VB 25150 - Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst scheiding van goederen met optioneel verblijvings- en toekenningsbeding
- Nummer
25150
- Datum beslissing
28 januari 2026
- Publicatiedatum
12 maart 2026
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. Partijen wensen bevestiging te krijgen dat:
- Het artikel 14 zoals voorzien in de huwelijksovereenkomst niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en dat de huwelijksovereenkomst geen enkele van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.
- De aanvragers wensen in het algemeen bevestigd te zien dat de uitwerking van het verblijvingsbeding met betrekking tot onverdeelde goederen en het toekenningsbeding met betrekking tot bepaalde niet-onverdeelde goederen bij het overlijden van de eerste van hen niet zal leiden tot de heffing van enige erfbelasting en geen fiscaal misbruik vormen.
Duurtijd Voorafgaande Beslissing
2. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt. Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting, meer bepaald de toepassing van bepaalde fictiebepalingen is dit geheel anders. De heffing zal immers – naar alle verwachting – pas vele jaren later plaatsvinden, bij overlijden van een van de echtgenoten. Een Voorafgaande Beslissing inzake erfbelasting is volgens aanvragers een geval waarin het voorwerp van de aanvraag ‘automatisch’ een langere duurtijd rechtvaardigt en vereist aldus niet dat de aanvragers expliciet de bevestiging vragen voor een langere duurtijd.
De aanvragers wensen dan ook voor onderhavige aanvraag een verlengde duurtijd aan te vragen, meer bepaald tot aan het overlijden van één van de echtgenoten gezien de aanvraag betrekking heeft op de uitwerking van een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding die slechts uitwerking kunnen krijgen door het overlijden van één van de aanstaande echtgenoten, en meer bepaald tot aan de afhandeling van de nalatenschap van de eerstoverleden aanstaande echtgenoot.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. Deze aanvraag wordt ingediend door […], namens:
- De heer X, ongehuwd, geboren te […] op xx.xx.1998, wonend te […], rijksregisternummer: […].
- Mevrouw Y, ongehuwd, geboren te […] op xx.xx.1998, wonende te […], rijksregisternummer: […].
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting
4. De heer X en mevrouw Y vormen een verloofd koppel dat de intentie heeft te huwen op xx.xx.2026.
Op heden hebben zij geen kinderen, noch gemeenschappelijk, noch niet-gemeenschappelijk.
5. Vermogensrechtelijk ziet de situatie van partijen eruit als volgt:
- Op naam van de heer X:
- Een aantal financiële tegoeden exclusief op naam van de heer X.
- Op naam van mevrouw Y
- 100% van de aandelen van de besloten vennootschap “Z” met zetel te […], ondernemingsnummer […]. Mevrouw Y oefent haar beroepsactiviteit volledig uit binnen het kader van deze vennootschap;
- Een aantal financiële tegoeden exclusief op naam van mevrouw Y;
- Een onroerend vermogen in blote eigendom, haar geschonken door haar ouders.
- In (toekomstige) onverdeeldheid (voor gelijke delen) tussen de heer X en mevrouw Y:
- De partijen hebben de intentie om voor xx.xx.2026, doch vermoedelijk wel na huwelijksdatum, over te gaan tot de aankoop van de gezinswoning die hen in onverdeeldheid zal toebehoren, elk tot beloop van de onverdeelde helft. De gezinswoning behoort thans toe aan de vennootschap Z. Na opmaak van de basisakte, zal de gezinswoning door de vennootschap verkocht worden aan de echtgenoten X-Y.
- De inboedel van de gezinswoning;
- Een aantal rekeningen waarop zich financiële tegoeden op naam van beide partners (zullen) bevinden.
6. De aanstaande echtgenoten wensen zowel de onverdeelde als eigen goederen, ongeacht of deze aanwinsten of niet-aanwinsten betreffen, in volle eigendom, vruchtgebruik, of blote eigendom, naar keuze van de langstlevende echtgenoot, en dit in een door de langstlevende echtgenoot te bepalen percentage, toe te bedelen aan de langstlevende echtgenoot.
De aanstaande echtgenoten wensen, met deze twee bedingen, elkaar dus verzorgd achter te laten en zij wensen in een niet-eenzijdig herroepbare en maximaal “reserveproof” solidaire regeling te voorzien voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door hun overlijden. Mevrouw Y wenst bovendien de continuïteit van de voornoemde vennootschap te garanderen als het huwelijk wordt ontbonden door haar overlijden. Mevrouw Y acht dergelijke solidaire regeling bovendien noodzakelijk ter compensatie van de door de heer X geleverde inspanningen voor de uitbouw en de groei van de voornoemde vennootschap, naast het huishouden, en de verwachte zorg en de verwachte opvoeding van de door hen gewenste gemeenschappelijke kinderen. Deze bedingen zijn dan ook niet ingegeven door de intentie van vrijgevigheid.
7. Met het verblijvingsbeding verlenen de aanstaande echtgenoten de langstlevende van hen, de volle en exclusieve eigendom, van alle goederen die, op het ogenblik van het overlijden van een van hen, tussen hen in onverdeeldheid zullen zijn. Het is daarbij irrelevant of het om een onverdeeldheid van roerende dan wel van onroerende goederen gaat. Evenmin is het relevant wat de oorsprong van de onverdeeldheid is, of wat de verhouding is waarin de echtgenoten in die onverdeeldheid gerechtigd zijn. De regeling geldt echter niet voor de goederen waarvoor een van de echtgenoten, of beide echtgenoten, in onverdeeldheid met derden zou zijn.
Het verblijvingsbeding is evenwel optioneel. Het heeft bij overlijden van een van de echtgenoten integrale uitwerking, op alle onverdeelde goederen van de echtgenoten, tenzij de langstlevende opteert voor een beperkte verblijving. De langstlevende kan inderdaad de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken, door slechts voor een verblijving in vruchtgebruik te kiezen, ofwel voor alle onverdeelde goederen, ofwel voor die onverdeelde goederen die de langstlevende kan aanwijzen. De langstlevende kan ook de uitwerking van het verblijvingsbeding naar keuze beperken, door slechts voor een toewijzing van alle onverdeelde goederen, of van die onverdeelde goederen die de langstlevende kan aanwijzen, voor een groter breukdeel dan het breukdeel waarin hij of zij reeds gerechtigd was.
8. Met het toekenningsbeding verleent elke echtgenoot de andere, voor zover hij of zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van bepaalde eigen goederen, die elke echtgenoot daarvoor in de huwelijksovereenkomst aanwijst. De regeling geldt louter voor de roerende en onroerende goederen die in de huwelijksovereenkomst hiervoor worden gespecifieerd (en voor de goederen die daarvoor ingevolge zaakvervanging in de plaats zouden komen), voor zover deze goederen op het ogenblik van overlijden van de eigenaar ervan nog in zijn of haar vermogen aanwezig zijn. Deze goederen worden in het ontwerp van huwelijksovereenkomst en hierna aangeduid als de ‘toe te kennen goederen’.
Het toekenningsbeding is eveneens optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op het toekenningsbeding wenst te beroepen, kan hij of zij zich ook beroepen op een beperkte toekenning. De toekenning kan beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle toe te kennen goederen, of voor bepaalde toe te kennen goederen, die hij of zij kan aanwijzen, voor een toekenning in vruchtgebruik. De toekenning kan ook beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle toe te kennen goederen, of voor bepaalde goederen die hij of zij hiervoor kan aanwijzen, voor een toekenning beperkt tot een door de langstlevende aan te wijzen breukdeel. Anders dan voor het verblijvingsbeding is overeengekomen, zal het toekenningsbeding volle uitwerking hebben indien de langstlevende geen tijdige keuze maakt.
9. Hiertoe werd het hieronder vermelde artikel ingevoegd in de huwelijksovereenkomst.[1]
“Artikel 14.A. Beding van toebedeling van onverdeelde goederen
1. In toepassing van artikel 2.3.64 van het Burgerlijk wetboek komen partijen bij wijze van huwelijksovereenkomst onder bezwarende titel overeen dat bij de ontbinding van het huwelijk door het overlijden van één van beide echtgenoten en op voorwaarde dat er op dat ogenblik geen feitelijke scheiding bestaat tussen hen (bij duurzame ontwrichting van het huwelijk van meer dan zes maanden, dus geen toevallige feitelijke scheiding of door de omstandigheden opgedrongen scheiding ingevolge verblijf in het buitenland van één der echtgenoten, verblijf in een ziekenhuis, woonzorgcentrum, assistentiewoning, enzovoort) en geen procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed werd ingeleid, de onverdeelde roerende én onroerende goederen die zij op dat ogenblik bezitten als volgt toekomen aan de langstlevende echtgenoot, en dit zowel bij het bestaan als bij het niet bestaan van gemeenschappelijke afstammelingen, te weten:
a) ofwel de volle eigendom van alle onverdeelde goederen,
b) ofwel de volle eigendom van de helft en het levenslang vruchtgebruik van de andere helft van alle onverdeelde goederen,
c) ofwel het vruchtgebruik van alle onverdeelde goederen,
d) ofwel bepaalde percentages in volle eigendom en/of in vruchtgebruik van alle onverdeelde goederen of van bepaalde roerende en/of onroerende onverdeelde goederen,
naar keuze van de langstlevende, waarbij de keuze goed per goed verschillend kan zijn.
Het voordeel dat uit de toepassing van dit verblijvingsbeding voor de langstlevende ontstaat, leidt voor de langstlevende tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerst overleden echtgenoot te dragen die verband houden met voormelde goederen, en dit in verhouding tot het aandeel dat de langstlevende echtgenoot in voormelde goederen verkrijgt.
2. De langstlevende echtgenoot moet, persoonlijk of via een lasthebber, binnen de wettelijke termijn voor het indienen van de aangifte van nalatenschap na het overlijden van de eerststervende bij notariële akte een keuze maken zoals hierboven bepaald.
De keuze is een strikt persoonlijk recht; de keuze kan dan ook uitsluitend door de langstlevende echtgenoot worden uitgeoefend, en niet door zijn of haar rechtsopvolgers of schuldeisers. De keuzebevoegdheid gaat echter wel over op de persoon die ingevolge een buitengerechtelijke of een gerechtelijke beschermingsmaatregel aangewezen is om de goederen van deze echtgenoot te beheren of om de echtgenoot hierin bij te staan.
Indien de toebedeling betrekking heeft op rechten in vruchtgebruik wordt uitdrukkelijk bedongen dat dit vruchtgebruik niet kan worden omgezet zonder het schriftelijk akkoord van de langstlevende echtgenoot, gezien het onder bezwarende titel is toegekend en geen erfrechtelijk karakter heeft. Daarenboven zal de vruchtgebruiker ontslagen zijn van het opmaken van een boedelbeschrijving.
Bij gebrek aan tijdige keuze heeft de toebedeling betrekking op de volle eigendom van de helft en het levenslang vruchtgebruik van de andere helft van alle onverdeelde goederen.
3. Deze toebedelingen brengen verder van rechtswege met zich mee dat er geen rekeningen kunnen worden gevorderd met betrekking tot de respectieve financiële bijdrage die elk van de echtgenoten heeft geleverd ter gelegenheid van de verwerving van het goed (of de goederen) of met betrekking tot de terugbetaling van de kosten van de verwerving van het goed (of deze goederen). Hetzelfde geldt voor de uitgaven die verband houden met de werkzaamheden die werden uitgevoerd in de vermelde onroerende goederen of andere onverdeelde goederen.
Artikel 14.B. Beding van toebedeling van eigen goederen
1. In toepassing van artikel 2.3.64 van het Burgerlijk Wetboek komen partijen bij wijze van huwelijksovereenkomst onder bezwarende titel overeen dat bij de ontbinding van het huwelijk door overlijden van één van beide echtgenoten en op voorwaarde dat er op dat ogenblik geen feitelijke scheiding bestaat tussen hen (bij duurzame ontwrichting van het huwelijk van meer dan zes maanden, dus geen toevallige feitelijke scheiding of door de omstandigheden opgedrongen scheiding ingevolge verblijf in het buitenland van één der echtgenoten, verblijf in een ziekenhuis, woonzorgcentrum, assistentiewoning, enzovoort) of geen procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed werd ingeleid, de roerende goederen waarvan hierna sprake aan de langstlevende echtgenoot worden toebedeeld, naar keuze van de langstlevende in volle eigendom en/of in vruchtgebruik (voor de geheelheid of voor bepaalde percentages van alle of van bepaalde goederen, waarbij de keuze voor ieder goed verschillend kan zijn), en dit zowel bij het bestaan als bij het niet bestaan van afstammelingen, te weten:
- de aandelen van de besloten vennootschap Z waarvan de eerstoverleden echtgenote op het tijdstip van haar overlijden exclusief eigenaar is;
- de gelden, waarden en effecten waarvan de eerstoverleden echtgenoot/echtgenote op het tijdstip van zijn/haar overlijden exclusieve eigenaar is.
Het voordeel dat uit de toepassing van dit verblijvingsbeding voor de langstlevende ontstaat, leidt voor de langstlevende tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerst overleden echtgenoot te dragen en die verband houden met voormelde goederen, en dit in verhouding tot het aandeel dat de langstlevende echtgenoot in voormelde onroerende goederen verkrijgt.
2. De langstlevende echtgenoot moet, persoonlijk of via een lasthebber, binnen de vier maanden na het overlijden van de eerststervende bij notariële akte een keuze maken tussen de roerende en/of onroerende toebedelingen vermeld onder voormeld punt 1. Indien de toebedeling betrekking heeft op rechten in vruchtgebruik kan dit niet worden omgezet zonder het schriftelijk akkoord van de langstlevende echtgenoot.
Bij gebrek aan tijdige keuze heeft de toebedeling betrekking op de volle eigendom van alle hierboven vermelde goederen.
3. In alle gevallen kan geen afrekening worden gemaakt ten laste van de langstlevende echtgenoot, behalve wat de geïnvesteerde gelden in de toebedeelde goederen betreft.
De geïnvesteerde gelden kunnen gelden zijn die ofwel reeds voor het aangaan van het huwelijk aan de vooroverleden echtgenoot toebehoorden ofwel tijdens het huwelijk door gift of erfenis werden verkregen ofwel in de plaats zijn gekomen van een goed dat de vooroverleden echtgenoot reeds toebehoorde en werd gefinancierd met eigen gelden of via een begunstiging van een levensverzekering.
Er zullen geen rekeningen worden opgemaakt met betrekking tot de geïnvesteerde gelden indien de langstlevende echtgenoot uitsluitend heeft geopteerd voor een toebedeling in vruchtgebruik van het goed (of de goederen) waarin eigen gelden werden geïnvesteerd.
Artikel 14.C. Civiele gevolgen van zowel artikel 14.A als artikel 14.B
De civiele gevolgen van dit huwelijksvoordeel worden, conform artikel 2.3.64 BW, bepaald door de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW, met name voor wat het effect tegenover de kinderen betreft.
De voordelen die door de bedingen van deze overeenkomst aan de langstlevende worden toegekend, zijn huwelijksvoordelen die niet aan de regels van de schenkingen onderworpen zijn.
Er kan slechts sprake van inkorting ervan zijn indien een huwelijksvoordeel de perken overschrijdt zoals in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW bepaald.
De perken van artikel 2.3.57 BW dat toepasselijk is bij samenloop met gemeenschappelijke kinderen, zijn slechts bereikt als de langstlevende echtgenoot meer zou verkrijgen dan alle huwelijkse aanwinsten (en de helft van andere goederen die in de gemeenschap zouden worden ingebracht).
De perken van artikel 2.3.58 BW dat toepasselijk is bij samenloop van de langstlevende met stiefkinderen, zijn bereikt indien de langstlevende meer zou verkrijgen dan de helft van de huwelijkse aanwinsten. De langstlevende echtgenoot kan evenwel de vordering tot inkorting van de voorkinderen vermijden door het netto erfdeel van deze kinderen meteen na overlijden in geld uit te betalen.”
10. Aanvragers bevestigen te weten dat:
- op de toebedeling van onverdeelde dan wel eigen roerende goederen geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd is.
- bij de toebedeling van de onverdeelde onroerende goederen, het verdeelrecht verschuldigd zal zijn indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid. Is de verkrijger echter een derde-verkrijger, dan zal op de toebedeling aan deze verkrijger het verkooprecht van toepassing zijn op grond van art. 2.9.1.0.7 VCF.
I.c. betekent dit dat op de helft van de waarde van de (toekomstige) gezinswoning het verdeelrecht zal verschuldigd zijn ingeval van verblijving van de gezinswoning aan de langstlevende echtgenoot.
III. Motivering van de aanvraag
11. De aanvragers verzoeken met betrekking tot artikel 14 van de huwelijksovereenkomst bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van het optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding, niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen:
1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2. VCF
12. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
13. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge artikel 14 van de huwelijksovereenkomst zal verkrijgen, wordt echter niet uit nalatenschap verkregen, doch louter huwelijksvermogensrechtelijk, als een huwelijksvoordeel.
Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dit huwelijksvoordeel wordt huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel.
Gelet op het feit dat de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel steeds de vereffening-verdeling van de nalatenschap voorafgaat, kan het geen erfrechtelijke verkrijging zijn.
Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking. Deze kwalificatie is objectief, dit wil zeggen dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen, animus donandi, kan die kwalificatie niet wijzigen. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een animus donandi mag zelfs niet geleverd worden.
Deze kwalificatie werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen, zoals dit voor de aanvragers het geval is, en dit overeenkomstig artikel 2.3.64 Burgerlijk wetboek.
Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door (Cass 09/07/1931). Het fiscaal recht moet de kwalificatie als niet-schenking dus aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zouden afwijken.
