Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26011 - Wijziging huwelijksovereenkomst - Stelsel scheiding van goederen - Toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26011 - Wijziging huwelijksovereenkomst - Stelsel scheiding van goederen - Toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26011

Datum beslissing

21 april 2026

Publicatiedatum

27 mei 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting
  • Verkooprecht

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 2.9.1.0.1. VCF
  • art. 2.10.1.0.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag wordt ingediend door […], namens mevrouw Y (RRN […]) en de heer X (RRN […]) wonende te […].

De aanvragers vormen sinds 2008 een koppel.

Zij huwden op xx.xx.2013 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] en dit onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Hun huwelijkscontract werd opgesteld op xx.xx.2013 (voorhuwelijks) voor notaris […] met standplaats te […].[1]-[2]

Middels hun voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst voegden zij een beperkt intern gemeenschappelijk vermogen toe aan hun stelsel van zuivere scheiding van goederen. Zaakvervanging is voorzien. In het bijzonder wensten aanvragers op dat moment hun gezinswoning, gelegen te […], dewelke hen reeds toebehoorde in onverdeeldheid (elk voor de helft in volle eigendom) en die zij samen aankochten voor hun huwelijk, in te brengen. Er is een keuzebeding voorzien met betrekking tot dit intern gemeenschappelijk vermogen (zie artikel 11 en artikel 12). Het huwelijkscontract voorziet tevens dat alle rekeningen en waarden die op naam van de beide echtgenoten staan eveneens zullen toebehoren aan dit intern gemeenschappelijk vermogen.

De aanvragers hebben twee gemeenschappelijke kinderen; een dochter A (10 jaar) en een zoon B (8 jaar).

Thans wensen de aanvragers een specifieke regeling in te voeren met betrekking tot goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn (of in de toekomst zouden zijn) en met betrekking tot eigen goederen, met name door de toevoeging van een (optioneel) toebedelingsbeding voor hun onverdeelde goederen en van een (optioneel) toekenningsbeding voor hun niet-onverdeelde (eigen) goederen en dit ten voordele van de langstlevende van hen.

2. Deze aanvraag heeft betrekking op de fiscale behandeling van het (optioneel) toebedelingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding dat de aanvragers wensen toe te voegen in hun huwelijksovereenkomst.

De aanvragers wensen met betrekking tot de hierna vermelde wijziging van de huwelijksovereenkomst zekerheid over de fiscale behandeling. Daarom vragen zij om bevestiging te krijgen dat:

  • het toebedelings- en toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF;
  • het toebedelings- en toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

De aanvragers verzoeken bovendien uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF dat gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf (5) jaar. Meer bepaald een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het eerste overlijden van de echtgenoten.

Het moet worden benadrukt dat voor het overige de huwelijksovereenkomst geen wijzigingen inhoudt, zodoende dat artikel 11, meer bepaald het intern gemeenschappelijk vermogen dat destijds werd gecreëerd, blijft bestaan.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:

Mevrouw Y (RRN […]) en de heer X (RRN […]) wonende te […].

Zij hebben hun woonplaats reeds meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest.

De heer en mevrouw X-Y worden verder ook de ‘aanvragers’ genoemd.

De aanvragers zijn sinds 2008 een koppel. Op datum van xx.xx.2013 huwden zij met elkaar. In de tussentijd hebben ze samen, naast hun gezin en kinderen, al het een en ander opgebouwd.

4. Mevrouw Y is actief als […] in […]. Zij baat op zelfstandige wijze haar kabinet uit. Haar beroepsactiviteiten en inkomsten zijn ondergebracht in de BV Z met ondernemingsnummer […].[3] Mevrouw Y is de enige aandeelhouder (100%) in deze vennootschap en is de bestuurder.[4]

Daarnaast is zij aandeelhoudster (met name […] %) in de burgerlijke maatschap C met ondernemingsnummer […], dewelke werd opgericht teneinde een flexibele doch samenwerkingsgerichte structuur te bieden aan mevrouw Y en enkele van haar collega-specialisten.[5]

5. De heer X is […] en is werkzaam als bediende bij […].

II.B. Beschrijving van de verrichting

6. De heer en mevrouw X-Y beschikken momenteel over eigen, niet-onverdeelde roerende goederen. Mevrouw Y bouwt haar persoonlijk vermogen verder uit binnen haar eigen vennootschap, terwijl de partners sinds 2008 een koppel vormen en elkaar doorheen de jaren steeds wederzijds hebben gesteund bij de uitbouw van hun professionele loopbanen — en dat doen ze vandaag nog steeds.

De stabiele status en het vaste inkomen van de heer X als bediende boden mevrouw Y, als zelfstandige, de mogelijkheid om bepaalde professionele risico’s en engagementen aan te gaan. Zo kon zij onder meer toetreden tot een maatschap en een samenwerking aangaan met een groep van […] andere specialisten. Deze multidisciplinaire samenwerking is vandaag cruciaal voor de continuïteit van de praktijk en komt de kwaliteit van de patiëntenzorg ten goede.

Daartegenover staan echter ook enkele inherente risico’s, zoals de hoofdelijke aansprakelijkheid binnen de maatschap, de afhankelijkheid van de inzet en het functioneren van elke individuele vennoot, en de mogelijke complicaties bij overdracht, overlijden of uittreding van een partner.

7. Bij hun huwelijk kozen zij bewust voor het stelsel van zuivere scheiding van goederen, gedreven door hun waarde die zij hechten aan professionele autonomie, bescherming tegen (beroepsmatige) schuldeisers en de wens om vermogensdeling — zowel zakelijk als verbintenisrechtelijk — uit te sluiten bij echtscheiding om andere redenen dan overlijden. Deze overtuiging is tot op heden onveranderd gebleven.

8. Aanvragers wensen wel in een bescherming te voorzien voor de langstlevende echtgenoot, waarbij de langstlevende van hen in eerste instantie het integrale vermogen zoveel mogelijk kan behouden, voor zover als mogelijk in volle eigendom. Te meer er twee (jonge) kinderen zijn. Daar werd destijds al uiting aan gegeven door het toevoegen van een intern gemeenschappelijk vermogen, waarbij de eerder aangekochte gezinswoning werd ingebracht.

Mogelijks zullen de echtgenoten (gelet op hun jonge leeftijd) in de toekomst nog andere roerende of onroerende goederen in onverdeeldheid verwerven, in gelijke delen of in ongelijke delen. Daarnaast zal elke echtgenoot (toch al zeker wat betreft de beroepsinkomsten) ook in de toekomst nog andere roerende of onroerende goederen verwerven die behoren tot hun eigen vermogen.

