Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26010 - Inbreng onroerend goed gevolgd door familiale schenking aandelen Vlaamse Belastingdienst

VB 26010 - Inbreng onroerend goed gevolgd door familiale schenking aandelen

Voorafgaande beslissing
Nummer

26010

Datum beslissing

4 mei 2026

Publicatiedatum

17 juni 2026

Heffing

  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.8.6.0.3. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Deze aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:

a) de schenking van de aandelen van de hierna vermelde vennootschap, verkregen ingevolge de reeds voltooide inbreng van onroerende goederen, onderworpen is aan schenkbelasting overeenkomstig artikel 2.8.4.1.1., §2 VCF dan wel artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF;

b) de voltooide inbreng van onroerende goederen gevolgd door de voorgenomen schenking van de aandelen op zichzelf en in hun combinatie niet ingegeven zijn door fiscale motieven en aldus niet kwalificeren als fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt gesteld door meester […] namens de heer X, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer […] (hierna ook genoemd 'de heer X' of de 'aanvrager'). De heer X woont te […].

De heer X heeft reeds meer dan vijf jaar zijn woonplaats in het Vlaamse Gewest. Hij is geboren te […] op xx.xx.1952 en is Belgische rijksinwoner.

3. Hij is weduwnaar van mevrouw […]. Zij hebben drie kinderen:

  • De heer […] (geboren op xx.xx.1977, wonende te […]), echtgescheiden, die geen verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd;
  • Mevrouw […] (geboren op xx.xx.1979, wonende te […]), ongehuwd, die geen verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd;
  • De heer […] (geboren op xx.xx.1989, wonende te […]), echtgenoot van mevrouw [..], gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen.

4. De heer X is eigenaar van diverse ondernemingen. De ondernemingen zijn actief in […]. NV Z is een familiebedrijf dat al 100 jaar een authentieke en toonaangevende rol speelt binnen […].

5. De volgende vennootschap is betrokken bij de reeds voltooide inbreng: NV Y, ondernemingsnummer […], met maatschappelijke zetel te […]. Deze vennootschap werd opgericht op xx.xx.1989 en is reeds 36 jaar actief als holding die overkoepelend alle dochtervennootschappen voor 100% in eigendom heeft en de groep bij elkaar houdt. Binnen NV Y is reeds meer dan 10 jaar personeel werkzaam dat fungeert als directie van de groep en actief is binnen alle dochters. Uit de jaarrekening gepubliceerd per 31 december 2024 blijkt dat het om gemiddeld 4,6 FTE gaat (zie bijlage 3: Jaarrekening NV Y per 31/12/2024). Dit toont aan dat NV Y geen louter patrimoniumvennootschap is, maar een operationele holdingvennootschap met substantiële werkgelegenheid.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

6. Op xx.xx.2025 heeft de heer X reeds een inbreng gedaan van onroerende goederen in voormelde vennootschap (zie bijlage 1: Inbrengakte d.d. xx.xx.2025). Het betrof de volgende onroerende goederen, waarvan de heer X enig eigenaar was (zie bijlage 5: Kadastrale uittreksels en bijlage 8: Eigendomsoorsprong uit kapitaalsverhoging):

  • […], eerste afdeling, […], groot 83a 31ca;
  • […], eerste afdeling, […]: hangar op en met grond, kadastraal sectie C nummers […], groot 20a 10ca;
  • […], eerste afdeling, […]: kantoorgebouw op en met grond, kadastraal sectie C nummer […], groot 3a 45ca;
  • […], eerste afdeling, […]: bouwgrond, kadastraal sectie C nummer […], groot 8a 42ca;
  • […], eerste afdeling, […]: […] met naastgelegen percelen weiland, kadastraal sectie C nummers […], groot 49a 19ca;
  • […], eerste afdeling, […]: perceel grond, kadastraal sectie C nummer […], groot 4a 29ca;
  • […], eerste afdeling, […]: perceel grond, kadastraal sectie C nummer […], groot 69a 33ca;
  • […], eerste afdeling, […]: perceel grond, kadastraal sectie C nummer […], groot 30a 25ca;
  • […], eerste afdeling, […]: perceel grond, kadastraal sectie C nummer […], groot 31a 90ca.

7. De totale inbrengwaarde bedroeg €2.905.000,00. Als vergoeding voor deze inbreng heeft de heer X 15 nieuwe aandelen verkregen in NV Y (zie bijlage 1: Inbrengakte en bijlage 6: Aandeelhoudersregister).

