Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25128 - Wijziging huwelijksovereenkomst vervanging verrekenbedingen door verblijvings- en toekenningsbedingen Vlaamse Belastingdienst

VB 25128 - Wijziging huwelijksovereenkomst vervanging verrekenbedingen door verblijvings- en toekenningsbedingen

Voorafgaande beslissing
Nummer

25128

Datum beslissing

28 januari 2026

Publicatiedatum

6 maart 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3, 3° VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.7.3.4.1, 1e lid VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De echtgenoten X-Y zijn gehuwd op xx.xx.1970 onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1970.[1]

2. Hun huwelijksovereenkomst werd gewijzigd op xx.xx.2011 voor notaris […] te […], met behoud van het stelsel van scheiding van goederen en met toevoeging van een facultatief finaal verrekenbeding in geval van ontbinding van het huwelijk ingevolge overlijden.[2]

3. Vervolgens hebben de echtgenoten op xx.xx.2017 hun bestaande huwelijksovereenkomst verder verfijnd door een aanpassing van de verrekensleutel in het facultatief finaal verrekenbeding bij akte verleden voor notaris […] te […]. Omwille van de duidelijkheid en de coherentie werd hun huwelijksovereenkomst integraal vervangen zodat deze huwelijksovereenkomst alle bepalingen bevatte die hun huwelijksstelsel beheersten en een samenhangend en coherent geheel vormde.[3]

4. De echtgenoten hebben op xx.xx.2025 het optioneel finaal verrekenbeding in hun geldende huwelijksovereenkomst geschrapt en hun huwelijksstelsel aangevuld met een optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding, om hun wens te waarborgen om een eerlijke, billijke, solidaire en evenwichtige regeling in geval van ontbinding van hun huwelijk door overlijden te bewerkstelligen. In geval van ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding hebben zij voorzien in een forfaitair billijkheidsbeding. De fiscale uitwerking van dit forfaitair billijkheidsbeding maakt niet het voorwerp uit van deze aanvraag.

5. De regeling ten voordele van de langstlevende is vervat in (i) een optioneel verblijvingsbeding met betrekking tot hun onverdeelde goederen en (ii) een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot nader aangewezen categorieën van eigen goederen van de echtgenoten en waarvan de modaliteiten en de keuzemogelijkheden in bijgevoegde huwelijksovereenkomst nader zijn uitgewerkt.[4]

6. De echtgenoten wensen bevestiging over de fiscale behandeling van de huwelijksovereenkomst voor het geval van overlijden van één van hen. Daarom vragen de echtgenoten om bevestiging te krijgen dat:

  • de vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door een optioneel verblijvingsbeding en de uitwerking ervan, zoals vervat in de artikelen 31 en 32 (algemene principes), en 33 tot en met 37 (optioneel verblijvingsbeding) van de huwelijksovereenkomst, niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna genoemd ‘VCF’), 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door een optioneel verblijvingsbeding en de uitwerking ervan evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door een optioneel toekenningsbeding en de uitwerking ervan, zoals vervat in de artikelen 31 en 32 (algemene principes), en 38 tot en met 43 (optioneel toekenningsbeding) van de huwelijksovereenkomst, niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door een optioneel toekenningsbeding en de uitwerking ervan evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt.

Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting, meer bepaald de toepassing van bepaalde fictiebepalingen, is dit geheel anders. De heffing zal immers – naar alle verwachting – pas vele jaren later plaatsvinden, bij overlijden van één van de echtgenoten.

We wensen dan ook voor deze aanvraag een verlengde duurtijd aan te vragen, meer bepaald tot aan het overlijden van één van de echtgenoten gezien de aanvraag betrekking heeft op de uitwerking van een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding dat slechts uitwerking kan krijgen als het huwelijksstelsel van de echtgenoten ontbonden wordt door het overlijden van één van de echtgenoten.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

7. De aanvraag wordt ingediend door de heer […] en de heer […], […], namens:

de heer X, geboren te […] op xx.xx.1944 en gekend met rijksregisternummer […] (hierna genoemd ‘de heer X) en mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1946 en gekend met rijksregisternummer […] (hierna genoemd ‘mevrouw Y) (beiden hierna samen ook genoemd ‘de echtgenoten’). De echtgenoten wonen samen te […].

De echtgenoten hebben samen twee gemeenschappelijke kinderen en geen van hen heeft een niet-gemeenschappelijk kind.

De echtgenoten hebben beiden de Belgische nationaliteit en hebben hun (fiscale) woonplaats sedert meer dan 5 jaar in het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

8. De echtgenoten kozen initieel voor een huwelijksstelsel van zuivere scheiding van goederen, dat zij vervolgens op xx.xx.2011 hebben aangevuld met een facultatief finaal verrekenbeding in geval van ontbinding van het huwelijk ingevolge overlijden.

9. De wens om hun basisstelsel van scheiding van goederen te behouden is niet gewijzigd, gelet op de voor hen specifiek relevante voordelen die dat stelsel hen biedt, met name behoud van de autonomie van de echtgenoten. Zij hebben dit evenwel op een andere manier ingevuld door het optioneel finaal verrekenbeding in hun eerdere huwelijksovereenkomst te schrappen en te vervangen door:

  • een huwelijksvermogensrechtelijke regeling ten voordele van mevrouw Y in geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding;
  • een huwelijksvermogensrechtelijke regeling ten voordele van de langstlevende van hen via (i) een optioneel verblijvingsbeding en (ii) een optioneel toekenningsbeding.

De bedingen zijn optioneel in die zin dat de langstlevende kan kiezen voor de integrale toepassing ervan, of voor een beperkte toepassing ervan, volgens de keuzemogelijkheden nader in de huwelijksovereenkomst uitgewerkt.

10. De aanvraag van de echtgenoten betreft de regeling die ze voor het geval van overlijden hebben opgenomen in de huwelijksovereenkomst, dus zowel het verblijvingsbeding als het toekenningsbeding, telkens met de daaraan gekoppelde keuzemogelijkheden. Deze bedingen worden hierna verkort aangeduid als enerzijds het ‘optioneel verblijvingsbeding’ en anderzijds het ‘optioneel toekenningsbeding’, of samen de ‘optionele bedingen’. Onder deze verkorte aanduiding moeten telkens, zoals hierna toegelicht, worden begrepen, enerzijds, zowel het beding dat in een integrale verblijving van elk van de onverdeelde goederen voorziet, als de alternatieve keuzemogelijkheden voor een beperkte of alternatieve toewijzing en anderzijds, zowel het beding dat in een integrale toekenning van elk van de nader bepaalde toe te kennen goederen voorziet, als de alternatieve keuzemogelijkheden voor een beperkte toekenning voor elk van deze goederen.

