VB 25153 - Wijziging huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen - vervanging Valkeniersbeding door optioneel toekenningsbeding
- Nummer
25153
- Datum beslissing
9 maart 2026
- Publicatiedatum
18 maart 2026
Heffing
- Erfbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.2. VCF
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.4. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag vraagt van uw Dienst de volgende bevestigingen:
Dat de toevoeging van een nieuw artikel 10 in het bestaand huwelijkscontract (na schrapping van het bestaand artikel 10) via de geplande wijziging van het huwelijkscontract [1] houdende scheiding van goederen niet onderworpen zal zijn aan erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.2, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF, en geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is en er geen fiscaal misbruik is in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
Na de schrapping van het bestaand artikel 10 in het huwelijkscontract (= omvattende een Valkeniersbeding) beoogt de toevoeging van een nieuw artikel 10 [2] in het bestaand huwcontract de toekenning van rechtswege aan Y in volle en exclusieve eigendom van wel omschreven roerende goederen die behoren tot het eigen vermogen van de heer X, indien zij de langstlevende echtgenote zou zijn.
Dat op de uitwerking van het toekenningsbeding gezien het roerende goederen betreft er geen erfbelasting, noch schenkbelasting kan geheven worden.
Dat de wetgeving op datum van het overlijden bepalend is en dat een eventuele (toekomstige) wijziging van de VCF (fictiebepaling) wel degelijk haar impact zal hebben.
Verzoek omtrent de duurtijd voorafgaande beslissing
- Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt.
Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting is dit anders. Het moment van de heffing is pas bij een overlijden van X wat – statistisch gezien – pas vele jaren later zal plaatsvinden. Er wordt voor onderhavige aanvraag een verlengde duurtijd gevraagd, meer bepaald tot en met het overlijden van de Heer X gezien de aanvraag betrekking heeft op de uitwerking van een optioneel toekenningsbeding dat maar uitwerking kan krijgen als het huwelijksstelsel van de echtgenoten door het overlijden van X eindigt.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
2. De aanvraag wordt ingediend door […], met adres te […], vertegenwoordigd door […], wonende te […], in naam van:
- De heer X, geboren te […] op xx.xx.1969, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], hierna genoemd “X”.
- Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1966, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], hierna genoemd “Y”.
Sinds xx.xx.2014 zijn X en Y samenwonend.
Op xx.xx.2021 zijn zij gehuwd te […] op xx.xx.2021 onder het stelsel van scheiding van goederen bij huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021, tot op heden ongewijzigd.[3]
X en Y hebben reeds meer dan vijf jaar hun woonplaats in het Vlaamse Gewest. Zij hebben sinds xx.xx.2023 hun woonplaats te […].
Voorheen woonden ze te […].
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
3. X en Y zijn gehuwd te […] op xx.xx.2021 onder het stelsel van scheiding van goederen bij huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021, tot op heden ongewijzigd.
4. Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen.
5. X heeft 4 kinderen uit een vorig huwelijk met name:
- […], geboren op xx.xx.2001;
- […], geboren op xx.xx.2003;
- […], geboren op xx.xx.2004;
- […], geboren op xx.xx.2004.
6. Y heeft 2 kinderen uit een vorig huwelijk met name:
- A, geboren op xx.xx.1987, echtgenote van […], wonende te […]
- B, geboren op xx.xx.1993.
7. X heeft een vermogen opgebouwd door hard te werken in de landbouwonderneming op zijn naam.
8. Behoudens een onverdeelde rekening ten behoeve van de huishouding, hebben de echtgenoten geen goederen die hen in onverdeeldheid toebehoren.
9. X en Y hebben bij het afsluiten van hun huwelijkscontract ervoor geopteerd om huwelijksvermogensrechtelijk het stelsel van scheiding van goederen aan te nemen omdat:
- X op dag van zijn huwelijk over een vermogen beschikte en nog steeds beschikt dat hij volledig zelf heeft opgebouwd.
- X het belangrijk vindt dat hij gedurende zijn leven volledig autonoom over dat vermogen beschikt.
De keuze van het huwelijksstelsel beantwoordt nu nog steeds aan de wil van de echtgenoten.
10. Overige relevante elementen/ informatie:
Leningen verstrekt door X aan de kinderen van Y
- X heeft aan de dochter van Y, met name A en haar echtgenoot […], een onderhandse lening toegestaan op xx.xx.2023 voor onbepaalde tijd voor een totaalbedrag van €[…] en een bijkomend bedrag van €[…].[4]
Hierop is reeds ongeveer €[…] terugbetaald.
- X heeft aan de zoon van Y, B, een onderhandse lening toegestaan op xx.xx.2023 voor onbepaalde tijd voor een totaalbedrag van €[…].
Hierop wordt sinds xx.2024 op maandelijkse basis door B een bedrag van […] euro terugbetaald vanuit zijn rekening […] op rekening van X nummer […] (hetzij reeds terugbetaald ongeveer €[…]).