8. De heer X heeft nu de bedoeling om deze 15 nieuwe aandelen, verkregen ingevolge de inbreng, te laten toekomen aan zijn kinderen.

9. Deze schenking zal gebeuren voor een Belgische notaris.

III. Motivering van de aanvraag

10. De heer X vraagt de volgende bevestigingen:

a) Kan de Vlaamse Belastingdienst bevestigen dat op een schenking van de 15 nieuwe aandelen van de vennootschap NV Y aan zijn kinderen het schenkingstarief van roerende goederen vermeld in artikel 2.8.4.1.1., §2 VCF van toepassing is dan wel kan genieten van een vrijstelling omdat het om een familiale vennootschap gaat overeenkomstig artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF?

b) Kan de Vlaamse Belastingdienst bevestigen dat de combinatie van de voltooide inbreng van de vermelde onroerende goederen in een vennootschap en de daaropvolgende schenking van de aandelen geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?

11. Operationele overwegingen

11.1. De heer X is bezig met de structurering van zijn vermogen, zowel op het vlak van eigendomsstructuur als op het vlak van beheer en continuïteit. Het zakelijk vermogen van de heer X bestaat uit verschillende ondernemingen, waaronder NV Y, en diverse onroerende goederen.

11.2. NV Y werd reeds opgericht in 1989 en is sindsdien onafgebroken actief als holding binnen […]. Het familiebedrijf NV Z heeft een 100-jarige traditie in deze sector en speelt een toonaangevende rol in […]. De operationele vennootschap Z, die de activiteiten […] uitoefent, wordt voor 100% in eigendom gehouden door NV Y. Binnen NV Y is reeds meer dan 10 jaar personeel werkzaam. Uit de jaarrekening gepubliceerd per 31 december 2024 blijkt dat het om gemiddeld 4,6 FTE gaat (zie bijlage 3: Jaarrekening NV Y per 31/12/2024). Deze personeelsleden fungeren als directie van de groep en zijn actief binnen alle dochtervennootschappen. Dit toont aan dat er sprake is van een echte, operationele holdingvennootschap met substantiële werkgelegenheid en geen louter patrimoniumvennootschap.

11.3. Vóór de inbreng van xx.xx.2025 was er sprake van een operationeel inefficiënte structuur. De vennootschap Y gebruikte verschillende onroerende goederen die eigendom waren van de heer X persoonlijk. Voor dit gebruik betaalde de vennootschap een huurvergoeding aan de heer X. Deze huurvergoedingen werden door de heer X aangifte van als belastbare inkomsten, zoals blijkt uit zijn aanslagbiljet inkomstenbelasting 2023 (€17.360,60 aan huurinkomsten onroerende goederen) (zie bijlage 2: Aanslagbiljet inkomstenbelasting 2023). De huurovereenkomst dateert reeds van 17 mei 1990 voor een bedrag van 755.403 Belgische frank (€18.725,95), welk bedrag nooit werd verhoogd of geïndexeerd (zie bijlage 9: Huurovereenkomst d.d. 17/05/1990 en Addendum 24/02/2011).

11.4. De inbreng van xx.xx.2025 had als doel de onzekerheid weg te werken betreffende de bestemming van de onroerende goederen die essentieel zijn voor de bedrijfsvoering. Vóór de inbreng bestond het risico dat deze goederen na het overlijden van de heer X aanleiding zouden kunnen geven tot discussies tussen de kinderen over de vraag of deze goederen al dan niet moeten worden ondergebracht in de vennootschap. Door de inbreng wordt gewaarborgd dat de vennootschap permanent kan beschikken over deze bedrijfskritische activa. De heer X neemt bij leven de strategische beslissing dat deze inbreng de beste keuze is voor het bedrijf en wenst te vermijden dat zijn kinderen na zijn overlijden hierover nog moeten discussiëren of beslissen.

11.5. Bovendien had de inbreng als voordeel dat daarmee geen vergoeding meer moet worden betaald aan de heer X, zodat de vennootschap niet verder een schuld opbouwt aan hem. Immers, de verschuldigde vergoedingen werden geboekt in rekening-courant in het voordeel van de heer X.

