Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26005 - Wijziging huwelijksovereenkomst - Stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26005 - Wijziging huwelijksovereenkomst - Stelsel scheiding van goederen - toevoeging optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26005

Datum beslissing

9 maart 2026

Publicatiedatum

18 maart 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.7.3.4.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De echtgenoten zijn gehuwd te […] op xx.xx.1996 onder het stelsel van scheiding van goederen naar Belgisch recht ingevolge huwelijksovereenkomst verleden op xx.xx.1996 voor notaris […] te […].[1]

2. Bij akte verleden op xx.xx.2017 voor notaris […] te […] hebben de echtgenoten dit stelsel van scheiding van goederen aangevuld met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen waarin diverse onroerende goederen werden ingebracht (hierna genoemd ‘TIGV’).[2]

3. De tussen de echtgenoten bestaande TIGV werd vervolgens uitgebreid door inbreng van de huidige gezinswoning ingevolge huwelijksovereenkomst verleden op xx.xx.2018 voor notaris […] te […].[3]

4. Bij akte verleden op xx.xx.2025 voor notaris […] te […] hebben de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst een laatste keer gewijzigd door toevoeging van een optioneel toekenningsbeding met betrekking eigen goederen of categorieën van eigen goederen die telkens aan één van hen toebehoren voor het geval van beëindiging van hun huwelijk door overlijden, waarvan de modaliteiten en de keuzemogelijkheden in de akte van huwelijksovereenkomst nader zijn uitgewerkt.[4] Deze toevoeging vormt één samenhangend en coherent geheel met voormelde akten van xx.xx.1996, xx.xx.2017 en xx.xx.2018.

5. Ook met deze laatste wijziging hebben de echtgenoten het stelsel van scheiding van goederen behouden, maar aangevuld met een optioneel toekenningsbeding m.b.t nader aangewezen eigen goederen en categorieën van eigen goederen.

6. De echtgenoten wensen thans bevestiging te verkrijgen over de fiscale behandeling van het optioneel toekenningsbeding voor het geval van overlijden van één van hen zonder echtelijke onenigheid. Concreet vragen de echtgenoten de bevestiging dat:

  • de opname en uitwerking van het optioneel toekenningsbeding voor bepaalde (categorieën van) eigen goederen, zoals vervat in de huwelijksovereenkomst (artikel 8 e.v.), niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;

de opname en uitwerking van het optioneel toekenningsbeding evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

7. Deze aanvraag wordt ingediend door […] namens:

de heer X, geboren te […] op xx.xx.1966, met rijksregisternummer […] (hierna genoemd ‘de heer X) en mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1969, met rijksregisternummer […] (hierna genoemd ‘mevrouw Y), samenwonende te […].[5] De heer X en mevrouw Y worden hierna tezamen ook ‘de echtgenoten’ genoemd.

De echtgenoten hebben samen twee gemeenschappelijke kinderen.

De echtgenoten hebben beiden de Belgische nationaliteit en hebben hun (fiscale) woonplaats sedert meer dan 5 jaar in het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de verrichting

8. De echtgenoten kozen initieel voor een huwelijksstelsel van zuivere scheiding van goederen, dat zij vervolgens hebben aangevuld met een TIGV.

9. Bij wijziging van hun huwelijksovereenkomst van xx.xx.2025 hebben de echtgenoten, binnen het basisstelsel van scheiding van goederen, een huwelijksvermogensrechtelijke regeling toegevoegd ten voordele van de langstlevende van hen via een optioneel toekenningsbeding.

Het beding is optioneel in die zin dat de langstlevende kan kiezen voor de integrale toepassing ervan, of voor een beperkte toepassing ervan, volgens de keuzemogelijkheden nader uitgewerkt in de huwelijksovereenkomst.

10. De aanvraag van de echtgenoten betreft (de uitwerking van) het toekenningsbeding met de daaraan gekoppelde keuzemogelijkheden. Dit beding wordt hierna verkort aangeduid als het ‘optioneel toekenningbeding’. Onder deze verkorte aanduiding moet worden begrepen: het beding dat in een integrale toekenning van elk van de nader bepaalde toe te kennen goederen voorziet, alsook de alternatieve keuzemogelijkheden voor een beperkte toekenning voor elk van deze goederen. De werking van dit beding wordt hierna toegelicht.

11. Het toekenningsbeding verleent elke echtgenoot de andere, voor zover hij of zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van in de huwelijksovereenkomst vermelde goederen of categorieën van goederen, waarvan de ene dan wel de andere echtgenoot exclusief eigenaar is op het moment van zijn of haar overlijden en die niet in onverdeeldheid met de andere echtgenoot zijn. De regeling geldt louter voor de goederen of categorieën van goederen die in de huwelijksovereenkomst worden gespecifieerd voor zover deze goederen op het ogenblik van overlijden van de eigenaar ervan in zijn of haar vermogen aanwezig zijn. Deze goederen worden in het ontwerp van huwelijksovereenkomst en hierna aangeduid als de ‘toe te kennen goederen’.