De werking van deze bedingen wordt hierna toegelicht.

11. Met het verblijvingsbeding beogen de echtgenoten ten voordele van de langstlevende, ongeacht wie van de echtgenoten als eerste overlijdt, de integrale toewijzing in volle en exclusieve eigendom van alle goederen die op het tijdstip van overlijden van één van de echtgenoten tussen hen in onverdeeldheid zijn. Het is daarbij irrelevant of het om een onverdeeldheid van roerende dan wel onroerende goederen gaat. Evenmin is het relevant wat de oorsprong van de onverdeeldheid is, of wat de verhouding is waarin de echtgenoten in die onverdeeldheid gerechtigd zijn.

12. Het verblijvingsbeding is evenwel optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op dit verblijvingsbeding wenst te beroepen, kan hij of zij dus nog kiezen, voor de door hem of haar aan te wijzen onverdeelde goederen, voor een beperkte toewijzing (bijvoorbeeld beperkt tot vruchtgebruik van alle of van sommige onverdeelde goederen), of voor een afwijkende toewijzingssleutel (voor een groter of kleiner breukdeel van dit onverdeeld goed). Indien de langstlevende echtgenoot geen (tijdige) keuze maakt, zal het verblijvingsbeding geen uitwerking hebben.

13. Met het toekenningsbeding verleent elke echtgenoot de andere, voor zover hij of zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van in de huwelijksovereenkomst vermelde goederen of categorieën van goederen, waarvan de ene dan wel de andere echtgenoot exclusief eigenaar is op het moment van zijn of haar overlijden en die niet in onverdeeldheid met de andere echtgenoot zijn. De regeling geldt louter voor de goederen of categorieën van goederen die in de huwelijksovereenkomst worden gespecifieerd voor zover deze goederen op het ogenblik van overlijden van de eigenaar ervan in zijn of haar vermogen aanwezig zijn. Deze goederen worden in het ontwerp van huwelijksovereenkomst en hierna aangeduid als de ‘toe te kennen goederen’.

14. Het toekenningsbeding is evenwel optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op dit toekenningsbeding wenst te beroepen, kan hij of zij dus nog kiezen, voor de door hem of haar toe te kennen goederen, voor een beperkte toekenning (bijvoorbeeld beperkt tot vruchtgebruik van alle of van sommige toe te kennen goederen), of voor een afwijkende toekenningssleutel beperkt tot een breukdeel, voor zover de goederen waarvoor die afwijking toepasselijk zou zijn, gevoeglijk deelbaar zijn, zodat geen onverdeeldheid ontstaat tussen het vermogen van de langstlevende en de nalatenschap van de overleden echtgenoot. Indien de langstlevende echtgenoot geen (tijdige) keuze maakt, wordt het toekenningsbeding niet toegepast. Alle toe te kennen goederen behoren dan tot de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot.

III. Motivering van de aanvraag

Algemene motivering voor al deze verrichtingen: huwelijksvoordelen creëren

15. De echtgenoten hebben destijds gekozen voor een stelsel van scheiding van goederen. De wens tot behoud van het stelsel is op heden niet veranderd. Zij willen immers tijdens hun huwelijk in het beheer van hun inkomsten en van hun vermogens de ruimste autonomie genieten en behouden.

16. De echtgenoten creëren in de huwelijksovereenkomst een aanvulling op het stelsel van scheiding van goederen met een eerlijke evenwichtige en billijke huwelijksvermogensrechtelijke regeling, voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden van één van hen, die voor de verdere duur van het huwelijk moet bestaan. Voor het geval van echtscheiding voorzien ze ook in een regeling ter bescherming van mevrouw Y, maar deze maakt niet het voorwerp uit van vraagstellingen in deze aanvraag.

17. De belangrijkste beweegreden die de echtgenoten ertoe bracht deze regeling in hun huwelijksovereenkomst op te nemen, ligt in de kwalificatie ervan als huwelijksvoordelen. De echtgenoten integreren deze bedingen in hun huwelijksstelsel, dat voor hen slechts een eerlijke, evenwichtige en billijke regeling bevat als het met deze bedingen gepaard gaat. Deze regeling beoogt immers de hardheid van de scheiding van goederen te verzachten en te corrigeren op een wijze die volkomen aansluit bij de wensen van de echtgenoten.

18. De echtgenoten verklaren bovendien dat de onverdeelde goederen waarop het verblijvingsbeding toegepast zal kunnen worden en de goederen waarop het toekenningsbeding toegepast zal kunnen worden huwelijkse aanwinsten zijn. De echtgenoten hadden immers nog geen gezamenlijk verkregen goederen toen ze in het huwelijk zijn getreden. Het vermogen dat ze familiaal verkregen hebben of zullen krijgen is bovendien expliciet uit de toepassing van het toekenningsbeding uitgesloten. Met andere woorden sluit het voorwerp van de bedingen volkomen aan bij de basisgedachte van de theorie van de huwelijksvoordelen.

Bijkomende motieven voor het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding

18. De echtgenoten hebben sinds 2011 voorzien in een correctie op de strikte scheiding van goederen, destijds door toevoeging van een facultatief finaal verrekenbeding met betrekking tot de huwelijkse aanwinsten. De wens tot verzachting van de koude uitsluiting is op heden niet veranderd, maar de echtgenoten hebben ervoor geopteerd om hieraan een andere invulling te geven. Op basis van het finaal verrekenbeding zou de langstlevende echtgenoot immers louter een verbintenisrechtelijk vorderingsrecht verkrijgen, wat zich beperkt tot een geldelijke verrekening, bovendien in samenspraak met de erfgenamen. Dergelijke regeling biedt niet het niveau van comfort dat de echtgenoten aan de langstlevende onder hen willen toekennen.

19. Aangezien nu duidelijk is dat het mogelijk is om zakenrechtelijke huwelijksvoordelen toe te kennen aan de langstlevende echtgenoot hebben zij gebruik gemaakt van deze mogelijkheid in de huwelijksovereenkomst. Het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding zorgen voor een meer comfortabele situatie voor de langstlevende echtgenoot dan deze die door het optioneel finaal verrekenbeding werd gecreëerd.

