Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26006 - Inbreng OG in vennootschap gevolgd door schenking aandelen Vlaamse Belastingdienst

VB 26006 - Inbreng OG in vennootschap gevolgd door schenking aandelen

Voorafgaande beslissing
Nummer

26006

Datum beslissing

23 maart 2026

Publicatiedatum

1 april 2026

Heffing

  • Schenkbelasting
  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.9.1.0.3. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat de inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, gevolgd door een schenking van de volle eigendom van de aandelen van voormelde vennootschap via de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde, ingegeven is door andere dan fiscale motieven en dus geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF uitmaakt.

2. In dat verband worden de volgende deelvragen gesteld:

2.1. Kan bevestigd worden dat de inbreng van het vermeld onroerend goed in de vennootschap zal worden gekwalificeerd als een inbreng in een vennootschap waarop het verkooprecht overeenkomstig artikel 2.9.1.0.3 VCF niet van toepassing is?

2.2. Zijn de voorgenomen schenkingen onderworpen aan het tarief van de schenkbelasting voor roerende goederen (vlak tarief van 3% - artikel 2.8.4.1.1, §2, 1° VCF) en niet aan het tarief van schenkbelasting van onroerende goederen (artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF)?

II. Omschrijving van de verrichting(en)

3. De aanvraag wordt ingediend door de heer […], advocaat, geboren te […] op xx.xx.1969, wonende te […], in naam van zijn cliënten, namelijk:

3.1. De heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1943, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], gehuwd met mevrouw Y, hierna genoemd onder randnummer 3.2.;

3.2. Mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1948, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], gehuwd met de heer X, hiervoor genoemd onder randnummer 3.1.;

Hierna samen de “Aanvragers” genoemd.

4. De Aanvragers hebben sedert meer dan vijf (5) jaar hun woonplaats in het Vlaamse gewest, meer bepaald te […].

5 De Aanvragers hebben samen twee (2) gemeenschappelijke dochters, met name:

5.1. Mevrouw A, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1972, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], wonende te […], ongehuwd en niet geregistreerd als wettelijk samenwonende partner;

Hierna aangeduid bij naam of als “Dochter 1”;

5.2. Mevrouw B, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1974, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], wonende te […], ongehuwd en niet geregistreerd als wettelijk samenwonende partner;

Hierna aangeduid bij naam of als “Dochter 2”;

6. Mevrouw A en mevrouw B hebben elk één zoon, respectievelijk:

6.1. De heer C, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1997, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], wonende te […], ongehuwd en niet geregistreerd als wettelijk samenwonende partner;

Hierna genoemd bij naam of als “Kleinzoon 1”;

6.2. De heer D, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1999, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […], wonende te […], gehuwd met mevrouw […];

Hierna genoemd bij naam of als “Kleinzoon 2”.

7. De volgende vennootschappen zijn betrokken bij de voorgenomen verrichting:

7.1. De besloten vennootschap “E” met ondernemingsnummer […] en met zetel te […] (hierna aangeduid als de “Vennootschap”).

De Vennootschap heeft onder meer tot doel zowel in België als in het buitenland:

  • Het aanleggen, het oordeelkundig uitbouwen en beheren van onroerend vermogen;
  • Alle verrichtingen met betrekking tot onroerende goederen en onroerende zakelijke rechten zoals de huurfinanciering aan derden, het aankopen, verkopen, ruilen, bouwen, verbouwen, onderhouden, verhuren, huren, verkavelen, prospecteren en uitbaten van onroerende goederen.

De enige aandeelhouder van de Vennootschap is de maatschap “F” (4.800 aandelen), hierna genoemd onder randnummer 7.2.

De Vennootschap wordt bestuurd door de heer X

7.2. De maatschap “F” met ondernemingsnummer […] en met zetel te […] (hierna aangeduid als de “Maatschap”).

De Maatschap heeft tot doel het ingebracht familiaal vermogen op een duurzame en georganiseerde manier in stand te houden en te vergroten.