Het toekenningsbeding is evenwel optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op dit toekenningsbeding wenst te beroepen, kan hij of zij dus nog kiezen, voor de door hem of haar toe te kennen goederen, voor een beperkte toekenning (bijvoorbeeld beperkt tot vruchtgebruik van alle of van sommige toe te kennen goederen), of voor een afwijkende toekenningssleutel beperkt tot een breukdeel, voor zover de goederen waarvoor die afwijking toepasselijk zou zijn, gevoeglijk deelbaar zijn, zodat geen onverdeeldheid ontstaat tussen het vermogen van de langstlevende en de nalatenschap van de overleden echtgenoot. Indien de langstlevende echtgenoot geen (tijdige) keuze maakt, wordt het toekenningsbeding niet toegepast. Alle toe te kennen goederen behoren dan tot de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot.

III. Motivering van de aanvraag

A. Motivering van de aanvragers van de nieuw ingevoerde regeling

A.1. Algemene motivering voor deze verrichting: creatie van een huwelijksvoordeel

12. De echtgenoten hebben destijds gekozen voor een stelsel van scheiding van goederen en zij blijven ook op vandaag trouw aan die keuze. Ieder van hen wil immers nog steeds eigenaar blijven van zijn of haar tot hiertoe opgebouwd vermogen, en wil ook naar de toekomst exclusief eigenaar blijven van het door ieder van hen nog te verkrijgen of op te bouwen vermogen. De echtgenoten willen in het beheer van hun inkomsten en van hun vermogens de ruimste autonomie genieten en behouden. Ook willen ze dat ieder van hen maximaal beschermd blijft tegen het risico van schulden door de ander aangegaan.

13. Met de nieuw ingevoerde regeling hebben de echtgenoten de hardheid van de scheiding van goederen, die voorheen nog steeds de basis vormde van hun huwelijksstelsel, verder verzacht. Een scheiding van goederen, die slechts beperkt gecorrigeerd wordt door het bestaan van een TIGV, was onvoldoende verenigbaar geworden met hun wens om een eerlijke, billijke, solidaire en evenwichtige regeling uit te werken, die exact overeenkomt met hetgeen hun huwelijksstelsel hen moet bieden.

14. De belangrijkste beweegreden die de echtgenoten ertoe gebracht heeft deze regeling in hun huwelijksovereenkomst op te nemen, ligt in de kwalificatie ervan als huwelijksvoordeel. Deze kwalificatie is voor beide echtgenoten essentieel en inherent aan de aard van de voordelen die ze mekaar willen toekennen. De echtgenoten wensten uitdrukkelijk dat het optioneel toekenningsbeding in hun huwelijksstelsel geïntegreerd werd.

Zo hebben de echtgenoten zelf toegelicht in de intentieverklaring van hun huwelijksovereenkomst:

“Het is daarbij essentieel dat deze regeling in deze nieuwe huwelijksovereenkomst wordt opgenomen en met het huwelijksstelsel wordt verweven, omdat deze regeling gestoeld is op huwelijksvermogensrechtelijke afspraken tussen de echtgenoten. Ze gaat helemaal niet uit van enige intentie van […] of […], voor het geval hij of zij langer zou leven, mekaar kosteloos te verrijken of te begiftigen. De intentie is enkel om aan de langstlevende onder hen toe te kennen waar hij of zij, naar het oordeel van beide echtgenoten, op gerechtigd hoort te zijn. Het is dus essentieel dat de uitgewerkte regeling niet als een schenking, en enkel als een huwelijksvoordeel kan worden gekwalificeerd.”

15. De goederen waarop het toekenningsbeding toegepast zal kunnen worden, zijn bovendien huwelijkse aanwinsten. De echtgenoten hadden immers nog geen gezamenlijk verkregen goederen toen ze in het huwelijk zijn getreden. Het vermogen dat ze familiaal verkregen hebben is bovendien expliciet uit de toepassing van het toekenningsbeding uitgesloten.

X en Y zijn gehuwd sinds 1996. Zij hebben elk gedurende het huwelijk een bepaald vermogen opgebouwd door beroepsactiviteiten. Echter is de vermogensopbouw van X groter geweest, onder meer omdat terwijl Y naast haar beroepsactiviteiten sterker bijdroeg in de lasten van het huwelijk door haar inzet en inspanningen ter vervulling van de gezinstaken. Het is de wens van de echtgenoten dat wat zij gedurende het huwelijk hebben opgebouwd (huwelijkse aanwinsten) door de langstlevende onder hen maximaal verkregen kan worden. Het toekenningsbeding (voor de eigen goederen die niet in onverdeeldheid zijn) en het keuzebeding m.b.t. het bestaande TIGV (voor de goederen deel uitmakend van het TIGV) geeft invulling aan de bescherming die de echtgenoten voor de langstlevende onder hen wensen.

