VB 25132 - Inbreng landbouwgronden gevolgd door schenking aandelen
- Nummer
25132
- Datum beslissing
26 januari 2026
- Publicatiedatum
6 maart 2026
Heffing
- Schenkbelasting
- Verkooprecht
Wettelijke basis
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 2.8.6.0.3. VCF
- art. 2.9.1.0.3. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te verkrijgen dat de inbreng door de aanvragers van bepaalde landbouwgronden, gelegen in het Vlaams Gewest en niet geheel of gedeeltelijk aangewend of bestemd voor bewoning, in een bestaande Belgische besloten vennootschap, tegen toekenning van maatschappelijke rechten, op korte termijn gevolgd door schenkingen van de aandelen van voormelde vennootschap:
- niet leidt tot de heffing van verkooprecht op grond van artikel 2.9.1.0.3 VCF;
- niet leidt tot de heffing van schenkbelasting berekend volgens het tarief van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF, maar wel berekend volgens het tarief van artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF dan wel plaatsvindt met vrijstelling van schenkbelasting volgens artikel 2.8.6.0.3 VCF (indien aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan op het moment van de schenking) [1];
- en geen fiscaal misbruik vormt op grond van artikel 3.17.0.0.2 VCF, aangezien deze verrichtingen zijn ingegeven door andere dan fiscale motieven.
2. De aanvragers wensen zekerheid te verkrijgen over de fiscale behandeling van de voorgenomen rechtshandelingen alvorens deze rechtshandelingen worden gesteld.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. De aanvraag wordt ingediend door mevrouw […] en mevrouw […] namens:
3.1. X, geboren te […] op xx.xx.1955 en rijksregisternummer […] en
3.2. Y, geboren te […] op xx.xx.1960 en rijksregisternummer […].
3.3. Ze hebben beiden de Belgische nationaliteit en hebben hun (fiscale) woonplaats sedert meer dan 5 jaar in Vlaanderen. De aanvragers zijn broer en zus. De aanvragers zijn beiden gehuwd en hebben elk drie meerderjarige kinderen.
4. De kinderen van de heer X zijn:
- […], geboren op xx.xx.1993 en met rijksregisternummer […];
- […], geboren op xx.xx.1990 en met rijksregisternummer […];
- […], geboren op xx.xx.1989 en met rijksregisternummer […].
5. De kinderen van mevrouw Y zijn:
- […], geboren op xx.xx.1994 en met rijksregisternummer […];
- […], geboren op xx.xx.1991 en met rijksregisternummer […];
- […], geboren op xx.xx.1990 en met rijksregisternummer […].
De kinderen van de heer X en van mevrouw Y worden hierna samen genoemd de ‘kinderen’.
6. Bij de verrichtingen betrokken vennootschap
De aanvragers zijn op vandaag elk afzonderlijk (volle) eigenaar van 375 aandelen (van de in totaal 750 aandelen) van de besloten vennootschap Z (bijlage 3).
Deze besloten vennootschap werd opgericht bij akte verleden op xx.xx.1984 voor notaris […], met standplaats te […], onder haar oorspronkelijke benaming “Z”, hierna genoemd “BV Z”. Op heden heeft BV Z haar zetel te […], en draagt ze het ondernemingsnummer […]. De geldende statuten van BV Z werden laatst vastgesteld bij akte verleden voor notaris […], met standplaats te […] op xx.xx.2024. BV Z wordt hier voor zoveel als nodig vertegenwoordigd door haar bestuurders de heer X en mevrouw Y.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
7. De aanvragers zijn op vandaag onder meer onverdeelde eigenaars (elk 50%) van een geheel van bos- en landbouwgronden bestaande uit een omliggende tuin, een park, weide- en zaailanden, bossen en wegen met aanhorigheden, op en met grond gestaan en gelegen te […], ten kadaster gekend als […], sectie E, nrs. […], hierna genoemd de “landbouwgronden”.[1]
8. In een eerste stap wensen de aanvragers de landbouwgronden in te brengen in BV Z, omdat deze landbouwgronden op vandaag reeds ten dienste staan van de exploitatie van BV Z (zie verder onder randnummer 12).
De inbreng zal gebeuren tegen de werkelijke waarde, zoals vastgesteld in een formeel schattingsverslag door een erkend schatter. De inbreng zal plaatsvinden via authentieke akte, te verlijden voor een Belgische notaris. Er worden geen schulden overgedragen.
Als tegenprestatie zullen de aanvragers uitsluitend aandelen (in volle eigendom) in BV Z ontvangen, die niet in onverdeeldheid worden gehouden. Het betreft dus geen gemengde inbreng.
9. In een tweede stap wensen de aanvragers hun aandelen in BV Z – zowel de door hen op vandaag reeds aangehouden aandelen als de ingevolge de voorgenomen inbreng (stap 1) verkregen aandelen – te schenken aan hun respectieve kinderen, ieder voor een gelijk deel.
Deze overdracht zal plaatsvinden via twee afzonderlijke schenkingsakten, te verlijden voor een (Belgische) notaris.
In overleg met hun kinderen zullen aan deze schenkingen voorwaarden, lasten en modaliteiten worden gekoppeld, die met name gericht zijn op het waarborgen van de (transgenerationele) continuïteit van de onderneming en van het familievermogen. Te denken valt onder meer aan een fideicommis de residuo.
III. Motivering van de aanvraag
10. Geen toepassing van artikel 2.9.1.0.3 VCF
De inbreng in BV Z zal uitsluitend betrekking hebben op de landbouwgronden.[3]
Aangezien de in te brengen landbouwgronden niet geheel of gedeeltelijk aangewend worden voor bewoning, noch daartoe bestemd zijn, zoals dit ook blijkt uit het bijgevoegde schattingsverslag (bijlage 4), is artikel 115bis van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten van toepassing (tarief van 0%).
De inbreng zal bovendien uitsluitend gebeuren tegen toekenning van maatschappelijke rechten in BV Z, zonder enige andere tegenprestatie. Bijgevolg is artikel 2.9.1.0.3 VCF, dat het verkooprecht regelt bij de inbreng van onroerende goederen in een vennootschap (naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten) niet van toepassing. De inbreng kan derhalve plaatsvinden onder het algemeen vast recht.
11. Toepassing van artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF, dan wel van artikel 2.8.6.0.3 VCF
De schenkingen van de aandelen BV Z zullen plaatsvinden via notariële akte.
Het voorwerp van de schenkingen zal bestaan uit aandelen van BV Z. Aandelen van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid kwalificeren naar hun aard als roerende goederen, en geven geen directe eigendom over de onderliggende activa (waaronder de landbouwgronden) van de vennootschap. De aandelen vertegenwoordigen een aandeel in ‘het kapitaal’ van een vennootschap die een actieve exploitatie voert, en zijn dus geen loutere juridische verpakking van onroerende goederen.
Bijgevolg is artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF, dat het tarief regelt voor de schenking van onroerende goederen, niet van toepassing. De verrichtingen vallen onder artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF, dat het tarief bepaalt voor de schenking van roerende goederen. De schenkingen van de aandelen van BV Z zullen dus onderworpen zijn aan het tarief voor roerende schenkingen.
Mogelijk zal op het ogenblik van de schenkingen ook toepassing kunnen worden gemaakt van artikel 2.8.6.0.3 VCF, dat voorziet in een vrijstelling voor de schenking van aandelen van een kwalificerende actieve familiale vennootschap. Eerder werd reeds een positief attest verkregen van de Vlaamse Belastingdienst, waarin werd bevestigd dat BV Z kwalificeert als een actieve familiale vennootschap. Of (nog steeds) aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF is voldaan, zal worden beoordeeld op het ogenblik van de schenkingen.
12. Motivering om tot de voorgenomen verrichting over te gaan
12.1. De voorgenomen verrichtingen, zijnde de inbreng door de aanvragers van de landbouwgronden in BV Z, gevolgd door de schenking van de aandelen BV Z met toepassing van het tarief van artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF of van artikel 2.8.6.0.3 VCF (indien aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan op het moment van de schenkingen), vormen geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
Met name hebben de aanvragers – zoals hierna toegelicht – immers voldoende overtuigende niet-fiscale motieven, die aantonen dat de voorgenomen verrichtingen niet het wezenlijk doel hebben om een belastingvoordeel te bewerkstellingen.
12.2. Artikel 3 van de statuten van BV Z (bijlage 5) bepaalt:
“De vennootschap heeft tot voorwerp: de exploitatie in de meest uitgebreide zin van land- en tuinbouwbedrijven. De vennootschap is bevoegd alle met voormeld voorwerp verband houdende commerciële, industriële, financiële en tot roerende of onroerende zaken betrekking hebbende handelingen te verrichten. Zij kan ook deelnemen of zich financieel interesseren in andere vennootschappen of ondernemingen die een voorwerp beogen gelijk aan het hare of dat kan strekken tot bevordering hiervan.”
In overeenstemming met dit voorwerp worden op vandaag de landbouwgronden reeds actief en structureel geëxploiteerd door BV Z.
12.3. Zo voert BV Z op de landbouwgronden landbouwactiviteiten uit, waaronder de teelt van maïs. Deze exploitatie blijkt ook uit facturen en de boekhouding van BV Z, waarin uitgaven zijn opgenomen voor loonwerk (waaronder sproeiwerk en teeltverzorging), meststoffen, gewasbescherming, onderhoud van terreinen en machines, en opbrengsten uit de verkoop van landbouwproducten zoals maïs, appelsap en hout (bijlage 6, 7, 8, 9 en 10).
Daarnaast ontvangt BV Z op basis van deze landbouwgronden jaarlijks inkomenssteun en ecologische subsidies, waaronder basisinkomenssteun, herverdelende inkomenssteun, steun voor ecologisch beheerd grasland en voor het behoud van meerjarig grasland. Deze subsidies zijn enkel mogelijk bij actieve exploitatie (bijlagen 11).
Een deel van de landbouwgronden wordt ook beheerd volgens een erkend natuurbeheerplan, met concrete maatregelen zoals slibruimen, oeverbeheer, waterkwaliteitsbeheer en het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische elementen (bijlage 12).
12.4. Deze feiten tonen aan dat de landbouwgronden reeds functioneel deel uitmaken van BV Z. De voorgenomen inbreng is dan ook een concrete verrichting om de juridische eigendom over de landbouwgronden in overeenstemming te brengen met de bestaande economische realiteit. Door de landbouwgronden juridisch onder te brengen in de vennootschap die ze feitelijk exploiteert, wordt het beheer geconsolideerd, de efficiëntie verhoogd en het rendement geoptimaliseerd.
Tot op heden was er geen dringende noodzaak om de landbouwgronden formeel in BV Z in te brengen. De gronden worden in onverdeeldheid aangehouden door de aanvragers - broer en zus – die bovendien de enige aandeelhouders en bestuurders zijn van BV Z. In de praktijk verliep het beheer daardoor vlot en coherent. Hoewel deze situatie werkbaar was, is ze juridisch niet logisch: de landbouwgronden worden immers geëxploiteerd door een vennootschap die ze niet bezit.
Met het oog op de centralisatie en transgenerationele continuïteit van de landbouwgronden en -activiteiten, is het voor de aanvragers nu echter aangewezen om deze situatie structureel te herzien. Gelet op hun eigen leeftijd en die van hun kinderen, wensen de aanvragers tijdig werk te maken van een gestructureerde en gecentraliseerde overdracht van hun familievermogen. Een rechtstreekse overdracht van de landbouwgronden aan hun zes kinderen zou leiden tot een verdrievoudiging van het aantal mede-eigenaars, wat het beheer en de activiteiten van BV Z potentieel aanzienlijk zou bemoeilijken en het risico op immobiliteit of conflicten onder de familieleden zou verhogen. Daarenboven biedt de inbreng van de landbouwgronden in BV Z de vennootschap zekerheid dat ze (i) deze onroerende goederen in de toekomst kan blijven gebruiken voor haar activiteiten en (ii) de bedrijfsmatige en noodzakelijke investeringen voor een doeltreffende exploitatie van de landbouwgronden zelfstandig en op eigen initiatief kan realiseren.
Door de landbouwgronden eerst in te brengen in BV Z en vervolgens de aandelen te schenken, wordt het vermogen gecentraliseerd binnen één juridische entiteit. Deze aanpak laat toe om het landbouwgronden en de activiteiten als één geheel te behouden, het beheer professioneel te organiseren en tegelijk de nodige flexibiliteit te bieden voor toekomstige generaties.
De vennootschapsstructuur biedt bovendien een robuust kader voor dergelijke familiale overdrachten:
- Aandelen zijn deelbaar en overdraagbaar zonder dat de onderliggende onroerende goederen worden opgedeeld. Met name in geval van een mogelijke exit van een kind uit de structuur, blijven de landbouwgronden – en bijgevolg dus ook de activiteiten van BV Z – steeds gevrijwaard.
- De eigendom van de vennootschap enerzijds wordt gescheiden van de eigendom van de landbouwgronden en het operationeel beheer van de landbouwactiviteiten anderzijds, zodat er een duidelijke scheiding is tussen de familiebelangen en het vennootschapsbelang.
- Via statuten en aandeelhoudersafspraken kunnen duidelijke regels worden vastgelegd, met name over stemrechten, bestuur, overdracht en exit.
- De kinderen kunnen geleidelijk betrokken worden in het beheer van de landbouwgronden. Zo kan het beheer in handen blijven van of toevertrouwd worden aan de meest geschikte personen, zonder dat de aanvragers hiermee vermogensrechtelijke ongelijkheden dreigen te creëren tussen hun kinderen. Dit komt de continuïteit van de exploitatie ten goede.
Kortom, de inbreng van de landbouwgronden in BV Z is een economisch en organisatorisch verantwoorde verrichting die de juridische (eigendoms)situatie in overeenstemming brengt met de bestaande exploitatie. De inbreng van de landbouwgronden behartigt de (economische) belangen van BV Z maximaal, omdat de vennootschap daardoor zelf eigenaar wordt van de landbouwgronden die zij exploiteert. Voor die exploitatie is zij aldus niet meer afhankelijk van het eigendoms- en bijgevolg beslissingsrecht van anderen, welk aspect daarenboven des te belangrijker wordt naarmate het aantal (mede-)eigenaars van de landbouwgronden zou toenemen.
De latere schenking van de aandelen van BV Z past binnen de bredere familiale visie op het behoud van het domein en de activiteiten als één geheel, met aandacht voor structuur, continuïteit en harmonie. De techniek van de schenking laat daarenboven toe om aan de overdracht naar de kinderen bepaalde voorwaarden, lasten en modaliteiten te verbinden, in het belang van de schenkers, de begiftigden maar vooral ook (het beheer van) BV Z. Deze aanpak vermijdt versnippering, bevordert professioneel beheer en waarborgt de stabiliteit van het familievermogen en de onderneming op lange termijn.
13. Vraagstelling
Gelet op het voorgaande, verzoeken de aanvragers bevestiging te verkrijgen dat de inbreng van de landbouwgronden door de aanvragers in BV Z, op korte termijn gevolgd door schenkingen van de aandelen van voormelde vennootschap:
- niet leidt tot de heffing van verkooprecht op grond van artikel 2.9.1.0.3 VCF;
- niet leidt tot de heffing van schenkbelasting berekend volgens het tarief van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF, maar wel berekend volgens het tarief van artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF dan wel plaatsvindt met vrijstelling van schenkbelasting volgens artikel 2.8.6.0.3 VCF (indien aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan op het moment van de schenking) [2];
en geen fiscaal misbruik vormt op grond van artikel 3.17.0.0.2 VCF, aangezien deze verrichtingen zijn ingegeven door andere dan fiscale motieven.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
14. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
15. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.
16. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- artikel 2.8.4.1.1. VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt
berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 | |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 | |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° het Vlaams Woningfonds;
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.
In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid, 10°, of het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.”
- artikel 2.8.6.0.3. VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1;
2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.
In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de schenker of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden;
3° aandelen :
a) naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° familie van de schenker of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
a) de partner van de schenker of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
b) de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
c) de zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
d) de kinderen van broers en zussen van de schenker of aandeelhouder.
§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben."
- artikel 2.9.1.0.3. VCF dat luidt als volgt:
“Met behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”
- artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
17. De aanvragers voornoemd in randnummer 3 zijn elk voor 50% onverdeelde eigenaar van de onroerende goederen voornoemd in randnummer 7. Ze wensen deze gronden in te brengen in de besloten vennootschap Z voornoemd in randnummer 6 tegen toekenning van maatschappelijke rechten. Bij deze inbreng worden geen schulden overgedragen. De aandelen van deze vennootschap zijn volledig in handen van de aanvragers. Vervolgens zullen de aanvragers zowel de aandelen die ze reeds voor de inbreng aanhielden als de aandelen die ze verwerven door de inbreng schenken aan hun respectieve kinderen, ieder voor een gelijk deel.
18. De aanvragers geven aan dat de in te brengen onroerende goederen landbouwgronden zijn die niet geheel of gedeeltelijk aangewend worden tot bewoning noch daartoe bestemd zijn. Het verkooprecht zal overeenkomstig artikel 2.9.1.0.3 VCF niet worden geheven bij de inbreng van deze onroerende goederen uitsluitend vergoed door maatschappelijke rechten
19. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.
Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger/schenker om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is het onroerend goed te schenken aan de begunstigden van de aandelen.
De inbreng, gepaard met de schenking van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF. Indien de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF voldaan zijn kan de schenking zelfs worden verwezenlijkt met vrijstelling van de schenkbelasting. Dit in tegenstelling tot een schenking van het onroerend goed zelf - in de veronderstelling dat deze schenking niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van een schenking van een familiale onderneming – die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.
20. Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van de landbouwgronden in de BV Z kort daarop gevolgd door een schenking van de aandelen aan hun kinderen, fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.
Door de landbouwgronden in te brengen in de BV Z en vervolgens de aandelen van deze BV te schenken wordt ingegaan tegen artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.
Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.
Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden:
Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen.
Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd. Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.
Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.
In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19 , 109) is het volgende te lezen:
“Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poincaré “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.… ”.
Deze maatregel gaf geen bevrediging.
Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.
Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.
In het verslag aan de koning valt te lezen:
“Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten.
Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn.
Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadeelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.
Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten.
Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven.
In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.
21. Door de inbreng van de landbouwgoederen in BV Z gevolgd door de schenking van de aandelen kunnen de begiftigden genieten van het schenktarief voor roerende goederen i.p.v. het schenktarief voor onroerende goederen. Dit zorgt voor een aanzienlijke besparing des te meer als de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3 VCF kan worden genoten.
Gelet op de eenheid van opzet bestaande uit een inbreng gevolgd door de schenking van de verkregen aandelen oordeelt het besluitvormingsorgaan dat sprake is van fiscaal misbruik.
22. Overeenkomstig artikel 3.17.0.0.2, derde lid VCF komt het aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting.
23. In randnummer 12 geven de aanvragers volgende niet-fiscale motieven voor de voorgenomen verrichtingen:
De BV Z voert landbouwactiviteiten uit op de betrokken landbouwgronden. Ter staving hiervan wijzen de aanvragers naar facturen en de boekhouding van de vennootschap meegeleverd in de bijlages, alsook het feit dat de BV Z jaarlijks inkomenssteun ontvangt. Via de inbreng willen de aanvragers de landbouwgronden eigendom maken van de vennootschap die ze feitelijk exploiteert. De aanvragers vrezen dat een rechtstreekse schenking van de gronden aan de begiftigden deze verdere exploitatie in gevaar brengt. Daarenboven zou de vennootschapsstructuur de mogelijkheid geven om via statuten en aandeelhoudersafspraken duidelijke regels vast te leggen voor de overdracht van de gronden aan de kinderen.
24. De aangebrachte niet-fiscale motieven volstaan in dit geval niet om het misbruik te weerleggen:
De omzet van de landbouwactiviteiten van de BV Z is beperkt in verhouding tot haar andere activiteiten en in verhouding tot de omvang van de over te dragen gronden zoals blijkt uit de bijlages. Hieruit blijkt een zeer beperkte exploitatie van de totaliteit van de betrokken percelen door de BV Z. Hierdoor is het niet aannemelijk dat de voorafgaande inbreng gemotiveerd wordt door de wens om de betrokken onroerende gronden ter beschikking te houden van de BV Z en zo te onderwerpen aan het ondernemingsrisico. Dit niet-fiscaal motief weegt niet op tegen de fiscale motieven.
De aanvragers brengen aan dat de inbreng vereist is om te voorzien in een robuust kader voor de overdracht aan de kinderen. Hiervoor is niet vereist dat de betrokken goederen voor de schenking aan de kinderen wordt ingebracht in een vennootschap. Deze doelstelling kan ook worden bereikt door het formuleren van voorwaarden en lasten bij de schenkingen.
De schenking van de aandelen verkregen door de inbreng van de onroerende goederen in BV Z zal getaxeerd worden als een schenking van onroerende goederen.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.
Voetnoten
[1] Voor de goede orde verduidelijken wij dat de aanvraag er niet toe strekt bevestiging te verkrijgen dat de vennootschap voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF, aangezien dat zou handelen over het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen in de zin van artikel 3.22.0.0.1, §3, 2°, c) VCF waarover uw Dienst geen voorafgaande beslissing kan afleveren.
[2] De aanvragers zijn daarnaast onder meer ook onverdeelde eigenaars (elk 50%) van een hoeve en twee woningen met aanhorigheden, op en met grond, gestaan en gelegen te […], ten kadaster gekend als […], sectie E, nrs. […], hierna genoemd de “woonhuizen”. De woonhuizen blijven buiten de voorgenomen verrichtingen en blijven in privé door de aanvragers gehouden.
[3] Zoals eerder vermeld zullen de woonhuizen niet worden ingebracht, maar privébezit van de aanvragers blijven.
[4] Voor de goede orde verduidelijken wij dat de aanvraag er niet toe strekt bevestiging te verkrijgen dat de vennootschap voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF, aangezien dat zou handelen over het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen in de zin van artikel 3.22.0.0.1, §3, 2°, c) VCF waarover uw Dienst geen voorafgaande beslissing kan afleveren.