12. Duidelijke bestemming en proportionaliteit

12.1. De heer X heeft een duidelijke en logische bestemming voor zijn onroerende goederen, die het zakelijk karakter van de inbreng onderstreept:

  • Onroerende goederen die professioneel worden aangewend door NV Y: deze werden ingebracht in de vennootschap (de goederen vermeld in punt 6). Alle ingebrachte onroerende goederen worden actief gebruikt voor de exploitatie van de vennootschap. Dit gebruik is reeds jarenlang een feit, zoals blijkt uit de huurovereenkomsten en huurbetalingen die de vennootschap aan de heer X voldeed sinds 1990 (zie punt 13, bijlage 2 en bijlage 9).
  • Onroerende goederen die niet professioneel worden aangewend door de vennootschap: deze werden bewust NIET ingebracht en zullen rechtstreeks worden geschonken aan de kinderen van de heer X. Het betreft onder meer de volgende goederen (zie bijlage 5: Kadastrale legger met kleurcodering):
    • […] hooiland, groot 39a 40ca
    • […]: weiland, groot 284a 50ca
    • […]: bebouwde oppervlakte gewoon, groot 11a 02ca
    • […]: bouw- en weiland, groot 802a 98ca

12.2. Dit onderscheid tussen ingebrachte en niet-ingebrachte onroerende goederen toont aan dat de inbreng zuiver operationeel gemotiveerd is. Indien de heer X fiscale optimalisatie had beoogd, zou hij logischerwijs ook de niet-professioneel aangewende goederen hebben ingebracht alvorens te schenken. Het feit dat hij dit bewust niet heeft gedaan, bewijst de proportionaliteit en zakelijke motivering van de inbreng: enkel wat professioneel noodzakelijk is voor de vennootschap wordt ingebracht.

13. Professioneel gebruik van alle ingebrachte goederen

13.1. Ter verduidelijking: alle onroerende goederen die op xx.xx.2025 werden ingebracht (punt 6) worden zonder uitzondering professioneel aangewend binnen de exploitatie van NV Y en haar dochtervennootschappen. Dit professioneel gebruik bestond reeds vóór de inbreng, zoals blijkt uit:

  • De structurele huurbetalingen die de vennootschap sinds 1990 aan de heer X voldeed voor het gebruik van deze goederen (€18.725,95 per jaar sinds 1990, ongewijzigd; €17.360,60 in 2023, zie bijlage 2 en bijlage 9);
  • De huurovereenkomst van 17 mei 1990 en het addendum van 24 februari 2011 waarin de kadastrale nummers van de verhuurde percelen expliciet worden vermeld ([…]) (zie bijlage 9);
  • De operationele noodzaak van deze goederen voor de bedrijfsvoering van de vennootschap actief in de voedingssector;
  • Het feit dat de heer X bewust andere onroerende goederen ([…]) niet heeft ingebracht omdat deze niet professioneel worden aangewend door de vennootschap.

13.2. De inbreng betreft dus uitsluitend bedrijfskritische activa en geen privévermogen. Dit onderstreept het zakelijk karakter van de verrichting en sluit elke verdenking van fiscaal misbruik uit.

14. Geografische samenhang en eigendomsgeschiedenis.

14.1. De ingebrachte onroerende goederen vormen een geografisch samenhangend geheel, zoals blijkt uit het kadastraal plan (zie bijlage 7: Kadastraal plan). Alle percelen liggen in elkaars onmiddellijke nabijheid in […], eerste afdeling, met name aan de […]. Deze geografische concentratie illustreert dat het om één geïntegreerde bedrijfssite gaat waar de activiteiten van de vennootschap worden uitgeoefend.

14.2. Uit de eigendomsoorsprong blijkt dat de percelen reeds lang geleden privé werden verworven door de heer X (zie bijlage 8: Eigendomsoorsprong uit kapitaalsverhoging). De oudste verwerving dateert van 1933 (erfenis van grootouders), andere aankopen dateren uit 1973, 1977, 1982, 1989, 1993 en 2002. De meest recente verwerving door de heer X privé dateert dus van 23 jaar vóór de inbreng. De recente onroerende aankopen daarentegen werden niet door de heer X privé verworven, maar rechtstreeks door de vennootschap NV Y (zie bijlage 8: Afschriften recente aankopen). Dit toont aan dat de inbreng van xx.xx.2025 niet kadert binnen een patroon van systematische acquisitie gevolgd door inbreng, maar wel een logische rechtzetting betreft van een historisch gegroeide eigendomsstructuur waarbij bepaalde bedrijfskritische goederen nog privé werden aangehouden.