14. De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het verblijvingsbeding op grond van artikel 14 zoals voorzien in de huwelijksovereenkomst kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
15. Gezien voormeld artikel 14 uit de huwelijksovereenkomst gekwalificeerd wordt als volkomen huwelijksvoordeel, kan artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet toegepast worden op het voordeel dat aan de langstlevende echtgenoot zou toekomen.
Ook al heeft het beding pas uitwerking bij het overlijden van de echtgenoten, van een schenking kan geen sprake zijn.
Ook hier dient de burgerrechtelijke kwalificatie te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.
16. De overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het verblijvingsbeding kan niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4. VCF
17. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt. De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van een stelsel met een gemeenschap en dient restrictief te worden gelezen.
18. Tussen de aanvragers bestaat geen gemeenschap. Ze zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Daaraan werd een verblijvingsbeding toegevoegd voor het geval van overlijden, dat louter betrekking heeft op onverdeelde en eigen goederen, niet op gemeenschapsgoederen.
19. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn dus niet vervuld. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van artikel 14 van de huwelijksovereenkomst.
4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
20. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:
1) een kosteloze beschikking;
2) gedurende de drie jaar voorafgaand aan het overlijden;[1]
3) waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.
21. Het verblijvingsbeding/toekenningsbeding verstrekt evenwel geen kosteloze beschikking, zoals hierboven uitgebreid toegelicht. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijk gesteld worden met een kosteloze beschikking. Dat bevestigde ook het Hof van Cassatie, zoals eerder aangehaald.
Het verblijvingsbeding/toekenningsbeding wordt weliswaar nu opgenomen, maar of het een huwelijksvoordeel oplevert kan slechts beoordeeld worden bij de ontbinding van het huwelijksstelsel, dus bij overlijden van de eerste van de echtgenoten. Als het voordeel pas bij overlijden ontstaat en moest het beschouwd worden als kosteloze beschikking, quod non, kan er geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in enige periode voor het overlijden. Er kan dus geen sprake zijn van een schenking in een periode die het overlijden voorafgaat.
22. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is dus niet van toepassing op de overgang/verblijving/toewijzing/toebedeling/toekenning op grond van het artikel 14 in de huwelijksovereenkomst.
5. Geen fiscaal misbruik
23. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zogenaamde fictiebepalingen) geen toepassing vinden.
Ook het Grondwettelijk Hof stelt dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling. Enkel wanneer bepaalde verrichtingen as such niet onder het toepassingsgebied van een specifieke fiscale misbruikbepaling vallen, maar wel de doelstellingen van een specifieke antimisbruikmaatregel frustreren, kan de algemene antimisbruikbepaling wel worden aangewend.
Geen van de twee aanvragen frustreren echter enige toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling. Evenmin kan daartegen de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. De aanvragers verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de hierna uiteengezette motieven.
5.1. Geen frustratie van specifieke antimisbruikbepalingen
24. Het artikel 14 van de huwelijksovereenkomst schendt de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de aanvragers niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden wordt uitgesteld. Ze passen hun huwelijksovereenkomst aan om tot een regeling te komen, enerzijds bij echtscheiding, anderzijds bij overlijden, die tot een billijke regeling moet leiden voor goederen waarin ze beiden gerechtigd zijn.
25. De voorgenomen verrichtingen frustreren evenmin artikel 2.7.1.0.5 VCF.
26. De aanvragers zullen huwen onder een stelsel van scheiding van goederen omdat ze een groot belang hechten aan de professionele autonomie van elk van hen, alsook aan de grotere bescherming voor professionele schuldeisers van de andere echtgenoot.
27. Ingevolge de wet van 22 juli 2018 is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen, in het bijzonder voor het geval van overlijden, met civielrechtelijke voordelen die testamentaire beschikkingen of een contractuele erfstelling niet bieden. Met betrekking tot onverdeeldheden laat de civiele wet nu immers toe dat een verblijvingsbeding daaraan wordt gekoppeld, waardoor deze onverdeelde goederen bij overlijden van een van de echtgenoten van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende toebehoren, tenzij de langstlevende zou kiezen, overeenkomstig de modaliteiten zoals voorzien in het huwelijksovereenkomst, om zich niet op dit verblijvingsbeding te beroepen. Idem voor wat betreft het toekenningsbeding van eigen goederen. Dit is voor de langstlevende een veel comfortabelere situatie dan deze die door een erfrechtelijke (testamentaire of contractuele) regeling wordt geschapen.