16. Het toekenningsbeding hebben zij uitgewerkt binnen het actuele wettelijk kader van huwelijksvoordelen, met hun kwalificatie als niet-schenkingen, zoals nader bepaald in artikel 2.3.57 BW, dat op hen toepasselijk is, nu zij twee gemeenschappelijke kinderen hebben en geen van hen een niet-gemeenschappelijk kind heeft.

De kwalificatie als huwelijksvoordeel maakt het optioneel toekenningsbeding zo ruim mogelijk reservebestendig, gelet op hun twee gemeenschappelijke kinderen. De huwelijksvoordelen zijn uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten. Daarom kunnen kun kinderen noch de opname ervan in de rekenboedel noch de aanrekening ervan op het beschikbaar deel vragen: het voordeel dat aan de langstlevende wordt toegekend is volkomen, en niet inkortbaar (artikel 2.3.57 BW). Hun kinderen kunnen de inkorting evenmin vragen zolang het huwelijksvoordeel onder het plafond blijft van de helft van de waarde van de niet-aanwinsten van de echtgenoten.

17. Voordelen voor de langstlevende die in omvang gelijkaardig zouden kunnen zijn, maar die de echtgenoten mekaar via een gift, d.w.z. via een testament, een contractuele erfstelling of een schenking (al of niet binnen de huwelijksovereenkomst) zouden toekennen, zouden steeds in de rekenboedel (art. 4.153 BW) moeten opgenomen worden, en op het beschikbaar deel moeten aangerekend worden, met het reële risico van inkorting indien het beschikbaar deel wordt overtroffen. Dat is met huwelijksvoordelen niet het geval.

18. Naast het inkortingsrisico hechten echtgenoten er ook veel belang aan dat eventuele discussies over deze goederen met de erfgenamen tot een uiterst minimum beperkt worden. Daarom verkiezen de echtgenoten niet te werken met een finaal verrekenbeding. Een finaal verrekenbeding bij overlijden zou immers vereisen dat de langstlevende met erfgenamen moet samenwerken om de samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa vast te stellen, wat tot discussies kan leiden. Vervolgens dienen berekeningen te worden gemaakt. De echtgenoten ervaren de berekening en uitwerking van het finaal verrekenbeding als erg complex. Daarnaast krijgt de langstlevende ingevolge het verrekenbeding slechts een verbintenisrechtelijke vordering op de nalatenschap van de eerststervende. Het toekenningsbeding biedt daarentegen een vermogensrechtelijke bescherming in natura, en met name het recht op de goederen zelf. De bedoeling is immers dat de goederen onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende toekomen.

A.2. Bijkomende motieven voor het toekenningsbeding

A.2.1. Verenigbaar met de vermogensrechtelijke autonomie van beide echtgenoten

19. Als bijkomende motieven voor de gekozen regeling geven de echtgenoten ook nog aan dat het optioneel toekenningsbeding, zoals hierna toegelicht, volkomen verenigbaar is met de autonomie die ze voor zichzelf voorbehouden door de initiële keuze voor een stelsel van scheiding van goederen.

De echtgenoten wensen beiden ruime autonomie te behouden m.b.t. hun eigen vermogen dat niet in onverdeeldheid is. Een bijkomende inbreng in een TIGV zou onvoldoende in overeenstemming zijn met deze wens. Reden waarom het TIGV beperkt is en blijft tot de eerder ingebrachte onroerende goederen. De echtgenoten wensen bovendien ook niet dat de eigen goederen (die aldus het voorwerp kunnen zijn van het toekenningsbeding) door een inbreng in het TIGV vermogensrechtelijk aan hen beiden zouden toebehoren.

Deze autonomie behoort volgens hen tot een evenwichtige en billijke regeling. De echtgenoten vermelden daarover in het ontwerp van huwelijksovereenkomst expliciet (zie artikel 8sexies):

“De echtgenoten kiezen voor een toekenningsbeding dat enkel slaat op de aangeduide goederen of categorieën van goederen voor zover deze op het moment van het overlijden van de vooroverleden echtgenoot aanwezig zullen zijn.

