunnen worden via andere technieken. Zo kan de langstlevende echtgenoot, dankzij de onmiddellijke en zakelijke werking van het verblijvings- en toekenningsbeding, vanaf het overlijden van de eerststervende in het bezit en in de volle eigendom treden van de onverdeelde en eigen goederen. De goederen komen in natura toe aan de langstlevende echtgenoot. Deze voordelen worden niet in dezelfde mate gewaarborgd via een verrekenbeding.

Deze door de echtgenoten beoogde civielrechtelijke gevolgen kunnen zij niet bereiken via andere technieken, noch via wettelijke devolutie, noch via testamentaire beschikking, noch via contractuele erfstelling en evenmin door middel van een schenking.

Iedere erfrechtelijke verkrijging wordt immers louter op de nalatenschap toegekend. In casu willen de echtgenoten evenwel vermijden dat de onverdeelde goederen voor de helft in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot terecht komen. Daarenboven is het voor de echtgenoten van belang dat deze regeling niet eenzijdig herroepbaar is, zonder informatieverplichting ten opzichte van elkaar. Dit kan niet worden bereikt via een testament, contractuele erfstelling of schenking buiten huwelijksovereenkomst, nu dergelijke regeling steeds eenzijdig herroepen kan worden, hetgeen de echtgenoten absoluut wensen te vermijden.

Tot slot kiezen de echtgenoten voor het Belgisch stelsel van zuivere scheiding van goederen omdat zij reeds gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen.

--------------

[1] Bij gebreke aan gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de voltrekking van het huwelijk.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

18. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

19. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

20. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

21. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt zal worden via een huwelijksovereenkomst houdende rechtskeuze voor het Belgisch recht, en aanname van een Belgisch stelsel van scheiding van goederen, met toevoeging van modaliteiten voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden.

De echtgenoten X-Y zijn volgens hun verklaring, ingevolge de toepasselijke verwijzingsregels oorspronkelijk gehuwd onder het wettelijk stelsel van de staat […] (Verenigde Staten van Amerika), houdende, nog volgens verklaring van aanvragers, een basisstelsel van scheiding van goederen.

Zij wensen voor de toekomst, rechtskeuze te doen voor het Belgische recht, en vervolgens de modaliteiten van deze rechtskeuze uit te werken in een huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen naar Belgisch recht.

In deze overeenkomst wensen de echtgenoten, voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden, aan deze huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen, een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding toe te voegen ten voordele van de langstlevende van hen.

Het voorwerp van het optioneel verblijvingsbeding is ingevolge het hiervoor geciteerd art. 10 van de voorgenomen huwelijksovereenkomst als volgt: “de goederen, rechten en/of vermogensbestanddelen, van welke aard ook, die tussen hen in onverdeeldheid zijn.

Het voorwerp van het optioneel toekenningsbeding is ingevolge het hiervoor geciteerd art. 11 van de voorgenomen huwelijksovereenkomst als volgt: “de goederen, rechten en/of vermogensbestanddelen, van welke aard ook, zijnde, zonder echter exhaustief te zijn, roerende en onroerende (zakelijke) goederen en/of rechten en lichamelijke en/of onlichamelijke goederen en/of rechten, die exclusief toebehoren aan de eerststervende echtgenoot,”.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF

22. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

23. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

24. In de mate dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF?

25. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

26. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

27. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

28. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

29. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Volgens de gegevens in de aanvraag bestaat tussen de aanvragers thans geen gemeenschap. De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen goederen hebben volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.

30. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

31. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

32. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

33. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

34. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

35. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

36. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

37. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten thans gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel van de Staat […] (USA) zijnde een stelsel van scheiding van goederen.

Zij wensen voor de toekomst rechtskeuze te doen voor het Belgische recht, en vervolgens de modaliteiten van deze rechtskeuze uit te werken in een huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen naar Belgisch recht.

Ze wensen de langstlevende van hen beschermd achter te laten en een niet-eenzijdig herroepbare regeling te voorzien. Met de voorgenomen wijziging wensen de echtgenoten de goederen die hen in onverdeeldheid toebehoren te onderwerpen aan een optioneel verblijvingsbeding, zoals opgenomen in artikel 10 van de ontwerpakte en daarnaast alle eigen niet-onverdeelde goederen die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren te onderwerpen aan een optioneel toekenningsbeding, zoals opgenomen in artikel 11 van de ontwerpakte.

38. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

39. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.