De vennoten zijn mevrouw A (340 aandelen), mevrouw B (340 aandelen), de heer C (160 aandelen) en de heer D (160 aandelen).

De Aanvragers zijn samen zaakvoerder van de Maatschap.

8. Het in te brengen onroerend goed betreft:

Bedrijfsvastgoed op en met grond gelegen te […], met perceelnummers […].

Hierna genoemd het “Onroerend goed”.

Het Onroerend goed is als volgt ingedeeld:

  • […]

Het Onroerend goed is thans eigendom van de Aanvragers en behoort tot hun gemeenschappelijk vermogen.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

9. De Aanvragers wensen het kapitaal van de Vennootschap te verhogen door een inbreng van het onder punt 8 vermelde Onroerend goed door gebruik te maken van de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde.

10. Het Onroerend goed, met een geschatte waarde van 2.340.000,00 EUR overeenkomstig het schattingsverslag opgesteld door […] d.d. xx.xx.2024, zou in volle eigendom worden ingebracht in de Vennootschap.

De bedoeling is dat de uitgegeven aandelen zo snel mogelijk toekomen aan de Maatschap als enige aandeelhouder van de Vennootschap. Dit wordt bereikt door gebruik te maken van de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde, waardoor de aandelen gecreëerd naar aanleiding van de inbreng rechtstreeks worden ingeschreven op naam van de Maatschap.

Doordat de Maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft maar een onverdeeldheid is tussen de vennoten met betrekking tot haar vermogensbestanddelen, zullen de aandelen van de Vennootschap toekomen aan Dochter 1, Dochter 2, Kleinzoon 1 en Kleinzoon 2 in verhouding tot hun respectievelijke aandelenbezit in de Maatschap.

11. Het is niet de bedoeling om het Onroerend goed, noch op korte, noch op middellange termijn uit de Vennootschap te halen in het voordeel van de aandeelhouder(s) (middels kapitaalvermindering, dividenduitkering of anderszins).

Het is niet de bedoeling om het Onroerend goed, noch op korte, noch op middellange termijn te verkopen aan de aandeelhouder(s).

Het is niet de bedoeling om de aandelen van de Vennootschap op korte, noch op middellange termijn te vervreemden aan derden.

12. Alle transacties zouden gebeuren voor een Belgische notaris.

III. Motivering van de aanvraag

13. In een verder verleden exploiteerden de Aanvragers zelf […] in het Onroerend goed. Na de beëindiging van deze activiteiten werd het Onroerend goed verhuurd aan derden die de […] activiteiten wensten verder te zetten. Deze verhuuractiviteiten werden uitgeoefend via de Vennootschap.

14. Gelet op de gevorderde leeftijd van de Aanvragers wensen zij nu hun vermogen op een gestructureerde en duurzame wijze over te dragen aan hun (klein-)kinderen, met behoud van continuïteit van de Vennootschap. In dat kader hebben zij reeds al hun aandelen in de Vennootschap geschonken aan hun (klein-)kinderen, die deze vervolgens hebben ingebracht in de Maatschap.

De Maatschap werd opgericht door de (klein-)kinderen met als doel een gecontroleerde overdracht van het beheer van de Vennootschap naar de volgende generatie te waarborgen. In eerste instantie werden de Aanvragers, omwille van hun jarenlange ervaring in de uitbating en de verhuur van bedrijfsvastgoed, aangesteld als zaakvoerder van de Maatschap. Na hun overlijden of wanneer zij niet langer in staat zijn om het bestuur waar te nemen, worden de kinderen aangesteld als opvolgend zaakvoerder.

Alle beslissingen op het niveau van de algemene vergadering van de Maatschap worden genomen met unanimiteit van alle vennoten en het akkoord van de in functie zijnde zaakvoerders.

15. Het voornaamste oogmerk van de Aanvragers is om de verdere opvolging van de Vennootschap te faciliteren, het vermogen verder te laten renderen en de onroerende goederen die betrokken zijn bij de bedrijfsvoering te behoeden voor een (gedwongen) uitonverdeeldheidtreding. Zij wensen ook nu al te voorzien dat niet enkel hun kinderen maar ook hun kleinkinderen, zij het in beperktere mate, worden betrokken in de voortzetting van de Vennootschap.