De echtgenoten spreken af dat ze bij het uitoefenen van hun bestuursbevoegdheden wel rekening moeten houden met de wijze waarop ieder van hen zijn vermogenselementen bestemt, voor zover het om vermogenselementen gaat die voor toekenning vatbaar zijn. Ze leggen elkaar dus functionele bevoegdheidsbeperkingen op, en wel als volgt:

- Iedere echtgenoot verbindt zich ertoe niet over de vermogenselementen die onder het toekenningsbeding kunnen vallen, onder bezwarende titel te beschikken indien een dergelijke daad van beschikking tot doel of tot gevolg zou hebben dat de andere echtgenoot hierdoor benadeeld wordt;

- Iedere echtgenoot verbindt zich ertoe de vermogenselementen die onder het toekenningsbeding kunnen vallen, niet te schenken zonder de andere echtgenoot hierover te informeren, tenzij het om een gebruikelijke schenking zou gaan (zoals in artikel 4.87, § 2 eerste lid BW omschreven).”

20. De regeling die de echtgenoten uitwerkten, moest ook onopzegbaar zijn, zodat geen van beide deze eenzijdig kan wijzigen of intrekken. Daarom werd deze regeling in hun huwelijksovereenkomst opgenomen én in het gekozen huwelijksstelsel geïntegreerd. Hierbij hebben de echtgenoten aan de langstlevende, op de goederen die op het einde van hun huwelijk in het vermogen van de eerst overledene aanwezig zullen zijn, rechten toegekend die op dat ogenblik onbetwistbaar kunnen worden uitgeoefend, louter krachtens die huwelijksovereenkomst.

Om de langstlevende het comfort toe te kennen dat ze voor ogen hadden, was een testamentaire beschikking dus niet geschikt, want deze biedt onvoldoende zekerheid aan de langstlevende, gelet op het risico van willekeurige eenzijdige herroeping omwille van het essentieel eenzijdig herroepbaar karakter.

Een schenking van toekomstige goederen of contractuele erfstelling kan wel onherroepelijk worden bedongen indien deze in de huwelijksovereenkomst wordt opgenomen (art. 4.240 BW), maar is evenmin een door de echtgenoten gewenst alternatief voor het optioneel toekenningsbeding dat zij in hun huwelijksovereenkomst hebben opgenomen.

Vooreerst vereist een onherroepelijke contractuele erfstelling een intentie om te begiftigen (animus donandi), die allerminst aanwezig is in hoofde van de echtgenoten. Daarnaast wensen de echtgenoten te voorzien in een regeling die beperkt blijft tot welbepaalde eigen goederen van ieder van hen, en geen betrekking heeft op alle goederen van een echtgenoot of een gedeelte hiervan. Het Burgerlijk Wetboek biedt echter geen wettelijke basis voor een contractuele erfstelling ten bijzondere titel, dus enkel met betrekking tot welbepaalde goederen, waardoor het onzeker is of dergelijke contractuele erfstelling juridisch mogelijk is, zeker indien de echtgenoot-bedinger beschikkingsbevoegdheden op die goederen wenst te behouden (zie artikel 8sexies van huwelijksovereenkomst).

De echtgenoten wensen inderdaad een regeling die met deze beschikkingsbevoegdheden verenigbaar is, binnen de grenzen die ze daar zelf voor bepalen. De mogelijkheid voor de echtgenoot-schenker om nog onder bezwarende titel, maar niet onder kosteloze titel te beschikken over de goederen die het voorwerp van een onherroepelijke contractuele erfstelling zijn (art. 4.233, § 2 en 4.240 BW), zijn niet verenigbaar met de wensen van de echtgenoten. Echtgenoten willen geen beperkingen aan de bevoegdheid om over deze goederen te beschikken. Enkel huwelijksvermogensrechtelijke regels laten toe dergelijke verfijnde bevoegdheidsregeling conventioneel in te voeren.

Evenmin was voor de echtgenoten de mogelijkheid van een schenking van tegenwoordige goederen geschikt om hun doelstellingen te bereiken. Een dergelijke schenking is ook onherroepelijk indien ze in de huwelijksovereenkomst wordt bedongen (art. 4.240 BW). Ze is echter totaal onverenigbaar met de ruimte die de echtgenoten mekaar willen laten om tijdens het huwelijk verder autonome beschikkingsbevoegdheden op het eigen vermogen uit te oefenen. Een dergelijke schenking zou immers onmiddellijk en actueel tot eigendomsoverdracht ten voordele van de andere echtgenoot leiden. Dat is niet wat de echtgenoten voor ogen hebben. Ze willen het comfort van de langstlevende veilig stellen, op het ogenblik van het overlijden van één van hen, en dus enkel overlevingsrechten hiervoor toekennen, geen actuele eigendomsrechten.

Bovendien is elke beschikking onder kosteloze titel ook onverenigbaar met de meest essentiële bekommernis van de echtgenoten, die mekaar voor de goederen in het beding omschreven, een zo ruim mogelijk reservebestendig voordeel hebben toegekend, met andere woorden een huwelijksvoordeel, zoals reeds toegelicht.