Op dit moment wensen zij aanvullende stappen te ondernemen, gezien het feit dat het persoonlijke vermogen van mevrouw Y gestaag blijft groeien en zij haar echtgenoot graag extra bescherming wil bieden.

Ingevolge de wet van 22 juli 2018 is het mogelijk om huwelijksvoordelen aan elkaar toe te kennen, in het bijzonder in het geval van overlijden, met civielrechtelijke voordelen die testamentaire beschikkingen of contractuele erfstelling niet bieden. Dergelijke voordelen zouden, indien testamentair of via contractuele erfstelling buiten huwelijksovereenkomst toegekend, eenzijdig herroepen kunnen worden, wat de echtgenoten niet wensen. De voorgenomen bedingen van toebedeling en toekenning zijn niet eenzijdig herroepbaar.

Voorwerp van de verrichting

9. De aanvragers bezitten goederen in onverdeeldheid (TIGV)[6] maar voornamelijk wensen zij de eigen, niet-onverdeelde, goederen te regelen.

De volgende goederen behoren toe aan het TIGV (artikel 11 met zaakvervanging):

Onroerende goederen:

  • Gezinswoning te […] (met huisraad);

Roerende goederen:

  • Diverse bank- & beleggingsrekeningen alsook verzekeringsproducten, bij diverse instellingen.

Mogelijks zullen de echtgenoten in de toekomst andere roerende of onroerende goederen in onverdeeldheid verwerven.

10. Daarnaast heeft elke echtgenoot goederen die niet in onverdeeldheid zijn met de andere.

De heer X is eigenaar (in volle eigendom, tenzij anders vermeld, en niet in onverdeeldheid met mevrouw Y) van:

Roerende goederen:

  • Diverse bank- & beleggingsrekeningen en verzekeringsproducten, bij diverse instellingen.

Mevrouw Y is eigenaar (in volle eigendom) van:

Roerende goederen:

  • 100 % van de aandelen op naam in de vennootschap BV Z (ondernemingsnummer […]);
  • […] % van de aandelen in de burgerlijke maatschap Maatschap C (ondernemingsnummer […])
  • Diverse bank- & beleggingsrekeningen en verzekeringsproducten, bij diverse instellingen.

Mogelijks zal één of elke echtgenoot ook in de toekomst roerende of onroerende goederen verwerven die niet zullen behoren tot een onverdeeldheid met de andere echtgenoot. Al dan niet in het kader van zijn/haar professionele activiteiten.

Toebedelingsbeding

11. Het (optioneel) toebedelingsbeding [7] beoogt in casu, ten voordele van de langstlevende echtgenoot, de integrale toewijzing, in volle en exclusieve eigendom, van alle goederen die tussen de echtgenoten in onverdeeldheid zijn op datum van overlijden. Het is hierbij irrelevant of het om een onverdeeldheid van roerende dan wel van onroerende goederen gaat. Evenmin is het relevant wat de oorsprong van de onverdeeldheid is, of wat de verhouding is waarin de echtgenoten in die onverdeeldheid gerechtigd zijn. Het toebedelingsbeding wensen de echtgenoten optioneel te formuleren.

Toekenningsbeding:

12. Het (optioneel) toekenningsbeding [8] beoogt in casu, ten voordele van de langstlevende echtgenoot, de principiële integrale toekenning in volle en exclusieve eigendom van alle eigen goederen van de eerst overleden echtgenoot. Ook het toekenningsbeding wensen de echtgenoten optioneel te formuleren.

III. Motivering van de aanvraag

13. Onderhavige aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:

  • het verblijvings- en het toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst niet onderworpen zijn aan de artikelen 2.7.1.0.2. VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5. VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • het verblijvings- en het toekenningsbeding (en de uitwerking daarvan) zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

1. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

14. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, hetzij via wettelijke devolutie, hetzij via uiterste wilsbeschikking of hetzij via contractuele erfstelling.

15. Het voordeel dat de langstlevende echtgenoot ingevolge de toevoeging van het verblijvings- en toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst zou verkrijgen wordt echter niet uit de nalatenschap (en dus niet via een wettelijke devolutie, noch via een uiterste wilsbeschikking, noch via een contractuele erfstelling) verkregen. Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen als een huwelijksvoordeel en dus niet als schenking.

De kwalificatie als huwelijksvoordeel werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen zoals dit voor de aanvragers het geval is en dit overeenkomstig artikel 2.3.64, §1 vierde lid van het Burgerlijk Wetboek.

Een dergelijk huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel, zoals o.m. bepaald in de artikelen 2.3.57 tot 2.6.60 van het Burgerlijk Wetboek.

Dit impliceert dat het huwelijksvoordeel huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen uit hoofde van de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel. Deze vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds vooraf aan de vereffening-verdeling van de nalatenschap.[9] Om deze redenen kan de verkrijging niet worden beschouwd als een erfrechtelijke verkrijging.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Een huwelijksvoordeel wordt objectief gekwalificeerd als een “niet-schenking”, dit houdt in dat het irrelevant is wat de subjectieve beweegredenen van de echtgenoten zijn geweest om het voordeel-genererend beding in hun huwelijksovereenkomst op te nemen. Dit beding blijft gelden ook al zou er een intentie om te begiftigen voorafgaan. Als een dergelijk intentie om te begiftigen al zou bestaan, dan kan ze zelfs niet worden ingeroepen en zou het bewijs ervan zelfs niet mogen worden geleverd.[10] Een huwelijksvoordeel kan bijgevolg nooit geherkwalificeerd worden als een schenking onder voorwendsel dat het door een intentie om te begiftigen zou zijn voorafgegaan.[11]

Een huwelijksvoordeel is hooguit inkortbaar indien de maxima of plafonds, zoals vermeld in artikel 2.3.57 van het Burgerlijk wetboek bij samenloop met gemeenschappelijke kinderen of indien de maxima of plafonds van artikel 2.3.58 van het Burgerlijk Wetboek bij samenloop met niet-gemeenschappelijke kinderen zijn overschreden. Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel blijft evenwel een “niet-schenking”.

Deze burgerrechtelijke kwalificatie werkt in het fiscaal recht door.[12] Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als “niet-schenking” voor zowel volkomen als onvolkomen huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke of expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

16. De overgang/toebedeling/toekenning van de onverdeelde en eigen goederen op grond van het overwogen verblijvings- en toekenningsbeding dat in de huwelijksovereenkomst werd opgenomen, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2. VCF.[13]

2. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

17. Artikel 2.7.1.0.3,3° VCF belast met erfbelasting de roerende goederen die de erflater heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker.