Daarom wensen de Aanvragers het Onroerend goed, dat intrinsiek deel uitmaakt van de kernactiviteit van de Vennootschap, in te brengen in de Vennootschap maar af te zien van het recht op de bijkomende aandelen die hiervoor in de plaats komen zodat deze rechtstreeks toekomen aan de Maatschap als enige aandeelhouder. Aangezien de kinderen en kleinkinderen de enige vennoten van de Maatschap zijn, wordt de juridische eigendom aldus reeds overgedragen aan de volgende generatie, terwijl de Aanvragers nog de mogelijkheid hebben om het beheer van de Vennootschap kunnen blijven waarnemen zolang zij daartoe in staat zijn.

16. Bovendien blijkt uit het schattingsverslag door […] d.d. xx.xx.2024 duidelijk dat grondige investeringen noodzakelijk zijn opdat het Onroerend goed op langere termijn verhuurbaar blijft. Hoewel de Aanvragers nog betrokken wensen te blijven in de bedrijfsvoering om de continuïteit van de overgang van de Vennootschap te waarborgen, achten zij het, gelet op hun leeftijd, niet langer opportuun om deze aanzienlijke investeringskosten zelf te dragen.

Door het Onroerend goed in te brengen in de Vennootschap en de aandelen onrechtstreeks te laten toekomen aan de (klein-)kinderen, ligt de financiële verantwoordelijkheid voor de investeringen bij de volgende generatie(s) die de vastgoedactiviteiten op langere termijn zullen voortzetten.

17. Om bovenstaande redenen is het voor de Aanvragers logisch om de aandelen, die in ruil zouden komen van de inbreng van het Onroerend goed, onrechtstreeks over te dragen aan hun (klein-)kinderen.

18. De voorgenomen verrichtingen kaderen aldus in een globale familiale en economische herschikking, die ertoe strekt:

  • Het familiaal vermogen verder te laten renderen en beheren op de best mogelijk manier;
  • De onderneming en alle goederen die hiermee verband houden te laten besturen door de meest adequate personen;
  • De familiebelangen en vennootschapsbelangen afgescheiden te houden;
  • De noodzakelijke investeringen te laten dragen door de generatie(s) die de onderneming op lange termijn zullen verderzetten.

19. De Aanvragers wensen bevestiging dat de voorgenomen rechtshandelingen geen fiscaal misbruik uitmaken rekening houdend met:

  • De niet-fiscale motieven van de Aanvragers;
  • De latere verkrijging van het Onroerend goed door een aandeelhouder van de BV zal onderworpen worden aan artikel 2.9.1.0.5 VCF (heffing verkooprecht);
  • Het feit dat er geen registratiebelasting wordt ontweken:
    • Op de inbreng van het onroerend goed in de Vennootschap;
    • Op de schenking van de aandelen van de Vennootschap (er wordt 3% schenkbelasting betaald).

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

20. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

21. De Vlaamse Belastingdienst doet geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

22. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • Artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt

berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;

  • Artikel 2.9.1.0.3 VCF dat luidt als volgt:

“Het behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.

Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”:

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

23. Vooreerst moet worden onderzocht of bij de inbreng van het Onroerend goed in de Vennootschap registratiebelasting moet worden geheven. Het Onroerend goed wordt ingebracht door natuurlijke personen. Het Onroerend goed betreft geen tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed. De inbreng van het onroerend goed wordt als gemengde inbreng belast naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten. In dat geval zal het verkooprecht van toepassing zijn op de andere inbreng. In dit geval lijkt er van gemengde inbreng geen sprake.

