Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25124 - Oprichting maatschap gevolgd door schenking aandelen van de maatschap (voorbehoud VG) met een fideïcommis de residuo Vlaamse Belastingdienst

VB 25124 - Oprichting maatschap gevolgd door schenking aandelen van de maatschap (voorbehoud VG) met een fideïcommis de residuo

Voorafgaande beslissing
Nummer

25124

Datum beslissing

9 februari 2026

Publicatiedatum

17 maart 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
  • art. 2.7.1.0.7. VCF
  • art. 2.7.1.0.9. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat de inbreng in een door de echtgenoten X – Y op te richten Maatschap, gevolgd door een schenking van (een gedeelte van) de aandelen van de Maatschap door de heer X aan zijn echtgenote, mevrouw Y, met een restschenking aan hun dochters:

  • Onderworpen zal zijn aan de normale tarieven in de schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF:
    • bij de registratie van de notariële schenking door de heer X aan zijn echtgenote, mevrouw Y, op de waarde van het voorwerp van deze schenking; en
    • bij de uitvoering van de fideïcommis de residuo (of restschenking) door de heer X aan zijn beide dochters, mevrouw A en juffrouw B, op de waarde van hetgeen nog overblijft van voormelde schenking (“de rest”);
  • Niet onder de toepassing zal vallen van de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF;
  • Geen fiscaal misbruik vormen in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF;

De echtgenoten X – Y verzoeken uitdrukkelijk dat de voorafgaande beslissing die terzake zal worden genomen een geldigheidsduur zal hebben tot het overlijden van de langstlevende van hen.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. Onderhavige aanvraag wordt ingediend door Meester […], advocaat te […], namens:

  1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1974, met rijksregisternummer […] (hierna “heer X”), en zijn echtgenote:
  2. Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1975, met rijksregisternummer […] (hierna “mevrouw Y”);

Samenwonende te […];

Hierna samen genoemd de “Aanvragers”.

De echtgenoten X – Y zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] op xx.xx.2001 onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2001.

De echtgenoten X – Y hebben twee dochters:

  • Mevrouw A, geboren te […] op xx.xx.2003, met rijksregisternummer […], wonende te […], ongehuwd en niet wettelijk samenwonend;
  • Juffrouw B, geboren te […] op xx.xx.2008, met rijksregisternummer […], wonende te […], ongehuwd en niet wettelijk samenwonend.

Zowel de Aanvragers als hun beide dochters zijn sinds meer dan vijf jaar voor heden inwoners van het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

3. De Aanvragers beogen de hiernavolgende verrichtingen te stellen, in chronologische volgorde:

a) Oprichting Maatschap

4. De Aanvragers hebben de intentie om een Maatschap op te richten, waarin zij in verschillende fases bepaalde vermogensbestanddelen wensen in te brengen, waaronder aandelen van een vennootschap en liquide middelen (onder de vorm van o.a. fondsen en beleggingsportefeuille(s)).[1]

De heer X zal bij de oprichting van de Maatschap o.a. aandelen van een vennootschap en liquide middelen inbrengen, die tot zijn eigen vermogen behoren. Mevrouw Y zal uitsluitend een geldsom inbrengen, die eveneens tot haar eigen vermogen behoort. In ruil voor voormelde inbrengen, zal ieder van hen aandelen van de Maatschap verkrijgen, die in verhouding staan met hetgeen hij/zij heeft ingebracht.

De heer X wordt voor de duur van zijn leven aangesteld tot enige en tot statutaire zaakvoerder van de Maatschap. Bij zijn defungeren, zal hij overeenkomstig artikel 8.4. van de Statuten van de Maatschap worden opgevolgd door zijn echtgenote, mevrouw Y, die vanaf dat ogenblik voor het leven wordt aangesteld tot statutaire zaakvoerder. Mocht mevrouw Y nadien defungeren, zal zij, conform hypothese C of hypothese D van artikel 8.4. van de Statuten van de Maatschap, worden opgevolgd door een college van zaakvoerders, bestaande uit:

  • Beide dochters, mevrouw A en juffrouw B, en een derde, indien de jongste van beide dochters op dat ogenblik de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt (hier: “hypothese C”); of
  • Uitsluitend beide dochters, op voorwaarde dat de jongste van beide dochters op dat ogenblik wel de volle leeftijd van 27 jaar heeft bereikt (hier: “hypothese D”).

Overeenkomstig artikel 8.2. van de Statuten van de Maatschap is de zaakvoerder gerechtigd om alle daden van beheer te stellen en ter zake alle mogelijke beslissingen te nemen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte en nog in te brengen vermogen.

De zaakvoerder is daarentegen niet gerechtigd om daden van beschikking te nemen, zoals omschreven in artikel 12.3. van de Statuten.

Iedere daad van beschikking dient met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen overeenkomstig artikel 12.2. van de Statuten te worden genomen. Bovendien wordt het stemrecht dan door de vruchtgebruiker, in casu de heer X, en de blote eigenaar, in casu in eerste instantie mevrouw Y en in tweede instantie hun beide dochters, samen uitgeoefend, overeenkomstig artikel 13.3. van de Statuten.

Het ontwerp van de Statuten van de Maatschap wordt als bijlage gevoegd.[2] De Statuten betreffen op heden een ontwerpdocument waaraan eventuele kleine (hoofdzakelijk tekstuele, doch geen wezenlijke inhoudelijke) wijzigingen kunnen gebeuren. Elementen die op heden nog niet vaststaan, zullen geen invloed hebben op de voorafgaande beslissing.

b) Schenking van de aandelen aan de echtgenote met een restschenking aan beide dochters

5. Na de oprichting van de Maatschap wenst de heer X een gedeelte van zijn aandelen van de Maatschap aan zijn echtgenote, mevrouw Y, te schenken en dit met voorbehoud van vruchtgebruik.[3] Als mevrouw Y komt te overlijden, zal de restschenking ten voordele van de dochters, mevrouw A en juffrouw B, actueel worden.

De schenking met restschenking zal verleden worden voor een Belgische notaris en aldus in België worden geregistreerd. De dochters verwerven aldus in principe pas de volle eigendom van de aandelen na het overlijden van de langstlevende ouder.

De akte houdende schenking aan mevrouw Y met restschenking aan de beide dochters zal onder volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten voorzien:

  • De schenking zal in blote eigendom gebeuren. De blote eigendom van de geschonken aandelen zal onmiddellijk worden overgedragen aan mevrouw Y. De schenker, de heer X, zal zich enkel het vruchtgebruik voorbehouden;
  • Een restschenking (of beding van fideïcommis de residuo) ten voordele van beide dochters van de Aanvragers.

Bij de schenking van de aandelen van de Maatschap zal een restschenking opgenomen worden in het voordeel van beide dochters van de Aanvragers. De aandelen worden dus overgemaakt aan de begiftigde-echtgenoot, mevrouw Y, onder de voorwaarde dat wat van de geschonken aandelen bij haar overlijden overblijft (het residu), toekomt aan beide dochters, mevrouw A en juffrouw B. De restschenking zal door de respectievelijke eigen dochters van de Aanvrager onmiddellijk worden aanvaard in de schenkingsakte.

Juffrouw B zal in deze schenkingsakte, ingevolge haar minderjarigheid, worden vertegenwoordigd door haar moeder, mevrouw Y.

  • De schenking zal “ad nutum herroepbaar” zijn, waardoor de heer X op ieder ogenblik de schenking aan mevrouw Y geheel of gedeeltelijk kan herroepen. Deze herroeping zal tevens retroactief werken. De restschenking aan de beide dochters krijgt in dat geval geen uitwerking.
  • Een beding van optionele conventionele terugkeer, dat bepaalt dat de schenking zal worden ontbonden bij het overlijden van mevrouw Y, al dan niet met kinderen, doch enkel voor zover de schenker zich er op beroept. Indien deze optie door de heer X wordt benut, zal de restschenking in dat geval aan de beide dochters geen uitwerking krijgen.
  • Een optionele rentelast, die slechts uitvoerbaar is voor zover de uitvoering wordt verzocht door de schenker. Bovendien zal deze last niet meer opeisbaar zijn indien het totaal van de opgevraagde rentelasten door de schenker sinds de schenking een bedrag gelijk aan 75% van de waarde van de geschonken goederen heeft bereikt;
  • Een last tot verzorging, die slechts uitvoering zal krijgen in het geval de schenker medische kosten heeft die meer dan 2.500 EUR bedragen per jaar en die niet worden terugbetaald;
  • Een uitsluitingsclausule, die bepaalt dat de geschonken goederen niet kunnen worden ingebracht in een huwelijksvermogen;
  • Een ontbindende voorwaarde, die bepaalt dat de schenker de ontbinding van de schenking kan vragen bij het zich voordoen van bepaalde ernstige gedragingen van de begiftigde, in casu mevrouw Y en bij het actueel worden van de restschenking, mevrouw A en juffrouw B.

c) Doel van de verrichtingen

6. De Aanvragers wensen met deze verrichtingen een vermogensplanning tot stand te brengen die tegemoet dient te komen aan de volgende bekommernissen:

1) de heer X wenst in eerste instantie zijn echtgenote, mevrouw Y, bij zijn overlijden maximaal te beschermen.

Hij wenst dat na zijn overlijden mevrouw Y finaal alle geschonken aandelen in volle eigendom kan aanhouden en hierover – weliswaar rekening houdend met de figuur van de Maatschap en de beperkingen hieraan en deze gekoppeld aan de restschenking – kan beschikken, zodat ze ten allen tijde voldoende financiële middelen voor handen heeft en in haar levensonderhoud kan voorzien.

Pas bij het overlijden van mevrouw Y zal de restschenking immers tot uitvoering komen en zullen beide dochters alle geschonken aandelen in volle eigendom verkrijgen (tenzij de heer X op dat ogenblik nog in leven is en zou beslissen om de schenking te herroepen, zie hierna).

2) Een uitzondering op het gegeven dat schenkingen in principe onherroepelijk zijn, vormt de schenking tussen echtgenoten buiten het huwelijkscontract om. Dergelijke schenking is ten allen ad nutum herroepbaar. De heer X wenst de mogelijkheid te hebben, zolang hij in leven is, de verrichte schenking te herroepen. Zowel in een scenario waarbij zijn echtgenote, mevrouw Y, zou vooroverlijden, als in een scenario waarbij de echtgenoten uit de echt zouden scheiden.

In het geval dat mevrouw Y zou vooroverlijden, kan de heer X omwille van de herroepbaarheid van de schenking aan mevrouw Y de keuze maken om dan wel de schenking aan mevrouw Y te herroepen, dan wel de restschenking aan de kinderen doorgang te laten vinden. Of de heer X ten tijde van het eventuele vooroverlijden van mevrouw Y de schenking herroept en aldus de restschenking geen uitvoering laat vinden, zal afhankelijk zijn van de eigen leeftijd van de heer X, de leeftijd van de dochters en de verstandhouding met zijn dochters op dat ogenblik.

Alternatieve wijzen om mevrouw Y bij het overlijden van de heer X te beschermen, komen minder of niet aan alle voorgaande bekommernissen van de heer X tegemoet omdat deze niet of moeilijker (éénzijdig) te herroepen of te wijzigen zijn.

3) De schenker, de heer X, wenst bovenvermelde indachtig een veilige financiële positie te behouden na de schenking. Om voormelde redenen schenkt hij buiten huwelijksovereenkomst en met voorbehoud van vruchtgebruik.

Dit voorbehoud van vruchtgebruik laat tevens toe ook in het geval van vooroverlijden van mevrouw Y (en de daaraan gekoppelde uitvoering van de restschenking) ook nog steeds over voldoende financiële middelen te beschikken, zonder dat hij hiervoor noodzakelijkerwijze de schenking aan zijn echtgenote dient te herroepen.

4) Naar de inschatting van de Aanvragers zijn hun dochters op 21-jarige en 17-jarige leeftijd nog te jong om vandaag al toegang te kunnen krijgen tot een belangrijk vermogen. Zij willen op dit ogenblik hun dochters maximaal beschermen en er voor zorgen dat ze de juiste keuzes maken op sleutelmomenten in hun leven.

De Aanvragers achten bovenstaand gegeven indachtig het zeer belangrijk om in het scenario dat ze beiden voortijdig onbekwaam zouden worden of voortijdig zouden komen te overlijden, hun beide dochters, mevrouw A en juffrouw B, zouden worden begeleid bij het beheer van het familiaal vermogen.

Op vandaag zijn beide dochters van de Aanvragers weinig vertrouwd met het vermogen van Aanvragers en het omgaan met financiële middelen in het algemeen. De finaliteit van de Maatschap is in deze dan ook een beschermingsmechanisme naar beide dochters toe voor het geval de Aanvragers voortijdig zelf het beheer niet meer zouden kunnen waarnemen of zouden te komen overlijden.

In dat geval is voorzien dat een derde als mede-zaakvoerder wordt aangesteld om de dochters mee te begeleiden tot de jongste van beide dochters de volle leeftijd van zevenentwintig jaar heeft bereikt, zodat de dochters begeleid vertrouwd worden gemaakt met het vermogen en ze worden voorbereid voor het tijdstip waarop zij op zelfstandige wijze het vermogen zullen dienen te beheren.

Ook vanuit bovenstaande bekommernis is de duurtijd van de Maatschap beperkt in de tijd en niet gekoppeld aan de levensduur van de Aanvragers – ouders.

5) In deze wordt de schenking ten slotte ook aan een voorafgaande inbreng van het vermogen in een Maatschap gekoppeld, vermits het de uitdrukkelijke wens is van de Aanvragers om het opgebouwde familiaal vermogen verder uit te bouwen en binnen de familie te behouden. De Aanvragers wensen te voorkomen dat dit vermogen ten gevolge van een plots en voortijdig overlijden van een van de ouders of van beide ouders samen zou worden opgedeeld .

Het in het voorkomend geval – begeleid – “samenhouden” van de dochters op korte termijn, bewerkstelligt dat de dochters op een meer doordachte wijze zullen kunnen omgaan met het familiale vermogen.

De Aanvragers zijn dan ook van mening dat de creatie van een gemeenschappelijk doelvermogen, in de vorm van een Maatschap, het meest aangewezen is om de opdeling van dit vermogen op korte termijn tegen te gaan. Zij hopen op deze manier de continuïteit van het familiaal vermogen te kunnen verzekeren, zelfs over verschillende generaties heen.

6) Voormelde bekommernissen indachtig is de figuur van de Maatschap dan ook een verlengstuk van het door de Schenker voorbehouden vruchtgebruik.

T.a.v. zijn echtgenote, mevrouw Y, bewerkstelligt de Maatschap geen andere controle dan een rechttoe rechtaan schenking met voorbehoud van vruchtgebruik ten aanzien van zijn echtgenote zou realiseren .

T.a.v. zijn dochters, mevrouw A en juffrouw B, geldt in uitvoering van de restschenking in beginsel hetzelfde, doch evenwel met de nodige omkadering om aan bovenvermelde bekommernissen en overwegingen tegemoet te komen.

III. Motivering van de aanvraag

Vraag 1: bevestigd te zien dat het voorwerp van de te sluiten overeenkomst onderworpen zal zijn aan de gewone tarieven van de schenkbelasting in het Vlaamse Gewest

Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 2.8.1.0.1 VCF

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”

Artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF

“§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”

Toepassing in concreto

7. De Aanvragers menen dat de schenking zal onderworpen zijn aan de gewone tarieven schenkbelasting in het algemeen, zoals deze van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest, overeenkomst het artikel 2.8.1.0.1. VCF, en in het bijzonder aan het vlak tarief schenkbelasting voor de schenking van roerende goederen overeenkomstig het artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF.

De Aanvragers verzoeken uw Dienst tevens ook te bevestigen dat de schenking met restschenking zal onderworpen zijn aan de normale tarieven zoals deze gelden in de Vlaamse schenkbelasting, zoals vastgelegd in voormelde artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF.

Vraag 2: Bevestigd te zien dat het voorwerp van de te sluiten overeenkomst niet onder de toepassing valt van artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.

Toepassing in concreto

8. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF viseert specifiek schenkingen, die werden gedaan onder de opschortende voorwaarde of de opschortende termijn, die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. Dergelijke schenkingen worden als een legaat beschouwd bij het overlijden van de schenker en aldus aan erfbelasting onderworpen.

Het voorwerp van de voorgenomen schenking betreft de blote eigendom van (een gedeelte van) de aandelen van de Maatschap. Door de schenking van de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap verdwijnt de blote eigendom van de geschonken aandelen definitief (onder voorbehoud van de herroeping ad nutum op grond van artikel 4.240 BW uiteraard) uit het vermogen van de schenker, de heer X. De blote eigendom van deze geschonken aandelen behoort geenszins nog tot zijn eigendom. Deze blote eigendom van de aandelen zal in eerste instantie toekomen aan zijn echtgenote, mevrouw Y, en het saldo zal vervolgens toekomen aan de tweede begiftigden/verwachters, zijn beide dochters in uitvoering van de fideïcommis de residuo.

De restschenking aan zijn beide dochters zal in principe uitwerking krijgen na de realisatie van een opschortende voorwaarde, die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de eerste begiftigde en dus niet ingevolge het overlijden van de schenker.

Bij een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn bevindt de eigendom van de geschonken goederen zich nog bij de schenker en dit zolang de opschortende voorwaarde/termijn niet wordt vervuld. De eigendom van de geschonken goederen gaat dus pas over bij het vervullen van de opschortende voorwaarde/termijn van het overlijden van de schenker, terwijl dit in casu – wat de schenking van de blote eigendom van (een gedeelte van) de aandelen van de Maatschap aan de echtgenote betreft, onmiddellijk gebeurt. Met betrekking tot de restschenking gaat de eigendom over ingevolge het overlijden van de eerste begiftigde/bezwaarde.

Een (rest)schenking met voorbehoud van vruchtgebruik kan dan ook onder geen enkel beding worden gelijkgesteld met een schenking onder opschortende voorwaarde/termijn waar de eigendomsoverdracht wordt uitgesteld tot aan het overlijden van de schenker.

Zoals geschetst, is de Maatschap in se dan ook niet meer dan het verlengstuk van het door de schenker voorbehouden vruchtgebruik dat toelaat om maximaal aan de bekommernissen en overwegingen, zoals omstandig uiteengezet onder titel II. B. c) tegemoet te komen.

Hierbij wordt overigens het controlevoorbehoud van de schenker-vruchtgebruiker tot op zekere hoogte in de Maatschap afgezwakt.

Door de werking van de ad nutum herroepbaarheid van de schenking is ieder controlevoorbehoud of afzwakking ervan, evenwel van relatief belang. Wat de schenking aan de echtgenote betreft, is deze afzwakking van het controlevoorbehoud er vooral op gericht om ook zijn echtgenote mede vertrouwd te maken met o.a. het beheer van een vennootschap, aangezien zij hier op heden weinig tot geen voeling mee heeft.

Hiertoe voorzien de Statuten van de Maatschap:

  • Op niveau van de buitengewone algemene vergadering:

“12.2. Vereiste meerderheid

Beslissingen worden genomen met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen, te behalen in elke Categorie van aandelen afzonderlijk.

12.3. Daden van beschikking die dienen goedgekeurd te worden door een buitengewone algemene vergadering (niet-exhaustief)

De buitengewone algemene vergadering is bevoegd om beslissingen te nemen met betrekking tot daden, die kwalificeren als daden van beschikking, dan wel met betrekking tot wezenlijke beslissingen. Volgende daden behoren onder andere tot de bevoegdheid van de buitengewone algemene vergadering:

  1. Beslissingen aangaande de Maatschap zelf, zijnde onder meer de beslissingen tot goedkeuring met als voorwerp:

- De beslissing tot voortijdige ontbinding overeenkomstig artikel 4.3 van de Statuten;

- De beslissing tot overdracht van aandelen onder levenden aan een derde niet-vennoot overeenkomstig artikel 6.1 van de Statuten;

- De beslissing tot goedkeuring van een bijkomende inbreng overeenkomstig artikel 7.1 van de Statuten;

- De beslissing tot aanstelling als zaakvoerder overeenkomstig artikel 8.2 van de Statuten;

- De beslissing tot wijziging van Statuten van de Maatschap;

- De beslissing tot de overdracht van activa of tot omzetting van de Maatschap overeenkomstig artikel 10bis van de Statuten;

- De beslissing over de overgang van de aandelen van een vennoot naar niet-afstammelingen of niet-vennoten overeenkomstig artikel 23 van de Statuten.

  1. Wezenlijke beslissingen aangaande de aandelen van een niet-beursgenoteerde vennootschap die de Maatschap aanhoudt, zijn beslissingen aangaande deze aandelen met als voorwerp:

- De beslissing tot een uitkering van meer dan vijftig procent (50%) van de jaarwinst van deze vennootschap na aftrek van de kosten, zoals ten gevolge van een beslissing tot dividenduitkering; een beslissing tot vermogensbeweging of kapitaalvermindering (zoals een beslissing tot kapitaalvermindering, liquidatie, inkoop van eigen aandelen of terugbetaling van kapitaal);

- De stemming tot benoeming of ontslag van een (al dan niet statutaire) zaakvoerder of lid van de Raad van Bestuur in de vennootschap; tenzij het ontslag of de benoeming ertoe leidt dat de samenstelling van het college van zaakvoerders of van de Raad van Bestuur hetzelfde is als de samenstelling van het college van zaakvoerders van de Maatschap;

- De liquidatie of vroegtijdige ontbinding van de vennootschap;

- De stemming tot wijziging van de statuten van de vennootschap;

- De stemming tot uitoefening van het vetorecht door de algemene vergadering van de vennootschap voor zover een dergelijk vetorecht voorzien is en/of wordt ingesteld;

- De stemming tot overdracht (door verkoop of anderszins) van de aandelen van de vennootschap;

- Het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan aandelen die door de Maatschap worden aangehouden, indien het gaat om buitengewone en bijzondere algemene vergaderingen van de vennootschap waarvan de Maatschap de aandelen aanhoudt.

  1. Indien er redelijke twijfel bestaat over de kwalificatie van bepaalde daden als daad van beheer dan wel als daad van beschikking, dan dienen deze daden als daad van beschikking te worden aangemerkt. “

Ook in het geval van een voortijdig overlijden van mevrouw Y en uitvoering van de restschenking, zal de huidige formulering van de statuten van de Maatschap ook de dochters de mogelijkheid geven om geleidelijk betrokken te worden in het beheer van het vermogen en voorbereid te worden op het zelfstandig beheer ervan. De beperkingen van het controlevoorbehoud van de vruchtgebruiker zijn in die context dan wel nadrukkelijk aanwezig.

Zoals duidelijk geschetst, betreft het in deze een duidelijke dadelijke (rest)schenking van de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap en kan er in deze op geen enkele wijze sprake zijn van een schenking onder opschortende voorwaarde of termijn van het overlijden van de schenker, die niet dezelfde rechtsgevolgen ressorteert. Het gegeven dat de schenking en de restschenking an sich precair zijn omwille van de ad nutum herroepbaarheid op grond van artikel 4.240 BW doet geen afbreuk aan de dadelijkheid van de (rest)schenking.

De Aanvrager vraagt Uw Dienst dan ook te bevestigen dat artikel 2.7.1.0.3,3° VCF niet kan worden toegepast op de schenking van de blote eigendom van de aandelen die hij wenst te verrichten en dat deze schenking met restschenking niet als een legaat kan worden beschouwd bij het overlijden van de schenker, noch bij het overlijden van de eerste begiftigde/bezwaarde, mevrouw Y.

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.7 VCF

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing:

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

Toepassing in concreto

9. Artikel 2.7.1.0.7 VCF beoogt om bepaalde goederen toch tot de fiscale nalatenschap te laten behoren, hoewel zij daar juridisch gezien geen deel van uitmaken. Het gaat zowel om goederen die ten bezwarende titel gesplitst worden aangekocht als om effecten en geldbeleggingen die gesplitst zijn ingeschreven.

Met betrekking tot de gesplitste inschrijving van effecten of geldbeleggingen, volstaat een loutere materiële inschrijving van effecten voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde, opdat het wettelijk vermoeden van artikel 2.7.1.0.7 VCF speelt. Wel kan het tegenbewijs worden geleverd door aan te tonen dat er geen sprake is van een bedekte bevoordeling.

De heer X wenst, zoals geschetst, na de oprichting van de Maatschap, een gedeelte van zijn aandelen van de Maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik te schenken aan zijn echtgenote met een restschenking in het voordeel van zijn beide dochters.

Bijgevolg zullen deze aandelen gesplitst worden ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de heer X, en voor de blote eigendom op naam van zijn echtgenote, mevrouw Y.

Indien mevrouw Y vóór de heer X zou komen te overlijden, zullen na haar overlijden de aandelen wederom gesplitst worden ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de vader, de heer X, en de blote eigendom op naam van zijn beide dochters, mevrouw A en juffrouw B.

In voormelde situaties is er evenwel duidelijk geen sprake van een bedekte bevoordeling. De schenking zal namelijk worden verleden bij notariële akte voor een Belgische notaris. De ‘bedekte bevoordeling’ staat tegenover de openlijke of transparante bevoordeling. Er kan geen sprake zijn van een bedekte bevoordeling - en dus ook niet van de toepassing van voornoemd wetsartikel - wanneer er een openlijke voorafgaande schenking is, of wanneer de gesplitste inschrijving het gevolg is van een openlijke bevoordeling (schenking).

Artikel 2.7.1.0.7 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting.

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.9 VCF

Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.

Toepassing in concreto

10. Artikel 2.7.1.0.9 VCF viseert de verrichting onder bezwarende titel, waarbij de erflater een goed aan één van zijn erfgenamen, legatarissen, begiftigden of aan een tussenpersoon heeft afgestaan, en zich het vruchtgebruik of om het even welk ander levenslang recht heeft voorbehouden.[4]

Voormelde verrichtingen hebben betrekking op overeenkomsten ten bezwarende titel. Meer bepaald gaat het om rechtshandelingen ten kosteloze titel, die bewust verkeerdelijk worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel.

  • Geen toepassing mogelijk als rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd

De schenking van de heer X aan zijn echtgenote, mevrouw Y, met restschenking aan beide dochters, zal niet bedekt zijn, maar wordt openlijk als een schenking gekwalificeerd. De toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF is evenwel niet mogelijk indien de rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd.[5]

  • Geen overeenkomst ten bezwarende titel

Mocht, quod non in casu, toch worden geoordeeld dat artikel 2.7.1.0.9 VCF toepassing kan vinden als de rechtshandeling openlijk wordt gekwalificeerd als een schenking, kan de voorgenomen verrichting niet worden geherkwalificeerd in een overeenkomst ten bezwarende titel.

Een overeenkomst ten bezwarende titel houdt immers in dat er een wederkerige overeenkomst is die voor beide partijen een pecuniair voordeel oplevert [6]. Indien zij voor één van de partijen geen voordeel oplevert, dan is zij om niet. Wanneer een vermogensbestanddeel derhalve zonder gelijkwaardig geachte economische tegenprestaties van één vermogen naar een ander gaat, ligt er een overeenkomst om niet voor.

Aangezien de heer X, met de intentie om zijn echtgenote in eerste instantie en vervolgens zijn beide dochters te begunstigen, de blote eigendom van zijn aandelen zal overdragen en hiervoor geen enkel voordeel, en al zeker geen voordeel van economische aard, zal ontvangen, wordt de voorgenomen rechtshandeling terecht gekwalificeerd als een schenking. Gelet op de begunstigingsintentie en het gebrek aan tegenprestatie, kunnen voorgenomen verrichtingen niet worden geherkwalificeerd in een overeenkomst ten bezwarende titel.

Bovendien doet de voorziene optionele rentelast geen afbreuk aan het kosteloze karakter van de voorgenomen schenking. De optionele rente is immers een last verbonden aan de schenking, maar deze kan perfect worden voldaan met het geschonken vermogen.

De begiftigde van de schenking, alsook elk van de begiftigden van de restschenking, zal nooit haar eigen vermogen dienen aan te spreken om de last tot afstand van een rente te voldoen. De combinatie van de leeftijd van de schenker, de waarde van de geschonken goederen en de voorziene maximale begrenzing van de rentelast, in casu 75%, zorgt ervoor dat aan de begiftigde nooit meer zou kunnen worden gevraagd dan wat zij geschonken heeft gekregen, waardoor er geen vermogensvoordeel meer zou bestaan in hoofde van de begiftigde (en geen vermogensnadeel meer in hoofde van de schenker).

Aangezien de schenking op geen enkele manier kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst ten bezwarende titel, kan artikel 2.7.1.0.9 VCF niet worden toegepast. Dit indien men al van oordeel zou zijn dat artikel 2.7.1.0.9 VCF toepassing zou kunnen vinden indien de rechtshandeling openlijk als een schenking wordt gekwalificeerd. De Aanvragers vragen Uw Dienst dit dan ook te bevestigen.

Vraag 3: Bevestigd te zien dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken

Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 3.17.0.0.2 VCF

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

Toepassing in concreto

11. De Aanvragers verzoeken Uw Dienst te bevestigen dat de artikelen 2.7.1.0.3,3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, niet zullen kunnen worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen, op grond waarvan bij overlijden van de schenker of van de eerste begiftigde/bezwaarde, erfbelasting zou verschuldigd zijn.

Er kan enkel sprake zijn van fiscaal misbruik indien de belastingplichtige zich in een toestand plaatst die strijdig is met een bepaling van de VCF, zonder dat hiervoor andere motieven voorliggen dan het ontwijken van erfbelasting.[7]

Om de algemene misbruikbepaling zoals vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF te kunnen toepassen, moet de Vlaamse Belastingdienst enerzijds aantonen welke bepaling van de VCF geschonden wordt (objectief element) en anderzijds zal de Vlaamse Belastingdienst moeten aantonen dat de belastingplichtige enkel het ontwijken van erfbelasting beoogt (subjectief element).

Dat zowel het objectieve element als het subjectieve element niet vervuld zijn, wordt hieronder verder toegelicht.

3.1. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF wordt niet gefrustreerd

12. Oorspronkelijk werd artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (voorheen artikel 4, 3° Wetboek Successierechten) ingevoerd om te vermijden dat de bij het Vlaamse Decreet van 9 december 2003 ingevoerde verlaagde en vlakke tarieven in de schenkbelasting (i.e. 3% of 7%) gecombineerd worden met het uitstel van overdracht van het geschonken goed tot het overlijden van de schenker.

Bij een schenking onder opschortende voorwaarde van overlijden van de schenker, komt de eigenlijke eigendomsoverdracht van het geschonken goed pas tot stand wanneer de voorwaarde wordt vervuld, i.e. bij het overlijden van de schenker.[8]

Op dat tijdstip verkrijgt de begiftigde de eigendom van het geschonken goed en is zij hierop schenkbelasting verschuldigd (aan het vlakke tarief van 3% of 7%). Ook bij een legaat zal de begiftigde pas de eigendom van het gelegateerde goed verkrijgen wanneer de testator overlijdt. Omdat het in dat laatste geval echter gaat om een uiterste wilsbeschikking en niet om een schenking bij leven, zal de begiftigde wel erfbelasting verschuldigd zijn op deze verkrijging.

Hoewel schenkingen die plaatsvinden onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker dus min of meer dezelfde burgerrechtelijke gevolgen kennen als een legaat dat per testament wordt toegekend, was de fiscale behandeling in de schenk- en erfbelasting verschillend.

Daarom is het volgens de Memorie van Toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 (waarmee artikel 4, 3° W. Succ. werd ingevoerd) nodig dat schenkingen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker gelijkgesteld worden met een legaat:

“Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn/haar overlijden.”

De doelstelling van artikel 4, 3° W. Succ / artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is dus duidelijk: men kan geen schenking bewerkstelligen, onderworpen aan het lagere en vlakke tarief in de schenkbelasting, en tegelijkertijd nog tot aan het eigen overlijden eigenaar blijven van diezelfde goederen die men schenkt.

De doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF bestaat er louter in om dit uitstel van de eigendomsoverdracht te viseren en kan niet uitgebreid worden tot de eventuele controle of de beschikkingsbevoegdheid die een schenker zichzelf zou voorbehouden (hoewel de Vlaamse Belastingdienst dit nochtans toch zo interpreteert in diverse voorafgaande beslissingen).

a) Er is geen uitgestelde eigendomsoverdracht gekoppeld aan het overlijden van de schenker

13. De goederen die door de Aanvragers ingebracht worden in de Maatschap, verdwijnen uit het vermogen van de inbrengende vennoten en zullen een onverdeelde boedel vormen, die omschreven kan worden als een afgescheiden doelvermogen.[9] In ruil voor deze inbreng zullen de Aanvragers aandelen verkrijgen, in dat afgescheiden doelvermogen.

Bijgevolg zullen zij als vennoten nog een zakelijk recht hebben ten aanzien van het afgescheiden vermogen in zijn geheel, maar hebben zij geen rechtstreeks zakelijk recht meer ten aanzien van de goederen, die deel uitmaken van het afgescheiden vermogen. Het voorgaande blijkt o.a. uit de volgende consequenties van de inbreng [10]:

  • Een vennoot kan niet individueel beschikken voor eigen rekening over de goederen van de Maatschap;
  • De goederen van de Maatschap kunnen niet worden uitgewonnen door de persoonlijke schuldeisers van de vennoten;
  • De ontbinding van een Maatschap gaat gepaard met een volwaardige vereffening, waarna enkel het netto-actief wordt uitgekeerd aan de vennoten.

In casu zal de echtgenote van de Aanvrager-schenker, voornoemd mevrouw Y, blote eigenaar worden van aandelen van de Maatschap ten gevolge van de schenking die zij zal ontvangen vanwege Aanvrager-schenker, de heer X. De overdracht van de blote eigendom van de aandelen geschiedt onmiddellijk en is aldus op geen enkele wijze een uitgestelde overdracht, zoals deze geviseerd wordt door artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

b) Enkel de buitengewone algemene vergadering kan beslissen om daden van beschikking te stellen betreffende het vennootschapsvermogen

14. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de bevoegdheden waarover de Aanvrager-schenker deels als volle eigenaar én deels als vruchtgebruiker beschikt in het licht van de Maatschap, hetzij in de Statuten van de Maatschap, één op één worden gereflecteerd (zodat ze overeenstemmen met de bevoegdheidsverdeling tussen een vruchtgebruiker/blote eigenaar in een schenking zonder de figuur van de Maatschap), dan wel zelfs nog tot op zekere hoogte worden beperkt.

Daarnaast zou de vennootschapsrechtelijke realiteit worden miskend indien men zou stellen dat de schenker in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de Maatschap nog dezelfde bevoegdheden kan uitoefenen als was hij volle eigenaar van het vennootschapsvermogen.

Zoals hierboven reeds wordt aangehaald, is de zaakvoerder conform artikel 8.2. van de Statuten van de Maatschap gerechtigd om (slechts) alle daden van beheer te stellen en ter zake alle mogelijke beslissingen te nemen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte en nog in te brengen vermogen.

De zaakvoerder is daarentegen niet gerechtigd om daden van beschikking te nemen, zoals omschreven in artikel 12.3. van de Statuten. Iedere daad van beschikking dient met unanimiteit van het totaal van alle deelgerechtigde stemmen overeenkomstig artikel 12.2. van de Statuten te worden genomen. Bovendien wordt het stemrecht dan door de vruchtgebruiker, in casu de heer X, en de blote eigenaar, in casu zijn echtgenote mevrouw Y, samen uitgeoefend.

Enkel alle vennoten samen kunnen over het vermogen van de Maatschap beschikken, gezien er unanimiteit vereist is.

Zoals geschetst, zullen dezelfde principes van toepassing zijn, indien de restschenking uitvoering vindt in het voordeel van de dochters van Aanvragers.

3.2. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF wordt niet gefrustreerd

15. Artikel 2.7.1.0.7 VCF werd ingevoerd om te vermijden dat een derde bedekt bevoordeeld wordt door de gesplitste verkrijging of inschrijving van (bepaalde) goederen en dit zonder de betaling van schenk- of erfbelasting.

Aangezien het doel van artikel 2.7.1.0.7 VCF erin bestaat om de bedekte bevoordeling ingevolge een gesplitste inschrijving te sanctioneren, en er in casu geen sprake is van een bedekte bevoordeling maar van een openlijke bevoordeling, valt de schenking met restschenking noodzakelijkerwijze volledig buiten de doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF wordt door de voorgenomen verrichtingen niet gefrustreerd.

De Aanvragers verzoeken te willen bevestigen dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, omdat de geplande verrichtingen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.7 VCF duidelijk niet frustreren.

3.3. De doelstelling van artikel 2.7.1.0.9 VCF wordt niet gefrustreerd

16. Artikel 2.7.1.0.9 VCF heeft tot doel om rechtshandelingen ten kosteloze titel, die bewust verkeerdelijk worden gekwalificeerd als rechtshandelingen ten bezwarende titel, toch tot de fiscale nalatenschap te laten behoren, hoewel zij daar juridisch gezien geen deel van uitmaken. De doelstelling bestaat er kortom in om overeenkomsten die in het vooruitzicht van het overlijden van de schenker onder het mom van een vervreemding ten bezwarende titel werden gedaan, maar waarbij het eigenlijk om schenkingen gaat, te belasten in het erfrecht.

Voormelde doelstelling blijkt duidelijk uit de wettekst zelf en verder uit de Memorie van Toelichting van de wet van 11 oktober 1919 bij de invoering van de artikelen 5 tot 7 W.Succ (thans de artikelen 9 tot 11 W.Succ. en 2.7.1.0.7 tot 2.7.1.0.9 VCF). De wet bepaalt namelijk dat het tegenbewijs kan geleverd worden indien:

“wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer”. Voormelde Memorie van Toelichting stelt: “Eindelijk ziet men vaak personen, in het vooruitzicht van hun overlijden, aan hunne wettige of aangestelde erfgenamen alle hunne goederen of een deel daarvan mits eene lijfrente afstaan. De akte wordt geboekt tegen het voor verkoopen bepaalde recht en de schatkist blijft verstoken van het verschil tusschen dit recht en het erfenisrecht”.

In casu zal de begiftiging van de echtgenote in eerste instantie, en vervolgens middels de uitvoering van de restschenking van de beide dochters, op geen enkele manier verborgen worden gehouden. Integendeel, de aandelen worden geschonken aan de echtgenote, met een restschenking in het voordeel van de beide dochters middels een notariële schenkingsakte, die wordt verleden voor een Belgische notaris. Bijgevolg kan er op geen enkele wijze sprake zijn van enig bedrog.

De Aanvragers verzoeken te willen bevestigen dat er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, omdat de geplande verrichtingen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.9 VCF niet frustreren.

3.4. Er zijn andere dan fiscale motieven om de verrichtingen tot stand te brengen

17. Mocht de Vlaamse Belastingdienst evenwel de mening zijn toegedaan dat er wel degelijk sprake is van frustratie van een doelstelling van één van voornoemde bepalingen van de VCF, quod non, wijzen de Aanvragers erop dat het geheel van de verrichtingen die zij beogen, ingegeven is door andere dan fiscale motieven. Hiervoor wordt verwezen naar II.B.c).

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst te bevestigen dat ingevolge de aanwezigheid van de niet-fiscale motieven de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet kan worden toegepast.

CONCLUSIE

18. Gelet op al het voorgaande, dient te worden geconcludeerd dat de voorgenomen schenking met restschenking zal onderworpen zijn aan de normale tarieven zoals deze gelden in de Vlaamse schenkbelasting, zoals vastgelegd in de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst dit te willen bevestigen.

Dat de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF niet zullen kunnen worden toegepast op de voorgenomen verrichtingen, op grond waarvan bij overlijden van de schenker, de heer X of van de eerste begiftigde/bezwaarde, mevrouw Y, erfbelasting zou verschuldigd zijn.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst dit te willen bevestigen.

Dat er geen sprake is van fiscaal misbruik, omdat de geplande verrichtingen de doelstellingen van de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF niet frustreren, evenals gelet op de aanwezigheid van niet-fiscale motieven.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst dit te willen bevestigen.

De Aanvragers vragen dat de geldigheid van de voorafgaande beslissing zich in de tijd zou uitstrekken tot aan het overlijden van de langstlevende van de Aanvragers.

IV. Beslissing

19. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

20. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

21. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke geldigheid van de verrichting.

In het bijzonder wordt in deze geen uitspraak gevraagd of gedaan over het burgerrechtelijk aspect van de geldigheid van een restschenking waarbij de bezwaarde enkel de blote eigendom heeft van goederen die eerder in een maatschapscontract werden opgenomen.

Voor zover als nodig dient het besluitvormingsorgaan aanvragers er op te wijzen dat fiscaal gezien, een schenking met fideicommis de residuo, een dubbele schenking in twee fasen betreft, waarbij door dezelfde schenker, enerzijds een dadelijke schenking gedaan wordt van bepaalde goederen aan een eerste begiftigde, en dezelfde schenker anderzijds ook een toekomstige schenking doet aan een tweede begiftigde van hetgeen bij het overlijden van de eerste begiftigde nog overblijft van de in de eerste fase aan deze begiftigde door de schenker geschonken goederen.

22. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

A. Onderzoek artikelen VCF

23. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF, dat luidt als volgt:

“§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

  • Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, dat luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”

  • Artikel 2.7.1.0.7 VCF, dat luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • Artikel 2.7.1.0.9 VCF, dat luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

B. Beoordeling

24. Aanvragers nemen zich voor om volgende verrichtingen uit te voeren:

  1. de oprichting van een maatschap tussen beide partners van een echtpaar gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, waarbij roerende goederen worden ingebracht vanuit de respectievelijke eigen vermogens van de echtgenoten. De heer X brengt aandelen van vennootschappen en liquide middelen onder de vorm van fondsen en beleggingsportefeuilles in, terwijl mevrouw Y een som geld van 1.000 euro inbrengt. Het maatschapscontract voorziet de toekenning van aandelen proportioneel aan de inbrengen.
  2. gevolgd door een schenking bij notariële akte van de blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik, van een aantal van de aandelen van de voorheen opgerichte maatschap door de man aan zijn echtgenote, alsook een restschenking door de man aan de beide kinderen van het echtpaar, welke restschenking in zelfde akte aanvaard zal worden door de kinderen.

25. Aanvulling door aanvragers van de oorspronkelijke aanvraag

a. Bij email bericht van 1 december 2025 deelde aanvrager volgende bijkomende informatie mee aan het besluitvormingsorgaan:

“Wat de verwijzing naar de stapsgewijze inbreng betreft, wordt hierbij gedoeld op het feit dat de aanvrager de mogelijkheid wil hebben om in een latere fase op eenzelfde wijze bijkomend vermogen in eerste instantie aan zijn echtgenote en subsidiair aan zijn dochters te laten toekomen. Hierbij wordt in het bijzonder gedacht aan bijvoorbeeld verkoopopbrengsten van onroerende goederen, welke eigendom zijn van de heer X en waarvan hij de intentie heeft bepaalde van deze onroerende goederen op termijn te verkopen.”

Op grond van artikel 3.22.0.0.1, §2 VCF is vereist dat de aanvraag een volledige beschrijving bevat van een bijzondere situatie of verrichting die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. Men dient bijgevolg de situatie of verrichting nauwkeurig uiteen te zetten en duidelijk te omschrijven, met verwijzing naar een concreet project waarvan de realisatie ernstig overwogen wordt.

De bedoeling van de voorafgaande beslissing is immers aan de aanvrager rechtszekerheid te verstrekken met betrekking tot verrichtingen of situaties die hij in het kader van zijn aanvraag voorlegt aan de administratie en voor zover hij deze verrichtingen verwezenlijkt of deze situatie zich concretiseert overeenkomstig de beschrijving die hij eraan gegeven heeft.

Onderhavige beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op de inbreng bij oprichting van de maatschap gevolgd door de schenking bij notariële akte, de concreet voorgenomen rechtshandelingen, en bijgevolg niet op latere inbrengen en/of schenkingen waarnaar slechts hypothetisch en niet concreet verwezen wordt in de bijkomende toelichting bij de aanvraag.

b. Bij zelfde email bericht van 1 december 2025 werd het ontwerp van de voorgenomen notariële schenkingsakte voorgelegd. In dit ontwerp van akte wordt naast het voorbehoud van vruchtgebruik, zoals beschreven in de oorspronkelijke aanvraag, eveneens voorzien in een rentelast op te leggen aan de begiftigden in voordeel van de schenker.

1) Onderzoek van artikelen 2.8.1.0.1 VCF / 2.8.4.1.1,§2 VCF

26. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

Aanvragers geven aan dat de voorgenomen schenkingen zullen gebeuren bij notariële en dus te registreren akte.

Omdat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, is zij fiscaal transparant. Voor de bepaling van het tarief in de schenkbelasting wordt bijgevolg rechtstreeks gekeken naar de participaties die door de natuurlijke personen achter de maatschap worden aangehouden.

Onder voorbehoud van wat hierna volgt, zal bij aanbieding ter registratie van de notariële akte houdende schenking, deze onderworpen worden aan de tarieven in de schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF voor wat betreft de schenking door de heer X aan mevrouw Y.

Onder voorbehoud van wat hierna volgt, zal bij het overlijden van mevrouw Y bijgevolg de schenkbelasting verschuldigd zijn door de kinderen, A en B aan de tarieven in de schenkbelasting op grond van de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF-.

2) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.3,3° VCF

27. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker.

Schenkingen die onder de toepassing vallen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden fiscaal beschouwd als een legaat en belast met erfbelasting in hoofde van de begiftigde.

Aangezien aan de voorgenomen schenking geen opschortende modaliteit die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker, zal gekoppeld worden, vindt artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF geen rechtstreekse toepassing op de voorgenomen schenking door de heer X aan mevrouw Y.

Aangezien de restschenking door de heer X als schenker, aan de twee kinderen, niet onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker zelf gebeurt, vindt ook op deze voorgenomen restschenking artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF geen rechtstreekse toepassing.

3) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.7 VCF

28. Overeenkomstig de gegevens van de aanvraag, nemen de aanvragers zich voor een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik te doen bij notariële akte.

Artikel 2.7.1.0.7 VCF viseert de inschrijving van effecten op naam van de toekomstige erflater voor het vruchtgebruik en op naam van een toekomstig erfopvolger voor de blote eigendom. Deze fictiebepaling heeft tot gevolg dat de goederen die het voorwerp waren van de verrichting geacht worden in volle eigendom in de nalatenschap aanwezig te zijn en door de medecontractant als legaat te zijn verkregen.

Er is toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF als de achterliggende activa van de burgerlijke maatschap effecten of geldbeleggingen zijn, die gesplitst zijn ingeschreven, voor het vruchtgebruik op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Gelet op de fiscale transparantie van de maatschap, worden de maten beschouwd als gezamenlijke eigenaars van de achterliggende activa van de burgerlijke maatschap. De activa van de maatschap zijn effecten of geldbeleggingen die beschouwd worden als gesplitst te zijn ingeschreven overeenkomstig artikel 2.7.1.0.7 VCF.

Hiervoor kan worden verwezen naar het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst met betrekking tot gesplitste aankoop of inschrijvingen vruchtgebruik – blote eigendom en het tegenbewijs (SP nr. 20067 dd. 21/06/2021).

Aanvrager stelt dat de schenking van de blote eigendom van de deelbewijzen van de maatschap zal gebeuren middels een Belgische notariële akte die aan schenkbelasting zal worden onderworpen. Aangezien er in casu geen sprake is van een bedekte bevoordeling doch wel van een openlijke bevoordeling, zal er geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.7 VCF.

4) Onderzoek van artikel 2.7.1.0.9 VCF

29. Zoals hiervoor onder randnummer 25 aangehaald, wordt in het op vraag van het besluitvormingsorgaan voorgelegde ontwerp van notariële schenkingsakte voorzien om een optionele rentelast op te leggen aan de begiftigden

Artikel 9. Optionele rentelast

De Schenker bedingt als last van de door hem gedane Schenking (of wat bij wijze van wettelijke of contractuele zaakvervanging of indeplaatsstelling hiervan in de plaats zou zijn getreden) lastens elk van de Begiftigden dat zij jaarlijks een rente ten belope van maximaal * euro (€ *) (te indexeren conform het hierna bepaalde) aan de betreffende Schenker zullen betalen.

De Begiftigde(n) zal/zullen de jaarlijkse rente voldoen bij éénmalige betaling, en dit binnen de maand nadat de Schenker erom heeft gevraagd, via storting op een door de betreffende Schenker aangeduide bankrekening.

Voormelde rente wordt jaarlijks, dit is op de verjaardag van onderhavige akte, aangepast aan de evolutie

van het Belgisch indexcijfer van de consumptieprijzen (consumptie- en prijsindex) en wordt daartoe gekoppeld aan het basisindexcijfer van de maand * 2026. Het nieuwe indexcijfer waaraan het bedrag aangepast zal worden, is dat van de maand die de aanpassing voorafgaat. Deze aanpassing geschiedt automatisch en zonder dat de Schenker erom moet verzoeken. Het aangepaste bedrag kan nooit lager zijn dan het in deze akte overeengekomen basisbedrag.

Deze last is pas uitvoerbaar enkel en alleen voor zover de uitvoering ook effectief wordt verzocht door de Schenker en is niet meer opeisbaar indien het totaal van de opgevraagde rentelasten door de Schenker sinds de Schenking een bedrag gelijk aan vijfenzeventig procent (75%) van de waarde van de Geschonken Goederen heeft bereikt.

De Schenker behoudt zich het recht voor om de rente op te vragen, tot twee maand na het jaar waarin hij er recht op heeft. Hij zal de rente elk van de Begiftigden/de Begiftigde persoonlijk en schriftelijk opvragen, hetzij per brief, hetzij per email, hetzij via enig ander communicatiemiddel. Na het verstrijken van deze termijn, en bij gebreke aan tijdige opvraging, vervalt dit recht.

Indien (een van) de Begiftigde(n) in gebreke blijft haar deel van de rente te voldoen binnen veertien dagen na de vervaldag, zal het vervallen en niet betaalde bedrag van rechtswege en zonder ingebrekestelling interest opbrengen tegen de interestvoet die wordt gehanteerd om de gerechtelijke interesten te berekenen, vanaf de vervaldag tot de dag van de werkelijke betaling.

Artikel 10. Last tot verzorging

De Schenker bedingt als last van huidige schenking en restschenking lastens elk van de Begiftigden voor wat de aan haar/hem/hen Geschonken Goederen betreft, dat zij de verplichting heeft/hebben ten aanzien van hem, om kosten van medische en ambulante verzorging, kosten van ziekenhuis, rusthuis, serviceflat, thuisverpleging, en dergelijke meer, kortom alle kosten van onder andere medische hulpbehoevendheid en zorgbehoevendheid van de Schenker te dragen, lastens de Begiftigden sub C in gelijke delen, voor zover deze kosten niet worden terugbetaald door een ziekenfonds of enige verzekering en zij de som van tweeduizend vijfhonderd euro (€ 2.500) per jaar overtreffen.

Deze last is pas uitvoerbaar voor zover de uitvoering ervan ook effectief wordt verzocht door de Schenker en is niet meer opeisbaar indien het totaal van de ten laste genomen kosten (samen met de rentelast voormeld in artikel 9 van onderhavige schenking) sinds de Schenking een bedrag gelijk aan vijfenzeventig procent (75%) van de waarde van de Schenking heeft bereikt.”

30. Door de plafonnering van de geldelijke last op 75% van de waarde van de schenking op het moment van de schenking, wordt beoogd dat de last niet zo hoog oploopt dat het in feite geen schenking meer is, waardoor er zich een herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zou opdringen.

Het besluitvormingsorgaan aanvaardt dat voor zover de schenking niet kan worden uitgeput door de plafonnering van de last, er geen herkwalificatie naar contract onder bezwarende titel zal gebeuren.

In dit geval zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.9 VCF.

5) Onderzoek van artikel 3.17.0.0.2 VCF (de antimisbruikbepaling)

31. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

32. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker. De ratio legis van deze bepaling is dat een schenker niet de facto de overdracht van geschonken goederen mag uitstellen tot op het ogenblik van het overlijden.

33. De voorgenomen verrichtingen, namelijk de oprichting van een maatschap door twee echtgenoten, gevolgd door een notariële schenking van aan aantal aandelen van deze maatschap voor de blote eigendom van de ene echtgenoot-vennoot (de man) aan de andere echtgenote-vennoot (de vrouw), alsook een restschenking door de man aan de beide kinderen van het echtpaar, maken fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

Uit de concrete omstandigheden van het dossier kan worden afgeleid dat de voorgenomen verrichtingen tot doel hebben de rechtstreekse toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF te ontwijken en dat hierbij gehandeld wordt in strijd met de doelstelling van dit artikel, en dat bijgevolg finaal de erfbelasting wordt ontweken, waarbij het ontwijken van de erfbelasting de enige/overwegende beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandelingen.

34. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF bevat een fictie in de erfbelasting voor schenkingen van roerende goederen onder een opschortende modaliteit van het overlijden van de schenker.

De ratio legis van deze fictiebepaling is historisch als volgt te verklaren:

Bij het decreet van 19 december 2003 werden voor schenkingen van roerende goederen twee verlaagde vlakke tarieven ingevoerd; namelijk 3% voor schenkingen van roerende goederen in de rechte lijn en tussen partners en 7% voor andere schenkingen van roerende goederen. De ratio legis van de invoering van deze verlaagde vlakke tarieven was het aanbieden van een stimulans om roerend vermogen tijdens het leven over te dragen van een oudere, vaak meer vermogende generatie, aan de jongere generatie, die de geschonken goederen dan in het economisch circuit kon brengen.

De Memorie van Toelichting bij het decreet van 24 december 2004 - waarbij het fictie-artikel 4,3° Wb Succ., thans artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, wordt ingevoerd - stelt na het decreet van 19 december 2003 vast dat:Een belangrijk positief neveneffect van deze maatregel is het sneller activeren van roerende kapitalen, nog tijdens het leven van de schenker, wat een jongere generatie zal toelaten om sneller hun droom, bijvoorbeeld het opstarten van een eigen zaak, of het verwerven van een eigen woonhuis, met de financiële steun van ouders, grootouders of andere familieleden te realiseren.”

Vervolgens wordt in deze Memorie van Toelichting aangehaald dat in de praktijk schenkingen gedaan worden waarbij het vermogen de facto niet overgedragen wordt, maar dat deze overdracht wordt uitgesteld tot aan het overlijden van de schenker. Hierdoor wordt dit vermogen dus niet onmiddellijk in het economisch verkeer gebracht, met als gevolg dat de jongere generatie er niet over kan beschikken, en dit dus in tegenstelling met wat de bedoeling van de wetgever was.

Gezien deze schenkingen economisch gezien hetzelfde effect hebben als een legaat, zullen ze hier fiscaal mee gelijk gesteld worden.

Dit blijkt ook uit de tekst van de Memorie van Toelichting bij het decreet van 24 december 2004, waarin volgende passage werd opgenomen:

Bij decreet van 9 december 2003 werd, voor wat het Vlaamse Gewest betreft, een bijzonder sterk verlaagd tarief ingevoerd voor het registratierecht op schenkingen onder de levenden van roerende goederen. De bedoeling van deze maatregel was een fiscale hinderpaal, die het doorgeven van roerende vermogens tussen generaties tijdens het leven van de overdrager bemoeilijkt, weg te nemen. Dankzij deze maatregel is het niet langer noodzakelijk zijn toevlucht te nemen tot minder rechtszekere oplossingen. De maatregel heeft trouwens zijn effect niet gemist. Van januari 2004 tot en met mei 2004 werden liefst 1.286 akten tegen dit nieuwe voordelige tarief geregistreerd. En uit de ontvangsten van de schenkingsrechten de afgelopen maanden blijkt duidelijk dat dit aantal de voorbije maanden nog sterk is opgelopen. De Vlamingen hebben dus duidelijk het belang van deze maatregel ingezien. Een belangrijk positief neveneffect van deze maatregel is het sneller activeren van roerende kapitalen, nog tijdens het leven van de schenker, wat een jongere generatie zal toelaten om sneller hun droom, bijvoorbeeld het opstarten van een eigen zaak, of het verwerven van een eigen woonhuis, met de financiële steun van ouders, grootouders of andere familieleden te realiseren. Het tarief van het registratierecht op schenkingen van roerende goederen bedraagt in het Vlaamse Gewest sedert 1 januari 2004 immers 3% voor schenkingen gedaan tussen personen die in rechte lijn met elkaar verwant zijn, en 7% voor schenkingen tussen alle andere personen. Het verschil met de tarieven van de successierechten voor verervingen tussen dezelfde personen is enorm. Dit kan betrokkenen ertoe aanzetten om nog tijdens het leven, op een fiscaal voordelige manier, de roerende goederen aan de toekomstige erfgenamen of legatarissen over te dragen. Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde Vlaamse tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden, geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheeken griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich met de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”

35. Het is in casu duidelijk dat door de voorgenomen verrichtingen de doelstelling van het artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF als fictiebepaling wordt gefrustreerd om hierna vermelde redenen.

Uit de voorgelegde feitenconstellatie blijkt immers dat de verrichtingen ondernomen worden met als finaliteit, de bescherming van de echtgenote voor het geval de schenker-echtgenoot zelf als eerste zou overlijden. Om deze bescherming te organiseren wordt door de echtgenoot een schenking aan de echtgenote gedaan, welke schenking wegens een quasi-totaal en levenslang controlevoorbehoud, slechts definitief zal zijn indien de echtgenoot-schenker als eerst overlijdt.

Aanvragers melden dat het belangrijkste doel van de verrichtingen bestaat in de bescherming van de echtgenote-begiftigde bij vooroverlijden van de schenker-echtgenoot. Dit wordt aldus door de aanvraag gemeld, alsook mondeling tijdens de voorafgaande hoorzitting gehouden op 16 december 2025.

Zo verklaren aanvragers onder randnummer 6 van de aanvraag: “de heer X wenst in eerste instantie zijn echtgenote, mevrouw Y, bij zijn overlijden maximaal te beschermen.

Hij wenst dat na zijn overlijden mevrouw Y finaal alle geschonken aandelen in volle eigendom kan aanhouden en hierover – weliswaar rekening houdend met de figuur van de Maatschap en de beperkingen hieraan en deze gekoppeld aan de restschenking – kan beschikken, zodat ze ten allen tijde voldoende financiële middelen voor handen heeft en in haar levensonderhoud kan voorzien.” (eigen benadrukking)

Deze doelstelling om de echtgenote pas te begunstigen na het overlijden van de echtgenoot, blijkt naast de herroepelijkheid van de voorgenomen schenking, ook uit de overige elementen van de voorgenomen verrichting, welke als geheel een quasi-totaal controlevoorbehoud tijdens het leven van de schenker organiseren:

Nadat beide echtgenoten een maatschap opgericht hebben, waarbij de inbreng in maatschap quasi volledig door de echtgenoot gedaan wordt (de echtgenote brengt een relatief klein bedrag in van 1.000,00 euro), en waarbij aan de inbrengers maatschapsaandelen worden toegekend, zal de echtgenoot een aantal van de hem toegekende aandelen van de maatschap in blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik schenken aan zijn echtgenote, en in zelfde akte bij wijze van restschenking aan de kinderen van het echtpaar.

De maatschap waarvan de aandelen in blote eigendom aan de echtgenote geschonken worden, zal worden opgericht voor een duurtijd die overeen komt met de te verwachten levensduur van de man. De vervroegde ontbinding van de maatschap kan enkel door de man beslist worden (art. 4.3 ontwerp statuten van de maatschap).

De notariële schenking die door de echtgenoot aan de echtgenote gedaan zal worden is ingevolge het Burgerlijk recht ad nutum herroepbaar (art. 4.240 BW). In randnummers 6 en 8 van de aanvraag geven aanvragers aan dat het voor de heer X van belang is om steeds de mogelijkheid te hebben, zolang hij in leven is, om de verrichte schenking aan zijn echtgenote te herroepen. Dit maakt, nog volgens aanvragers de andere elementen van controlevoorbehoud van relatief belang.

Dit controlevoorbehoud bestaat onder meer uit volgende elementen:

De echtgenoot-schenker zal als enige statutaire zaakvoerder aangesteld worden voor de duur van zijn leven Deze aanstelling is onherroepelijk. (art. 8 van de ontwerpstatuten).

Volgens de maatschapsstatuten dienen alle beslissingen steeds goedgekeurd worden door de echtgenoot-schenker/kan de echtgenoot schenker alleen beslissingen nemen:

  • als enige zaakvoerder kan hij alle daden van beheer stellen (artikel 8 van de ontwerpstatuten)
  • als vruchtgebruiker van de aandelen dient hij voor alle daden van beschikking zijn akkoord te geven (artikel 12.3 van de ontwerpstatuten)
  • als zaakvoerder kan alleen hij wijzigingen aan artikel van de statuten aanbrengen waarin de bevoegdheden van de zaakvoerder bepaald worden (artikelen 12.4 en 17.6 van de ontwerpstatuten)
  • als vruchtgebruiker kan hij alleen beslissen over de al dan niet uitkering van winsten (art. 17 van de ontwerp statuten); als vruchtgebruiker is hij de enige mogelijke begunstigde van mogelijke uitkeringen

De uitvoering van de geldelijke lasten die aan de begiftigde echtgenote worden opgelegd, dient te gebeuren door intering op de aandelen van de begiftigde in de maatschap

36. In casu zorgt het controlevoorbehoud ervoor dat in combinatie met de ad nutum herroepbaarheid van de schenking, de begunstigde echtgenote tijdens het leven van haar schenkende echtgenoot niet kan beschikken over het door haar te ontvangen vermogen, terwijl het verzekeren van een werkelijke en beschikbare overdracht juist één van de doelstellingen van het nieuwe fictie-artikel was. De schenkende echtgenoot blijft de facto levenslang de volledige beslissingsmacht behouden over dit vermogen. Dit is strijdig met de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

Door de vooropgestelde constructie zal het over te dragen vermogen van de echtgenoot aan zijn echtgenote, de facto onbeschikbaar zijn voor haar tijdens het leven van de echtgenoot-schenker.

Gelet op de concrete feitenconstellatie wordt geoordeeld dat de mate van controlevoorbehoud door de schenker van die aard is, dat toepassing wordt gemaakt van art. 3.17.0.0.2 VCF wegens ontwijking van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF, dit in strijd met de doelstellingen van dit artikel zoals hiervoor uiteen gezet werd.

37. Aanvragers halen in hun aanvraag geen niet-fiscale motieven aan die op afdoende wijze de keuze voor de voorgenomen verrichtingen zouden verantwoorden buiten het ontwijken van de erfbelasting. De hoofdbedoeling van aanvragers bestaat erin de langstlevende echtgenote te beschermen in geval van vooroverlijden van de schenker-echtgenoot. Deze niet-fiscale doelstelling toont juist aan dat het de bedoeling is om de schenking pas te realiseren bij vooroverlijden van de schenkende echtgenoot.

38. Bijgevolg zal bij overlijden van de echtgenoot toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF worden gemaakt wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF. Dit betekent dat de verrichting wordt gelijkgesteld met de verrichting beoogd in art. 2.7.1.0.3, 3° VCF, waardoor deze als legaat wordt beschouwd.

39. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.

Voetnoten

[1] Bij email bericht van 1 december 2025 deelde aanvrager volgende bijkomende informatie mee aan het besluitvormingsorgaan betreffende deze inbreng ‘in verschillende fases’:

Wat de verwijzing naar de stapsgewijze inbreng betreft, wordt hierbij gedoeld op het feit dat de aanvrager de mogelijkheid wil hebben om in een latere fase op eenzelfde wijze bijkomend vermogen in eerste instantie aan zijn echtgenote en subsidiair aan zijn dochters te laten toekomen. Hierbij wordt in het bijzonder gedacht aan bijvoorbeeld verkoopopbrengsten van onroerende goederen, welke eigendom zijn van de heer X en waarvan hij de intentie heeft bepaalde van deze onroerende goederen op termijn te verkopen.”

[2] Een ontwerp van de statuten van de maatschap wordt als bijlage bij de aanvraag gevoegd.

[3] Een ontwerp van de notariële schenkingsakte werd als bijlage bij een emailbericht van aanvrager van 1 december 2025 voorgelegd. Uit dit ontwerp blijkt dat, naast het voorbehoud van vruchtgebruik, zoals beschreven in de oorspronkelijke aanvraag, artikel 9 van de ontwerpakte voorziet in een rentelast op te leggen aan de begiftigden in voordeel van de schenker.

[4] J. Ruysseveldt, Vlaamse Erfbelasting, Knokke, Lex Forum, 2015, 87.

[5] J. Ruysseveldt, Vlaamse Erfbelasting, Knokke, Lex Forum, 2015, 87.

[6] W. Van Gerven, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 1998-99, 18-19.

[7] Decuyper J. en Ruysseveldt J., Successierechten 2018-2019, 2019, Deel II, 1552-1553, afl. 1712/1.

[8] Barbaix R., Het contractuele statuut van de schenking, 2008, 339-340.

[9] Gruyaert D., ‘Fiduciaire rechtsfiguren in het notariaat’ in Buyssens F. en Verbeke A. L. (eds.), 2016-2017, 2017, 64-74.

[10] Vanroye J., ‘Slingerende toerekening: de zakelijke rechten van een maatschap’, TRV 2014, 258.