Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26004 - Inbreng OG in huwgemeenschap gevolgd door schenking Vlaamse Belastingdienst

VB 26004 - Inbreng OG in huwgemeenschap gevolgd door schenking

Voorafgaande beslissing
Nummer

26004

Datum beslissing

23 maart 2026

Publicatiedatum

31 maart 2026

Heffing

  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.8.3.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat de inbreng door mevrouw Y, hierna genoemd, op xx.xx.2025 van de gezinswoning gelegen te […] in de huwgemeenschap bestaande tussen haar en haar echtgenoot de heer X, hierna genoemd, gevolgd door de schenking door beide echtgenoten van de blote eigendom van dit onroerend goed aan hun kind mevrouw Z, hierna genoemd, niet ingaat tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 VCF en 2.8.4.1.1., §1 en §2 VCF en er geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door […] met zetel te […], namens volgende partijen:

2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1950, (nationaal nummer […]), en zijn echtgenote;

2.2 mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1952, (nationaal […]), samen wonende te […];

2.3. Mevrouw Z, geboren te […] op xx.xx.1975, (nationaal nummer […]), echtgenote van de heer […], wonende te […].

3. De echtgenoten X – Y zijn gehuwd te […] op xx.xx.1970 onder het stelsel van gemeenschap van goederen blijkens huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1970, gewijzigd – doch met behoud van het stelsel – bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2025, sedertdien ongewijzigd gebleven.

4. Uit het huwelijk van de echtgenoten X – Y werd één kind geboren, te weten mevrouw Z, voormeld onder randnummer 2.3.

5. Alle partijen hebben de Belgische nationaliteit. Alle partijen hebben hun fiscale woonplaats sedert meer dan vijf jaar in het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

6. De heer X en mevrouw Y, beiden voornoemd onder randnummer 2.1 en 2.2., wensen de gezinswoning gelegen te […] te schenken aan hun kind mevrouw Z, voornoemd onder randnummer 2.3.

7. De woning behoorde oorspronkelijk en sedert meer dan dertig jaar te rekenen vanaf heden toe aan mevrouw A, te […], om de geheelheid ervan verkregen te hebben ingevolge licitatie in haar voordeel door 1) mevrouw […], te […], 2) mevrouw […], te […], 3) de heer […], te […] en 4) de heer […], te […], bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1988, overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te […] op xx.xx. daarna, boek […], nummer […].

Mevrouw A, voornoemd, is overleden te […] op xx.xx.1994, als echtgenote uit enig huwelijk van de heer B en zonder erfgenamen met recht op voorbehouden gedeelte te hebben nagelaten. Ingevolge akte opdracht tussen echtgenoten van het ambt van notaris […], te […] en ingevolge de wet is gans haar nalatenschap overgegaan naar haar overlevende echtgenoot de heer B.

De heer B is overleden te […] op xx.xx.1996. Bij zijn eigenhandig testament de dato xx.xx.1996, neergelegd onder de minuten van notaris […] te […] op xx.xx.1996, legateerde hij de woning zuiver en onvoorwaardelijk aan mevrouw Y, voornoemd onder randnummer 2.2. Bij akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997 hebben de wettelijk erfgenamen van de heer B afgifte gedaan aan mevrouw Y, voornoemd, van het bij voormeld testament vermaakte bijzonder legaat.

8. Bij huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2025 heeft mevrouw Y, voornoemd onder randnummer 2.2., de gezinswoning ingebracht in de huwgemeenschap bestaande tussen haar en haar echtgenoot de heer X, voornoemd, overgeschreven op het Kantoor Rechtszekerheid […] op xx.xx.2025, referentie […]. (zie in bijlage bij de aanvraag: bijlage 1 ‘kopie huwelijksovereenkomst 2025’).

9. De schenking van de gezinswoning zal worden gedaan in blote eigendom voor een Belgische notaris. Het vruchtgebruik wordt bij de schenking voorbehouden zodat de heer X en mevrouw Y, voornoemd onder randnummer 2.1. en 2.2., beiden in de gezinswoning kunnen blijven wonen tot aan hun overlijden.

III. Motivering van de aanvraag

10. Vermoeden van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF

10.1. De Omzendbrief 2015/1 van 16 februari 2015(PDF bestand opent in nieuw venster) inzake fiscaal misbruik lijst de rechtshandelingen op die als fiscaal misbruik beschouwd worden. Het vermoeden van fiscaal misbruik speelt onder meer bij de “inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten (gaat in tegen de heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF).”.

Hierbij luidt de toelichting als volgt:

Er kan worden vermoed dat de inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten aan bv. hun enig kind enkel gebeurt om de progressiviteit van de schenkbelasting te ontwijken; dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing de enige beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling. Degelijke constructie gaat in tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Er is bijgevolg sprake van fiscaal misbruik in de zin van art. 3. 17.0.0.2 VCF.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking, verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van hogere schenkbelastingen.

Indien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient de schenkbelasting te worden geheven alsof de inbreng niet had plaatsgevonden, m.a.w. berekening van de schenkbelasting op de schenking door de inbrengende echtgenoot aan het kind voor de geheelheid van het goed.”.

10.2. Hierna lichten wij toe dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking, verantwoord is door niet-fiscale motieven.

11. Niet-fiscale motieven voor de inbreng in de huwgemeenschap.

Men heeft geopteerd voor de inbreng in de huwgemeenschap van de gezinswoning om de juridische werkelijkheid in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, namelijk dat de echtgenoten het goed van bij het begin als gemeenschappelijk beschouwen. Dat blijkt uit onder andere het volgende:

  • Mevrouw Y, voornoemd onder randnummer 2.2., heeft de woning in xx.1996 geërfd met betaling van de hoogste tarieven in de erfbelasting. De echtgenoten X – Y hebben in 1997 samen een hypothecair krediet aangegaan bij […] ter betaling van (een deel van) deze erfbelasting. Dit hypothecair krediet werd volledig terugbetaald met gemeenschappelijke gelden. (zie in bijlage bij de aanvraag: bijlage 2 ‘hypothecair krediet erfbelasting 1997’);
  • De echtgenoten X – Y zijn vrijwel meteen (xx.1998) verhuisd naar de woning. Zij hebben er tot op vandaag (dus bijna 30 jaar) al die tijd samen het gebruik en genot van gehad als gezinswoning. Alle kosten van onderhoud, herstelling, renovatie etc. werden steeds betaald met gemeenschappelijke gelden;
  • De echtgenoten X – Y hebben in 2011 samen een hypothecair krediet aangegaan bij […] voor de plaatsing van zonnepanelen (zie in bijlage bij de aanvraag: bijlage 1 ‘kopie huwelijksovereenkomst 2025’). Dit hypothecair krediet werd volledig terugbetaald met gemeenschappelijke gelden;
  • De modaliteiten van de inbreng voorzien dat de inbrengende echtgenoot geen recht van terugname zal hebben bij ontbinding van het stelsel, noch recht op enige vergoeding. De echtgenoten zijn van mening dat zij beiden evenveel recht hebben op de woning ingeval van echtscheiding. De inbrengende echtgenoot krijgt geen voorrang. (zie in bijlage bij de aanvraag: bijlage 1 ‘kopie huwelijksovereenkomst 2025’):

Door de juridische werkelijkheid in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie wordt de heer X, voornoemd onder randnummer 2.1, niet-inbrengende echtgenoot, tijdens het leven van zijn echtgenote beter in zijn rechten beschermd. Hij kan nu juridisch alle rechten uitoefenen als eigenaar en na schenking, als vruchtgebruiker.

12. Besluit: geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF

Gelet op wat hoger werd uiteengezet, verzoeken de aanvragers uw bevestiging dat de inbreng van de gezinswoning in de huwgemeenschap voorafgaand aan de schenking verantwoord is door niet-fiscale motieven en er aldus geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

13. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

14. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

15. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • Artikel 2.8.3.0.1, §1, VCF dat luidt als volgt:

§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.”;

  • Artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”:

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt : 1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; 2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

16. In de omzendbrief VLABEL/2015/1 van 16 februari 2015(PDF bestand opent in nieuw venster) worden volgende rechtshandelingen als fiscaal misbruik beschouwd, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven:

“Inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten (gaat in tegen de heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF).

Er kan worden vermoed dat de inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten aan bv. hun enig kind enkel gebeurt om de progressiviteit van de schenkbelasting te ontwijken; dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing de enige beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling.

Dergelijke constructie gaat in tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Er is bijgevolg sprake van fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking, verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van hogere schenkbelastingen.

Indien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient de schenkbelasting te worden geheven alsof de inbreng niet had plaatsgevonden, m.a.w. berekening van de schenkbelasting op de schenking door de inbrengende echtgenoot aan het kind voor de geheelheid van het goed.”.

17. De gezinswoning zal door mevrouw Y ingebracht worden in de huwgemeenschap met haar echtgenoot de heer X.

Daarna wensen de echtgenoten de gezinswoning in blote eigendom te schenken aan de dochter. Door de gezinswoning kort voor de schenking in te brengen in het gemeenschappelijk vermogen wordt ingegaan tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1, en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.

Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.

Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden: Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen. Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd.

Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.

Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.

In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19, 109) is het volgende te lezen: “Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poinearé “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.…”.

Deze maatregel gaf geen bevrediging. Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.

Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.

In het verslag aan de koning valt te lezen: “Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten. Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn. Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.

Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten. Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven. In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.

18. De aanvragers roepen de onder randnummer 11 opgesomde niet-fiscale motieven in. Mevrouw Y, voornoemd onder randnummer 2.2. verkreeg de gezinswoning al in 1997. De echtgenoten zijn X – Y zijn er ingetrokken kort na de verkrijging. Ze betaalden de erfbelasting (toen nog successierechten) met een gemeenschappelijk krediet. Op dat ogenblik had de gezinswoning al kunnen ingebracht worden in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten. Dit geldt des te meer toen er onderhouds- en herstellingswerken plaatsvonden en die bekostigd werden met gemeenschappelijk gelden. Ook voor de zonnepanelen werd een gemeenschappelijk krediet aangegaan.

De echtgenoten X – Y hadden sinds 1997 de mogelijkheid om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de juridische werkelijkheid.

De onder randnummer 11 opgesomde niet-fiscale motieven volstaan bijgevolg niet om het vastgesteld fiscaal misbruik te weerleggen.

19. Gelet op de korte termijn tussen de inbreng van de gezinswoning in de huwgemeenschap en de schenking van de gezinswoning wordt eenheid van opzet weerhouden voor deze opeenvolgende rechtshandelingen, en wordt fiscaal misbruik vastgesteld. Er zal bij de schenking aan de dochter getaxeerd worden alsof de inbreng niet heeft plaatsgehad.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.