24. Het procedé van de inbreng ten behoeve van een derde bestaat erin dat de inbrenger onroerende goederen in volle of blote eigendom inbrengt in een vennootschap waarbij de tegenprestatie, namelijk de als vergoeding voor deze inbreng toegekende aandelen, door de vennootschap worden toebedeeld aan een andere persoon dan de inbrenger. De aanvragers motiveren deze techniek met de voorzetting van het bedrijf en de noodzaak aan investeringen die de aanvragers niet meer wens te dragen gelet op hun leeftijd.

25. Aanvragers kwalificeren de voorgenomen verrichting als een onrechtstreekse schenking door de echtgenoten X - Y aan hun twee kinderen en kleinkinderen. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘onrechtstreekse schenking’ op zich niet wettelijk gedefinieerd is, en dat er in de rechtsleer verschillende strekkingen bestaan voor de invulling van dit begrip.

Gezien het besluitvormingsorgaan bij voorafgaande beslissing echter geen uitspraak kan doen over de burgerrechtelijke geldigheid van de voorgelegde verrichting, wordt er voor de toetsing van voormelde artikelen van het VCF van uitgegaan dat de verrichting als schenking bestaat en geldig is. Bijgevolg spreekt deze beslissing zich enkel uit over de fiscale gevolgen.

Deze techniek kan in het onderhavig geval fiscaal worden aanvaard mits de kinderen in de authentieke akte van inbreng tussenkomen en de schenking aanvaarden.

26. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.

Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is het onroerend goed te schenken aan de kinderen/kleinkinderen.

De inbreng, gepaard aan de schenking ten behoeve van een derde van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.

27. Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van het Onroerend goed in de vennootschap door de echtgenoten X - Y gepaard aan de voorgenomen schenking via een beding ten behoeve van een derde van de hiervoor in ruil verkregen aandelen aan hun kinderen en kleinkinderen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2, lid 2 VCF gezien hiermee wordt ingegaan tegen artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.

Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.

Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden:

Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen.

Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd. Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.

Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.

In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19 , 109) is het volgende te lezen:

Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poincaré “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.… ”.

Deze maatregel gaf geen bevrediging.

Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.

Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.

In het verslag aan de koning valt te lezen:

“Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten.

Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn.

Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadeelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.

Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten.

Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven.

In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.

28. Door de inbreng van het Onroerende goed in de Vennootschap gepaard aan een schenking ten behoeve van een derde van de aandelen kan de begiftigde genieten van het schenktarief voor roerende goederen i.p.v. het schenktarief voor onroerende goederen. Dit zorgt voor een aanzienlijke besparing.

29. De aanvragers geven de volgende niet-fiscale motieven voor de voorafgaande inbreng gevolgd door een voorgenomen schenking van de aandelen:

  • Het familiaal vermogen verder te laten renderen en beheren op de best mogelijk manier;
  • De onderneming en alle goederen die hiermee verband houden te laten besturen door de meest adequate personen;
  • De familiebelangen en vennootschapsbelangen afgescheiden te houden;
  • De noodzakelijke investeringen te laten dragen door de generatie(s) die de onderneming op lange termijn zullen verderzetten.

Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van het Onroerend goed door de echtgenoten X - Y gepaard aan een schenking ten behoeve van een derde (de maatschap en dus de kinderen/kleinkinderen), fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF. Het in te brengen onroerend goed was en is niet dienstig voor de bedrijfsactiviteit van de Vennootschap aangezien het onroerend goed gebruikt wordt voor de uitbating van een […] van derden. Het feit dat de vennootschap de verhuur van het onroerend goed aan derden coördineert, toont niet aan dat dit onroerend goed vereist is voor de activiteit van de vennootschap. Het is niet de bedoeling van de inbrengers om het onroerend goed aan het bedrijfsrisico te onderwerpen maar een overdracht aan de kinderen en de kleinkinderen te realiseren. Verder vereist de wens om noodzakelijke investeringen te laten dragen door volgende generaties niet dat het onroerend goed in de vennootschap wordt ingebracht en de aandelen via een beding ten behoeve van een derde worden geschonken aan de volgende generaties. De aangegeven niet-fiscale motieven wegen niet op tegen de fiscale motieven om het misbruik te weerleggen.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.