A.2.2. Flexibel voordeel

21. Verder streven de echtgenoten ook naar flexibiliteit voor de langstlevende, zodat hij of zij op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk door overlijden zelf mag bepalen of en in welke mate hij of zij zich op het optioneel toekenningsbeding wil beroepen.

22. Deze flexibiliteit kon met een contractuele erfstelling niet worden bereikt, en dus ook aan deze wens van de echtgenoten beantwoordt een contractuele erfstelling niet. Een contractuele erfstelling kan na het overlijden van de beschikker wel door de begiftigde worden aanvaard (ook onder voorrecht van boedelbeschrijving) of verworpen, maar de begiftigde kan niet de optie worden verleend voor een gedeeltelijke aanvaarding, noch voor een aanvaarding beperkt tot bepaalde goederen.

Met het optioneel toekenningsbeding behoudt de langstlevende de keuze om, na het overlijden van de andere, genoegen te nemen met een kleiner voordeel. De niet gekozen goederen vallen desgevallend in de nalatenschap van de overleden echtgenoot en zullen worden vererfd, ofwel krachtens de regels van de wettelijke devolutie, ofwel krachtens de testamentaire beschikking die de overleden echtgenoot hierover zou hebben getroffen. De langstlevende kan dus na overlijden zelf afwegen waar zijn of haar belangen best mee gediend zijn. Hij of zij mag daarbij zelfstandig oordelen of en hoe hij of zij op dat ogenblik deze eigen belangen afweegt tegen deze van de erfgenamen van de overleden echtgenoot.

A.3. Consequente aanvaarding van de overeenstemmende schuldenregeling

23. Tot slot voorziet het optioneel toekenningsbeding dat de schulden die op het betrokken goed, voorwerp van het optioneel toekenningsbeding, betrekking hebben, hetzij exclusief ten laste vallen van de langstlevende, ingeval van integrale toekenning, hetzij te zijne of haren laste vallen in verhouding tot de waarde van het breukdeel dat hij of zij zich in dat goed laat toewijzen, ingeval van alternatieve toekenning (zie artikel 8ter).

De echtgenoten wensen immers een consequente regeling uit te werken die volkomen met hun huwelijksstelsel is verweven, en daarom ook aan het principe onderworpen blijft dat de toekenning van een huwelijksvoordeel wel degelijk gepaard moet gaan met een parallelle regeling voor de schulden die aan het voorwerp van het huwelijksvoordeel verbonden zijn (ubi emolumentum, ibi onus). De echtgenoten verkiezen om in de logica van de kwalificatie als huwelijksvoordelen te blijven, ook al gaat dit gepaard met een risico verbonden aan een bijdrage in de eventuele schulden van de overleden echtgenoot; dat risico achten ze immers veel minder groot dan het inkortingsrisico dat ze hoe dan ook maximaal willen vermijden.

Ze weten uiteraard dat een beschikking onder kosteloze titel die ook ten bijzondere titel zou worden toegekend geen verplichting tot bijdrage in de schulden van de schenker of beschikker met zich zou meebrengen, maar een dergelijke beschikking zou ook geen voorrang hebben op de aanspraken van schuldeisers en kan de langstlevende dus op grond van de regel nemo liberalis nisi liberatus (niemand kan vrijgevig zijn zolang zijn schulden niet voldaan zijn), ook niet volkomen tegen dit schuldeisersrisico beschermen.

A.4. Conclusie over de motieven van de echtgenoten

24. Het optioneel toekenningsbeding dat de echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen hebben toegevoegd, laat hen toe om, binnen dit stelsel en ten titel van huwelijksvoordeel, zonder intentie om te begiftigen, op een wijze die totaal verenigbaar is met de autonomie die ze met dit stelsel onderling willen vastleggen, hun beider wensen om de billijke en evenwichtige regeling voor de langstlevende zeer ruim en tegelijk zeer flexibel te bereiken, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft. Dit gebeurt bovendien met een maximale uitschakeling van het risico van inkorting.

Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de echtgenoten doorslaggevend geweest bij het implementeren in hun huwelijksovereenkomst van het optioneel toekenningsbeding, dat in deze aanvraag wordt vermeld, met verzoek tot bevestiging van de fiscale uitwerking en consequentie als uiteengezet.

De door de echtgenoten beoogde doelstellingen bij de invoering van het optioneel toekenningsbeding konden zij niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking.

B. Fiscale kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding

B.1. De civiele kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt ook fiscaal door

25. Het voordeel dat de echtgenoten verkrijgen uit het optioneel toekenningsbeding wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking.

B.2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

26. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge de verrichting zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW. Hij heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen expliciet bevestigd (art. 2.3.64, § 1, vierde lid BW).

Het optioneel toekenningsbeding is een huwelijksvermogensrechtelijk beding dat de wijze van werking en vereffening van het huwelijksvermogensstelsel nader regelt en waaruit voor de langstlevende een huwelijksvoordeel kan ontstaan.

27. Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voorgaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen, sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen is onontvankelijk en mag dus zelfs niet geleverd worden (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut; ze kent geen uitzonderingen. Hooguit kan een huwelijksvoordeel inkortbaar zijn, indien het de maxima of plafonds overschrijdt zoals in artikel 2.3.57 BW vermeld (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met gemeenschappelijke kinderen) dan wel in artikel 2.3.58 BW (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met niet-gemeenschappelijke kinderen). Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel, ook onvolkomen huwelijksvoordeel genoemd, blijft evenwel een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017).

28. Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel, en dus niet-schenking, zowel voor volkomen als voor onvolkomen huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

De toekenning op grond van het optioneel toekenningsbeding, dat in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

B.3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

29. Omwille van de kwalificatie als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende van de echtgenoten zal verkrijgen krachtens het optioneel toekenningsbeding, evenmin artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden toegepast. Dat artikel belast met erfbelasting schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

30. Het optioneel toekenningsbeding zal weliswaar enkel uitwerking hebben bij overlijden van één van de echtgenoten, maar van een schenking kan hoe dan ook geen sprake zijn, vermits het om een huwelijksvoordeel gaat, dus om een niet-schenking.

De toekenning op grond van het optioneel toekenningsbeding, dat in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

B.4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

31. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot krachtens een beding van de huwelijksovereenkomst meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt. De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van een stelsel met een gemeenschap.

32. De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Aan dat stelsel werd recent een optioneel toekenningsbeding toegevoegd m.b.t. bepaalde (categorieën van) goederen die exclusief aan de heer X respectievelijk mevrouw Y toebehoren. Dit optioneel toekenningsbeding heeft geen betrekking op gemeenschapsgoederen, noch creëert het een gemeenschap tussen de echtgenoten.

De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn dus niet vervuld. De toekenning op grond van het optioneel toekenningsbeding, dat in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

B.5. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

33. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

  1. een kosteloze beschikking;
  2. gedurende de drie jaar voorafgaand aan het overlijden;[6]
  3. waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

34. Het optioneel toekenningsbeding houdt evenwel geen kosteloze beschikking in, zoals hierboven reeds uitgebreid toegelicht. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking. Dat bevestigde ook het Hof van Cassatie (Cass. 5 januari 2017), zoals eerder aangehaald.

De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF zijn niet vervuld. De toekenning op grond van het optioneel toekenningsbeding, dat in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

B.6. Geen toepassing van artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF

35. Artikel 2.7.3.4.1., 1° VCF weert als passief van de nalatenschap de schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel.

Het optioneel toekenningbeding heeft weliswaar betrekking op de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, maar doet in hoofde van de overleden echtgenoot geen obligatoire schuld ontstaan. Het beding creëert inderdaad in hoofde van de erfgenamen van de overleden echtgenoot geen schuld die hij of zij tegenover de langstlevende zouden moeten voldoen. Het verleent integendeel aan de langstlevende een rechtstreekse en zakelijke/zakenrechtelijke aanspraak op de toe te kennen goederen.

36. Bijgevolg is artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF niet toepasselijk. Er is geen sprake van een passief dat al of niet in mindering zou komen van het belastbaar actief van de nalatenschap van de overleden echtgenoot. Er is enkel sprake van een actief dat door de werking van het huwelijksvermogensrechtelijk beding aan de langstlevende echtgenoot wordt overgedragen, en bij het vaststellen van de omvang van de nalatenschap van de overleden echtgenoot, niet meer tot zijn of haar vermogen behoort.

B.7. De keuze voor het optioneel toekenningsbeding maakt geen fiscaal misbruik uit

37. Het optioneel toekenningsbeding frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten geen schenking noch kosteloze beschikking ten voordele van mekaar en met uitwerking bij overlijden van één van hen hebben ingevoegd in hun huwelijksovereenkomst. Het optioneel toekenningsbeding betreft een huwelijksvoordeel met specifieke toepassingsvoorwaarden en civiele kwalificatie, zoals in deze aanvraag uitvoerig toegelicht. Daarom frustreert deze verrichting ook art. 2.7.1.0.5 VCF, dat enkel kosteloze beschikkingen beoogt, niet.

38. De verrichting frustreert evenmin art. 2.7.1.0.4 VCF, omdat het optioneel toekenningsbeding geen betrekking heeft op gemeenschapsgoederen, noch een gemeenschap doet ontstaan tussen de echtgenoten.

39. De keuze voor het behoud van het stelsel van scheiding van goederen en het optioneel toekenningsbeding dat de echtgenoten daaraan hebben toegevoegd, frustreert evenmin artikel 2.7.1.0.2 VCF. Er bestaan voor die keuze en het daaruit te verkrijgen huwelijksvoordeel immers sterke niet-fiscale motieven, die uitvoering zijn toegelicht.

40. De opname in de huwelijksovereenkomst van het optioneel toekenningsbeding en de uitwerking ervan, frustreert artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF niet, omdat het beding geen schuld doet ontstaan die betrekking zou hebben op de vereffening van het huwelijksstelsel in de zin van dat artikel.

41. De verrichting frustreert noch een specifieke antimisbruikbepaling, noch de algemene antimisbruikbepaling. Artikel 3.17.0.0.2 VCF kan daarom niet op de verrichting toegepast worden. De echtgenoten verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de in deze aanvraag uiteengezette motieven.

C. De verrichtingen hebben fiscaal nog geen uitwerking gehad

42. Overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1., §1 tweede lid VCF wordt onder een voorafgaande beslissing verstaan “de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van deze codex wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad”.

Een deel van de voorgenomen verrichtingen vond reeds plaats op het ogenblik van de indiening van deze aanvraag, namelijk de wijziging van de huwelijksovereenkomst.

De civielrechtelijke motieven om de bedingen in de huwelijksovereenkomst op te nemen voor de echtgenoten waren immers dermate doorslaggevend. De echtgenoten wilden de bevestigingen die het voorwerp zijn van deze aanvraag aldus niet afwachten om de wijzigingen door te voeren.

Dat de echtgenoten een beslissing van uw Dienst dus niet hebben afgewacht voor het uitvoeren van de wijziging van hun huwelijksovereenkomst, neemt evenwel niet weg dat de verrichtingen fiscaal nog geen uitwerking kregen.

Er is immers nog geen beroep gedaan op het beding dat het voorwerp vormt van deze aanvraag: het toekenningsbeding zal immers maar (fiscaal) uitwerking krijgen op het ogenblik dat het huwelijk ontbonden wordt door overlijden.

Aanvragers vermelden verder ter volledigheid nog dat uw Dienst al diverse Voorafgaande Beslissingen in vergelijkbare omstandigheden afleverde.

Vraagstelling

43. Gelet op de feiten, de verrichting en de toelichting daarbij, wensen de echtgenoten van uw dienst de bevestiging dat:

  • de opname en uitwerking van het optioneel toekenningsbeding voor bepaalde (categorieën van) eigen goederen, zoals vervat in de huwelijksovereenkomst (artikel 8 e.v.), niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF en geen van de doelstellingen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de opname en uitwerking van het optioneel toekenningsbeding evenmin fiscaal misbruik vormt, zodat artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

Duurtijd Voorafgaande Beslissing

44. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt.

Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting, meer bepaald de toepassing van bepaalde fictiebepalingen, is dit geheel anders. De heffing zal immers – naar alle verwachting – pas vele jaren later plaatsvinden, bij overlijden van één van de echtgenoten.

Een Voorafgaande Beslissing inzake erfbelasting is volgens aanvragers een geval waarin het voorwerp van de aanvraag ‘automatisch’ een langere duurtijd rechtvaardigt en vereist aldus niet dat de aanvragers expliciet de bevestiging vragen voor een langere duurtijd.

Wij wensen dan ook voor deze aanvraag een verlengde duurtijd aan te vragen, meer bepaald tot aan het overlijden van één van de echtgenoten gezien de aanvraag betrekking heeft op de uitwerking van een optioneel toekenningsbeding dat slechts uitwerking kan krijgen als het huwelijksstelsel van de echtgenoten wordt ontbonden door het overlijden van één van de echtgenoten.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

45. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

46. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.

47. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.7.3.4.1, 1°, VCF dat luidt als volgt:

Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard :

1° de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

48. Volgende verrichting wordt voorgelegd:

De echtgenoten X-Y zijn oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […], op xx.xx.1996.

Zij hebben hun huwelijksovereenkomst een eerste maal gewijzigd door toevoeging van een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, met inbreng van diverse onroerende goederen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […], op xx.xx.2017.

Vervolgens hebben zij een tweede wijziging aangebracht aan hun huwelijksovereenkomst door inbreng van hun gezinswoning in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […], op xx.xx.2018.

Bij akte verleden op xx.xx.2025 voor notaris […] te […] hebben de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst een laatste keer gewijzigd door toevoeging van een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot bepaalde (categorieën van) eigen goederen, voor het geval van beëindiging van het huwelijk door overlijden. De voorgelegde aanvraag tot voorafgaande beslissing heeft betrekking op de fiscale behandeling van het optioneel toekenningsbeding voor het geval van overlijden van één van hen.

Met het toekenningsbeding verleent elke echtgenoot de andere, voor zover hij/zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van in de huwelijksovereenkomst bepaalde (categorieën van) eigen niet-onverdeelde goederen, waarvan de ene dan wel de andere echtgenoot exclusief eigenaar is bij zijn/haar overlijden.