20. Bovendien kunnen de echtgenoten dit opzet niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking, zoals hierna toegelicht.

21. Het optioneel verblijvingsbeding slaat op alle goederen die op het tijdstip van overlijden van één van de echtgenoten tussen hen in onverdeeldheid zijn. Deze goederen zijn per definitie goederen waaraan zij een gezamenlijke (meestal gezinsgebonden) bestemming toekennen, en waarvan beide echtgenoten willen dat ze bij overlijden van één van hen onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom, aan de langstlevende toebehoren, voor zover de langstlevende hiervoor kiest, eveneens los van iedere roeping tot de nalatenschap van de overleden echtgenoot.

22. Het optioneel toekenningsbeding slaat op concrete goederen van de ene dan wel van de andere echtgenoot, waarvan beide echtgenoten willen dat ze evenzeer bij overlijden van één van de echtgenoten onbeperkt, onmiddellijk en louter op basis van de wilsuiting van de langstlevende, ter zijne of hare beschikking worden gesteld, eveneens los van iedere roeping tot de nalatenschap van de overleden echtgenoot.

23. De optionele bedingen beogen de bescherming van de langstlevende echtgenoot. Ingevolge de zakenrechtelijke werking van het optioneel verblijvingsbeding of het optioneel toekenningsbeding kan de langstlevende echtgenoot vanaf het overlijden van de eerststervende echtgenoot in het bezit treden van de goederen waarvan de echtgenoten willen dat de langstlevende er ruim en vrij over kan beschikken, in de eigendomsverhouding die de langstlevende echtgenoot wenst.

24. De echtgenoten willen bovendien een onopzegbare regeling bereiken, zodat geen van hen deze regeling eenzijdig kan wijzigen of intrekken. Daarom wordt deze regeling in hun huwelijksovereenkomst opgenomen én in het gekozen huwelijksstelsel geïntegreerd. Hierbij hebben de echtgenoten aan de langstlevende, op hun onverdeelde goederen die op het einde van hun huwelijk in het vermogen van de eerst overledene aanwezig zullen zijn, en op bepaalde categorieën van goederen die hun op dat ogenblik exclusief zullen toebehoren, rechten toegekend die op dat ogenblik onbetwistbaar kunnen worden uitgeoefend, louter krachtens die huwelijksovereenkomst.

25. Om de langstlevende de billijke en evenwichtige regeling toe te kennen die ze voor ogen hebben, is een testamentaire beschikking dus niet geschikt, want die biedt de langstlevende het comfort niet van een bindende conventionele afspraak, zonder enig risico van willekeurige eenzijdige herroeping ervan.

Een schenking van toekomstige goederen of contractuele erfstelling kan wel onherroepelijk worden bedongen indien deze in de huwelijksovereenkomst wordt opgenomen (artikel 4.240 BW), maar is evenmin een door de echtgenoten gewenst alternatief voor het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding dat zij voor ogen hebben.

Vooreerst vereist een onherroepelijke contractuele erfstelling een intentie om te begiftigen (animus donandi), die allerminst aanwezig is in hoofde van de echtgenoten. Daarnaast wensen de echtgenoten door middel van het optioneel toekenningsbeding te voorzien in een regeling die beperkt blijft tot welbepaalde categorieën van eigen goederen van ieder van hen, en geen betrekking heeft op alle goederen van een echtgenoot of een gedeelte hiervan. Het Burgerlijk Wetboek biedt echter geen wettelijke basis voor een contractuele erfstelling ten bijzondere titel, dus enkel met betrekking tot welbepaalde goederen, waardoor het onzeker is of dergelijke contractuele erfstelling juridisch mogelijk is, in het bijzonder indien de echtgenoot-bedinger beschikkingsbevoegdheden op die goederen wenst te behouden, ook al zijn deze bevoegdheden niet onbeperkt (zie artikel 43 van de huwelijksovereenkomst).

De echtgenoten wensen inderdaad een regeling die met deze beschikkingsbevoegdheden verenigbaar is, binnen de grenzen die ze daar zelf voor bepalen. Een contractuele erfstelling is niet geschikt om deze doelstelling te bereiken, aangezien het onzeker is of de echtgenoten tijdens hun leven nog onder kosteloze titel (artikel 4.233, § 2 BW) dan wel onder bezwarende titel (artikel 4.235, derde lid jo. 4.237, § 3 BW) kunnen beschikken over de goederen die het voorwerp uitmaken van een contractuele erfstelling.

Evenmin is voor de echtgenoten de mogelijkheid van een schenking van tegenwoordige goederen geschikt om hun doelstellingen te bereiken. Een dergelijke schenking is ook onherroepelijk indien ze in de huwelijksovereenkomst wordt bedongen (art. 4.240 BW). Ze is echter totaal onverenigbaar met de ruimte die de echtgenoten mekaar willen laten om tijdens het huwelijk verder autonome beschikkingsbevoegdheden op het eigen vermogen uit te oefenen. Een dergelijke schenking zou immers onmiddellijk en actueel tot eigendomsoverdracht ten voordele van de andere echtgenoot leiden. Dat is niet wat de echtgenoten beogen. Ze willen een regeling ten voordele van de langstlevende, die enkel uitwerking heeft op het ogenblik van het overlijden van een van hen, en dus enkel overlevingsrechten toekent, geen actuele eigendomsrechten.

Bovendien is elke beschikking onder kosteloze titel ook onverenigbaar met de meest essentiële bekommernis van de echtgenoten, die mekaar voor de goederen in het beding omschreven, een niet- schenking willen toekennen, met andere woorden een huwelijksvoordeel, zoals reeds toegelicht.

26. Verder streven de echtgenoten ook naar flexibiliteit die ze voor de langstlevende wensen zodat hij of zij op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk door overlijden zelf mag bepalen of en in welke mate hij of zij zich op het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding wil beroepen. Deze flexibiliteit kan met een contractuele erfstelling niet worden bereikt, en dus ook aan deze wens van de echtgenoten beantwoordt een contractuele erfstelling niet. Een contractuele erfstelling kan na het overlijden van de beschikker wel door de begiftigde worden aanvaard (ook onder voorrecht van boedelbeschrijving) of verworpen, maar de begiftigde kan niet de optie worden verleend voor een gedeeltelijke aanvaarding, noch voor een aanvaarding beperkt tot bepaalde goederen.

Door de vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding in het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding behoudt de langstlevende de keuze om, na het overlijden van de andere, genoegen te nemen met een kleiner voordeel. De niet gekozen goederen vallen desgevallend in de nalatenschap van de overleden echtgenoot en zullen worden vererfd, ofwel krachtens de regels van de wettelijke devolutie, ofwel krachtens de testamentaire beschikking die de overleden echtgenoot hierover zou hebben getroffen. De langstlevende kan dus na overlijden zelf afwegen waar zijn of haar belangen best mee gediend zijn. Hij of zij mag daarbij zelfstandig oordelen of en hoe hij of zij op dat ogenblik deze eigen belangen afweegt met deze van de erfgenamen van de overleden echtgenoot.

27. Tot slot voorzien het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding dat de schulden die op het betrokken goed, voorwerp van een optioneel beding, betrekking hebben, hetzij exclusief ten laste vallen van de langstlevende, in geval van verblijving in exclusieve eigendom en ingeval van integrale toekenning; hetzij te zijnen of haren laste vallen in verhouding tot de waarde van het breukdeel dat hij of zij zich in dat goed laat toewijzen of toekennen, in geval van alternatieve toewijzing of toekenning.

De echtgenoten willen immers een consequente regeling uitwerken die volkomen met hun huwelijksstelsel is verweven, en daarom ook aan het principe onderworpen blijft dat de toekenning van een huwelijksvoordeel wel degelijk gepaard moet gaan met een parallelle regeling voor de schulden die aan het voorwerp van het huwelijksvoordeel verbonden zijn (ubi emolumentum, ibi onus). De echtgenoten verkiezen om in de logica van de kwalificatie als huwelijksvoordelen te blijven, ook al gaat dit gepaard met een risico verbonden aan een bijdrage in de eventuele schulden van de overleden echtgenoot; dat risico achten ze immers veel minder groot dan het inkortingsrisico dat ze hoe dan ook maximaal willen vermijden.

Ze weten uiteraard dat een beschikking onder kosteloze titel die ook ten bijzondere titel zou worden toegekend geen verplichting tot bijdrage in de schulden van de schenker of beschikker met zich zou meebrengen, maar een dergelijke beschikking zou ook geen voorrang hebben op de aanspraken van schuldeisers en kan de langstlevende dus op grond van de regel nemo liberalis nisi liberatus (niemand kan vrijgevig zijn zolang zijn schulden niet voldaan zijn), ook niet volkomen tegen dit schuldeisersrisico beschermen.

Conclusie

28. De vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding, laat de echtgenoten toe om, binnen het stelsel van scheiding van goederen en ten titel van huwelijksvoordeel, zonder intentie om te begiftigen, op een wijze die verenigbaar is met de autonomie die ze met dit stelsel onderling willen vastleggen, hun beider wensen voor de billijke en evenwichtige regeling van de langstlevende zeer ruim en tegelijk zeer flexibel te bereiken, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft. Dit gebeurt bovendien met een maximale uitschakeling van het risico van inkorting.

Deze civielrechtelijke motieven waren voor de echtgenoten doorslaggevend om het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding, die in deze aanvraag worden vermeld, met verzoek tot bevestiging van hun fiscale consequentie als uiteengezet, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.

De echtgenoten kunnen de door hun beoogde doelstellingen niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking.

Fiscale kwalificatie van de optionele bedingen

1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

29. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge de vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW. Hij heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen expliciet bevestigd (art. 2.3.64 § 1, vierde lid BW).

Beide optionele bedingen zijn huwelijksvermogensrechtelijke bedingen die de wijze van werking en vereffening van het huwelijksvermogensstelsel nader regelen en waaruit voor de langstlevende een huwelijksvoordeel kan ontstaan.

Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voorgaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen, sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen is onontvankelijk en mag dus zelfs niet geleverd worden (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut; ze kent geen uitzonderingen. Hooguit kan een huwelijksvoordeel inkortbaar zijn, indien het de maxima of plafonds overschrijdt zoals in artikel 2.3.57 BW vermeld (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met gemeenschappelijke kinderen) dan wel in artikel 2.3.58 BW (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met niet- gemeenschappelijke kinderen). Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel, ook onvolkomen huwelijksvoordeel genoemd, blijft evenwel een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017).

Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel, en dus niet-schenking, zowel voor volkomen als voor onvolkomen huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het overwogen optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst zijn opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

30. Omwille van de kwalificatie als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende van de echtgenoten zou verkrijgen hetzij krachtens het optioneel verblijvingsbeding, hetzij krachtens het optioneel toekenningsbeding, evenmin artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden toegepast. Dat artikel belast met erfbelasting schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

31. De optionele bedingen zullen weliswaar enkel uitwerking hebben bij overlijden van een van de echtgenoten, maar van een schenking kan hoe dan ook geen sprake zijn, vermits het om een huwelijksvoordeel gaat, dus om een niet-schenking.

De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst zijn opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

32. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot krachtens een beding van de huwelijksovereenkomst meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt. De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van een stelsel met een gemeenschap.

33. De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Aan dat stelsel werd zelfs geen beperkte noch een interne gemeenschap toegevoegd. Wel hebben de echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen zowel een optioneel verblijvingsbeding als een optioneel toekenningsbeding toegevoegd. Deze bedingen hebben geen betrekking op gemeenschapsgoederen, vermits tussen de echtgenoten geen gemeenschap bestaat noch wordt gecreëerd.

De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn dus niet vervuld. De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst zijn opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

34. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

  1. een kosteloze beschikking;
  2. gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;
  3. waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

35. De optionele bedingen houden evenwel geen kosteloze beschikking in, zoals hierboven reeds uitgebreid toegelicht. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking. Dat bevestigde ook het Hof van Cassatie (Cass. 5 januari 2017), zoals eerder aangehaald.

36. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF zijn niet vervuld. De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding, die beide in de huwelijksovereenkomst zijn opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

5. Geen toepassing van artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF

37. Artikel 2.7.3.4.1,1° VCF weert als passief van de nalatenschap de schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflaten en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel.

38. Het optioneel toekenningbeding heeft weliswaar betrekking op de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, maar doet in hoofde van de overleden echtgenoot geen obligatoire schuld ontstaan. Het beding creëert inderdaad in hoofde van de erfgenamen van de overleden echtgenoot geen schuld die hij of zij tegenover de langstlevende zouden moeten voldoen. Het verleent integendeel aan de langstlevende een rechtstreekse en zakelijke/zakenrechtelijke aanspraak op de toe te kennen goederen.

39. Hetzelfde kan worden gezegd over het optioneel verblijvingsbeding.

40. Bijgevolg is artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF niet toepasselijk op de vervanging van het facultatief finaal verrekenbeding door het optioneel toekenningsbeding en verblijvingsbeding. Er is geen sprake van een passief dat al of niet in mindering zou komen van het belastbaar actief van de nalatenschap van de overleden echtgenoot. Er is enkel sprake van een actief dat door de werking van het huwelijksvermogensrechtelijk beding aan de langstlevende echtgenoot wordt overgedragen, en bij het vaststellen van de omvang van de nalatenschap van de overleden echtgenoot, niet meer tot zijn vermogen behoort.

6. Geen beding van aanwas noch kanscontract in de zin van het SP 17044

41. De optionele bedingen verlenen huwelijksvoordelen, die louter huwelijksvermogensrechtelijk worden verkregen. Beide optionele bedingen zijn inderdaad in de huwelijksovereenkomst opgenomen als bedingen met betrekking tot de werking en vereffening van de vermogens van de echtgenoten. Ze zijn met het huwelijksstelsel verweven en maken daar integraal deel van uit. Ze kunnen niet los van het huwelijksstelsel worden begrepen, toegepast noch gekwalificeerd.

42. Er is met betrekking tot deze optionele bedingen dus geen sprake van een beding van aanwas respectievelijk van een kanscontract.

43. Naar het oordeel van uw dienst is de uitwerking van een kanscontract niet onderworpen aan de heffing van schenk- en erfbelasting (maar wel aan de heffing van het verkooprecht als het op onroerende goederen betrekking heeft) onder de voorwaarden die in SP 17044 zijn vermeld.

44. Dit standpunt is in casu irrelevant. De optionele bedingen die de echtgenoten in hun huwelijksovereenkomst opnemen, moeten niet aan de voorwaarden voldoen die voor een beding van aanwas respectievelijk voor een kanscontract gelden, omdat ze niet als een beding van aanwas respectievelijk kanscontract kwalificeren, maar wel als een huwelijksvoordeel. Ze zijn dus onderworpen aan zelfstandige eisen om niet aan schenk- en erfbelasting onderworpen te zijn en vallen niet onder de vereisten van het SP 17044.

De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het overwogen optioneel verblijvingsbeding en van het optioneel toekenningsbeding is niet onderworpen aan schenk- en erfbelasting, ook zonder dat aan de vereisten van SP 17044 moet zijn voldaan, omdat ze beide als huwelijksvoordelen kwalificeren.

7. De keuze voor de optionele bedingen maakt geen fiscaal misbruik uit

45. De optionele bedingen frustreren de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten geen schenking noch kosteloze beschikking ten voordele van mekaar en met uitwerking bij overlijden van één van hen beogen. Ze beogen een huwelijksvoordeel met de daaraan verbonden specifieke toepassingsvoorwaarden en zijn eigen civiele kwalificatie, zoals in deze aanvraag uitvoerig toegelicht. Daarom frustreert deze verrichting ook art. 2.7.1.0.5 VCF, dat enkel kosteloze beschikkingen beoogt, niet.

46. De optionele bedingen frustreren evenmin artikel 2.7.1.0.4 VCF, omdat er tussen de echtgenoten geen gemeenschap heeft bestaan en ook niet zal bestaan. Zij hebben steeds een stelsel van scheiding van goederen behouden.

47. De keuze voor het behoud van het stelsel van scheiding van goederen en de optionele bedingen die de echtgenoten daaraan hebben toegevoegd, frustreert evenmin artikel 2.7.1.0.2 VCF. Er bestaan voor die keuze en de daaruit te verkrijgen huwelijksvoordelen immers sterke niet-fiscale motieven, die uitvoerig zijn toegelicht.

48. Het optioneel toekenningsbeding frustreert artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF niet, omdat het beding geen schuld doet ontstaan die betrekking zou hebben op de vereffening van het stelsel in de zin van dat artikel.

49. De optionele bedingen frustreren noch een specifieke antimisbruikbepaling, noch de algemene antimisbruikbepaling. Artikel 3.17.0.0.2 VCF kan daarom niet op de optionele bedingen toegepast worden. De echtgenoten verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de in deze aanvraag uiteengezette motieven.

8. De verrichtingen hebben fiscaal nog geen uitwerking gehad

50. Overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1., §1 tweede lid VCF wordt onder een voorafgaande beslissing verstaan “de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van deze codex wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad”.

51. Een deel van de voorgenomen verrichtingen vond reeds plaats op het ogenblik van de indiening van deze aanvraag, namelijk de wijziging van de huwelijksovereenkomst.

De civielrechtelijke motieven om de bedingen in de huwelijksovereenkomst op te nemen voor de echtgenoten waren immers dermate doorslaggevend. De echtgenoten wilden de bevestigingen die het voorwerp zijn van deze aanvraag aldus niet afwachten om de wijzigingen door te voeren.

52. Dat de echtgenoten een beslissing van uw Dienst dus niet hebben afgewacht voor het uitvoeren van de wijziging van hun huwelijksovereenkomst, neemt evenwel niet weg dat de verrichtingen fiscaal nog geen uitwerking kregen.

53. Er is immers nog geen beroep gedaan op de bedingen die het voorwerp vormen van deze aanvraag: het forfaitair billijkheidsbedrag alsook de optionele bedingen die in de huwelijksovereenkomst zijn opgenomen, zullen immers maar (fiscaal) uitwerking krijgen op het ogenblik dat het huwelijk ontbonden wordt, hetzij door echtscheiding, hetzij door overlijden.

54. Aanvragers vermelden verder ter volledigheid nog dat uw Dienst al diverse Voorafgaande Beslissingen in vergelijkbare omstandigheden afleverde.

IV. Beslissing

55. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

56. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

57. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF:

Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard:

1° de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;

2° de begrafeniskosten.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling):

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting(en)

58. Aanvragers hebben bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2025, een wijziging aan hun huwelijksovereenkomst aangebracht, waarbij zij met behoud van hun stelsel van scheiding van goederen, de bestaande correcties aan dit stelsel vervangen hebben.

Voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden, hebben de echtgenoten X-Y, het bestaande finaal verrekenbeding van de aanwinsten, met mogelijkheid tot uitoefening van de verrekenvordering in natura, vervangen door verblijvings- en toekenningsbedingen.

Zowel het vervangen finaal verrekenbeding als de verblijvings- en toekenningsbedingen zijn optioneel bedongen. Deze optie houdt in dat de langstlevende de keuze heeft voor de integrale toepassing ervan, of voor een beperkte/geen toepassing ervan.

Voor het geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding voorziet deze wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2025 een regeling ter bescherming van mevrouw Y. Aanvragers hebben deze regeling uitgesloten van het voorwerp van de aanvraag.

59. Oorspronkelijk waren de echtgenoten X-Y gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen bij huwelijksovereenkomst van xx.xx.1970.

Bij wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2011 werd aan dit stelsel een correctie toegevoegd in de vorm van een finaal verrekenbeding voor de aanwinsten, welk verrekenbeding verder gemoduleerd werd bij wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2017.

Bij wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2025 werd deze bestaande correctie vervangen: Het optioneel finaal verrekenbeding van de aanwinsten voor de langstlevende echtgenoot werd bij deze laatste wijzigende akte vervangen door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen van de aanwinsten voor de langstlevende echtgenoot. Zoals voormeld werd tevens een wijziging doorgevoerd voor ontbinding van het huwelijk door echtscheiding, welke niet ter beoordeling voorligt.

Beoordeling

Optioneel verblijvingsbeding en optioneel eenzijdig toekenningsbeding

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede zin VCF

60. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

61. In de mate dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

62. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

63. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

2) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF?

64. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

65. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

3) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

66. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen goederen heeft volgens de aanvrager geen betrekking op een wettelijke of conventionele gemeenschap.

67. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

4) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

68. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

69. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

5) Mogelijke toepassing van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF?

70. Artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, VCF bepaalt welke schulden aanvaardbaar zijn als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner. Ingevolge de tweede volzin van dit artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, VCF zijn schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel niet aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap.

Aanvrager geeft aan dat de optionele verblijvings- en toekenningsbedingen geen schuld creëren, maar aan de langstlevende een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak verlenen op de onverdeelde goederen en op welbepaalde eigen goederen.

71. Zoals hiervoor reeds gemeld wordt, merkt het besluitvormingsorgaan op dat er in de rechtsleer verschillende stromingen bestaan voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen. Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenwel niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen.

Uit de motivering van de aanvraag blijkt dat aanvrager de analyse in de rechtsleer volgt, die zowel de (optionele) verblijvingsbedingen als de (optionele) toekenningsbedingen kwalificeren als een geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking in een stelsel van scheiding van goederen.

In de mate dat deze burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking correct is, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Dit heeft als gevolg dat door de optionele verblijvings- en toekenningsbedingen geen schuld gecreëerd wordt, zodat bij de verblijving en de toekenning ten gevolge van de nieuwe bedingen geen toepassing zal worden gemaakt van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

2.1. Algemeen

72. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting en de artikelen van hoofdstuk 8 (schenkbelasting) de rechtsgrond voor de heffing van de schenkbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, en dit doorslaggevend met fiscale motieven.

De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

2.2. In casu

73. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat aanvragers bij wijzigende huwelijksovereenkomst in datum van xx.xx.xxxx het bestaande optioneel finaal verrekenbeding bij overlijden vervangen hebben door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen bij overlijden.

74. Uit deze verrichtingen kan worden afgeleid dat deze tot doel hebben de rechtstreekse toepassing van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede zin, VCF te ontwijken in strijd met de doelstellingen van dit artikel en bijgevolg finaal het verschuldigd zijn van erfbelasting te vermijden, waarbij het ontwijken van de erfbelasting de overwegende beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandelingen.

Aanvragers vermijden doelbewust dat goederen die aan de langstlevende van hen toekomen, aan erfbelasting worden onderworpen.

Doelstelling van artikel 2.7.3.4.1, 1° tweede zin VCF

75. De tweede zin van 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF werd ingevoerd bij het decreet van 8 december 2017 houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken, als een “correctie op de onevenredige fiscale gevolgen van sommige bedingen in huwelijkscontracten.”[5]

Uit de parlementaire voorbereiding van dit decreet waarbij een tweede zin aan artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF werd toegevoegd, blijkt dat het de doelstelling van de decreetgever is om finale verrekenbedingen waarbij de vordering van de langstlevende echtgenoot als passief opgenomen wordt in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, niet meer onbelast te maken in de erfbelasting. De decreetgever geeft hierbij uitdrukkelijk aan dat deze onbelastbaarheid een onbillijke ongelijkheid teweegbrengt. Door de verrekenschuld uit het passief van de nalatenschap te weren, wordt de verrekenschuld van de nalatenschap belastbaar in de erfbelasting, waardoor deze ongewenste onbillijkheid eindigt.

Zo bepaalt de Memorie van Toelichting bij het Decreet van 8 december 2017:

“De belangrijkste aanpassingen van het voorliggende ontwerp van decreet situeren zich in de erfbelasting. Men voorziet grosso modo drie aanpassingen, telkens vanuit een andere bekommernis:

– een correctie op de onevenredige fiscale gevolgen van sommige bedingen in huwelijkscontracten;

(…)

De Vlaamse Belastingdienst stelt bij de behandeling van de ingediende aangiften van nalatenschap vast dat af en toe clausules in het huwelijkscontract opduiken

zoals ‘alsof-bedingen’, ‘finale’ en ‘facultatieve’ verrekenbedingen en dergelijke meer. Die bedingen hebben soms opmerkelijke gevolgen bij de berekening van de successierechten.

Zij komen voor bij echtgenoten die geopteerd hebben voor het stelsel van de scheiding van goederen. Stel bijvoorbeeld dat de man gewerkt heeft tijdens zijn leven, terwijl de vrouw heeft gezorgd voor het huishouden en de kinderen. De man heeft een vermogen van 100, het vermogen van de vrouw bedraagt 0. In het huwelijkscontract is een beding opgenomen met verrekening van 100/0. Bij het overlijden van één van de echtgenoten ontstaat een vordering van de langstlevende op de nalatenschap van de overleden echtgenoot. In het voorbeeld bekomt de vrouw een vordering van 100 op de nalatenschap van de man. De langstlevende wordt dus schuldeiser van de nalatenschap ten belope van die 100.

Volgende vaststellingen kunnen worden gemaakt:

  • dergelijke actieve schuldvordering van de langstlevende op de nalatenschap wordt in de huidige stand van de regelgeving niet met successierecht belast. De verkrijging beantwoordt niet aan de omschrijving van een van de belastbare verkrijgingen in de erfbelasting. Juridisch-technisch wordt het omschreven als een zogenaamd huwelijksvoordeel, en dat is niet belastbaar;
  • omgekeerd is de passieve schuld van de nalatenschap tegenover de langstlevende wel aftrekbaar als passief. De FOD Financiën en de Vlaamse Belastingdienst hebben die aftrekbaarheid jarenlang voor de rechtbank aangevochten met een arsenaal aan argumenten, maar het Hof van Cassatie heeft onlangs, bij arrest van 24 maart 2017, geoordeeld dat het wel degelijk over een aftrekbaar passief gaat.

Men moet dus de verrekenschuld van de nalatenschap ten aanzien van de langstlevende ten belope van 100, in mindering brengen van het actief van de nalatenschap dat 100 bedraagt. Bijgevolg blijft er geen belastbaar actief meer over: 100 – 100 = 0. De successierechten worden op die manier tot nul herleid, besluit de minister. Nochtans kan het over aanzienlijke sommen gaan. Vaak worden grote vermogens tussen echtgenoten overgedragen, zonder dat daarop successierechten verschuldigd zijn.

De Vlaamse Regering acht die werkwijze moeilijk houdbaar ten aanzien van belastingplichtigen die wel erfbelasting betalen over doorgaans kleinere en bescheiden vermogens, die meestal bestaan uit bijvoorbeeld de gezinswoning, wat spaartegoeden en een levensverzekering in het voordeel van de langstlevende partner. Vandaar dat zij in het voorliggende ontwerp van decreet geopteerd heeft voor een fiscale neutralisering van dergelijke bedingen.

De neutralisering heeft tot gevolg dat de gecreëerde schuldvordering niet langer aftrekbaar is als passief in de nalatenschap. In het voorbeeld is de schuld van de nalatenschap ten aanzien van de langstlevende echtgenoot-schuldeiser, niet langer aftrekbaar als passief. Het belastbaar actief blijft daardoor behouden op 100. Ander gevolg is dat de schuldvordering die de langstlevende echtgenoot bij het overlijden van de echtgenoot bekomt, niet belastbaar blijft als actiefbestand-deel, maar ook bij het tweede overlijden, dat van de langstlevende, zal de schuldvordering, in zoverre die op dat moment nog bestaat, onbelastbaar zijn.

De beoogde contractuele clausules blijven hun volledige burgerrechtelijke uitwerking tussen partijen behouden, maar voor de berekening van de erfbelasting worden ze voortaan genegeerd. Burgerrechtelijk worden de bedingen geïnspireerd door de bekommernis om de minst vermogende echtgenoot toch zekerheid te bieden bij het overlijden van de meest vermogende.”

“Het ontwerp van decreet viseert helemaal geen verkrijgingen tussen echtgenoten in het algemeen, noch huwelijkscontracten met scheiding van goederen. De keuze voor het stelsel van de scheiding van goederen kan volgens de minister zeer terecht zijn, vanwege de beroepsaansprakelijkheid van een van de echtgenoten bijvoorbeeld. Met de fiscale neutralisering beoogt de regering enkel een billijke fiscale behandeling. Zij viseert dus geenszins de huwelijkscontracten met scheiding van goederen, zoals hij zo-even benadrukte.

Met een finaal verrekenbeding wordt bij echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen bij het overlijden van de eerste echtgenoot een schuld gecreëerd lastens de nalatenschap in het voordeel van de langstlevende. (…)

Welnu, in de eerste plaats is hij bekommerd om een gelijke en billijke behandeling van alle belastingplichtigen. Wie heeft zelf een dergelijk beding in zijn huwelijkscontract opgenomen? Vinden de commissieleden het rechtvaardig dat hun echtgenoot of echtgenote en hun kinderen bij hun overlijden worden belast op de waarde van het bijeengespaarde vermogen (roerend, onroerend, spaartegoeden of andere activa) terwijl zijn buurman of buurvrouw dankzij een verrekenbeding een aanzienlijk vermogen bekomt zonder een euro erfbelasting? Hij citeert een auteur die een recente publicatie over deze problematiek besloot met de quote dat, als gevolg van de uitspraak van het Hof van Cassatie.”

Zo wordt bovendien in het Commissieverslag uiteengezet:[6]

“Volgende vaststellingen kunnen worden gemaakt:

  • dergelijke actieve schuldvordering van de langstlevende op de nalatenschap wordt in de huidige stand van de regelgeving niet met successierecht belast. De verkrijging beantwoordt niet aan de omschrijving van een van de belastbare verkrijgingen in de erfbelasting. Juridisch-technisch wordt het omschreven als een zogenaamd huwelijksvoordeel, en dat is niet belastbaar;
  • omgekeerd is de passieve schuld van de nalatenschap tegenover de langstlevende wel aftrekbaar als passief. De FOD Financiën en de Vlaamse Belastingdienst hebben die aftrekbaarheid jarenlang voor de rechtbank aangevochten met een arsenaal aan argumenten, maar het Hof van Cassatie heeft onlangs, bij arrest van 24 maart 2017, geoordeeld dat het wel degelijk over een aftrekbaar passief gaat.

Men moet dus de verrekenschuld van de nalatenschap ten aanzien van de langstlevende ten belope van 100, in mindering brengen van het actief van de nalatenschap dat 100 bedraagt. Bijgevolg blijft er geen belastbaar actief meer over: 100 – 100 = 0. De successierechten worden op die manier tot nul herleid, besluit de minister. Nochtans kan het over aanzienlijke sommen gaan. Vaak worden grote vermogens tussen echtgenoten overgedragen, zonder dat daarop successierechten verschuldigd zijn.

De Vlaamse Regering acht die werkwijze moeilijk houdbaar ten aanzien van belastingplichtigen die wel erfbelasting betalen over doorgaans kleinere en bescheiden vermogens, die meestal bestaan uit bijvoorbeeld de gezinswoning, wat spaartegoeden en een levensverzekering in het voordeel van de langstlevende partner. Vandaar dat zij in het voorliggende ontwerp van decreet geopteerd heeft voor een fiscale neutralisering van dergelijke bedingen.”

De invoering van de tweede zin van artikel 2.7.4.3.1, eerste lid, 1° VCF door het decreet van 8 december 2017 heeft dus als duidelijke doelstelling om de overgang van vermogen aan de langstlevende echtgenoot door een finaal verrekenbeding, aan erfbelasting te onderwerpen.

76. In casu hebben aanvragers hun bestaande finaal verrekenbeding, zoals opgenomen in twee opeenvolgende wijzigende huwelijksovereenkomsten (van xx.xx.2011 en van xx.xx.2017), bij akte van xx.xx.2025 vervangen door verblijvings- en toekenningsbedingen.

Door deze nieuwe bedingen verklaren aanvragers dat de te verblijven resp. toe te kennen goederen zakenrechtelijk het vermogen van de eerststervende echtgenoot verlaten bij de liquidatie van hun huwelijksvermogensstelsel.

Op die manier vermijden de aanvragers dat deze goederen in de nalatenschap van de eerststervende terecht komen, en hier ook belastbaar zijn in de erfbelasting doordat wegens de aanpassing door het decreet van 8 december 2017, de schuldvordering van de langstlevende niet meer als passief in deze nalatenschap aanvaard wordt.

Door deze wijziging wensen aanvragers bijgevolg te ontkomen aan de belastbaarheid van het finaal verrekenbeding zoals dit door de decreetgever gewenst is sedert de toevoeging van een tweede zin aan artikel 2.7.3.2.4, eerste lid, 1° VCF.

Onderzoek tegenbewijs

77. Aanvragers geven aan dat zij niet-fiscale motieven hebben om het bestaande finaal verrekenbeding te vervangen door verblijvings- en toekenningsbedingen.

Aanvragers geven aan dat “de maximale uitschakeling van het risico van inkorting” doorslaggevend was om de optionele verblijvings- en toekenningsbedingen in te lassen (zie randnummer 28 van de aanvraag hiervoor).

Deze niet-fiscale motivatie kan niet aanvaard worden, omdat zowel voor het finale verrekenbeding als voor de nieuwe bedingen uitgegaan wordt van de burgerrechtelijke vaststelling dat het om huwelijksvoordelen gaat (voor het verrekenbeding van aanwinsten is dit thans bovendien voor stelsels van scheiding van goederen uitdrukkelijk verankerd in het burgerlijk wetboek).

De beperking van het risico van inkorting door afstammelingen is bijgevolg volledig gelijk zowel voor het vervangen finale verrekenbeding als voor de nieuwe bedingen.

Bovendien gaat het zowel voor het opgeheven verrekenbeding als voor de nieuwe bedingen volgens de voorgelegde teksten van de wijzigende huwelijksovereenkomsten enkel om aanwinsten, zodat in casu de afstammelingen hun reserve in beide hypothesen niet kunnen laten gelden.

78. Volgens aanvragers zou de zakenrechtelijke werking van de nieuwe bedingen in de wijzigende huwelijksovereenkomst van 5 november 2025 voor de langstlevende echtgenoot een veel comfortabelere positie creëren dan het finaal verrekenbeding (zie randnummer 23 van de aanvraag hiervoor).

De facto zou het vervangen verrekenbeding echter dezelfde werking hebben als de nieuw ingevoerde bedingen:

  • In zowel de wijzigende akten van 2011/2017 als deze van 2025 worden de bedingen optioneel bedongen, zodat de langstlevende een expliciete schriftelijke keuze zal dienen te maken (opting-in), indien hij gebruik wenst te maken van het keuzerecht en in welke mate/voor welke goederen.
  • In zowel de wijzigende akten van 2011/2017 als deze van 2025, moet de netto-waarde van de door de langstlevende expliciet gekozen goederen overeengekomen worden met de erfgenamen van de eerststervende. Bij gebrek aan overeenstemming zullen ook in beide gevallen deskundigen aangesteld worden, en desgevallend wordt in beide gevallen beroep gedaan op arbitrage.
  • Bij het finaal verrekenbeding had de langstlevende echtgenoot in casu de keuze om zijn vordering al dan niet in natura uit te oefenen. Dit betekent dat de langstlevende echtgenoot bij de verrekenvordering kon kiezen of hij de goederen van het vermogen van de schuldenaar (eerststervende echtgenoot) in natura wenst te ontvangen, dan wel in waarde, terwijl voor de verblijvings- en toekenningsbedingen de gekozen goederen enkel in natura aan de langstlevende kunnen toekomen.

Hieruit volgt dat zowel het vervangen finale verrekenbeding als de nieuwe bedingen de facto dezelfde werking hebben voor de langstlevende echtgenoot. De juridische kwalificatie van verbintenisrechtelijk vorderingsrecht dan wel zakenrechtelijk recht houdt voor de langstlevende geen verschil in qua comfort: voor beide bedingen moet een uitdrukkelijke keuze van de langstlevende gemaakt worden en dienen desgevallend de erfgenamen van de eerststervende betrokken te worden. Meer nog, bij het vervangen finale verrekenbeding zou de langstlevende ook nog de keuze hebben om de goederen niet in natura te kiezen, maar enkel in waarde. Dit laatste mogelijke voordeel van het finaal verrekenbeding voor de langstlevende blijft door aanvragers onbesproken.

Hieruit volgt dat de opgegeven niet-fiscale motivatie niet als overtuigend aanvaard kan worden.

De vervanging van het optioneel finaal verrekenbeding door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen, maakt bijgevolg een planning uit waarbij aanvragers zich, in strijd met de doelstelling van artikel 2.7.4.3.1, eerste lid, 1°, tweede zin VCF, buiten de toepassing hebben geplaatst van dit artikel, door in de wijzigende huwelijksovereenkomst bepalingen op te nemen die de facto dezelfde werking hebben als de vervangen bepalingen.

Gevolg

79. Bijgevolg zal bij overlijden van een van de echtgenoten waarbij het verblijvingsbeding resp. het toekenningsbeding zal worden ingeroepen door de langstlevende echtgenoot, met deze overgang van goederen door verblijving/toekenning geen rekening worden gehouden. Ingevolge het fiscaal misbruik, zal de voorgelegde wijziging van het huwelijksstelsel immers niet tegenstelbaar zijn, in de mate dat deze wijziging het mogelijk maakt de toepassing van de erfbelasting te ontwijken.

80. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een afschrift van de huwelijksovereenkomst van xx.xx.1970 werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Een afschrift van de wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2011 werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Een afschrift van de wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2017 werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.

[4] Een afschrift van de wijzigende huwelijksovereenkomst van xx.xx.2025 werd gevoegd als bijlage bij de aanvraag.

[5] MvT, Vl..Parl., 2017-2018 (1301), nr. 1.

[6] MvT, Vl..Parl., 2017-2018 (1301), nr. 3.