5.2. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2 VCF
28. De voorgenomen verrichtingen verlenen huwelijksvoordelen die huwelijksvermogensrechtelijk worden verkregen. Ze zijn dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF. De aanvragers frustreren deze bepaling niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen. Ze kunnen dezelfde doelstelling niet met dezelfde civiele gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling.
Iedere erfrechtelijke verkrijging wordt immers louter op de nalatenschap toegekend, terwijl de echtgenoten net willen vermijden dat de onverdeelde goederen voor de helft in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot terecht komen.
Dergelijke voordelen zouden, indien testamentair of via contractuele erfstelling buiten huwelijksovereenkomst toegekend, eenzijdig herroepen kunnen worden, wat de echtgenoten niet wensen. Bovendien zouden voordelen die in omvang gelijkaardig zouden zijn, maar die ze mekaar via een testament of een contractuele erfstelling (al of niet binnen huwelijksovereenkomst) zouden willen toekennen, vatbaar zijn voor inkorting indien ze de reserve van de kinderen zouden aantasten, terwijl de echtgenoten dat risico totaal wensen uit te schakelen, zoals de civiele wet hen dat toelaat.
Bovendien is het verblijvingsbeding/toekenningsbeding, in tegenstelling tot andere beschermingsmechanismes, niet eenzijdig herroepbaar.
6. Niet-fiscale motieven
29. De aanstaande echtgenoten hebben beslist om te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen, aangezien dit hen de nodige autonomie biedt inzake het beheer van hun goederen alsook de nodige bescherming inzake verhaal van schuldeisers.
Gezien mevrouw Y op heden reeds eigenaar is van een eigen vermogen ontvangen uit schenking, en de heer X eveneens belangrijke schenkingen op zijn naam verwacht, én gezien zij zich niet kunnen vinden in het principe van toepassing op het wettelijk stelsel, zijnde dat alle inkomsten, waaronder onder andere deze uit eigen goederen, gemeenschappelijk zijn, zij dit reden temeer vinden om niet te kiezen voor het stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Iedere echtgenoot heeft aldus de ruimste bevoegdheden om tijdens het huwelijk eigen inkomsten te ontvangen en te besteden (zonder afbreuk te doen aan hun beider verplichting om deze inkomsten bij voorrang aan de huwelijkslasten te besteden). Ook biedt dit stelsel elke echtgenoot de ruimste bescherming tegen aanspraken van schuldeisers van de andere echtgenoot.
30. Tegelijk vinden de aanstaande echtgenoten de bescherming van de langstlevende echtgenoot belangrijk. Voor het geval van ontbinding van het stelsel door overlijden, wensen de aanstaande echtgenoten evenwel dit stelsel aan te vullen met correcties die de langstlevende een ruime bescherming toekennen, hem of haar zoveel als mogelijk het behoud verzekeren van de levensstandaard die tijdens het huwelijk is opgebouwd, en zoveel als mogelijk comfort en financiële onafhankelijkheid toekennen.
31. Ingevolge de Wet van 22 juli 2018 is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen die, in het bijzonder in geval van overlijden, civielrechtelijke voordelen bieden die andere bedingen, zoals bijvoorbeeld verrekenbedingen niet bieden.
Ingevolge het verblijvingsbeding komen de goederen bij overlijden van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot, tenzij de langstlevende zou kiezen om zich overeenkomstig artikel 14 van de huwelijksovereenkomst niet of slechts gedeeltelijk op dit verblijvingsbeding te beroepen. Dit is voor de langstlevende echtgenoot een veel comfortabelere positie dan deze die bijvoorbeeld door een verrekenbeding wordt geschapen.
Voor de werking van het verrekenbeding moet immers de samenstelling en de nettowaarde van deze verrekenmassa worden vastgesteld in onderling overleg tussen de langstlevende echtgenoot en de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot, en bij ontstentenis van akkoord, door een deskundigencollege. Na kennisgeving van de gemaakte keuze over de verrekensleutel moeten de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot tot betaling overgaan, hetzij in geld, hetzij door afstand van goederen aan de langstlevende. Het is voor de schuldenaars van de verrekenschuld bovendien mogelijk om de schuld in schijven te voldoen.
Door de onmiddellijke en zakelijke werking van het verblijvingsbeding zijn al deze stappen niet nodig, en treedt de langstlevende, vanaf de kennisgeving van zijn of haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit en inde gewenste eigendomsverhouding al naargelang de keuze van de langstlevende echtgenoot.