15. Toekomstig professioneel gebruik en investeringen.

15.1. Het professioneel gebruik van de ingebrachte onroerende goederen is niet enkel historisch aanwezig, maar zal ook in de toekomst worden voortgezet en zelfs uitgebreid. Op naam van NV Z (dochtervennootschap van NV Y) werden omgevingsvergunningen afgeleverd voor grote werkzaamheden op de bedrijfssite, waaronder nieuwe gebouwen, uitbreiding van het kantoor, en een groenscherm (zie bijlage 10: Omgevingsvergunning van onbepaalde duur). Deze vergunningen hebben betrekking op kadastrale nummers […], zijnde percelen die werden ingebracht op xx.xx.2025.

15.2. Eveneens werd een omgevingsvergunning afgeleverd op naam van NV A voor de uitbating van de […] in het gebouw van de vroegere […] (kadastraal nummer […]) (zie bijlage 11: Omgevingsvergunning viskwekerij). Dit toont aan dat de ingebrachte goederen niet enkel historisch werden gebruikt, maar dat er concrete, vergunde plannen bestaan voor verdere professionele exploitatie en investeringen in de toekomst.

15.3. Deze geplande investeringen illustreren dat de inbreng kadert binnen een langetermijnvisie op bedrijfsvoering en groei, en niet binnen een kortetermijnstrategie gericht op fiscale optimalisatie.

16. Continuïteit en langetermijnplanning

16.1. Op xx.xx.2025, slechts 11 dagen vóór de inbreng, heeft de heer X samen met zijn drie kinderen Stichting Administratiekantoor "[…]" opgericht in Nederland (zie bijlage 4: STAK oprichtingsakte). Deze STAK heeft als doel de continuïteit van de vennootschappen verder te waarborgen en toont de langetermijnvisie van de heer X aan. Bij de oprichting van de STAK werden aandelen van NV Y overgedragen aan de STAK ter certificering. Alle aandelen van NV Y behoorden op dat moment – en dus voor de inbreng van xx.xx.2025 – reeds toe aan de kinderen van de heer X.

16.2. De volledige structurering, zowel de inbreng als de voorgenomen schenking, kadert binnen een bredere continuïteitsplanning. Door de inbreng van de bedrijfskritische onroerende goederen wordt gewaarborgd dat de vennootschap permanent over deze activa kan beschikken. De heer X neemt bij leven de strategische beslissing dat deze inbreng de beste keuze is voor het bedrijf. Hij wenst te vermijden dat zijn kinderen na zijn overlijden moeten discussiëren of beslissen over de vraag of deze bedrijfskritische onroerende goederen al dan niet moeten worden ondergebracht in de vennootschap. Door deze beslissing zelf te nemen en uit te voeren, voorkomt hij toekomstige onzekerheid en mogelijke meningsverschillen tussen de kinderen over de optimale structuur van het bedrijfsvermogen.

16.3. Alle drie kinderen zijn reeds aangesteld als bestuurder van NV Y en zijn dus actief betrokken bij de leiding en het beheer van de vennootschap, wat de continuïteit van de bedrijfsvoering verder waarborgt.

16.4. De heer X wenst door middel van deze verrichtingen aan zijn kinderen de mogelijkheid te geven om de familiale onderneming verder te zetten. De voorgenomen schenking van aandelen aan de kinderen, die reeds als bestuurders operationeel verantwoordelijk zijn, vormt een logische voortzetting van de reeds bestaande familiale betrokkenheid en geen kunstmatige constructie.

16.5. Het is niet de bedoeling van de heer X om zich volledig te onttrekken aan het aandeelhouderschap. Door het voorbehoud van vruchtgebruik zal hij actief deelnemen aan de aandeelhoudersvergaderingen en op die manier verder het beleid van de vennootschap mee bepalen, samen met zijn kinderen die als bestuurders operationeel verantwoordelijk zijn.

