Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25147 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 25147 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

25147

Datum beslissing

23 februari 2026

Publicatiedatum

12 maart 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting
  • Verdeelrecht

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.10.1.0.1. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen blijkens huwelijkscontract van xx.xx.1986, verleden voor notaris […] met destijds standplaats te […] [1], niet gewijzigd sedertdien.

2. De aanvragers wensen hun huwelijksstelsel te wijzigen.[2] Ze wensen een regeling in te voeren met betrekking tot de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en met betrekking tot de aandelen in de besloten vennootschap Z behorende tot het eigen vermogen van de heer X. Concreet wensen zij voor deze goederen een verblijvingsbeding respectievelijk toekenningsbeding aan hun huwelijkscontract toe te voegen.

Deze aanvraag heeft betrekking op de fiscale behandeling van het optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en van het optioneel toekenningsbeding voor de aandelen in de besloten vennootschap Z behorende tot het eigen vermogen van de heer X (artikelen II.A en II.B van de voorgenomen wijzigingsakte).

3. De aanvragers wensen vooraf zekerheid over de fiscale behandeling van de voorgenomen verrichting bij leven en bij overlijden.

De aanvragers wensen bevestiging te krijgen dat de voorgenomen verrichting niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 eerste lid VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen beding van aanwas uitmaakt. Zij wensen tevens bevestiging te krijgen dat de verrichting ook geen van voorgaande bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

4. De aanvraag wordt ingediend door de besloten vennootschap […] met zetel te […], met ondernemingsnummer […], vertegenwoordigd door dhr. […], in naam van de volgende betrokken partijen:

De heer X, geboren te […] op xx.xx.1961, ingeschreven in het rijksregister met nummer […] en zijn echtgenote,

mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1962, ingeschreven in het rijksregister met nummer […]., gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen blijkens huwelijkscontract van xx.xx.1986 verleden voor notaris […] met destijds standplaats te […], niet gewijzigd sedertdien.

De heer X en mevrouw Y hebben samen vier kinderen, te weten mevrouw […] (xx.xx.1988), de heer […] (xx.xx.1989), mevrouw […] (xx.xx.1991) en de heer […] (xx.xx.1994).

De heer X en mevrouw Y hebben hun fiscale woonplaats meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

Voorwerp van deze verrichting

5. De echtgenoten bezitten op vandaag diverse roerende goederen in onverdeeldheid.

Het betreft:

  • Tegoeden op diverse zicht- en spaarrekeningen bij […];
  • Een beleggingsportefeuille bij […];
  • Een beleggingsportefeuille bij […];
  • Een beleggingsportefeuille bij […];
  • Inboedel van de gezinswoning.

De echtgenoten bezitten op vandaag één onroerend goed in onverdeeldheid.

Het betreft:

  • De gezinswoning.

Het is mogelijk dat de echtgenoten in de toekomst andere roerende of onroerende goederen in onverdeeldheid zullen verwerven, al dan niet in gelijke delen.

Daarnaast bezit elk van de echtgenoten ook eigen (niet onverdeelde) roerende en onroerende goederen.

Het betreft:

  • Tegoeden op een zichtrekening bij […] op naam van mevrouw Y;
  • Het vruchtgebruik van een perceel grond gelegen te […] op naam van mevrouw Y;
  • Het vruchtgebruik van een perceel grond gelegen te […] op naam van mevrouw Y;
  • Het vruchtgebruik van een woning gelegen te […] op naam van mevrouw Y;
  • Aandelen in de besloten vennootschap genaamd Z op naam van de heer X;
  • Een woning gelegen te […] op naam van de heer X;
  • Het vruchtgebruik van een woning gelegen te […] op naam van de heer X.

Het is mogelijk dat elke echtgenoot in de toekomst andere roerende of onroerende goederen zal verwerven die niet zullen behoren tot een onverdeeldheid met de andere echtgenoot.

Toe te voegen verblijvingsbeding en toekenningsbeding (optionele bedingen)

6. De echtgenoten willen alle onverdeelde goederen onderwerpen aan een (optioneel) verblijvingsbeding, zoals opgenomen in artikel II.A van het ontwerp van wijzigingsakte.[3] Zij willen daarnaast de aandelen in de besloten vennootschap Z die exclusief eigendom zijn van de heer X onderwerpen aan een (optioneel) toekenningsbeding in het voordeel van mevrouw Y als langstlevende echtgenoot, zoals opgenomen in artikel II.B van het ontwerp van wijzigingsakte.[4]

7. Ingevolge het voorgenomen verblijvingsbeding zullen de goederen in onverdeeldheid tussen de echtgenoten toebehoren aan de langstlevende echtgenoot (voor zover de langstlevende echtgenoot zich op het beding beroept). Ingevolge het voorgenomen toekenningsbeding zullen de aandelen in de besloten vennootschap Z toebehoren aan mevrouw Y als langstlevende echtgenoot (voor zover mevrouw Y als langstlevende echtgenoot zich op het beding beroept).

8. De echtgenoten wensen dat de langstlevende van hen verzorgd achterblijft en het vermogen zoveel mogelijk kan behouden. Zij wensen daarvoor een wederkerige / niet-éénzijdig herroepbare regeling te voorzien voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door overlijden.

III. Motivering van de aanvraag

1. Voorgenomen verrichting wordt niet belast onder de artikelen 2.7.1.0.2 eerste lid VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF, desgevallend wel onder artikel 2.10.1.0.1 VCF

9. De aanvragers verzoeken bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zal verkrijgen uit de toepassing van het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding, zoals opgenomen in de artikelen II.A en II.B van het ontwerp van wijzigingsakte, niet onderworpen zal worden aan de hierna vermelde bepalingen. Dit zowel omwille van de door hen aangehaalde redenen als omwille van de redenen die de Vlaamse Belastingdienst dienaangaande zal uiteenzetten.

De aanvragers verzoeken te bevestigen dat:

  • bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, de verblijving van een onverdeeld onroerend goed tot de heffing van verdeelrecht leidt indien de verkrijger door de werking van het verblijvingsbeding een groter aandeel in het onroerend goed krijgt;
  • bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, de verblijving of toekenning van roerende goederen niet leidt tot de heffing van registratiebelasting;
  • bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, de verblijving van onverdeelde goederen en de toekenning van eigen goederen niet leidt tot de heffing van erfbelasting en dit om de hierna vermelde redenen.

a) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 eerste lid VCF

10. Artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF viseert de overgang van goederen ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling en belast deze met erfbelasting.

Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge de in deze aanvraag beschreven verrichting zal verkrijgen, wordt echter niet verkregen via de wettelijke devolutie, noch door een uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling. Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel.

De wetgever heeft in de artikelen 2.3.57, 2.3.58, 2.3.59 en 2.3.60 BW, waarin sprake is van huwelijksvoordelen, deze term vervangen door ‘voordelen die een huwelijksovereenkomst toekent en die uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kan verkregen worden’.[5]

11. Een huwelijksvoordeel wordt huwelijksvermogensrechtelijk verkregen uit hoofde van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. De vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds de vereffening-verdeling van de nalatenschap vooraf. De verkrijging van een huwelijksvoordeel kan dus niet worden beschouwd als een erfrechtelijke verkrijging.

Een huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk niet gekwalificeerd als een schenking en evenmin als een contractuele erfstelling. Het wordt objectief gekwalificeerd als een niet-schenking.[6] Zelfs een eventuele animus donandi kan de kwalificatie niet wijzigen. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een animus donandi mag zelfs niet worden geleverd.[7]

12. Deze burgerrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door.[8] Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel - en dus als niet-schenking - aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan afwijkt.

De voorgaande principes gelden zowel voor het verblijvingsbeding van onverdeelde goederen als voor het toekenningsbeding van exclusief eigen goederen.

13. De verblijving van de onverdeelde goederen aan de langstlevende echtgenoot, evenals de toekenning van de aandelen in de besloten vennootschap Z behorende tot het eigen vermogen van de heer X aan mevrouw Y als langstlevende echtgenoot (i.e. artikelen II.A en II.B in het ontwerp van wijzigingsakte) kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF.

b) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF

14. Door de kwalificatie als een huwelijksvoordeel - en dus als een niet-schenking - is artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF niet van toepassing op het voordeel dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt. Dat artikel heeft uitsluitend betrekking op schenkingen van roerende goederen die de erflater onder een opschortende voorwaarde of termijn heeft gedaan, waarbij deze voorwaarde of termijn bij zijn overlijden wordt vervuld, en belast dergelijke schenkingen met erfbelasting.

15. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen zijn huwelijksvoordelen en worden aldus gekwalificeerd als een niet-schenking. De voorgenomen bedingen brengen geen schenking tot stand.[9]

16. De verblijving van onverdeelde goederen en de toekenning van de aandelen in de besloten vennootschap Z (artikelen II.A en II.B in het ontwerp van wijzigingsakte) kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

c) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

17. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt met erfbelasting.

18. De toepassing van dit artikel is beperkt tot situaties waarin sprake is van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschappelijk vermogen. Tussen de aanvragers bestaat evenwel geen gemeenschappelijk vermogen. De aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, zonder toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV). De toevoeging van een verblijvings- en toekenningsbeding heeft louter betrekking op onverdeelde respectievelijk eigen goederen, niet op gemeenschapsgoederen.

19. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn dus niet vervuld. Zowel de rechtsleer als de rechtspraak bevestigen dat dit artikel niet van toepassing is op bedingen waarbij geen gemeenschappelijk vermogen is betrokken.[10]

20. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan bijgevolg niet worden toegepast op de overgang op grond van de voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen (meer bepaald de artikelen II.A en II.B in het ontwerp van wijzigingsakte).

d) Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

21. Artikel 2.7.1.0.5 VCF belast de goederen waarover de erflater kosteloos heeft beschikt gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden met erfbelasting, tenzij de bevoordeling onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden. Voor de heffing van erfbelasting op grond van dit artikel moeten derhalve drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

1. een kosteloze beschikking/schenking;

2. gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;

3. waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

22. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen zijn huwelijksvoordelen. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijk worden gesteld met een kosteloze beschikking of een schenking, zoals hierboven uitvoerig uiteengezet.[11] De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

23. Artikel 2.7.1.0.5 VCF kan bijgevolg niet worden toegepast op de overgang op grond van de voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen (meer bepaald de artikelen II.A en II.B in het ontwerp van wijzigingsakte).

e) Geen toepassing van de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

24. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen zijn huwelijksvoordelen. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking of een schenking.[12] De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

25. De artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF kunnen dan ook niet worden toegepast op de overgang op grond van de voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen (meer bepaald de artikelen II.A en II.B in het ontwerp van wijzigingsakte).

f) Geen beding van aanwas in de zin van het SP 17044

26. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen zijn huwelijksvoordelen, die beheerst worden door de specifieke regels van het huwelijksvermogensrecht.

De door de aanvragers voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen voor onverdeelde goederen en voor de aandelen in de besloten vennootschap Z behorende tot het eigen vermogen van de heer X zijn huwelijksvoordelen en kunnen bijgevolg niet worden beschouwd als een aanwasovereenkomst, noch als een kanscontract. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen moeten niet voldoen aan de voorwaarden vermeld in het Vlabel standpunt met nummer 17044 om niet aan schenk- en erfbelasting onderworpen te zijn.

g) (Desgevallend) toepassing van artikel 2.10.1.0.1 VCF

27. Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, de echtgenoten een onroerend goed in onverdeeldheid hebben, leidt het voorgenomen verblijvingsbeding op grond van artikel 2.10.1.0.1 VCF tot de heffing van verdeelrecht indien de verkrijgende echtgenoot door de werking van dat beding een groter aandeel in het onroerend goed krijgt.

2) Geen fiscaal misbruik

28. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zogenaamde fictiebepalingen) niet van toepassing zijn.

Ook het Grondwettelijk Hof bevestigt dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien een verrichting reeds onder een specifieke antimisbruikbepaling valt. Enkel wanneer de verrichting as such niet onder het toepassingsgebied van een specifieke fiscale misbruikbepaling valt, maar wel de doelstellingen van een specifieke antimisbruikmaatregel frustreert, kan de algemene antimisbruikbepaling toepassing vinden.

29. De door de aanvragers voorgenomen verrichting frustreert geen van de in de nummers 10 tot en met 27 opgesomde bepalingen en kan evenmin worden geviseerd door de algemene antimisbruikbepaling. De aanvragers verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de motieven die hierna worden uiteengezet.

a) Geen frustratie van fictiebepalingen

30. De voorgenomen verrichting frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF niet, omdat de aanvragers niet overgaan tot een schenking of een kosteloze beschikking waarvan de uitwerking fictief tot aan het overlijden wordt uitgesteld.

31. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen verstrekken geen kosteloze beschikking. De aanvragers hebben reeds uitvoerig aangetoond en beargumenteerd dat een verblijving van onverdeelde goederen en een toekenning van een exclusief eigen goed gekwalificeerd moet worden als een huwelijksvoordeel en een niet-schenking. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen zijn ten bezwarende titel. Om die reden kunnen de voorgenomen bedingen artikel 2.7.1.0.5 VCF evenmin frustreren.

32. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen hebben geen betrekking op gemeenschappelijke goederen. De aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, zonder toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV). De aanvragers beschikken aldus niet over een gemeenschappelijk vermogen. Het voorgenomen verblijvingsbeding heeft betrekking op onverdeelde goederen en het voorgenomen toekenningsbeding heeft betrekking op de aandelen in de besloten vennootschap Z behorende tot het eigen vermogen van de heer X. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen frustreren artikel 2.7.1.0.4 bijgevolg VCF niet.

b) Geen frustratie van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF

33. De voorgenomen verblijvings- en toekenningsbedingen verstrekken geen kosteloze beschikking, zoals hierboven reeds uitvoerig aangetoond. Om die reden kunnen de voorgenomen bedingen de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF niet frustreren.

c) Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2 eerste lid VCF

34. De voorgenomen verrichting maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF j. artikel 2.7.1.0.2 eerste lid VCF. De aanvragers plaatsen zich met de voorgenomen verrichting geenszins buiten het toepassingsgebied van die bepalingen.

3) Niet-fiscale motieven

35. Vlabel moet aantonen dat de algemene antimisbruikbepaling geschonden is.[13] Slechts als Vlabel aantoont dat de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling een verrichting tot stand brengt waarmee hij zich buiten het toepassingsgebied van een bepaling van de VCF plaatst én hiermee indruist tegen de doelstellingen van die bepaling, zijn de niet-fiscale motieven van de belastingplichtige relevant.

36. De voorgenomen verrichting kan niet gekwalificeerd worden als “fiscaal misbruik”. Het al dan niet aantonen van niet-fiscale motieven is bijgevolg niet vereist. Dergelijk bewijs dient slechts geleverd te worden nadat Vlabel heeft kunnen aantonen dat de voorgenomen verrichting “fiscaal misbruik” uitmaakt, wat in casu niet het geval is.

Vermits de voorgenomen verrichting niet kan gekwalificeerd worden als “fiscaal misbruik”, moeten de niet-fiscale motieven niet worden aangetoond.

37. Niettemin wensen de aanvragers te verduidelijken dat zij de voorgenomen verrichting overwegen omwille van de volgende niet-fiscale motieven:

  • De aanvragers zijn op xx.xx.1986 gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen omdat de heer X een groot belang hecht aan zijn professionele autonomie en aan de bescherming tegen schuldeisers.
  • De aanvragers hebben hun huwelijksstelsel niet gewijzigd sedertdien.
  • De aanvragers wensen in het bijzonder geen zakenrechtelijke of verbintenisrechtelijke vermogensdeling te creëren tijdens het huwelijk om de autonomie van elke echtgenoot te vrijwaren.
  • De aanvragers willen dat de langstlevende van hen beschermd achterblijft en dat de regeling die daarvoor wordt uitgewerkt wederkerig geldt en niet éénzijdig herroepbaar is. Huwelijksvoordelen zijn immers niet éénzijdig herroepbaar.
  • Daarom wordt in het ontwerp van wijzigingsakte bepaald dat voor iedere schenking die een echtgenoot aan een derde zou doen, de instemming van de andere echtgenoot vereist is (artikel III ontwerp van wijzigingsakte). Op die manier wensen de aanvragers de maximale bescherming van de langstlevende te verzoenen met de beschikkingsvrijheid en autonomie van elke echtgenoot. Gezien elke echtgenoot deze beperking op zijn/haar vrijheid aanvaardt, kan hij/zij erop toezien dat beschikkingen ten voordele van derden er niet toe leiden dat zijn/haar bescherming als langstlevende wordt uitgehold.

38. De aanvragers verzoeken te bevestigen dat, gelet op de aangehaalde niet-fiscale motieven, van fiscaal misbruik geen sprake kan zijn en dat artikel 3.17.0.0.2 VCF derhalve niet van toepassing is.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

39. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

40. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

41. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF, dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1. VCF, dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

  • Artikel 2.10.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :

1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;

2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;

3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

42. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […], destijds te […], op xx.xx.1986. Deze huwelijksovereenkomst is tot op heden ongewijzigd gebleven.

De echtgenoten wensen thans hun huwelijksstelsel aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen. De echtgenoten wensen aan hun huwelijksovereenkomst enerzijds een (optioneel) verblijvingsbeding toe te voegen met betrekking tot de goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en anderzijds een (optioneel) toekenningsbeding toe te voegen met betrekking tot de aandelen in de besloten vennootschap Z die behoren tot het eigen vermogen van de heer X. Hiertoe zullen de artikelen II.A en II.B worden toegevoegd aan de huwelijksovereenkomst.

De echtgenoten bezitten op vandaag verschillende roerende goederen en één onroerend goed (de gezinswoning) in onverdeeldheid.

Ingevolge het voorgenomen verblijvingsbeding zullen de goederen in onverdeeldheid tussen de echtgenoten bij overlijden van één van hen onmiddellijk toekomen aan de langstlevende echtgenoot. Ingevolge het voorgenomen toekenningsbeding zullen de aandelen in de besloten vennootschap Z, die exclusief eigendom zijn van de heer X, toekomen aan mevrouw Y als langstlevende echtgenoot.

De bedingen zijn optioneel geformuleerd, waardoor deze bedingen slechts uitwerking krijgen indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot zich op de voorgenomen bedingen beroept.

In het ontwerp van akte houdende wijziging van huwelijksovereenkomst is voorzien in een passiefregeling.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2, eerste lid VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF

43. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

44. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het voorgenomen (optioneel) verblijvingsbeding en (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

45. In de mate dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichtingen.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF?

46. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

47. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

48. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

49. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

50. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Volgens de gegevens in de aanvraag bestaat tussen de aanvragers thans geen gemeenschap. De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen goederen hebben volgens de aanvragers geen betrekking op gemeenschapsgoederen.

51. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

52. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

53. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?

54. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

55. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF.

1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.10.1.0.1 VCF?

56. De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. We vallen dus terug op de algemene regels inzake het verdeelrecht.

57. Samengevat betekent dit concreet het volgende:

  • op de toebedeling/toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd;
  • op de toebedeling van onroerende goederen zal het verdeelrecht verschuldigd zijn indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

58. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

59. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

60. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).

61. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

62. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten gehuwd zijn onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […], destijds te […], op xx.xx.1986. Deze huwelijksovereenkomst is tot op heden ongewijzigd gebleven.

De echtgenoten hebben vier gemeenschappelijke kinderen.

De echtgenoten kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen aangezien de heer X een groot belang hecht aan zijn professionele autonomie en aan de bescherming tegen schuldeisers.

De echtgenoten wensen geen zakenrechtelijke of verbintenisrechtelijke vermogensdeling te creëren tijdens het huwelijk om de autonomie van elke echtgenoot te vrijwaren.

Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen. Het echtpaar heeft de wens dat de langstlevende van hen beschermd achterblijft. Daarbij wensen de echtgenoten in een wederkerige, niet-eenzijdig herroepbare regeling te voorzien voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door overlijden.

Met de voorgenomen wijziging wensen de echtgenoten alle goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn te onderwerpen aan een (optioneel) verblijvingsbeding, zoals opgenomen in artikel II.A van de ontwerpakte. Daarnaast wensen ze de aandelen in de besloten vennootschap Z, die exclusief eigendom zijn van de heer X, te onderwerpen aan een (optioneel) toekenningsbeding, zoals opgenomen in artikel II.B van de ontwerpakte.

Om te vermijden dat de bescherming van de langstlevende wordt uitgehold, wordt in het ontwerp van de wijzigingsakte bovendien bepaald dat voor iedere schenking van eigen goederen die een echtgenoot aan een derde zou doen, de instemming van de andere echtgenoot vereist is.

63. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

64. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1986 werd bezorgd door de aanvragers per mail van 29 januari 2026.

[2] Het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Het (optioneel) verblijvingsbeding, zoals opgenomen in artikel II.A van het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst, luidt als volgt:

[…]

[4] Het (optioneel) toekenningsbeding, zoals opgenomen in artikel II.B van het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst, luidt als volgt:

[…]

[5] Voetnoot van de aanvragers: J. BAEL en R. BARBAIX, Het familiale vermogensrecht na de codificatie, Mechelen, Wolters Kluwer, 753; artikel 2.3.57 BW; artikel 2.3.58 BW; artikel 2.3.59 BW; artikel 2.3.60 BW.

[6] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 10 december 2010.

[7] Voetnoot van de aanvragers: GwH 23 november 2005, nr. 170/2005.

[8] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 9 juli 1931.

[9] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 5 januari 2017.

[10] Voetnoot van de aanvragers: Antwerpen 5 oktober 2004.

[11] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 5 januari 2017.

[12] Voetnoot van de aanvragers: Cass. 5 januari 2017.

[13] Voetnoot van de aanvragers: GW Hof 30 oktober 2013, nr. 141/2013.