18. Aangezien de verrichting, zoals voormeld, wordt gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel en dus als een “niet-schenking”, kan ook artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet toegepast worden op het voordeel dat de langstlevende zou toekomen.

Hoewel het verblijvings- en toekenningsbeding pas uitwerking zal hebben bij het overlijden van één van de echtgenoten, kan er van een schenking geen sprake zijn vermits de burgerrechtelijke kwalificatie als “niet-schenking” (zie hoger) dient te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.

19. De overgang/toebedeling/toekenning van de onverdeelde en/of eigen goederen op grond van het verblijvings- en toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst, kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.[14]

3. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

20. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast met erfbelasting de goederen die de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge een huwelijksvoordeel, waardoor hij/zij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt.

21. De toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF is beperkt tot situaties waarin sprake is van huwelijksvoordelen die binnen een gemeenschapsstelsel en met betrekking tot gemeenschapsgoederen worden bedongen.[15]

Huwelijksvoordelen die betrekking hebben op goederen die tot het eigen vermogen van de echtgenoten behoren binnen een stelsel van scheiding van goederen, blijven vervolgens buiten het toepassingsgebied van deze fictiebepaling.

Aanvragers zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, daaraan wensen zij nu een toebedelingsbeding en een toekenningsbeding toe te voegen voor het geval van overlijden, dat louter betrekking heeft op onverdeelde goederen respectievelijk volledig eigen goederen.

De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4. VCF zijn derhalve niet vervuld voor het toebedelingsbeding, noch voor het toekenningsbeding.

22. De toebedeling/overgang/toekenning op grond van het toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst van de aanvragers kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.[16]

Er is wel een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen waar elke echtgenoot bij huwelijksovereenkomst dd. xx.xx.2013 zijn of haar aandeel in het onroerend goed gelegen te […] heeft ingebracht. Dit TIGV (met zaakvervanging) blijft bestaan, en daartoe behoort op heden de gezinswoning en diverse bank- & beleggingsrekeningen en verzekeringsproducten, bij diverse instellingen. Er geldt een keuzebeding voor dit TIGV. De voorgenomen bedingen hebben geen betrekking op die goederen die tot het TIGV behoren. Artikel 2.7.1.0.4. VCF zal in casu enkel kunnen worden toegepast op de goederen van het TIGV voor zover de voorwaarden daartoe vervuld zijn.

4. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

23. Artikel 2.7.1.0.5 VCF belast met erfbelasting de goederen waarvan de Vlaamse Belastingdienst bewijst dat de erflater er kosteloos heeft over beschikt gedurende vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden, tenzij de bevoordeling onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden.

Voor de heffing van erfbelasting op grond van dit artikel moeten derhalve drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

(1) Een kosteloze beschikking:

Het verblijvings- en toekenningsbeding verstrekken geen kosteloze beschikking zoals reeds hierboven werd aangehaald. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking (schenking). Zo oordeelde ook het Hof van Cassatie (Cass. 10 december 2010, Cass. 5 januari 2017).

(2) Gedurende vijf jaar voorafgaand aan het overlijden:

Het verblijvings- en toekenningsbeding zal worden opgenomen in een huwelijksovereenkomst [17]. Daar het huwelijksvoordeel in het voordeel van de langstlevende echtgenoot pas tot stand komt bij het overlijden kan er geen sprake zijn van een beschikking die tot stand komt in enige periode voor het overlijden. Er kan derhalve geen sprake zijn van een schenking in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het overlijden.

(3) Waardoor een bevoordeling is ontstaan die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of registratierechten op schenkingen onder levenden:

Aangezien er geen sprake is van een kosteloze beschikking en er derhalve geen sprake is van een bevoordeling in de zin van artikel 2.7.1.0.5 VCF kan er geen aanleiding zijn geweest tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.

24. De overgang/toebedeling/toekenning op grond van het toebedelingsbeding en toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten kan niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.[18]

5. Geen beding van aanwas noch kanscontract in de zin van het Vlabel standpunt nr. 17044

25. Het verblijvings- en toekenningsbeding is zoals hoger uiteengezet een huwelijksvoordeel, dat beheerst wordt door de specifieke regels van het huwelijksvermogensrecht en de kwalificatie die ze aan huwelijksvoordelen toekennen. Het verblijvings- en toekenningsbeding kan niet worden beschouwd als een aanwasovereenkomst, noch als een kanscontract. Het verblijvings- en toekenningsbeding dient derhalve niet te voldoen aan de voorwaarden vermeld in het Vlabel standpunt met nummer 17044.

6. Geen toepassing van artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF

26. Artikel 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1. belasten naar aanleiding van een registratie of een verplichting tot registratie van akten en geschriften, die tot bewijs strekken van een schenking onder levenden, in de registratiebelasting.

27. Omwille van de voormelde kwalificatie van een verblijvings- en toekenningsbeding als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende echtgenoot zou verkrijgen op basis van het verblijvings- en toekenningsbeding, artikel 2.8.1.0.1 VCF niet worden toegepast. Van een schenking is in casu geen sprake. Er is louter sprake van een huwelijksvoordeel. Bijgevolg is evenmin artikel 2.8.4.1.1 VCF van toepassing.

7. Eventuele toepassing van artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF

28. De aanvragers bevestigen te weten dat het volgende geldt voor de in België gelegen onroerende goederen:

  • Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door het overlijden van een echtgenoot, er een onroerend goed in onverdeeldheid tussen de echtgenoten is, het toebedelingsbeding leidt tot de heffing van het verdeelrecht indien de verkrijger door de werking van dat beding een groter aandeel in een onroerend goed krijgt (art. 2.10.1.0.1 VCF);
  • Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door het overlijden van een echtgenoot en deze een eigen onroerend goed heeft (niet in onverdeeldheid met de andere echtgenoot), het toekenningsbeding tot de heffing leidt van het verkooprecht indien de verkrijger door de werking van dat beding een aandeel in het onroerend goed verkrijgt (en hij/zij eerder geen aandeel in dat onroerend goed had) (art. 2.9.1.0.1 VCF).

29. Zoals hoger vermeld waren partijen elk voor de helft onverdeeld eigenaar van de gezinswoning, dewelke bij huwelijksovereenkomst werd ingebracht in het TIGV. Deze toevoeging en inbreng geschiedde voorhuwelijks en op één en hetzelfde ogenblik. Deze inbreng gebeurde destijds al in het licht van de verzorgingsgedachte doch wel rekening houdend met de opleiding van de beide echtgenoten en het feit dat (minstens) mevrouw Y een vrij beroep zou uitoefenen.

Huidige aanvraag kadert daar eveneens in. De echtgenoten willen elkaar echter het nodige comfort geven en verkiezen dan ook – gelet op hun relatief jonge leeftijd – en de mogelijkheden om in de toekomst nog (on)roerende goederen alleen of in onverdeeldheid te verwerven, deze onder te brengen onder de nieuwe regeling.

8. De verrichting maakt evenmin fiscaal misbruik uit

30. De aanvragers plaatsen zich op geen enkele manier in een toestand die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving door implementatie van de verrichting (objectief element). Daarnaast verantwoorden zij waarom enkel het toebedelingsbeding en toekenningsbeding aansluiten bij hun uitgangspunten en doelstellingen, en de niet-fiscale motieven dominant zijn (subjectief element).

8.1. Objectief element: geen frustratie van de doelstellingen van de fiscale wetgeving

31. De aanvragers verzoeken de bevoegde entiteit te bevestigen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van het optioneel toebedelingsbeding en het optioneel toekenningsbeding niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen.

De wijziging van het huwelijkscontract frustreert geenszins de fictiebepalingen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF.

8.1.1. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2. VCF

32. Artikel 2.7.1.0.2. VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge het toebedelingsbeding en/of toekenningsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling).

33. In casu is er, zoals hoger uiteengezet, sprake van een voordeel dat louter huwelijksvermogensrechtelijk wordt verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking. Het huwelijksvoordeel is dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF.

De echtgenoten frustreren deze bepaling niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen. Ze kunnen de gewenste doelstellingen niet met dezelfde civiele gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling.

De echtgenoten wensen te herhalen dat het in casu niet gaat over een wijziging aan een huwelijksstelsel. Partijen zullen hun stelsel van scheiding van goederen met een TIGV behouden. Rekening houdende met hun beider professionele activiteiten (en de daarmee gepaarde aansprakelijkheden in hoofde van mevrouw Y) is het stelsel van scheiding van goederen aangewezen.

Bovendien sluit de huidige aanvraag naadloos aan bij de zorggedachte die reeds bestond bij het sluiten van het huwelijk in 2013. De echtgenoten kozen er toen bewust voor om de gezinswoning in te brengen en daarbij reeds een TIGV te voorzien. Hiermee beschermden zij elkaar al in een vroeg stadium, binnen de grenzen van het toen geldende recht. Een TIGV biedt bovendien een performanter beschermingsmechanisme tegenover derden-schuldeisers dan een gewone gemeenschap, aangezien er geen vermoeden van gemeenschap geldt voor schulden.

Het is daarbij van belang om de context van die tijd te begrijpen. In 2013 was de wet van 22 juli 2018, die belangrijke hervormingen bracht in het huwelijksvermogensrecht, nog niet in werking getreden. In die periode werden […] stellig geadviseerd om te huwen onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen, precies om de risico’s verbonden aan hun zelfstandige beroepsactiviteit maximaal te beheersen. Deze keuze bood maximale bescherming tegen professionele risico’s, wat in de […] sector — zeker bij toetreding tot associaties of maatschappen — essentieel werd geacht.

De huidige stappen die de echtgenoten wensen te zetten, liggen in het verlengde van diezelfde voorzorgslogica en bouwen verder op een beschermingsreflex die er dus al sinds het begin van hun huwelijk was.

Bovendien vertegenwoordigen de aandelen die mevrouw Y bezit in de BV de grootste waarde in haar eigen vermogen. Zoals eerder al aangegeven is in de praktijk deze opbouw van eigen vermogen binnen die vennootschap mede te danken aan het samenleven en de stabiliteit die de job van de heer X biedt aan het gezin. Het is dus helemaal niet onlogisch dat mevrouw Y m.b.t. deze vermogensopbouw in een zekere bescherming wenst te voorzien t.a.v. haar echtgenoot en dat deze goederen aan haar echtgenoot kunnen toekomen mocht zij komen te overlijden.

Een schenking tussen echtgenoten zou weliswaar onherroepelijk kunnen worden bedongen, door opname ervan in de huwelijksovereenkomst. Maar dit zou tot een onmiddellijke overdracht van vermogen van de echtgenoot-schenker teweegbrengen wat veel verder reikt dan wat de echtgenoten wensen. Het is niet de bedoeling om tussen de echtgenoten een overdracht bij leven tot stand te brengen. Ook hier speelt trouwens het aspect dat een doktersvennootschap aan bepaalde (deontologische en wettelijke) regels dient te voldoen inzake overgang/schenking.

Ook een contractuele erfstelling is een rem op het beschikkingsrecht in hoofde van elk van de aanvragers. Uit de bepalingen van de huwelijksovereenkomst blijkt dat de aanvragers de nodige flexibiliteit voor zichzelf willen behouden; de huwelijksovereenkomst legt geen beperkingen op m.b.t. het doen van schenkingen aan derden, alsook m.b.t. het beschikken over de exclusief eigen goederen bij testament.

Enkel voor daden van beschikking m.b.t. onverdeelde goederen is de medewerking van beide echtgenoten vereist, in casu gaat dit thans over de gezinswoning en enkele bankrekeningen; zijnde nét die goederen (zowel onroerend als roerend) die noodzakelijk zijn voor het belang van het gezin. Het is logisch dat m.b.t. deze goederen de beschikkingsbevoegdheid samen dient te worden genomen.

Dergelijke voordelen zouden, indien testamentair of via contractuele erfstelling buiten huwelijksovereenkomst toegekend, bovendien eenzijdig herroepen kunnen worden, wat de echtgenoten evenmin wensen.

Deze doelstelling zou in principe kunnen worden bereikt met een aanwascontract of kanscontract. Een aanwascontract of kanscontract (onder bewarende titel) zijn in casu niet mogelijk. Het Vlabel standpunt met nummer 17044 bepaalt immers onder meer dat er sprake moet zijn van een gelijkwaardige inleg, hetgeen er op heden niet is. De exclusief eigen goederen kunnen op deze manier niet worden geregeld. Een toebedelingsbeding/toekenningsbeding blijft onder bezwarende titel ook al is de inleg en/of levensverwachting ongelijk.

8.1.2. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

34. De verrichtingen frustreren de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten niet overgaan tot een schenking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld door het overlijden van de eerste echtgenoot. Een verblijvings- en toekenningsbeding is zoals vermeld een huwelijksvoordeel en geen schenking.

8.1.3. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4 VCF

35. De aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat de goederen waaraan het toebedelingsbeding en het toekenningsbeding worden gekoppeld niet tot een huwgemeenschap behoren, maar wel tot de eigen vermogens van de echtgenoten.

8.1.4. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5 VCF

36. De verrichting frustreert verder noch artikel 2.7.1.0.5 VCF omdat het verblijvings- en toekenningsbeding, zoals hoger uiteengezet, als huwelijksvoordeel niet kan worden gelijkgesteld met een schenking.

8.1.5. Geen frustratie van artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF

37. Het toebedelingsbeding en het toekenningsbeding betreft huwelijksvoordelen en geen schenkingen, waardoor artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF evenmin worden gefrustreerd door de verrichtingen.

8.2. Subjectief element: de verrichtingen zijn ingegeven door niet-fiscale motieven

38. Uit wat voorafgaat blijkt reeds dat de aanvragers voormelde bedingen wensen te doen opnemen in hun huwelijksovereenkomst omwille van niet-fiscale motieven.

De echtgenoten traden op jonge leeftijd in het huwelijk. Mevrouw Y was toen […] jaar en bevond zich nog in de beginfase van haar loopbaan — mogelijk nog als […] in opleiding. Rekening houdend met haar […] opleiding en het vooruitzicht op een zelfstandige beroepsuitoefening, kozen zij weloverwogen voor het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Doorheen de jaren hebben zij echter samen hun leven opgebouwd: ze ondersteunden elkaar wederzijds, er kwamen kinderen, en als gezin groeiden zij uit tot een hechte eenheid met een gezamenlijke toekomstvisie.

De bescherming van de langstlevende echtgenoot, voor wie gehuwd is onder het stelsel van scheiding van goederen, is vrij beperkt. De volledige nalatenschap van de overleden partner komt, bij erfrechtelijke verkrijging, slechts in vruchtgebruik toe aan de langstlevende.

Door hun professionele activiteiten ([…]) hebben zij echter altijd hun vermogen strikt gescheiden gehouden, de aansprakelijkheden zijn niet min. Dit wil echter niet zeggen dat zij hun vermogen niet door wederzijdse solidariteit hebben (kunnen) opbouwen.

Zij wensen nog steeds hun stelsel van scheiding van goederen te behouden, omwille van de voordelen die dit stelsel hen biedt, met name omwille van hun vermogensrechtelijke autonomie (het eigen vermogen op autonome wijze te beheren en te besturen), afscherming van de eigen vermogens in geval van echtscheiding en in het bijzonder omwille van de bescherming tegen schuldeisers.

Mevrouw Y is […] en draagt aldus een grote professionele aansprakelijkheid dewelke overigens zelfs na de pensioenleeftijd, dan wel na stopzetting van de activiteit als […], nog tien jaar blijft voortduren.

Zij heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering en dit tot dekking van een bedrag van 7.500.000,00 EUR (lichamelijke schade) en 750.000,00 (alle andere schade). Elke eventuele aansprakelijkheidsvordering dewelke dit bedrag te boven gaat, dient mevrouw Y zelf te dragen.[19] Haar eigen vermogen dient dus eveneens als waarborg van haar beroepsaansprakelijkheid voor zover er geen dekking/waarborg zou zijn via de beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

Daarbij gelden bovendien ook volgende beweegredenen. De vennootschap(pen) van mevrouw Y vertegenwoordigen een belangrijke waarde in haar eigen vermogen. Beide aanvragers ondersteunen elkaar in hun professionele activiteiten, alsook in hun engagementen. Hun samenleven en ondersteuning draagt bij aan hun beider professionele carrière en het goed functioneren van het gezin. Mevrouw Y wenst dat de aandelen van haar BV en het daarin opgebouwde vermogen aan haar echtgenoot zal toekomen ter financiële bescherming van de langstlevende en met het oog op de continuïteit. De overdracht/vererving van aandelen van doktersvennootschappen is overigens eveneens aan specifieke regels onderworpen.

Een testament zou in deze een optie zijn, doch, zoals reeds herhaaldelijk gesteld biedt dit geen wederzijdse en volledige zekerheid aangezien een testament op elk ogenblik kan worden herroepen.

De gecombineerde werking van het verblijvings- en het toekenningsbeding creëert voor de langstlevende een comfortabele feitelijke en juridische positie. Door de onmiddellijke en zakelijke werking van het toebedelingsbeding respectievelijk toekenningsbeding, treedt de langstlevende immers met uitwerking vanaf het overlijden in het bezit van de goederen.

De door de echtgenoten beoogde doelstellingen kunnen zij niet op een andere manier allesomvattend en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken: noch door wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking (zie supra). Een testament, een schenking en een contractuele erfstelling buiten huwelijkscontract zouden eenzijdig kunnen herroepen worden, wat de echtgenoten niet wensen. Noch het toebedelingsbeding, noch het toekenningsbeding kunnen eenzijdig worden gewijzigd of herroepen.

Een finaal verrekenbeding sluit evenmin aan bij de wensen van de echtgenoten. Voor de werking van een verrekenbeding moet immers de samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa worden vastgesteld in onderling overleg tussen de langstlevende echtgenoot en de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot, en bij ontstentenis van akkoord, door een deskundigencollege. Na kennisgeving van de gemaakte keuze over de verrekensleutel moeten de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot tot betaling overgaan, hetzij in geld, hetzij door afstand van goederen aan de langstlevende. Het is voor de schuldenaars van de verrekenschuld bovendien mogelijk om de schuld in schijven te voldoen. Door de onmiddellijke en zakelijke werking van een toebedelingsbeding en van een toekenningsbeding zijn al voormelde stappen niet nodig, en treedt de langstlevende echtgenoot vanaf kennisgeving van zijn of haar keuze, in het bezit en in de volle eigendom van de onverdeelde en eigen goederen, die hem/haar in natura verblijven. Dit resulteert voor de langstlevende echtgenoot op civielrechtelijk vlak in een veel comfortabelere positie dan bij een verrekenbeding.

Het verblijvings- en toekenningsbeding dat de echtgenoten aan hun stelsel van scheiding van goederen wensen toe te voegen, laat hen dus toe om de langstlevende echtgenoot te voorzien in het nodige comfort en dezelfde levensstandaard, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft, maar biedt hen tevens nog flexibiliteit met betrekking tot hun exclusief eigen goederen.

39. Gelet op het bovenstaande blijkt dat de aanvragers het optioneel verblijvings- en toekenningsbeding niet in hun huwelijksovereenkomst wensen in te voegen op grond van fiscale motieven. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot deze aanvraag, die zij aan het besluitvormingsorgaan voorleggen en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet van toepassing is.[20]

40. Gelet op het voorgaande verzoek ik het besluitvormingsorgaan onderhavig verzoek ontvankelijk te willen verklaren, en bij wijze van voorafgaande beslissing te willen bevestigen dat:

  • het toebedelingsbeding en toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2. VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4. VCF, 2.7.1.0.5. VCF,

2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1 VCF en geen van deze bepalingen frustreert zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2. VCF daarop niet toepasselijk is.

  • het toebedelingsbeding en toekenningsbeding in de huwelijksovereenkomst (en de uitwerking daarvan) geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.
  • dat het besluit van de bevoegde entiteit geldig blijft tot en met het eerste overlijden van de echtgenoten overeenkomstig artikelen 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF en gelet op het voorwerp van de onderhavige aanvraag,

In de overtuiging voldoende informatie te hebben verstrekt voor de behandeling van dit verzoek.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

41. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.

42. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

43. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.

  • Artikel 2.8.4.1.1 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 0 % voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan:
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;

2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

4° een staat van de Europese Economische Ruimte;

5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;

6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5°;

7° erkende woonmaatschappijen als vermeld in artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

8° het Vlaams Woningfonds;

9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen van openbaar nut;

11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.

In afwijking van het tweede lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld het eerste lid, 10°, of in het tweede lid, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in het tweede lid, is.
Het tarief, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.

  • Artikel 2.9.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

  • Artikel 2.10.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :

1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;

2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;

3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

44. Volgende verrichting wordt voorgelegd, die verwezenlijkt wordt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

De echtgenoten X-Y zijn oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2013, ongewijzigd tot op heden.

De echtgenoten wensen thans hun huwelijksovereenkomst aan te passen, met behoud van het stelsel van scheiding van goederen met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen. De echtgenoten wensen enerzijds een verblijvingsbeding toe te voegen voor de goederen die op datum van overlijden tussen hen in onverdeeldheid zullen zijn en anderzijds een toekenningsbeding toe te voegen met betrekking tot de eigen (niet-onverdeelde) goederen van de eerst overleden echtgenoot.

Hiertoe zullen het hierboven aangehaalde optioneel toebedelingsbeding en optioneel toekenningsbeding worden toegevoegd aan de huwelijksovereenkomst.

De echtgenoten bezitten vandaag volgende goederen die toebehoren aan het tussen hen bestaande toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen: de gezinswoning en diverse bank- en beleggingsrekeningen alsook verzekeringsproducten.

Voor dit TIGV geldt een keuzebeding ingevolge de voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst van xx.xx.2013.

Daarnaast zijn er volgens verklaring van de aanvrager op heden geen gewoon onverdeelde goederen. Mogelijk zullen de echtgenoten in de toekomst andere roerende of onroerende goederen in onverdeeldheid verwerven.

Daarnaast heeft elke echtgenoot eigen (niet-onverdeelde) goederen:

  • In hoofde van de heer X betreft het diverse bank- en beleggingsrekeningen alsook verzekeringsproducten.
  • In hoofde van mevrouw Y gaat het om 100% van de aandelen in BV Z, […] % van de aandelen in de burgerlijke maatschap C en diverse bank- en beleggingsrekeningen alsook verzekeringsproducten.

Mogelijk zal één of elke echtgenoot in de toekomst roerende of onroerende goederen verwerven die niet zullen behoren tot een onverdeeldheid met de andere echtgenoot, al dan niet in het kader van de professionele activiteiten.

Ingevolge het voorgenomen verblijvingsbeding en toekenningsbeding zullen de goederen die de echtgenoten op datum van overlijden in onverdeeldheid toebehoren en de eigen (niet-onverdeelde) goederen van de eerst overleden echtgenoot, bij overlijden van één van hen, indien en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich op de voorgenomen bedingen beroept, onmiddellijk en in volle eigendom toekomen aan de langstlevende echtgenoot.

De bedingen worden optioneel geformuleerd. Partijen voorzien tevens in een passiefregeling.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF, 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF

45. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

46. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen, die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

47. In de mate dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF?

48. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

49. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2, eerste lid, VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

50. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

51. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

52. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen.

De optionele toebedeling van de onverdeelde goederen en de optionele toekenning van de eigen (niet-onverdeelde) goederen hebben volgens de aanvrager geen betrekking op gemeenschapsgoederen. Aanvrager verklaart in randnummer 22 uitdrukkelijk dat de voorgenomen bedingen geen betrekking hebben op de goederen die tot het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen behoren.

53. Er zal voor deze bedingen geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Er kan wel toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

54. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

55. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

1.5. Mogelijke toepassing van artikel 2.8.1.0.1 VCF en artikel 2.8.4.1.1 VCF?

56. Op grond van artikel 2.8.1.0.1 VCF wordt de schenkbelasting geheven op akten en geschriften die gelden als titel van een schenking onder de levenden.

Artikel 2.8.4.1.1 VCF bepaalt de tarieven voor de schenkbelasting.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

57. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.8.1.0.1 en artikel 2.8.4.1.1 VCF.

1.6. Mogelijke toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF en artikel 2.10.1.0.1 VCF?

58. De burgerrechtelijke kwalificatie van het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting. We vallen dus terug op de algemene regels inzake het verkoop- of het verdeelrecht.

59. Samengevat betekent dit concreet het volgende:

  • op de toebedeling/toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd;
  • op de toebedeling van onroerende goederen zal het verdeelrecht verschuldigd zijn indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid. Is de verkrijger echter een derde-verkrijger, dan zal op de toebedeling/toekenning aan deze verkrijger het verkooprecht van toepassing zijn op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

60. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

61. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

62. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

63. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

64. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen ingevolge huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2013, ongewijzigd tot op heden.

De echtgenoten hebben twee gemeenschappelijke, minderjarige kinderen.

De echtgenoten X-Y kozen destijds voor het stelsel van scheiding van goederen omwille van de vermogensrechtelijke autonomie, de afscherming van de eigen vermogens ingeval van echtscheiding en in het bijzonder omwille van de bescherming tegen schuldeisers. Mevrouw Y is […] en draagt een grote professionele aansprakelijkheid.

Aanvragers wensen wel in een bescherming te voorzien voor de langstlevende echtgenoot, waarbij de langstlevende van hen het integrale vermogen zoveel mogelijk kan behouden, voor zover als mogelijk in volle eigendom, te meer er twee (jonge) kinderen zijn. Destijds werd daar al uiting aan gegeven door het voorzien van een intern gemeenschappelijk vermogen met keuzebeding.

Thans wensen zij aanvullende stappen te ondernemen, gezien het feit dat het persoonlijke vermogen van mevrouw Y gestaag blijft groeien. De vennootschappen van mevrouw Y vertegenwoordigen een belangrijke waarde in haar eigen vermogen, waarvan zij wenst dat dit aan haar echtgenoot zal toekomen ter financiële bescherming van de langstlevende.

Volgens aanvrager laat het verblijvings- en toekenningsbeding dat de echtgenoten aan hun stelsel wensen toe te voegen hen toe om de langstlevende echtgenoot te voorzien in het nodige comfort en dezelfde levensstandaard, maar met de nodige flexibiliteit met betrekking tot hun exclusief eigen goederen.

Het optioneel verblijvingsbeding heeft betrekking op alle goederen die tussen de echtgenoten in (gewone) onverdeeldheid zullen zijn op datum van overlijden.

Het optioneel toekenningsbeding betreft alle eigen goederen die de eerst overleden echtgenoot op het ogenblik van overlijden zullen toebehoren. Thans hebben beide echtgenoten eigen, niet-onverdeelde, roerende goederen.

65. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

66. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2013 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Opmerking van het Besluitvormingsorgaan: bij emailbericht van 9 maart 2026 heeft aanvrager bevestigd dat er sinds de overeenkomst van xx.xx.2013 geen wijzigingen meer gebeurd zijn aan de huwelijksovereenkomst.

[3] Een kopie van het uittreksel uit het Belgisch Staatsblad inzake de oprichting van de BVBA Z, neergelegd ter griffie op xx.xx.2019, werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[4] Een kopie van het uittreksel uit het UBO register inzake de BV Z werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[5] Een kopie van het uittreksel uit de KBO inzake de maatschap C werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[6] Bij e-mailbericht van 23 maart 2026 heeft aanvrager meegedeeld dat de echtgenoten op heden een TIGV hebben met de gezinswoning en een pensioenopbouw en dat er daarnaast (nog) geen gewoon onverdeelde goederen zijn.

[7] Het optioneel toebedelingsbeding zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst luidt als volgt:

“1. TOEVOEGING VAN EEN OPTIONEEL TOEBEDELINGSBEDING IN GEVAL VAN ONTBINDING VAN HET STELSEL DOOR OVERLIJDEN

Zonder afbreuk te doen aan hun huwelijksovereenkomst van xx.xx.2013 dus met behoud van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen met keuzebeding wensen partijen volgend beding toe te voegen.

Toebedeling van de onverdeelde goederen in geval van ontbinding van het stelsel door overlijden.

§1. In geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van de echtgenoten, doch enkel en uitsluitend in dat geval, gelden de hiernavolgende regels van toebedeling van de goederen die de echtgenoten in onverdeeldheid toebehoren.

Deze regels van toebedeling zijn echter niet van toepassing (niet-cumulatief):

  • indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld;
  • indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een feitelijke scheiding bestaat om redenen die wijzen op een ontwrichting van het huwelijk (en dus, onder meer, niet wanneer de feitelijke scheiding te wijten is aan overmacht, gezondheidstoestand, verzorgingsbehoeften, beroepsnoodwendigheden of andere redenen die niet wijzen op een ontwrichting van het huwelijk);
  • indien de langstlevende echtgenoot erfrechtelijk onwaardig is in het vermogen van de eerstoverleden echtgenoot in de zin van artikel 4.6 BW en artikel 2.3.59 BW;
  • indien de langstlevende echtgenoot binnen de negentig (90) kalenderdagen te rekenen vanaf het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot zou overlijden.

§2. De goederen die de echtgenoten in onverdeeldheid toebehoren, komen onmiddellijk en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot (goederenrechtelijke verkrijging) onverminderd wat hierna wordt bepaald.

§3. De hierboven vermelde toebedeling van de goederen van de onverdeeldheid is echter optioneel en zal slechts uitwerking krijgen indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest. De langstlevende echtgenoot dient zijn/haar keuze om deze optie tot toebedeling en de omvang ervan, geheel of gedeeltelijk, uit te oefenen, kenbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring, in notariële of in onderhandse vorm opgemaakt, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris. De langstlevende echtgenoot kan deze keuze te allen tijde kenbaar maken op eigen initiatief en uiterlijk binnen een termijn van honderdtwintig (120) kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop hij/zij daartoe door de rechtsopvolgers van de eerstoverleden echtgenoot wordt aangemaand. Bij gebrek aan keuze overeenkomstig het in deze alinea bepaalde, zal de toebedeling van de goederen in onverdeeldheid volledig en voor het geheel uitwerking verkrijgen.

Het voordeel dat uit de toepassing van dit beding van toebedeling voor de langstlevende echtgenoot ontstaat, leidt voor de langstlevende echtgenoot tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerstoverleden echtgenoot te dragen die verband houden met de goederen waarvoor de toebedeling wordt gevraagd.

§4. Deze toebedeling van de goederen van de onverdeeldheid geschiedt bij wege van huwelijksovereenkomst en meer bepaald ten titel van huwelijksvoordeel, dit is onder bezwarende titel, zodat overeenkomstig artikel 2.3.64, §1, lid 4 BW en binnen de perken als bepaald door de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW de regels van schenkingen hierop niet van toepassing zijn.

Deze toebedeling van goederen van de onverdeeldheid is een goederenrechtelijke regeling zodat er, in het raam van deze toebedeling, sprake is van onmiddellijke goederenrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot op de goederen die de partijen in onverdeeldheid toebehoren.

§5. De keuze om de optie tot toebedeling uit te oefenen is een strikt persoonlijk recht; de keuze kan dan ook uitsluitend door de langstlevende echtgenoot worden uitgeoefend en niet door zijn (wettelijke, gerechtelijke of conventionele) vertegenwoordiger, rechtsopvolgers, schuldeisers, enzovoort.

In afwijking van het in de vorige zin bepaalde, kan:

  • ingeval de langstlevende echtgenoot onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht niettemin door zijn/haar wettelijke, gerechtelijke of conventionele vertegenwoordiger worden uitgeoefend;
  • ingeval de langstlevende echtgenoot wilsongeschikt is en niet onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht worden uitgeoefend door een door de langstlevende echtgenoot aangestelde volmachthouder.”

[8] Het optioneel toekenningsbeding zoals opgenomen in het ontwerp van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt:

“2. TOEVOEGING VAN EEN OPTIONEEL TOEKENNINGSBEDING IN GEVAL VAN ONTBINDING VAN HET STELSEL DOOR OVERLIJDEN

Zonder afbreuk te doen aan hun huwelijksovereenkomst van xx.xx.2013 dus met behoud van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen met keuzebeding wensen partijen volgend beding toe te voegen.

Toekenning van de niet-onverdeelde (eigen) goederen in geval van ontbinding van het stelsel door overlijden.

§1. Eveneens in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van de echtgenoten, doch enkel en uitsluitend in dat geval, gelden de hiernavolgende regels van toekenning van de eigen goederen die de echtgenoten op het ogenblik van de ontbinding toebehoren (i.e. goederen die niet tot de onverdeeldheid behoren).

Deze regels van toekenning zijn echter niet van toepassing (niet-cumulatief):

  • indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een vordering of verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld;
  • indien op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten tussen hen een feitelijke scheiding bestaat om redenen die wijzen op een ontwrichting van het huwelijk (en dus, onder meer, niet wanneer de feitelijke scheiding te wijten is aan overmacht, gezondheidstoestand, verzorgingsbehoeften, beroepsnoodwendigheden of andere redenen die niet wijzen op een ontwrichting van het huwelijk);
  • indien de langstlevende echtgenoot erfrechtelijk onwaardig is in het vermogen van de eerstoverleden echtgenoot in de zin van artikel 4.6 BW en artikel 2.3.59 BW;
  • indien de langstlevende echtgenoot binnen de negentig (90) kalenderdagen te rekenen vanaf het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot zou overlijden.

§2. De eigen goederen die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, komen onmiddellijk en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot (goederenrechtelijke verkrijging).

§3. De hierboven vermelde toekenning van de eigen goederen is evenwel optioneel en zal dus enkel uitwerking krijgen indien en in de mate dat de langstlevende echtgenoot daarvoor kiest. De langstlevende echtgenoot dient zijn/haar keuze om deze optie tot toekenning en de omvang ervan, geheel of gedeeltelijk, uit te oefenen, kenbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring, in notariële of in onderhandse vorm opgemaakt, te verlijden voor, respectievelijk in bewaring af te geven bij een notaris. De langstlevende echtgenoot kan deze keuze te allen tijde kenbaar maken op eigen initiatief en uiterlijk binnen een termijn van honderdtwintig (120) kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop hij/zij daartoe door de rechtsopvolgers van de eerstoverleden echtgenoot wordt aangemaand.

Bij gebrek aan keuze overeenkomstig het in deze alinea bepaalde, zal de toekenning van de eigen goederen volledig en voor het geheel uitwerking verkrijgen.

Het voordeel dat uit de toepassing van dit beding van toekenning van de eigen goederen voor de langstlevende echtgenoot ontstaat, leidt voor de langstlevende echtgenoot tot de verplichting om de op het tijdstip van overlijden nog openstaande schulden van de eerstoverleden echtgenoot te dragen die verband houden met de goederen waarvoor de toekenning wordt gevraagd.

§4. Deze toekenning van de eigen goederen geschiedt bij wege van huwelijksovereenkomst en meer bepaald ten titel van huwelijksvoordeel, dit is onder bezwarende titel, zodat overeenkomstig artikel 2.3.64, §1, lid 4 BW en binnen de perken als bepaald door de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW de regels van schenkingen hierop niet van toepassing zijn.

Deze toekenning van de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot is een zakenrechtelijke regeling zodat er, in het raam van deze toekenning, sprake is van onmiddellijke zakenrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot op de eigen goederen van de eerstoverleden echtgenoot, eenmaal de optie is gelicht.

§5. Tussen de echtgenoten zal, als gevolg van de toekenning krachtens dit beding, voor geen enkel van de toegekende goederen, nog enige verrekening verschuldigd zijn, als gevolg van enige bijdrage die door de ene of door de andere echtgenoot, financieel of anderszins, zou zijn geleverd voor de verkrijging van deze goederen, of voor kosten of werken met betrekking tot deze goederen. De langstlevende zal voor een dergelijke bijdrage niets aan de nalatenschap van de overleden echtgenoot verschuldigd zijn, en zal evenmin voor een dergelijke bijdrage iets van de nalatenschap kunnen vorderen.

§6. De keuze om de optie tot toekenning uit te oefenen is een strikt persoonlijk recht. De keuze kan dan ook uitsluitend door de langstlevende echtgenoot worden uitgeoefend en niet door zijn (wettelijke, gerechtelijke of conventionele) vertegenwoordiger, rechtsopvolgers, schuldeisers, enzovoort.

In afwijking van het in de vorige zin bepaalde, kan:

  • ingeval de langstlevende echtgenoot onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht niettemin door zijn/haar wettelijke, gerechtelijke of conventionele vertegenwoordiger worden uitgeoefend;
  • ingeval de langstlevende echtgenoot wilsongeschikt is en niet onder een beschermingsstatuut is geplaatst, het hiervoor vermelde strikt persoonlijke optierecht worden uitgeoefend door een door de langstlevende echtgenoot aangestelde volmachthouder.”

[9] Voetnoot van de aanvrager: Cass. 24 maart 2017, www.cass.be.; H. CASMAN en A. VERBEKE, Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen, Mortsel, Intersentia, 2022, 109.

[10] Voetnoot van de aanvrager: GwH 23 november 2005, nr. 170/2005.

[11] Voetnoot van de aanvrager: H. CASMAN en A. VERBEKE, Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen, Mortsel, Intersentia, 2022, 104.

[12] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in het arrest van het Hof van Cassatie dd. 9 juli 1931.

[13] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 22042 van 12 september 2022, VB 22027 van 15 juli 2022, VB 21018 van 15 maart 2021, VB 23003 van 17 maart 2023 en VB 23025 van 13 juni 2023.

[14] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 22042 van 12 september 2022, VB 22027 van 15 juli 2022, VB 21018 van 15 maart 2021, VB 23003 van 17 maart 2023 en VB 23025 van 13 juni 2023.

[15] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in o.m. VB 22046 van 10 oktober 2022, VB 22042 van 12 september 2022, VB 22026 van 29 augustus 2022, VB 22027 van 15 juli 2022, VB 22018 van 9 mei 2022, VB 21018 van 15 maart 2021. ; H. CASMAN en A. VERBEKE, Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen, Mortsel, Intersentia, 2022, 104.

[16] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 22042 van 12 september 2022, VB 22027 van 15 juli 2022, VB 21018 van 15 maart 2021, VB 23003 van 17 maart 2023 en VB 23025 van 13 juni 2023.

[17] Het ontwerp van de wijzigende huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[18] Voetnoot van de aanvrager: Bevestigd in VB 22042 van 12 september 2022, VB 22027 van 15 juli 2022, VB 21018 van 15 maart 2021, VB 23003 van 17 maart 2023 en VB 23025 van 13 juni 2023.

[19] Een kopie van het attest verzekeringsberoepsaansprakelijkheid artsen en een kopie van de polis burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het […] beroep werden bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[20] Voetnoot van de aanvrager: Recent bevestigd in VB 24043 van 16 juli 2024