17. Verschillende finaliteiten: economische vs. Familiale aangelegenheden.

17.1. De inbreng en de schenking hebben fundamenteel verschillende finaliteiten.

  • De inbreng van xx.xx.2025 is zuiver een economische aangelegenheid. Het doel hiervan is het waarborgen van operationele efficiëntie en bedrijfscontinuïteit. Door de inbreng wordt de inefficiënte huurstructuur tussen de vennootschap en de aandeelhouder weggenomen, waarbij de vennootschap voorheen sinds 1990 huurvergoedingen moest betalen aan de heer X voor het gebruik van onroerende goederen die essentieel zijn voor de bedrijfsvoering. Deze eliminatie van de huurstructuur zorgt niet alleen voor een fiscaal en administratief eenvoudigere structuur, maar waarborgt tevens de bedrijfszekerheid op lange termijn. Door de inbreng neemt de heer X bij leven de strategische beslissing over de optimale structurering van het bedrijfsvermogen, zodat zijn kinderen hierover na zijn overlijden niet meer moeten discussiëren of beslissen. Door de centralisatie van het beheer binnen één operationele entiteit wordt bovendien een meer gestroomlijnde en efficiënte bedrijfsvoering mogelijk.
  • De voorgenomen schenking daarentegen is uitsluitend een familiale aangelegenheid die kadert binnen de opvolgingsplanning en vermogensoverdracht aan de volgende generatie. Het doel is het benutten van de wettelijke mogelijkheden die de wetgever heeft gecreëerd voor familiale vermogensplanning, waarbij gebruik wordt gemaakt van het schenkingstarief van 3% of met een vrijstelling indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF. Deze schenking kadert binnen de familiale planning van een bedrijf met een 100-jarige traditie, waarbij de continuïteit en de opvolging worden gewaarborgd door de actieve betrokkenheid van de kinderen, die reeds als bestuurders fungeren binnen NV Y.

17.2. Deze verschillende doelstellingen tonen aan dat er geen sprake is van één gecoördineerde fiscale optimalisatie, maar wel van de logische combinatie van twee legitieme, autonome behoeften met elk hun eigen motivering.

18. Geen kortetermijn exit-strategie

18.1. De aanvrager bevestigt dat het niet de bedoeling is om, op korte of middellange termijn, het ingebrachte vastgoed uit de vennootschap te halen ten voordele van de aandeelhouders, het ingebrachte vastgoed te verkopen aan één van de aandeelhouders, noch de aandelen te vervreemden aan derden.

18.2. Het is de bedoeling van de heer X om het ingebrachte vastgoed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis). De inbreng gebeurde niet met het oog op een schenking van het vastgoed zelf, maar wel om de operationele structuur te optimaliseren en de continuïteit te waarborgen. De omgevingsvergunningen voor grote werkzaamheden op de site (bijlage 10 en 11) bevestigen dat de ingebrachte goederen worden onderworpen aan substantiële, langetermijninvesteringen en dus volledig worden geïntegreerd in het ondernemingspatrimonium.

19. Eerder voorafgaandelijke beslissingen

19.1. Ik verwijs naar de Voorafgaandelijke Beslissing VB 23040, waarin Uw Dienst eveneens tot de conclusie komt dat de inbreng van onroerende goederen in een vennootschap gevolgd door een schenking van de aandelen een schenking van roerende goederen uitmaakt, belast op grond van artikel 2.8.4.1.1 VCF. Er is tevens, zo luidt de beslissing, geen sprake van fiscaal misbruik. (Deze voorafgaandelijke beslissing is reeds bekend bij Uw Dienst.)

19.2. De situatie van de heer X vertoont gelijkaardige kenmerken als deze precedent-casus:

  • Bestaande, operationele vennootschap (NV Y sinds 1989, holding met eigen personeel)
  • Reële bedrijfsactiviteiten ([…] NV Z)
  • Substantiële werkgelegenheid (4,6 FTE in holding, >10 jaar personeel, directiefunctie voor alle dochtervennootschappen)
  • Operationele noodzaak voor de inbreng (eliminatie huurstructuur sinds 1990)
  • Verschillende, autonome finaliteiten voor inbreng en schenking
  • Langetermijnplanning (STAK, familiale opvolging)
  • Geen kortetermijn exit-strategie
  • Kinderen reeds bestuurders: logische voortzetting bestaande betrokkenheid
  • STAK certificaten reeds in eigendom kinderen vóór inbreng onroerende goederen
  • Geografische samenhang ingebrachte percelen (bijlage 7: kadastraal plan)
  • Historische eigendomsverwerving privé (1933-2002), recente aankopen door vennootschap (bijlage 8)
  • Geplande investeringen met omgevingsvergunningen (bijlage 10 en 11)
  • Proportionaliteit: enkel professioneel aangewende goederen ingebracht, niet-professioneel aangewende goederen bewust uitgesloten
  • Volledige documentatie beschikbaar (zie bijlagen 1-11)

20. Conclusie

20.1. De heer X vraagt de bevestiging dat:

a) De schenking van de 15 nieuwe aandelen van NV Y, verkregen door de inbreng van xx.xx.2025, onderworpen is aan het algemene schenkingstarief voor roerende goederen bedoeld in artikel 2.8.4.1.1., §2 VCF dan wel kan genieten van een vrijstelling omdat het om een familiale vennootschap gaat overeenkomstig artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF.

b) Er geen sprake is van fiscaal misbruik voor:

  • De voltooide inbreng van de vermelde onroerende goederen in een vennootschap;
  • De daaropvolgende schenking van de aandelen;
  • De combinatie van deze rechtshandelingen.