32. Evenmin wensen de aanstaande echtgenoten te opteren voor een beperkte gemeenschap of een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. Zo wensen zij met betrekking tot de goederen die hen in onverdeeldheid toebehoren, tijdens het huwelijk een flexibele regeling te behouden, die zij conventioneel kunnen uitwerken, indien gewenst afzonderlijk en afwijkend voor elk goed dat tussen hen onverdeeld is. Dit houdt bijvoorbeeld in dat ze niet elk onverdeeld goed voor gelijke breukdelen willen aanhouden, en daarom dus niet in een TIGV kunnen brengen waarin zij gelijk gerechtigd zouden zijn.
33. De door de aanstaande echtgenoten beoogde doelstellingen kunnen zij niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking.
Iedere erfrechtelijke verkrijging wordt immers louter op de nalatenschap toegekend, terwijl de aanstaande echtgenoten net de langstlevende de opportuniteit willen geven om zich de onverdeelde goederen volledig of voor een ruimer breukdeel huwelijksvermogensrechtelijk te laten toewijzen, en dus vermijden dat die goederen in de nalatenschap van de overleden echtgenoot terecht komen. Evenzo willen de aanstaande echtgenoten de langstlevende de opportuniteit geven om zich de specifiek daartoe aangewezen toe te kennen goederen van de overledene rechtstreeks via een huwelijksvermogensrechtelijk beding inderdaad te laten toekennen, zonder dat deze goederen eerst in de nalatenschap van de overleden echtgenoot terecht komen. Doordat de voordelen die aldus aan de langstlevende worden toegekend huwelijksvermogensrechtelijke voordelen zijn, bereiken de echtgenoten inderdaad een dubbele doelstelling: de onherroepelijkheid ervan, enerzijds, en de gunstige kwalificatie als huwelijksvoordelen die slechts zeer beperkt vatbaar zijn voor inkorting, anderzijds.
Voordelen die in omvang gelijkaardig zouden kunnen zijn, maar die de aanstaande echtgenoten mekaar via een testament, een contractuele erfstelling of een schenking (al of niet binnen huwelijksovereenkomst) zouden toekennen, zouden steeds in de rekenboedel (art. 4.153 BW) moeten opgenomen worden, en op het beschikbaar deel moeten aangerekend worden. Dat is met huwelijksvoordelen niet het geval. De mate waarin huwelijksvoordelen ontsnappen aan de toepassing van de regel van de inkortbaarheid en dus aan de verplichting tot aanrekening op het beschikbaar deel (met risico voor inkorting indien het beschikbaar deel zou overschreden worden) is veel ruimer dan voor giften. Zolang en voor zover de maxima of plafonds van art. 2.3.57 BW niet zijn bereikt is er immers voor huwelijksvoordelen geen sprake van opname in de rekenboedel noch van aanrekening op het beschikbaar deel, en dus evenmin van inkortbaarheid.
De aanstaande echtgenoten hebben op vandaag nog geen kinderen, maar hebben absoluut wel een kinderwens. De uit het huwelijk geboren kinderen zullen de aanrekening op het beschikbaar deel en bijgevolg de inkorting niet kunnen vragen zolang en voor zover de huwelijksvoordelen die hun ouders elkaar toekennen, niet verder reiken dan, enerzijds, hun gezamenlijke aanwinsten, anderzijds, de helft van de niet-aanwinsten van de echtgenoot die als eerste zal overlijden.
34. Het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding die de aanstaande echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen willen toevoegen, laten hen toe om hun beider wensen voor het comfort van de langstlevende zeer ruim te bereiken, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft.
Het optioneel verblijvingsbeding slaat immers op onverdeelde goederen waarvan de aanstaande echtgenoten door de gezamenlijke verkrijging of het onverdeeld maken ervan reeds bevestigen dat het om goederen gaat met een gezinsbestemming die niet hoort te eindigen bij overlijden van een van de echtgenoten. Deze onverdeelde goederen moeten daarom volkomen, onmiddellijk en louter op basis van de wilsuiting van de langstlevende, ter zijne of hare volledige beschikking kunnen blijven.
Het optioneel toekenningsbeding slaat op concrete goederen van de ene dan wel van de andere echtgenoot, waarvan beide echtgenoten willen dat ze bij overlijden van de eigenaar ervan, volkomen, onmiddellijk en louter op basis van de wilsuiting van de langstlevende, ter zijne of hare volledige beschikking kunnen worden gesteld.
In beide gevallen behoudt de langstlevende de optie om na het overlijden van de andere, genoegen te nemen met een kleiner voordeel.