Verhuis naar […]
X heeft bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2023 zijn opbrengsteigendom en zijn landbouweigendommen te […] verkocht, mits de prijs van €[…].
Bij akte verleden voor notaris […] te […] heeft hij een woning met magazijnen en landbouwgrond aangekocht in […].
In het jaar 2023 en 2024 heeft hij al wat omliggende landbouwgronden aangekocht waardoor hij als het ware een nieuwe landbouwonderneming te […] is gestart.
Hij plant – indien mogelijk - nog aankopen te doen van omliggende gronden.
Verstandhouding met de kinderen uit het eerste huwelijk
De verstandhouding met de kinderen uit het eerste huwelijk van X verloopt steeds moeizamer. De contacten getuigen - meer en meer - van weinig of geen respect voor X en zeker niet voor Y, wat bij X en Y zeer veel onrust veroorzaakt.
Ter bescherming van Y, willen X en Y terugkomen op het Valkeniersbeding dat zij hebben opgenomen in het huwelijkscontract de dato xx.xx.2021 en op de erfrechtelijke regeling die zij destijds – bij de opmaak van het huwelijkscontract – voor ogen hadden.
In actuele omstandigheden zou bij een overlijden van X (zonder verdere schikkingen) – rekening houdend met het Valkeniersbeding dat is opgenomen in het bestaand huwelijkscontract (akte xx.xx.2021) - het vermogen van X vererfd worden als volgt:
Wat het onroerend vermogen betreft:
* aan Y: het vruchtgebruik op de gezinswoning en de huisraad,
* aan de 4 kinderen uit zijn eerste huwelijk:
- de blote eigendom van de gezinswoning en de huisraad en
- de overige onroerende goederen toebehorend aan X in volle eigendom.
Wat het roerend vermogen betreft:
* aan Y voor het vruchtgebruik en
* aan de 4 kinderen uit zijn eerste huwelijk: voor de blote eigendom.
Wat betreft dit vruchtgebruik op het vermogen zijn de betrokken echtgenoten gewezen worden op het omzettingsrecht dat sinds de aanpassing van het erfrecht in 2018 aan kinderen uit een andere relatie niet kan geweigerd worden (behalve wat betreft het vruchtgebruik op de gezinswoning en huisraad) en op de (onzekere) waarde van het vruchtgebruik in hoofde van Y (gezien er bij de waardering rekening gehouden wordt met de leeftijd van Y op dag van omzetting; gezien de actuele goede gezondheid van X kan het moment van een overlijden van X (gelukkig) niet voorspeld worden).
Daarenboven - totdat een vereffening-verdeling van de nalatenschap van X tot stand zal komen – zijn X en Y er quasi zeker van dat de kinderen van X zullen weigeren hun instemming te verlenen tot enige vrijgave van de roerende tegoeden en aldus de middelen die Y nodig heeft om van te leven lang zullen geblokkeerd blijven.
X en Y zijn ook zeer verontrust over de mogelijke acties die de kinderen van X – na zijn overlijden - zullen ondernemen tegen Y om hun reservataire aanspraken te vrijwaren.
11. X wil dan ook dat Y beschermd wordt tegen de aanspraken van zijn kinderen na zijn overlijden:
- met betrekking tot zijn roerend vermogen: door de toevoeging van het hierna weergegeven toekenningsbeding op de aangeduide roerende financiële tegoeden (= voorwerp van deze aanvraag);
- met betrekking tot zijn onroerend vermogen (die niet het voorwerp van deze aanvraag vormen): door de schrapping van het Valkeniersbeding in het huwelijkscontract zodat de omvang van de erfrechten van Y in principe toenemen.
Na nog bijkomende aankopen (die X plant te doen), wil hij dan – via latere schikkingen over zijn onroerend vermogen - zo veel als mogelijk nastreven dat de nieuwgevormde landbouwonderneming één geheel kan blijven, ook na zijn overlijden, en er zo weinig mogelijk onverdeeldheid ontstaat tussen het vermogen dat hij nalaat aan de langstlevende en dit waarop zijn 4 kinderen recht hebben.
12. Schets van het kader rond de roerende schikkingen en de rol van de inlassing van het toekenningsbeding, voorwerp van deze aanvraag.
Het roerend vermogen van X bestaat in grote lijnen uit:
a) de leningen toegekend aan de kinderen van Y;[5]
b) de gelden/financiële tegoeden op rekeningnummer […] en op rekeningnummer […];
c) gelden belegd op diverse wijzen, waarop het toekenningsbeding niet zal slaan.
Binnen zijn roerend vermogen wil X als het ware een ‘voorziening’ aanleggen die niet betrokken wordt in het toekenningsbeding; het betreft de gelden die nu op diverse wijzen belegd zijn; deze zullen in principe deel van zijn nalatenschap zijn en zijn bedoeld om de reserve van de kinderen (mede) in te vullen.
Over de elementen hierboven aangeduid onder (a) en (b) willen de echtgenoten het hierna vermeld toekenningsbeding sluiten.
Met dit toekenningsbeding verleent X voor zover Y langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van de toegekende eigen goederen. De regeling geldt louter voor de roerende goederen die in de huwelijksovereenkomst hiervoor worden gespecifieerd (en voor de goederen die daarvoor ingevolge zaakvervanging in de plaats zouden komen), voor zover uiteraard deze goederen (of de goederen waarvan de zaakvervanging kan aangetoond worden) op het ogenblik van overlijden van X nog in zijn vermogen aanwezig zijn.
Deze goederen worden hierna omschreven en hierna aangeduid als de ‘toe te kennen goederen’.
Het toekenningsbeding is evenwel optioneel. Afhankelijk van wanneer het overlijden van X zich voordoet en van de omstandigheden op dat ogenblik, kan het zijn dat Y zich niet integraal op het toekenningsbeding wil beroepen. Bij het overlijden van X zal Y de keuze krijgen om bovenvermeld beding wel of gedeeltelijk uitwerking te geven, maar met dien verstande dat dit slechts kan voor zover de goederen gevoeglijk deelbaar zijn, zó dat er geen onverdeeldheid ontstaat tussen het vermogen van de langstlevende en de nalatenschap van X.
13. Motieven voor deze roerende schikkingen:
a) Bescherming tegen de niet-gemeenschappelijke kinderen van X [6]
Deze roerende schikkingen zijn in eerste instantie bedoeld om aan Y - na het overlijden van X – onmiddellijk zakenrechtelijke aanspraken te geven op de aan haar toegekende middelen. Op basis van het welomschreven toekenningsbeding in het huwelijkscontract heeft Y een onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraak op de toe te kennen goederen in volle eigendom en kan Y – ondanks mogelijkse betwistingen over de samenstelling van de rekenboedel en/of over de vereffening-verdeling van de nalatenschap van X – vrij hierover (of over hetgeen bij wijze van zaakvervanging in de plaats is gekomen) beschikken.
Aan X en Y geeft dit een bijzondere gemoedsrust te weten dat – niettegenstaande eventuele procedures met de kinderen van X – Y de middelen zal hebben om enigszins de levensstandaard die zij gewoon was verder te zetten.
X wil ook dat bij zijn overlijden Y als enige de schuldvorderingen op haar kinderen verder kan invorderen zonder enige inspraakmogelijkheid van zijn kinderen. De opname van deze vorderingen in het toekenningsbeding biedt hierover zekerheid.
b) In het bestaand huwelijkscontract is in artikel 8 opgenomen dat bij ontstentenis van geschreven rekeningen de echtgenoten vermoed zijn hun rekeningen vereffend te hebben met inbegrip van de bijdragen in de lasten van het huwelijk en deze betreffende de vergoeding voor het familiaal, het huishoudelijk of het sociaal werk van ieder van hen. De echtgenoten zien het nut van een dergelijke clausule wel in, maar weten dat veel onvoorwaardelijke steun en inspanningen door Y verricht worden zonder dergelijke geschreven rekeningen, ook tijdens de 7 jaren vóór de huwelijkssluiting. X beschouwt deze regeling dan ook als een vorm van ‘compensatie’ voor de door Y geleverde inspanningen in het huishouden sinds hun samenwoning, voor de steun die zij reeds al die jaren aan X geeft en voor de concrete medewerking van Y bij het onderhoud en de uitbating van zijn landbouwonderneming (waardoor Y tijdens hun relatie ook inkomsten die zij uit externe beroepswerkzaamheden had en zou kunnen hebben, heeft moeten derven).
c) Een regeling via huwelijkscontract beantwoordt aan de zekerheid die X wil geven aan Y over de uitgewerkte regeling, gezien het slechts kan gewijzigd worden met het akkoord van hen beiden.
Een eenzijdige regeling via testament over de aanspraken van Y op zijn nalatenschap zou een mogelijks toekomstig onevenwicht in hun verhouding teweeg kunnen brengen en zou kunnen leiden tot spanningen tussen hen: in elke relatie is er al eens onenigheid; als dit dan bij X en Y eens het geval zou zijn, wil X niet dat de mogelijke herziening van testamentaire beschikkingen (die eigen is aan een regeling bij testament) door Y als een psychologisch wapen wordt ervaren en zij zich de mindere voelt die best zwijgt bij een conflict.
d) X wil het beslissings- en beschikkingsrecht tijdens zijn leven over zijn roerend vermogen behouden; hij vindt het belangrijk dat hij vrij kan oordelen over de al dan niet eventuele bijkomende aankopen van landbouwgrond.
Het toekenningsbeding slaat op welomschreven goederen of op hetgeen in de plaats komt van deze goederen. Het beslissings- en vrij beschikkingsrecht van X wordt hierdoor niet aangetast. Evenmin tast dit de toegekende rechten van Y aan; het recht slaat ook op hetgeen in de plaats komt.
X en Y zijn zich ervan bewust dat voor een rechtszekere werking van het toekenningsbeding het voorwerp van dit beding (of hetgeen in de plaats komt) steeds gescheiden beheerd moet worden van de rest van het vermogen zodat ingeval van aanwending door X van zijn beschikkingsvermogen, de herbelegging gemakkelijk kan worden aangetoond.
Zij zijn er zich tevens van bewust dat zij zelf alle bewijzen zoals bankuittreksels, aankoopbewijzen e.d. moeten bewaren tot het overlijden van X.
X gaat in artikel 10 van het (aangepast) huwelijkscontract ook het engagement aan “om de goederen waarop het toekenningsbeding slaat:
- Niet onder bezwarende titel over te dragen, indien dit zou gebeuren met het oogmerk om zijn echtgenote te benadelen;
- Niet te schenken zonder zijn echtgenote hierover te informeren, tenzij het om een gebruikelijke schenking zou gaan (zoals in artikel 4.87, § 2 eerste lid BW omschreven).”
d) In het verlengde van bovenvermeld motief wil X tijdens zijn leven autonoom beslissen over de aanwending van de banktegoeden en over de openstaande vorderingen die hij heeft op de kinderen van Y.
De autonomie die hij wenst, blijkt ook uit de modaliteiten van de ondertekende leningsovereenkomst die hij is overeengekomen met […] en A: punt 5, laatste gedachtestreepje in de leningsvoorwaarden: “de uitlener (X) kan het uitgeleend bedrag terugvorderen na een eerste schriftelijk aangetekend verzoek.”
Zoals hoger gezegd wil X dat bij zijn overlijden Y als enige de schuldvorderingen op haar kinderen verder kan invorderen zonder enige inspraakmogelijkheid van zijn kinderen. Maar zolang hij leeft wil hij hierover de autonomie hebben.
Samengevat: de beschermings- en verzorgingsgedachte voor Y bij een overlijden van X, de gemoedsrust die de regeling biedt aan Y (wat een regeling via testament niet biedt), en het behoud door X van zijn autonoom beschikkingsrecht tijdens zijn leven over zijn roerende middelen (wat bij een schenking van deze roerende middelen niet mogelijk is) zijn de primordiale elementen voor de keuze van dit toekenningsbeding.
14. De wijziging van artikel 10 in het huwelijkscontract betreft de schrapping van het bestaande artikel 10 (Valkeniersbeding) en de toevoeging van het hierna weergegeven artikel 10 in het bestaand huwelijkscontract:
“Artikel 10. Beding tot toekenning van welomschreven eigen goederen (of hetgeen in de plaats daarvan komt) in geval van overlijden van de Heer X
Toepassing
Het beding tot toekenning van eigen roerende goederen voorzien in dit artikel is van toepassing in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van de heer X.
Deze toekenning van deze eigen roerende goederen in natura zal evenwel niet van toepassing zijn indien de echtgenoot komt te overlijden op een ogenblik dat er tussen de echtgenoten reeds een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend of indien op het ogenblik van het overlijden van de aanstaande echtgenoot tussen de echtgenoten een feitelijke scheiding bestaat om redenen die wijzen op een ontwrichting van het huwelijk. Er is geen sprake van een ontwrichting van het huwelijk wanneer de feitelijke scheiding bijvoorbeeld te wijten is aan overmacht, gezondheidstoestand, verzorgingsbehoeften of beroepsnoodwendigheden.
Uitgangspunt
De aanstaande echtgenoten hebben als dominant basisregime van hun huwelijksvermogensstelsel gekozen voor scheiding van goederen. Deze keuze is ingegeven door hun wens om hun vermogens gescheiden te houden en hun bestuursbevoegdheden zelfstandig te kunnen uitoefenen.
Verder is deze keuze ook bijzonder ingegeven ingevolge het feit dat er reeds niet-gemeenschappelijk kinderen geboren werd uit een eerdere relatie.
De aanstaande echtgenoot wil zijn langstlevende echtgenote verzorgd achterlaten en wil een niet-eenzijdig herroepbare regeling voorzien voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door zijn overlijden. Dit beding is niet ingegeven door de intentie van vrijgevigheid; de aanstaande echtgenoot acht dergelijke solidaire regeling nodig als een noodzakelijke bescherming van zijn langstlevende echtgenote na zijn overlijden alsook als compensatie voor haar toewijding en onvoorwaardelijke steun tijdens hun vele jaren van samenzijn.
Om de bovenstaande wensen met elkaar te verzoenen hebben de echtgenoten ervoor geopteerd om (ondanks de scheiding van goederen) een huwelijksvoordeel in hun huwelijkse voorwaarden in te lassen. Er wordt voorzien in de toekenning in natura van welomschreven eigen goederen van de echtgenoot ten voordele van de langstlevende echtgenote, dat bij wijze van huwelijksvoordeel ten bezwarende titel aan haar wordt toegekend en dat niet voor inkorting vatbaar zal zijn, behoudens de toepassing van de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek.
Optioneel
De toekenning voorzien in dit artikel is optioneel. Zij biedt aan Mevrouw Y met betrekking tot de hierna vermelde goederen (of hetgeen bij wijze van zaakvervanging in de plaats is gekomen) en die op het tijdstip van het overlijden van de Heer X aan hem toebehoren de mogelijkheid tot toekenning van deze goederen welk beding in natura zal worden uitgevoerd.
De langstlevende echtgenote zal haar keuze kenbaar maken door middel van een schriftelijke verklaring die zij zal afleggen ten overstaan van een notaris binnen de vier (4) maanden na het overlijden van de echtgenoot. De langstlevende echtgenote vermeldt daarin de keuze die zij maakt betreffende de in dit artikel uitgewerkte regeling.
Indien de langstlevende echtgenote haar keuze niet of niet tijdig heeft gemaakt, dan wordt zij geacht haar optierecht integraal te hebben uitgeoefend.
Toekenning van de hierna beschreven eigen goederen van de Heer X:
In geval van overlijden van de echtgenoot, de heer X, zullen de volgende goederen die hem persoonlijk toebehoren, toekomen aan de langstlevende echtgenote, mevrouw Y, voor zover zij daarvoor kiest, voor de geheelheid in volle eigendom, tenzij de langstlevende echtgenote ervoor kiest voor een beperkte toewijzing of voor een afwijkende toekenningssleutel beperkt tot een breukdeel, voor zover de goederen waarvoor die afwijking toepasselijk zou zijn, gevoeglijk deelbaar zijn, zodat geen onverdeeldheid ontstaat tussen het vermogen van de langstlevende en de nalatenschap van de overleden echtgenoot:
- de financiële tegoeden aangehouden
- op rekening nummer […] op naam van X met een tegoed op dag van wijziging van het huwelijkscontract van # euro. - op rekening nummer […] op naam van X met een tegoed op dag van wijziging van het huwelijkscontract van # euro
- de schuldvordering die de Heer X heeft op de dochter van Y, A en haar echtgenoot ingevolge de onderhandse lening toegestaan op xx.xx.2023 voor onbepaalde tijd voor een totaal aanvangsbedrag van € […] en een bijkomend uitgeleend bedrag van € […]. Hierop is reeds op dag van ondertekening van deze akte # €[…] terugbetaald. Aldus slaat het toekenningsbeding op het op dag van ondertekening van de wijziging huwelijkscontract resterend verschuldigd saldo, hetzij # euro.
- de schuldvordering die de Heer X heeft op de zoon van Y, B op xx.xx.2023 voor onbepaalde tijd voor een totaal bedrag van € […]. Hierop is op dag van ondertekening van deze akte # €[…] terugbetaald. Aldus slaat het toekenningsbeding op het op dag van ondertekening van de wijziging huwelijkscontract resterend verschuldigd saldo, hetzij # euro.
Dit beding zal uitwerking hebben, ongeacht of deze gelden als aanwinsten kwalificeren van de overleden echtgenoot, dan wel of deze goederen werden verkregen vóór het huwelijk of tijdens huwelijk door erfenis of schenking.
De toepassing, evenals alle modaliteiten, voorwaarden en lasten van dit beding zullen tevens betrekking hebben op de goederen en/of rechten die, al dan niet gedeeltelijk, bij wijze van zaakvervanging, subrogatie, belegging of wederbelegging in de plaats zijn gekomen van bovenvermeld voorwerp van dit beding.
Door de toepassing van dit huwelijksvoordeel ten voordele van de langstlevende echtgenote, zal zij er tevens toe gehouden zijn om proportioneel in de op het tijdstip van het overlijden nog openstaande schulden van de overleden echtgenoot bij te dragen.
De artikelen 2.3.57 en 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op dit beding.
Beschikkingsbevoegdheid over de toe te kennen goederen
Er zijn geen beschikkingsbeperkingen ten aanzien van de toe te kennen goederen.
Indien de heer X een of meer van zijn goederen, in deze huwelijksovereenkomst aangeduid als ‘toe te kennen goederen’, vervreemdt of aanwendt voor de aankoop van goederen, vervalt hierdoor het optioneel toekenningsbeding op de vervreemde of bestede goederen, tenzij zaakvervanging plaats heeft gevonden; in dat laatste geval slaat dit optioneel toekenningsbeding dan op hetgeen in de plaats is gekomen.
Evenwel verbindt de Heer X zich ertoe de goederen waarop het optioneel toekenningsbeding betrekking heeft:
- niet onder bezwarende titel over te dragen indien dit zou gebeuren met het oogmerk om zijn echtgenote te benadelen;
- niet te schenken zonder de andere echtgenoot hierover te informeren, tenzij het om een gebruikelijke schenking zou gaan (zoals in artikel 4.87, § 2 eerste lid BW omschreven.”
III. Motivering van de aanvraag
De aanvragers verzoeken met betrekking tot aangepast artikel 10 van het wijzigend huwelijkscontract zoals hierboven weergegeven, bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de langstlevende echtgenote zal verkrijgen door de toepassing van het artikel niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen:
A. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF
15. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting de goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, hetzij via de wettelijke devolutie, hetzij via uiterste wilsbeschikking, hetzij via contractuele erfstelling.
Het voordeel dat Y via de geplande wijziging van het huwelijkscontract zal verkrijgen, wordt niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via de wettelijke devolutie, noch via uiterste wilsbeschikking, noch via een contractuele erfstelling), maar louter huwelijksvermogensrechtelijk als een huwelijksvoordeel in toepassing van het huwelijksvermogensrecht.
Een huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dergelijk voordeel wordt erkend in het Belgisch huwelijksvermogensrecht.
De vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds de vereffening en verdeling van de nalatenschap vooraf. Derhalve kan een verkrijging op basis van het huwelijksvermogensrecht nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.
Er is in casu geen sprake van een schenking. Een huwelijksvoordeel is overigens civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling, ongeacht de concrete beweegreden om een huwelijksvoordeel in het huwelijkscontract op te nemen (zie H. CASMAN en A. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, afl. 1, (3) 3.). Een huwelijksvoordeel wordt steeds gekwalificeerd als een niet-schenking. Deze kwalificatie is objectief en derhalve ongeacht de intenties en bedoelingen van de partijen. Een intentie om te begiftigen (zgn. ‘animus donandi’) kan dergelijke kwalificatie als niet-schenking niet wijzigen. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet geleverd worden (zie GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).
De aanvragers voorzien een eenzijdig huwelijksvoordeel ten voordele van Y dat haar enerzijds moet toelaten verzorgd en met de nodige gemoedsrust achter te blijven na het overlijden van haar echtgenoot en door X wordt beschouwd als een vorm van compensatie voor haar inspanningen, dervingen aan inkomen en steun.
Bovenvermelde kwalificatie geldt ook in een stelsel van scheiding van goederen. De wettelijke grondslag daartoe is artikel 2.3.64 § 1 Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat indien uit de samenstelling, werking, vereffening, verdeling of verrekening van het stelsel van scheiding van goederen zoals in een huwelijkscontract is uitgewerkt, voor één van de echtgenoten een voordeel kan ontstaan, dat dit voordeel een huwelijksvoordeel zal zijn.
De civielrechtelijke kwalificatie werkt ook door in het fiscaal recht. Dit is vaststaande rechtsleer en rechtspraak. Het fiscaal recht moet derhalve de kwalificatie als niet-schenking aanvaarden, tenzij een specifieke en uitdrukkelijke bepaling van fiscaal recht daar zou van afwijken.
De overgang en toebedeling op grond van het beding zoals voorzien in het toe te voegen artikel 10 van het huwelijkscontract [7], kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
B. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF
16. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF belast met erfbelasting de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
Aangezien het artikel 10 (van de geplande wijziging van huwelijkscontract) wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel kan artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet toegepast worden op het voordeel dat aan de langstlevende echtgenote zou toekomen.
Het beding heeft pas uitwerking bij het overlijden van X, maar van een schenking is geen sprake. Ook hier moet de burgerrechtelijke kwalificatie worden doorgetrokken op fiscaal vlak.
De overgang en toebedeling op grond van het beding zoals voorzien in artikel 10 van het te wijzigen huwelijkscontract kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
C. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF
17. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast met erfbelasting de goederen die de langstlevende echtgenote verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, waardoor hij/ zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt.
De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF moet restrictief worden gelezen in die zin dat het beperkt is tot de situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap. In casu is er geen sprake van een gemeenschap, aangezien de aanvragers getrouwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen en er bovendien geen toegevoegde of beperkte gemeenschap binnen het basisstelsel wordt gecreëerd. Het voorwerp van het toekenningsbeding, waarop deze aanvraag betrekking heeft, heeft geen betrekking op een gemeenschapsgoed, evenmin op een onverdeeld goed. Het gaat om goederen behorende tot het eigen vermogen van X.
De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn derhalve niet vervuld.
Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de toebedeling of overgang op grond van artikel 10 van het te wijzigen huwelijkscontract.
D. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF
18. Artikel 2.7.1.0.5 VCF belast met erfbelasting de goederen waarvan de Vlaamse Belastingdienst bewijst dat de erflater er kosteloos heeft over beschikt gedurende vijf (5) jaar voorafgaand aan zijn overlijden, tenzij de bevoordeling onderworpen is geweest aan de schenkbelasting of de registratierechten op schenkingen onder levenden.
Voor de heffing van de erfbelasting op grond van dit artikel moeten derhalve drie (3) cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:
(1) Een kosteloze beschikking
Het voorgenomen beding uit artikel 10 van de geplande wijziging van huwelijkscontract zal géén kosteloze beschikking verstrekken. Een huwelijksvoordeel kan niet worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking.
(2) Gedurende vijf (5) jaar voorafgaand aan het overlijden
Het nieuw artikel 10 wordt nu via een wijziging opgenomen in het huwelijkscontract. Of het al dan niet een huwelijksvoordeel oplevert ten voordele van Y, kan slechts worden beoordeeld bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge het overlijden van X. Als het voordeel pas bij zijn overlijden ontstaat en moest het beschouwd worden als een kosteloze beschikking, wat het niet is zoals hierboven vermeld, kan er geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in een periode van vijf (5) jaar voorafgaand aan het overlijden.
(3) Waardoor een bevoordeling is ontstaan die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen onder levenden
Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en derhalve geen sprake is van een bevoordeling in de zin zoals bedoeld in artikel 2.7.1.0.5 VCF, kon/ kan er ook geen aanleiding zijn tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.
Artikel 2.7.1.0.5 VCF is derhalve niet van toepassing op de toebedeling op grond van artikel 10 van het te wijzigen huwelijkscontract.
E. Geen fiscaal misbruik
19. De voorgenomen verrichting verleent een huwelijksvoordeel dat huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen. Het voordeel is dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF. De aanvragers frustreren deze bepaling niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen teneinde de langstlevende echtgenote op een niet-eenzijdig herroepbare manier te beschermen. Hoewel dit huwelijksvoordeel, in de mate dat het de plafonds van 2.3.58 Burgerlijk Wetboek overschrijdt en desgevallend vatbaar zal zijn voor inkorting, achten partijen dit beding nog steeds als het beste ter regeling van hun bedoelingen.
Ze kunnen dezelfde doelstelling niet met dezelfde burgerrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een schenking van de toe te kennen goederen, aangezien dit alles eenzijdig herroepbaar is. De aanvragers nemen dit beding in hun huwelijkscontract op om tot een regeling te komen bij overlijden die tot een billijke en beschermende regeling moet leiden ten voordele van de langstlevende echtgenote.
20. Het voorgenomen optioneel toekenningbeding frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten geen schenking noch kosteloze beschikking ten voordele van mekaar en met uitwerking bij overlijden van één van hen beogen. Het beoogt een huwelijksvoordeel met de daaraan verbonden specifieke toepassingsvoorwaarden en zijn eigen civiele kwalificatie, zoals in deze aanvraag uitvoerig toegelicht.
21. De voorgenomen verrichting frustreert evenmin art. 2.7.1.0.4 VCF, omdat er tussen de echtgenoten geen gemeenschap heeft bestaan en ook niet zal bestaan.
22. Deze verrichting frustreert ook art. 2.7.1.0.5 VCF niet, dat enkel kosteloze beschikkingen beoogt, wat dit toekenningsbeding niet is.
23. De voorgenomen verrichting frustreert noch een specifieke antimisbruikbepaling, noch de algemene antimisbruikbepaling. Artikel 3.17.0.0.2 VCF kan daarom niet op de voorgenomen verrichting toegepast worden. Er bestaan voor die keuze en de daaruit te verkrijgen huwelijksvoordelen sterke niet-fiscale motieven, die uitvoerig zijn toegelicht.
De echtgenoten verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de in deze aanvraag uiteengezette motieven.
De aanvragers verzoeken om te bevestigen dat er geen antimisbruikbepaling van toepassing is op grond van de hierna uiteengezette motieven.
Zo uw Dienst anders oordeelt en meent dat één van deze in de VCF opgenomen bepalingen wel gefrustreerd is, dan zijn de niet-fiscale motieven [8] in elk geval doorslaggevend voor de keuze door de cliënten voor de voormelde wijziging van het huwcontract.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
24. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.
25. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting of de schenkbelasting in het algemeen.
26. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:
- Artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, dat luidt als volgt:
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° …
2° …
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
- Artikel 2.7.1.0.4 VCF, dat luidt als volgt:
De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:
§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:
Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
De te beoordelen verrichting
27. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:
De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021. Deze huwelijksovereenkomst is tot op heden ongewijzigd gebleven.
De echtgenoten wensen thans hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen. De echtgenoten wensen het Valkeniersbeding, zoals opgenomen in artikel 10 van de huidige huwelijksovereenkomst, te schrappen en te vervangen door een (optioneel) toekenningsbeding.