20.2. Het onderscheid tussen ingebrachte (professioneel aangewend) en niet-ingebrachte (niet-professioneel aangewend) onroerende goederen illustreert de proportionaliteit van de inbreng. Deze selectieve inbreng, waarbij enkel bedrijfskritische activa worden overgedragen aan de vennootschap, bevestigt dat de verrichting zakelijk gemotiveerd is en geen fiscaal misbruik uitmaakt.

20.3. De geografische samenhang van de ingebrachte percelen (bijlage 7), de historische eigendomsverwerving tussen 1933 en 2002 (bijlage 8), de jarenlange huurrelatie sinds 1990 (bijlage 9), en de geplande toekomstige investeringen met omgevingsvergunningen (bijlage 10 en 11) ondersteunen deze conclusie. De sterke operationele motivering (eliminatie inefficiënte huurstructuur, waarborgen continuïteit bedrijfskritische activa), de verschillende finaliteiten (economisch vs. familiaal), de langetermijnplanning (STAK, continuïteit), de proactieve strategische beslissing van de heer X om bij leven de optimale structuur te bepalen en toekomstige discussies tussen de kinderen te vermijden, en de proportionaliteit van de middelen ten opzichte van de doelstellingen rechtvaardigen deze verrichtingen volledig.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

21. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

22. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.

23. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan :

1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;

3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;

10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid, 10°, of het tweede lid, is.

Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.”

  • artikel 2.8.6.0.3 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld :

1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1;

2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.

In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;

2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.

Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder :

1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de schenker of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;

2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.

Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.

Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden;

3° aandelen :

a) naargelang het geval:

1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;

2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;

b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;

4° familie van de schenker of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :

a) de partner van de schenker of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;

b) de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;

c) de zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;

d) de kinderen van broers en zussen van de schenker of aandeelhouder.

§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.”

  • artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

24. Op 22 september 2025 (VB 25087) sprak het besluitvormingsorgaan zich reeds uit over het voorwerp van de aanvraag. Het voorgenomen geheel aan rechtshandelingen is in de voorliggende aanvraag niet wezenlijk verschillend. Het feit dat de door de inbreng verkregen aandelen niet na de eerste beslissing werden geschonken en deze schenking nu pas zou plaatsvinden speelt geen rol gezien in beide gevallen er sprake is van een schenking van de verkregen aandelen kort na de inbreng van de betrokken onroerende goederen. Het feit dat in randnummer 6 van de huidige aanvraag wordt vermeld dat ten opzichte van de eerste aanvraag drie bijkomende percelen werden ingebracht, is niet relevant, aangezien in beide gevallen wordt verwezen naar exact dezelfde reeds uitgevoerde inbrengakte.

25. Overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §3, tweede lid VCF kan het besluitvormingsorgaan geen beslissing nemen met betrekking tot het onderzoek, de controle en het gebruik van bewijsmiddelen. Het besluitvormingsorgaan kan aldus niet beslissen of de voorgenomen schenking van aandelen zal voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3, §1, 2° VCF.

Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende overeenkomstig artikel 3.21.0.0.1 VCF een verzoek richten tot de Vlaamse Belastingdienst om een attest te bekomen waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, VCF is voldaan.

26. Op xx.xx.2025 bracht de heer X de onroerende goederen voornoemd in randnummer 6. in in de vennootschap Y. Hierdoor verwierf X 15 aandelen welke hij nu voornemens is te schenken aan zijn kinderen voornoemd in randnummer 3.

27. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.

Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger/schenker om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is het onroerend goed te schenken aan de begunstigden van de aandelen.

De inbreng, gepaard met de schenking van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF. Indien de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF voldaan zijn kan de schenking zelfs worden verwezenlijkt met vrijstelling van de schenkbelasting. Dit in tegenstelling tot een schenking van het onroerend goed zelf - in de veronderstelling dat deze schenking niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van een schenking van een familiale onderneming – die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.

28. Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng door de heer X van onroerende goederen in de NV Y binnen het jaar gevolgd door de schenking van de in ruil verkregen aandelen aan zijn kinderen voornoemd in randnummer 3. fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

Door de betrokken onroerende goederen in te brengen in de NV Y en vervolgens de hierdoor verkregen aandelen te schenken wordt ingegaan tegen artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting.

Met deze progressiviteit in de schenkbelasting wordt bedoeld dat het tarief van de schenkbelasting voor onroerende goederen wordt bepaald door een dubbel progressievoorbehoud: zowel de band die de schenker heeft met de begiftigde, als de grootte van de schenking bepalen het tarief.

Om deze progressiviteit in de schenkbelasting te kunnen kaderen moeten we teruggrijpen naar het verleden:

Vóór de Wet van 30 augustus 1913 werd het schenkingsrecht berekend volgens een gewoon evenredig tarief met een verschillend percentage naargelang de schenking roerende of onroerende goederen tot voorwerp had, naargelang het ging om schenkingen aan verwanten in de rechte lijn of aan andere personen.

Door de Wet van 30 augustus 1913 werden voor het schenkingsrecht en het successierecht dezelfde tarieven ingevoerd. Hierbij werd de verschillende tarifering van de schenkingen van roerende en van onroerende goederen opgeheven doch werden voor de schenkingen aan andere dan verwanten in rechte lijn verschillende tariefklassen ingevoerd.

Door artikel 19 van de Wet van 11 oktober 1919 (B.S. 13 november 1919, 6025) brengende wijzigingen in de wetten op de successie-, registratie- en overschrijvingsrechten werd de parallelle tarifering van de schenkingsrechten en de successierechten verbroken door de invoering van een progressief successierecht per schijf. Het schenkingsrecht bleef gewoon evenredig.

In de memorie van toelichting (Kamer, 1918/19 , 109) is het volgende te lezen:

“Bij art. 19 wordt de nieuwe bepaling der tarieven vastgesteld. Hierin het voorbeeld van het merendeel der Europeesche landen en, inzonderheid, dat onzer Noorder- en Zuiderburen volgende, wordt door het ontwerp eene belasting gevestigd, die bij schijven klimt te gelijkertijd als de hoegrootheid van het aan elken erfgenaam of legataris opgekomen aandeel. Indiener eene belasting is, die zich leent aan trapsgewijze verhooging volgens het vermogen van den belastingplichtige, zoo is dat onmiskenbaar wel het successierecht, omdat deze belasting volgens de bewoordingen van de Heer Raymond Poincaré “atteint le redevable au moment où il s’enrichit, sans effort, sans travail, souvent d’une manière inesperée”.… ”.

Deze maatregel gaf geen bevrediging.

Voor belangrijke schenkingen lieten de percentages nog in belangrijke mate de ontwijking toe van de successierechten. Bovendien werden schenkingen voor een klein of middelmatig bedrag door de toepasselijke percentages gehinderd.

Met het K.B. nr. 9 van 3 juli 1939 (BS 5 juni 1939, 4544) werd zowel voor de successierechten als voor de schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd.

In het verslag aan de koning valt te lezen:

“Twee verwijten werd in den laatsten tijd gericht tot het huidig heffingsstelsel der evenredige registratierechten op de schenkingsakten.

Het eerste is dat, om reden van hun hoog bedrag … deze rechten doorgaans van aard zijn de giften onder levenden tusschen personen van lage of middelbaren stand te verhinderen, hetgeen bijzonder betreurenswaardig is wanneer het gaat om verdeelingen gedaan door bloedverwanten in de opgaande lijn.

Het tweede is dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigt dat er voor rijke personen in bestaat, aan den vooravond van hun dood, door geregistreerde akte, de geheelheid of een deel van hun goederen aan hun vermoedelijke erfgenamen of legatarissen te schenken, en zulks derwijzen dat deze het hoog bedrag niet hoeven te betalen van de progressieve successierechten, die berekend worden op alles wat zij in de nalatenschap van den schenking mochten verkrijgen. Ten einde aan die nadeelen te verhelpen, belast artikel 8 de schenkingen onder levenden met dezelfde progressieve rechten als de nalatenschappen …”.

Deze aangenomen progressieve tarieven werden overgenomen in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en griffierechten.

Na de regionalisering van de successie- en het schenkingsrecht is er in de meeste gewesten opnieuw een verschil tussen beiden tarieven.