Het beding wordt optioneel geformuleerd, waardoor de langstlevende kan kiezen voor de integrale werking ervan, dan wel voor een beperkte toekenning of voor een afwijkende toekenningssleutel. Indien de langstlevende geen (tijdige) keuze maakt, wordt het toekenningsbeding niet toegepast.

De goederen waarop het toekenningsbeding toegepast zal kunnen worden, zijn volgens de verklaring van de aanvrager uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten.

Partijen voorzien tevens in een passiefregeling.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, VCF

49. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

50. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgelegde beding als geldig huwelijksvoordeel, dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

51. In de mate dat het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

52. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

53. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

54. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

55. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

56. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen.

De optionele toekenning van de eigen niet-onverdeelde goederen heeft volgens de gegevens in de aanvraag geen betrekking op gemeenschapsgoederen, doch enkel op bepaalde (categorieën van) eigen niet onverdeelde goederen.

57. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Er kan wel toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

58. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

59. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF?

60. Artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, VCF bepaalt welke schulden aanvaardbaar zijn als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner. Ingevolge de tweede zin van voormeld artikel zijn schulden die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel niet aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap.

Aanvrager geeft aan dat het optioneel toekenningsbeding geen schuld creëert, maar aan de langstlevende echtgenoot een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak verleent op welbepaalde (categorieën van) eigen goederen van de eerststervende echtgenoot (zie randnummer 35-36).

61. Zoals hiervoor reeds gemeld wordt, merkt het besluitvormingsorgaan op dat er in de rechtsleer verschillende stromingen bestaan voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen. Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenwel niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van het in casu voorgenomen beding.

Uit de motivering van de aanvraag blijkt dat de aanvrager de analyse in de rechtsleer volgt, die het (optioneel) toekenningsbeding kwalificeert als een huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking. In de mate dat deze burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking correct is, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Aangezien er volgens aanvrager door een zakelijke werking van het beding geen schuld gecreëerd wordt, zal er geen toepassing worden gemaakt van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

62. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

63. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

64. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

65. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

66. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten oorspronkelijk gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.1996.

Bij akte verleden op xx.xx.2017 voor notaris […] hebben de echtgenoten het stelsel aangevuld met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, waarin diverse onroerende goederen werden ingebracht. Bij akte verleden op xx.xx.2018 voor notaris […] werd de huidige gezinswoning van de echtgenoten ingebracht in het TIGV.

Bij akte verleden voor notaris […] op xx.xx.2025 hebben de echtgenoten hun huwelijksovereenkomst een laatste keer gewijzigd door toevoeging van een optioneel toekenningsbeding, voor het geval van beëindiging van het huwelijk door overlijden van één van hen.

Het optioneel toekenningsbeding heeft betrekking op bepaalde (categorieën van) eigen niet-onverdeelde goederen, zoals vermeld in artikel 8 van de huwelijksovereenkomst. De aanvragers verklaren dat het hierbij enkel om huwelijkse aanwinsten gaat.

De echtgenoten hebben samen twee gemeenschappelijke kinderen.

De echtgenoten X-Y hebben destijds gekozen voor een stelsel van scheiding van goederen, omwille van de autonomie in het beheer van hun inkomsten en van hun vermogens en omwille van de bescherming tegen het risico van schulden door de ander aangegaan.

Zij wensen daarnaast ook een bescherming voor de langstlevende onder hen te voorzien en willen ervoor zorgen dat wat zij gedurende het huwelijk hebben opgebouwd (de huwelijkse aanwinsten) maximaal door de langstlevende van hen kan worden verkregen. Hieraan hebben ze invulling gegeven met enerzijds het toekenningsbeding voor de eigen goederen die niet in onverdeeldheid zijn en anderzijds het reeds bestaande keuzebeding met betrekking tot de goederen behorende tot het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen.

Volgens aanvragers laat het optioneel toekenningsbeding toe om ten titel van huwelijksvoordeel te voorzien in een billijke, evenwichtige en flexibele regeling die niet eenzijdig opzegbaar is en die zo ruim mogelijk reservebestendig is, gelet op hun twee gemeenschappelijke kinderen. Het optioneel toekenningsbeding is uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten.

67. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

68. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1996 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Een kopie van de wijzigende huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2017 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Een kopie van de wijzigende huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2018 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[4] Een kopie van de wijzigende huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2025 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[5] Een kopie van de uittreksels uit het Rijksregister van de heer X en mevrouw Y werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[6] Opmerking van het besluitvormingsorgaan: Artikel 2.7.1.0.5 VCF is gewijzigd met ingang van 1 januari 2025 waardoor de goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, geacht worden deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden.