Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25130 - Verwerping nalatenschap gevolgd door schenking Vlaamse Belastingdienst

VB 25130 - Verwerping nalatenschap gevolgd door schenking

Voorafgaande beslissing
Nummer

25130

Datum beslissing

9 februari 2026

Publicatiedatum

18 maart 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.4.1.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat de hierna uiteengezette voorgenomen rechtshandeling niet aanzien kan worden als fiscaal misbruik zoals bedoeld in artikel 3.17.0.0.2 VCF en dienvolgens bevestiging te krijgen dat de voorgenomen rechtshandelingen niet kunnen worden beschouwd als:

  • rechtshandelingen waarmee de belastingplichtige zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van de VCF of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
  • rechtshandelingen waarmee aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van de VCF of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Concreet strekt de aanvraag ertoe bevestiging te krijgen dat een schenking van gelden (roerende schenking) waarvan bewezen kan worden dat deze voor het overlijden van de erflater aanwezig waren in het vermogen van de erfgenaam-schenker, doch welke schenking gebeurt na de verwerping van de broers, zussen, neef en nicht van de overledene, gevolgd door de aanvaarding van de gehele nalatenschap door de ouders van de overledene (erfgenaam-schenker), geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

Partijen wensen tevens de bevestiging te krijgen dat de voorgenomen verrichting niet tot gevolg heeft dat de erfbelasting berekend wordt alsof de verwerping nooit zou hebben plaatsgevonden.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt door notaris […] te […] ingediend namens:

De heer X, rijksregisternummer […], en zijn echtgenote mevrouw Y, rijksregisternummer […], samen wonende te […].

Hierna genoemd “de partijen” of “de aanvragers”.

Alle aanvragers hebben sedert meer dan vijf (5) jaar voor heden hun fiscale woonplaats in Vlaanderen.

De voornoemde partijen zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract, ongewijzigd tot op heden.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

1. FEITEN

3. Uit het huwelijk van de aanvragers werden drie kinderen geboren, te weten:

  • De heer A, geboren te […] op xx.xx.1966, wonende te […];
  • Mevrouw B, geboren te […] op xx.xx.1968, wonende te […].
  • Mevrouw C, geboren te […] op xx.xx.1967, in leven laatst wonende te […], overleden te […] op xx.xx.2025.

4. Mevrouw C, voornoemd, is overleden te […] op xx.xx.2025 (hierna genoemd “de erflater”). De erflater overleed testamentloos en liet geen afstammelingen of andere voorbehouden erfgenamen na.

Op basis van de wettelijke devolutie zou de nalatenschap van de erflater toekomen aan ieder van de ouders (de aanvragers) voor 1/4de in volle eigendom, alsook aan haar broer en zus, beiden voornoemd, ieder voor één/vierde in blote eigendom.[1]

5. Bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2025 hebben de heer A, mevrouw B, en de twee kinderen van mevrouw B (de heer D, geboren te […] op xx.xx.1995 met rijksregisternummer: […], en mevrouw E, geboren te […] op xx.xx.1996 met rijksregisternummer: […]) de nalatenschap van de erflater zuiver en eenvoudig verworpen.

Ten gevolge van voorgaande verwerping, is de gehele nalatenschap in volle eigendom toegekomen aan de aanvragers, ieder voor een gelijk deel in volle eigendom.

6. Tot het actief van de nalatenschap behoorde een onroerend goed dat intussen (na het overlijden van de erflater) verkocht werd en waarvan de netto-verkoopopbrengst […] bedroeg, alsook een totaal roerend vermogen van […].

De erfbelasting bedroeg in totaal €18.396,94 en werd correct door de aanvragers betaald, binnen de op het aanslagbiljet aangegeven betaaltermijn.

2. VOORGENOMEN VERRICHTING

7. De aanvragers wensen een schenking te doen van een bedrag van […] aan hun twee kinderen en hun twee kleinkinderen (te weten de verwerpers van de nalatenschap), ieder voor een gelijk bedrag in volle eigendom.

8. Gelet op onder meer:

Zijn de aanvragers zich bewust van het feit dat een schenking van vermogensbestanddelen afkomstig uit de nalatenschap van de erflater, aan de verwerpers van deze erfenis, door de Vlaamse Belastingdienst zullen aanzien worden als fiscaal misbruik overeenkomstig artikel 3.17.0.0.2 VCF.

9. Gelet op het feit dat de aanvragers kunnen aantonen dat zij vóór het overlijden van de erflater reeds beschikten over een roerend (gemeenschappelijk) vermogen (op een bankrekening) van […] zouden zij een schenking wensen te doen gelijk aan dit bedrag, aan ieder kind en ieder kleinkind (de voornoemde verwerpers).

III. Motivering van de aanvraag

10. De aanvragers zijn reeds op leeftijd en wensen om die reden aan successieplanning te doen met betrekking tot hun gemeenschappelijk vermogen zoals dit reeds bestond vóór het openvallen van de nalatenschap van de erflater.

11. Het roerend vermogen dat de aanvragers ontvangen hebben uit de nalatenschap van de erflater staat gedeponeerd op een afzonderlijke spaarrekening. De verkoopopbrengst verkregen uit de verkoop van het onroerend goed verkregen uit de nalatenschap staat thans nog geblokkeerd op de derdenrekening van notaris […]. Er heeft dus tot op heden geen enkele vermenging plaatsgevonden tussen de roerende goederen door de aanvragers verkregen uit de nalatenschap van hun dochter en de gemeenschappelijke gelden die de aanvragers-echtgenoten reeds bezaten voor het openvallen van de nalatenschap van de erflater.

Er bestaat dus op heden geen enkele link of vermenging met betrekking tot de nalatenschapsgelden en het reeds voordien aanwezige vermogen van de aanvragers. Gezien de voorgenomen verrichting enkel betrekking heeft op de schenking van de gelden waarvan de aanvragers kunnen bewijzen dat deze reeds voor het overlijden aanwezig waren, staat de voorgenomen verrichting (roerende schenking) dus los van de betreffende nalatenschap, en zijn de aanvragers o.i. vrij dit te doen zonder enige fiscale implicaties op dit vlak.

12. Gezien de verrichtingen inzake de nalatenschap volledig los staan van de voorgenomen verrichting (roerende schenking), ontbreekt elke vorm van eenheid van opzet.

Er kan dus geen sprake zijn van:

  • rechtshandelingen waarmee de belastingplichtige zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van de VCF of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
  • rechtshandelingen waarmee aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van de VCF of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Artikel 3.17.0.0.2 VCF wordt o.i. aldus niet gefrustreerd door de voorgenomen verrichting.

13. Er is hier sprake van:

  • enerzijds een verwerping die overeenkomstig het Decreet van 8 december 2017 houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, en de overname van de dienst van de belasting op spelen en weddenschappen, de automatische ontspanningstoestellen en de openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken, een volstrekt geoorloofde planningstechniek uitmaakt met betrekking tot het vermogen van de erflater; en
  • anderzijds een roerende schenking van het reeds voor de nalatenschap aanwezige roerend vermogen van de aanvragers, waarop volgens de regels van de kunst en overeenkomstig artikel 2.8.4.1.1, §2 schenkbelasting zal worden betaald conform de geldende tarieven, wat o.i. tevens een perfect geoorloofde planningstechniek uitmaakt, maar dan met betrekking van het vermogen van de aanvragers.

14. Gelet op het feit dat het vermogen dat de aanvragers wensen te schenken hun roerend vermogen betreft zoals dit bestond voor het openvallen van de nalatenschap van hun dochter, hebben zij dan ook het volledige beschikkingsrecht daarover. Fiscaal misbruik is in deze niet aan de orde. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de aanvragers elk beschikkingsrecht (zonder nadelige fiscale implicaties) met betrekking tot hun eigen vermogen zouden verliezen.

BESLUIT EN VERZOEK TOT BESLISSING

15. De aanvragers verzoeken de Vlaamse Belastingdienst om:

  • te bevestigen dat de voorgenomen verrichting, zoals hierboven beschreven, geen aanleiding geven tot de toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF met een herberekening van de door hen reeds betaalde erfbelasting tot gevolg, berekend alsof de verwerpingen nooit zouden hebben plaatsgevonden.
  • te bevestigen dat een schenking van hun roerend vermogen zoals dit bestond vóór het openvallen van de nalatenschap van hun dochter, géén fiscaal misbruik uitmaakt, ook niet wanneer dit gebeurt na de verwerping van de nalatenschap door de begiftigden van de voorgenomen schenking.

Gelet op de bijzondere familiale situatie verzoeken de aanvragers om hun persoonlijke gegevens, deze van hun afstammelingen en deze van hun vermogen maximaal te anonimiseren ingeval van publicatie van de voorafgaande beslissing.

IV. Beslissing

16. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.

17. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

18. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.

19. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.4.1.1 VCF, dat luidt als volgt:

“§ 1. De erfbelasting wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de volgende tabellen:

TABEL I. Tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

50.000

3

50.000,01

250.000

9

1500

250.000,01

27

19.500

TABEL II. Tarief voor een andere verkrijging dan de verkrijgingen, vermeld in tabel I

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

tussen broers en zussen

tussen anderen

tussen broers en zussen

tussen anderen

0,01

35.000

25

25

35.000,01

75.000

30

45

8750

8750

75.000,01

55

55

20.750

26.750


§ 2. Tabel I, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners.

Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op de nettoverkrijging in de onroerende goederen enerzijds en op de nettoverkrijging in de roerende goederen anderzijds, volgens de overeenstemmende gedeelten in kolom A.

In afwijking van het tweede lid wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de partner die een deel verkrijgt in die gezinswoning, een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.

§ 3. Tabel II, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging tussen andere personen dan personen in rechte lijn en tussen partners. Dit tarief wordt voor broers en zussen toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de nettoverkrijging van elk van de rechtverkrijgenden, zoals bepaald in kolom A. Voor alle anderen wordt dit tarief toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de som van de nettoverkrijgingen door de rechtverkrijgenden van deze groep.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De beoogde (en te beoordelen) verrichtingen zijn

20. Aanvragers nemen zich voor een schenking van gelden voor een totaalbedrag van […] te doen aan hun 2 kinderen en 2 kleinkinderen.

21. Aanvragers verklaren dat de 2 kinderen en 2 kleinkinderen die zij wensen te begiftigen, de nalatenschap van mevrouw C, overleden op xx.xx.2025, zuiver en eenvoudig verworpen hebben bij akte van xx.xx.2025.

Ten gevolge van deze verwerpingen, welke in totaal de onverdeelde helft van de nalatenschap betrof, is ingevolge plaatsvervanging de gehele nalatenschap toegekomen aan de aanvragers, ieder voor een gelijk deel in volle eigendom.

22. Aanvragers hebben verklaard dat de voorgenomen schenkingen gelden als voorwerp hebben welke reeds in het vermogen van aanvragers aanwezig waren vóór het openvallen van betreffende nalatenschap van.

Nog volgens verklaring van de aanvragers staat de verkoopprijs van het onroerend goed afhangende van de nalatenschap van C afgezonderd op een derdenrekening bij een notaris en staan de gelden uit de nalatenschap van C op afgezonderde rekening.

23. De totale netto-waarde van de nalatenschap (roerende en onroerende goederen samen), bedroeg volgens de cijfers opgegeven door aanvragers in de aanvraag minimum […] (netto-opbrengst verkoop: […] + gelden van de nalatenschap op een aparte rekening: […]).

De voorgenomen schenking is een roerende schenking (gelden) voor een totaalbedrag van […].

Beoordeling

24. Elke rechtshandeling/geheel van rechtshandelingen, gesteld vanaf 1 juni 2012, kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. De verrichting maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

25. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, en dit doorslaggevende met fiscale motieven.

26. In casu leggen de aanvragers twee stappen voor ter beoordeling, waarvan de eerste stap reeds uitgevoerd werd.

De eerste stap betrof de verwerping door A en B, van hun wettelijk aandeel (hetzij elke 1/4) in de nalatenschap van hun overleden zus, C, gevolgd door de verwerping van zelfde aandeel in deze nalatenschap door de 2 kinderen van B, zijnde D en E, welke ingevolge plaatsvervanging (art. 4.13 BW) tot de nalatenschap zouden gekomen zijn.

Door deze verwerpingen kwam de nalatenschap in haar totaliteit toe aan de ouders van C, namelijk X en Y. De ouders waren wettelijke erfgenamen in de nalatenschap van hun overleden dochter, elk voor 1/4. Door de verwerpingen van nalatenschap zoals voormeld, zijn zij ingevolge plaatsvervanging (voor de verworpen helft), enige erfgenamen, elk voor de onverdeelde helft, van de nalatenschap.

De volgende nog uit te voeren voorgenomen stap, betreft een schenking van gelden voor een totaalbedrag van […] door de ouders aan hun kinderen en kleinkinderen, die voordien de nalatenschap van C verworpen hebben.

27. Deze verrichtingen maken als geheel fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

28. Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen een verrichting tot stand brengt waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van de Vlaamse Codex Fiscaliteit of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst.

Uit de concrete omstandigheden van het dossier kan worden afgeleid dat het geheel van de voorgenomen verrichtingen tot doel heeft de rechtstreekse toepassing van artikel 2.7.4.1.1, §1 VCF te ontwijken en dat hierbij gehandeld wordt in strijd met de doelstelling van dit artikel, en dat bijgevolg finaal de erfbelasting wordt ontweken, waarbij het ontwijken van de erfbelasting de doorslaggevende beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandelingen.

Fiscaal misbruik van artikel 2.7.4.1.1 VCF

29. Artikel 2.7.4.1.1, §1 VCF dat de tarieven in de erfbelasting bevat, deelt deze tarieven in in categorieën op basis van de verwantschap tussen de overledene en de erfgenaam. Hoe verder de erfgenaam in de stamboom van de familie staat, hoe hoger de progressieve tarieven.

Dit principe werd onder meer (maar niet voor het eerst) opgenomen in de wet van 27 december 1817, waar een recht van successie en een recht van overgang werd geheven over wat uit de nalatenschap werd verkregen, maar waar een vrijstelling werd voorzien voor al hetgeen verkregen werd door erfgenamen in rechte lijn. Hoewel nadien (bij wet van 17 december 1851 en 11 oktober 1919) ook overdrachten in rechte lijn werden belast, waren die tarieven steeds lager dan in zijlijn [2].

Dit principe is ook behouden na de regionalisering van de erfbelasting. Zo wordt o.m. gemeld in het verslag van de hoorzittingen namens de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting over de impact van de federale hervorming van het erfrecht op het Vlaams beleid:

Met betrekking tot de tarieven in de zijlijn geeft de spreker nog mee dat het

verschil tussen rechte lijn, zijlijn, ascendenten, verdere zijverwanten historisch is en al bestaat van in de primaire wet uit 1798. Dat is alleen maar geaccentueerd.

Het bestaat bovendien in verschillende Europese landen en wordt derhalve geacht aan een zeker rechtsgevoel te beantwoorden.”[3]

30. Een verwerping van nalatenschap is een handeling waarbij een erfopvolger zuiver en eenvoudig afstand doet van zijn erfdeel/legaat. De bedoeling van een verwerper is dat de goederen die deel uitmaken van het erfdeel/legaat nooit in zijn vermogen terechtkomen [4].

In de voorgenomen constructie is het de bedoeling echter dat minstens een deel van de waarde van de goederen die deel uitmaken van het erfdeel in een volgende stap toch opnieuw in het vermogen van de verwerper terechtkomt, maar dan wel via een minder belaste weg. Het is in casu duidelijk niet de bedoeling van de verwerpers om definitief te verzaken aan hun erfdeel. De verwerping is doorslaggevend ingegeven door fiscale overwegingen.

Aanvragers geven aan dat de netto-opbrengst van het onroerend goed van de nalatenschap, dat door de enige erfgenamen verkocht werd enkele maanden na het overlijden, een netto verkoopsopbrengst heeft van […].

De geheelheid van dit nettobedrag van de verkoopprijs komt aan de ouders toe, gezien zij enige erfgenamen en dus enige verkopers geworden zijn.

Indien de kinderen (en kleinkinderen) hun erfdeel niet verworpen zouden hebben, zouden de kinderen de helft van deze netto-verkoopopbrengst rechtstreeks als erfgenamen ontvangen. De helft van deze verkoopopbrengst bedraagt […]. Het is juist dit bedrag van […] dat geschonken zal worden door de ouders aan de kinderen-verwerpers en kleinkinderen-verwerpers.

Door de opeenvolgende rechtshandelingen is duidelijk dat aanvragers van begin af aan beoogden dat enkel het laagste tarief voorzien in artikel 2.7.4.4.1, §1 VCF van toepassing zou zijn (door verwerping door de erfgenamen die onderworpen zijn aan een hoger tarief), terwijl de verwerpende erfgenaam toch een deel van de nalatenschap krijgt (door schenking vanwege de begunstigde van de verwerping).

Door deze voorgenomen constructie wordt bijgevolg gehandeld in strijd met de bedoeling van de decreetgever: de erfbelasting zou worden berekend volgens het tarief dat geldt voor de schijnbare verkrijger van het erfdeel, terwijl dit erfdeel via een omweg wel degelijk zal terechtkomen bij de verwerpende erfopvolger.

In casu wordt tussen aanvragers, door een combinatie van de gestelde rechtshandelingen, die een volstrekt kunstmatige constructie vormen, gepoogd om zich buiten de toepassing te stellen van artikel 2.7.4.1.1, §1 VCF. Er kan worden vermoed dat de verwerpingen gevolgd door de schenking enkel gebeuren om de tarieven van de erfbelasting voorzien in tabel II van dit artikel te ontwijken, en dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing door toepassing van de tarieven in rechte lijn inzake erfbelasting zoals beschreven in tabel I van zelfde artikel, gevolgd door de schenking met toepassing van de tarieven in rechte lijn in schenkbelasting, de doorslaggevende beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandelingen.

31. Deze opeenvolgende handelingen vormen in casu een reeks handelingen, die van meet af aan zijn opgevat als behorend tot een ondeelbare keten (Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 53-2081/001, 113 en Parl.St. Kamer 1992-93, nr. 1072/8, 102). Eenheid van bedoeling is geen kwestie van formele deelname aan alle rechtshandelingen als partij. Het volstaat dat de rechtshandelingen op voorhand op elkaar worden afgestemd, wie er formeel ook partij bij is. Het is duidelijk dat het geheel van rechtshandelingen op voorhand tussen alle betrokkenen is afgesproken.

32. Uit de verwijzing naar enkele eerdere voorafgaande beslissingen van de Vlaamse Belastingadministratie leiden aanvragers af dat enkel fiscaal misbruik zou vastgesteld worden bij een schenking van de vermogensbestanddelen afkomstig uit de nalatenschap welke verworpen werd (zie randnummer 8 van de aanvraag hiervoor).

Nog afgezien van het gegeven dat iedere voorafgaande beslissing een beslissing in een concreet dossier betreft, welke geen rechten doet ontstaan voor andere belastingplichtigen, volgt uit deze aangehaalde voorafgaandelijke beslissingen geenszins dat enkel fiscaal misbruik zou kunnen vastgesteld worden bij schenking van goederen afkomstig uit een verworpen nalatenschap.

Voor de beoordeling of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.9 VCF, waarin een vrijstelling in de schenkbelasting voorzien is, dient voor een schenking van onroerend goed inderdaad nagegaan te worden of dit geschonken goed niet “erfenisvreemd” is.

Voor een schenking van roerende goederen volstaat het voor de toepassing van de vrijstelling van dit artikel 2.8.6.0.9 VCF in de schenkbelasting dat er goederen van voldoende waarde aanwezig waren in de nalatenschap (ongeacht of het roerende dan wel onroerende zijn).

Voor de beoordeling of aanvragers zich buiten de toepassing van het artikel betreffende de tarieven in de erfbelasting geplaatst hebben (artikel 2.7.4.1.1, §1 VCF), en dit in strijd met de doelstellingen van dit artikel, is het niet relevant of de geschonken goederen al dan niet zelf uit de verworpen nalatenschap komen (‘quod non’, want voor een roerende schenking is dit ook voor de toepassing van artikel 2.8.6.0.9 VCF niet relevant).

Onderzoek tegenbewijs

33. Aanvragers halen geen niet fiscale motieven aan voor de opeenvolgende rechtshandelingen.

Gevolg

34. Als gevolg van het fiscaal misbruik zullen de rechtshandelingen niet tegenstelbaar zijn.

Het geheel van de verrichtingen zal onderworpen wordt aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van het betreffende artikel 2.7.4.1.1 VCF, alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

Bijgevolg zal bij de aanbieding ter registratie van de schenking, de schenking fiscaal niet getaxeerd worden in de schenkbelasting, maar zal de erfbelasting herberekend worden alsof de verwerpingen van de nalatenschap niet plaatsgevonden hebben.

35. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: er wordt van uitgegaan dat de aanvragers bedoelen “volle eigendom”.

[2] DECUYPER J., RUYSSEVELDT J., Successierechten 2018-2019, Mechelen, Kluwer, 2019, 5.

[3] Vl.Parl. stuk 1520 (2017-2018) – Nr. 1 van 14 maart 2018.

[4] ]. Tielemans, “Afstand in favorem: rechtstreekse of onrechtstreekse schenking?”, Noot onder Hof van Cassatie, 5 november 1976, R.W. 1977-1978, 440 e.v.:

“5. (…) De erfgenaam verwerpt met de bedoeling zijn recht in de nalatenschap te doen vervallen, ervoor te zorgen dat het erfdeel waartoe hij geroepen is, niet in zijn patrimonium komt. In de gegeven omstandigheden is dit zijn enige bekommernis. Het laat hem volkomen koud te weten aan wie zijn erfdeel uiteindelijk zal worden toebedeeld. Hij beseft wel dat zijn afstand iemand anders ten goede zal komen doch dit is niet de drijfveer van zijn optreden. (…)”.