Ingevolge dit toekenningsbeding zullen de in het ontwerp van wijzigingsakte omschreven eigen (niet-onverdeelde) goederen van de heer X bij zijn vooroverlijden in volle en exclusieve eigendom kunnen worden toegekend aan mevrouw Y als langstlevende echtgenote, voor zover zij hiervoor kiest.
Het voorwerp van dit beding betreft de financiële tegoeden aangehouden op de twee in het ontwerp van wijzigingsakte bepaalde bankrekeningen op naam van de heer X alsook de twee (onderhandse) schuldvorderingen die de heer X heeft ten aanzien van de kinderen van mevrouw Y.
Het beding wordt optioneel geformuleerd. Mevrouw Y kan als langstlevende echtgenote kiezen om het beding voor de geheelheid of gedeeltelijk uitwerking te geven, evenwel voor zover de goederen waarvoor die afwijking toepasselijk zou zijn, gevoeglijk deelbaar zijn.
In het ontwerp van akte houdende wijziging van huwelijksovereenkomst is voorzien in een passiefregeling en in zaakvervanging.
Beoordeling
1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF
28. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.
29. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.
Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding als geldig huwelijksvoordeel, dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.
In de mate bijgevolg dat het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.
Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.
30. In de mate dat het toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.
1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?
31. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.
32. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.
1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF?
33. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
34. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.
1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?
35. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
Volgens de gegevens in de aanvraag bestaat tussen de aanvragers thans geen gemeenschap. De optionele toekenning van de eigen goederen die exclusief toebehoren aan de heer X, heeft volgens de aanvragers geen betrekking op gemeenschapsgoederen.
36. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.
1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?
37. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.
38. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.
2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)
a) Algemeen
39. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.
40. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van artikel 3.17.0.02 VCF voorkomt dat men zich door het gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt, enkel en alleen vanwege fiscale motieven.
41. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke antimisbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.
Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke antimisbruikbepalingen voor ogen had: de algemene antimisbruikbepaling in opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (Belastbaar voorwerp).
42. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in artikel 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (Erfbelasting) van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.
b) In casu
43. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021. Deze huwelijksovereenkomst is tot op heden ongewijzigd gebleven.
De echtgenoten hebben samen geen gemeenschappelijke kinderen. De heer X heeft vier kinderen uit een vorig huwelijk en mevrouw Y heeft twee kinderen uit een vorig huwelijk.
De echtgenoten kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen. Deze keuze is ingegeven door hun wens om hun vermogens gescheiden te houden en hun bestuursbevoegdheden zelfstandig te kunnen uitoefenen. De heer X hecht er belang aan om volledig autonoom over zijn opgebouwd vermogen te kunnen beschikken.
Thans wensen de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen.
De heer X wenst een niet-eenzijdig herroepbare regeling te treffen voor het geval hun huwelijk wordt ontbonden door zijn overlijden, teneinde mevrouw Y verzorgd achter te laten, zodat zij haar levensstandaard kan voortzetten.
Hij wenst een solidaire regeling te voorzien als compensatie voor haar jarenlange toewijding en steun. Verder geven de aanvragers aan dat de verstandhouding met de kinderen van de heer X steeds moeizamer verloopt. De heer X heeft daarom de wens dat mevrouw Y na zijn overlijden onmiddellijk zakenrechtelijke aanspraken zal hebben op de aan haar toegekende middelen, alsook dat zij beschermd is tegen mogelijke reservataire aanspraken van zijn kinderen. Tevens is het voor partijen van belang dat mevrouw Y als langstlevende echtgenote als enige de schuldvorderingen op haar kinderen kan invorderen.
Concreet wensen de echtgenoten het Valkeniersbeding, zoals opgenomen in artikel 10 van de huidige huwelijksovereenkomst, te schrappen en te vervangen door een optioneel toekenningsbeding, met betrekking tot de in het ontwerp van wijzigingsakte bepaalde (exclusief) eigen goederen van de heer X.
44. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
45. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
Voetnoten
[1] Het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[2] Aanvragers verwijzen naar randnummer 12 van de door hen bezorgde aanvraag (huidig randnummer 14).
[3] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2021 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[4] Een kopie van de onderhandse lening van de heer X aan mevrouw A en de heer […] opgemaakt te […] op xx.xx.2023 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.
[5] Aanvragers verwijzen naar randnummer 8 van de door hen bezorgde aanvraag (huidig randnummer 10).
[6] Aanvragers verwijzen naar randnummer 8 van de door hen bezorgde aanvraag (huidig randnummer 10).
[7] Aanvragers verwijzen naar randnummer 12 van de door hen bezorgde aanvraag (huidig randnummer 14).
[8] Aanvragers verwijzen naar randnummer 11 van de door hen bezorgde aanvraag (huidig randnummer 13).