In het licht van de vroegere activering van vermogen en het zichtbaar maken van overdrachten van vermogen werd het progressief tarief voor de schenking van roerende goederen afgeschaft en vervangen door een vast tarief. Voor onroerende goederen bleef dit evenwel bestaan met dezelfde ratio legis, nl. de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.

29. Door de inbreng van de betrokken onroerende goederen in de vennootschap Y binnen korte termijn gevolgd door een schenking van de aandelen kunnen de begiftigden genieten van het schenktarief voor roerende goederen i.p.v. het schenktarief voor onroerende goederen. Dit zorgt voor een aanzienlijke besparing des te meer als de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.3 VCF kan worden genoten.

Gelet op de eenheid van opzet bestaande uit een inbreng op korte termijn gevolgd door de schenking van de verkregen aandelen oordeelt het besluitvormingsorgaan dat sprake is van fiscaal misbruik.

30. Overeenkomstig artikel 3.17.0.0.2, derde lid VCF komt het aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting.

31. De aanvrager geeft de volgende niet-fiscale motieven voor de voorgenomen verrichtingen:

  • De huidige terbeschikkingstelling van verschillende onroerende goederen aan de vennootschap via een huurovereenkomst is een operationeel inefficiënte structuur.
  • Door de inbreng bij leven te doen werden potentiële discussies tussen de kinderen over het inbrengen van de betrokken goederen in de vennootschap vermeden.
  • De inbreng waarborgt dat de vennootschap permanent kan beschikken over bedrijfskritische activa die zonder uitzondering professioneel aangewend worden binnen de exploitatie van NV Y en haar dochtervennootschappen en kadert binnen een bredere familiale continuïteitsplanning.
  • De ingebrachte goederen werden lange tijd geleden privé verworven door de aanvrager terwijl recente onroerende aankopen door de vennootschap NV Y gebeurden en dit aantoont dat de inbreng een logische rechtzetting van de historisch gegroeide eigendomsstructuur betreft.
  • Er zijn concrete vergunde plannen voor verdere professionele exploitatie en investeringen. Met name gaan de dochtervennootschappen NV Z en NV A werken uitvoeren op de bedrijfssite en hebben deze hiervoor een omgevingsvergunning verkregen.

De niet-fiscale motieven volstaan in dit geval niet om het fiscaal misbruik te weerleggen:

  • De inbreng had veel eerder plaats kunnen vinden om de aangehaalde historisch gegroeide eigendomsverwerving recht te zetten. Dit wordt des te meer aangetoond door de stelling in randnummer 14.2. dat de recente onroerende aankopen reeds door de vennootschap Y werden verworven.
  • Voor de percelen met kadastrale nummers […] voormeld in randnummer 6. kan bezwaarlijk worden aangenomen dat deze kritisch zijn voor de operationele activiteit van de betrokken onderneming gezien deze, zoals toegelicht werd bij de hoorzitting, louter werden opgekocht om omliggende woningbouw te vermijden en functioneren als grondbank.
  • Er wordt gesproken over een operationeel inefficiënte structuur voor de inbreng van xx.xx.2025. Echter, naast het feit dat dit vooral een fiscale inefficiëntie lijkt, bestaat het bedrijf al sinds 1989 en dateert de huurovereenkomst van 1990. Op deze vermeende operationele inefficiënte structuur had al veel eerder kunnen worden ingegrepen. Bijgevolg kan dit argument bezwaarlijk als niet-fiscale motivering stand houden.
  • Gezien de kinderen zelf actief zijn in het bedrijf hebben deze er alle belang bij de onroerende goederen aan te wenden voor de bedrijfsactiviteit waardoor niet duidelijk is op welke wijze een dergelijke discussie over de inbreng van de betrokken goederen de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.
  • De betrokken onroerende goederen worden ingebracht in de moedervennootschap met een beperkte eigen activiteit. Het zijn zoals blijkt uit de in randnummer 11.3. vermelde huurovereenkomst waarbij de dochtervennootschap Z optreedt als huurder, de operationele dochtervennootschappen die voor hun dagelijkse activiteiten de betrokken onroerende goederen gebruiken. Het feit dat de moedervennootschap de onroerende goederen aanhoudt in plaats van de aandeelhouders-bestuurders van deze moedervennootschap biedt geen bijkomende continuïteitsgarantie voor het opereren van deze operationele dochtervennootschappen.

De schenking van de aandelen verkregen door de inbreng van de betrokken onroerende goederen in de NV Y zal getaxeerd worden als een schenking van onroerende goederen. De voorafgaande beslissing 25087 blijft gehandhaafd.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.