Dit gebeurt dan bovendien met een maximale uitschakeling van het risico van inkorting.
35. Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de aanstaande echtgenoten doorslaggevend bij hun voornemen om de bedingen, die in deze aanvraag zijn vermeld, met verzoek tot bevestiging van hun fiscale consequentie als uiteengezet, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.
36. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvragers artikel 14 in het huwelijksovereenkomst niet hebben ingevoegd op grond van fiscale motieven. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet fiscale motieven hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de twee aanvragen die ze u voorleggen, en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.
37. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF verzoeken aanvragers het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.
Gelet op de jonge leeftijd van partijen, wordt verzocht om, in afwijking van artikel 3.22.0.0.1 §4, eerste lid, VCF, een beslissing te nemen die geldig blijft tot aan de afhandeling van de nalatenschap van één van de aanstaande echtgenoten.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
38. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.
39. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.
40. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
41. De heer X en mevrouw Y wensen een huwelijksovereenkomst aan te gaan, waarbij zij het stelsel van scheiding van goederen zullen aannemen met toevoeging van een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor bepaalde eigen niet-onverdeelde goederen, voor het geval van ontbinding van het stelsel door overlijden van één van beide echtgenoten.
Hiertoe zal het hierboven aangehaalde artikel 14 worden opgenomen in de huwelijksovereenkomst.
De heer X bezit vandaag aan aantal financiële tegoeden op eigen naam. Mevrouw Y bezit vandaag 100% van de aandelen van de BV Z en een aantal financiële tegoeden op eigen naam en daarnaast een onroerend vermogen in blote eigendom, afkomstig uit schenking door haar ouders.
De partijen zullen na hun huwelijk overgaan tot aankoop van de gezinswoning die hen in onverdeeldheid zal toebehoren, ieder voor de onverdeelde helft. Daarnaast behoort de inboedel van de gezinswoning en behoren een aantal rekeningen met financiële tegoeden op naam van beide partners in onverdeeldheid toe aan de partijen, voor gelijke delen.
Ingevolge de voorgenomen bedingen zullen, bij overlijden van één van hen, de onverdeelde roerende en onroerende goederen en de in de huwelijksovereenkomst opgesomde eigen niet-onverdeelde roerende goederen van de eerstoverleden echtgenoot, in volle eigendom en/of in vruchtgebruik, naar keuze van de langstlevende echtgenoot, worden toebedeeld aan de langstlevende echtgenoot.
Uit het voorgelegde ontwerp van huwelijksovereenkomst blijkt dat het beding van toebedeling van eigen niet-onverdeelde goederen in casu betrekking heeft op 1) de aandelen van BV Z waarvan mevrouw Y op tijdstip van haar overlijden exclusief eigenaar is (voor het geval zij als eerste zou komen te overlijden) en 2) de gelden, waarden en effecten waarvan de eerstoverleden echtgenoot op tijdstip van overlijden exclusief eigenaar is.
De bedingen worden optioneel geformuleerd en de langstlevende echtgenoot kan ook kiezen voor een toebedeling van de geheelheid of van welbepaalde goederen, waarbij de keuze voor ieder goed verschillend kan zijn.
Partijen voorzien tevens in een passiefregeling.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF
42. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
43. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.
In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
44. In de mate dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.
1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?
45. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
46. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?
47. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
48. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
49. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen niet-onverdeelde goederen hebben volgens de aanvrager geen betrekking op gemeenschapsgoederen.
50. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
51. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.
52. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
53. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
54. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
55. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).
56. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
57. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de aanvragers, de heer X en mevrouw Y, wensen te huwen onder het stelsel van scheiding van goederen. Op heden hebben zij geen kinderen, noch gemeenschappelijk, noch niet-gemeenschappelijk.
De partijen opteren voor een basisstelsel van scheiding van goederen aangezien dit volgens hen de nodige autonomie biedt inzake het beheer van hun goederen alsook de nodige bescherming inzake verhaal van schuldeisers.
Tegelijk wensen de aanstaande echtgenoten wel te voorzien in een bescherming voor de langstlevende echtgenoot door te voorzien in een niet eenzijdig herroepbare regeling. Hierbij wensen ze het inkortingsrisico uit te schakelen indien zij reservataire erfgenamen zullen nalaten en verkiezen ze het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding omwille van de onmiddellijke en zakelijke werking die aanvragers hieraan toekennen.
58. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
59. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Het ontwerp van de voorgenomen huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[2] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Artikel 2.7.1.0.5 VCF is gewijzigd met ingang van 1 januari 2025 waardoor de goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, geacht worden deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden.