Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26052 - Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen met optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding Vlaamse Belastingdienst

VB 26052 - Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst - stelsel scheiding van goederen met optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding

Voorafgaande beslissing
Nummer

26052

Datum beslissing

29 juni 2026

Publicatiedatum

4 augustus 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat in de huwelijksovereenkomst houdende scheiding van goederen die de Aanvragers (zoals hierna gedefinieerd) onder elkaar hebben afgesloten:

  • Het artikel 19 - “Optioneel verblijvingsbeding van onverdeelde goederen in geval van overlijden” - geen aanleiding zal geven tot:
    • Het heffen van erfbelasting in geval van overlijden van de eerststervende van de Aanvragers, op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF; en
    • Fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
  • Het artikel 20 - “Optioneel toekenningsbeding van eigen goederen in geval van overlijden” - geen aanleiding zal geven tot:
    • Het heffen van erfbelasting in geval van overlijden van de eerstervende van de Aanvragers, op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF; en
    • Fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

2. Deze aanvraag heeft betrekking op de fiscale behandeling van beide voormelde bedingen, die reeds werden opgenomen in het huwelijkscontract van de Aanvragers.

Hoewel de Aanvragers deze bedingen reeds hebben opgenomen in hun huwelijkscontract, hebben deze nog geen fiscale uitwerking gekregen op het moment van deze aanvraag. De fiscale gevolgen krijgen maar uitwerking op het ogenblik dat het huwelijksvermogensstelsel vereffend en verdeeld wordt. Het is bijgevolg mogelijk om hierover een voorafgaande beslissing te vragen. Dit werd door Uw Dienst reeds herhaaldelijk bevestigd in verscheidene voorafgaande beslissingen.[1]

De Aanvragers verzoeken uitdrukkelijk dat de voorafgaande beslissing die ter zake zal worden genomen een geldigheidsduur zal hebben tot het overlijden van de eerststervende van hen.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. Deze aanvraag wordt ingediend door […] namens:

  • De heer X, geboren te […] op xx.xx.1976, met rijksregisternummer […], en zijn echtgenote:
  • Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1976, met rijksregisternummer […];

Samen wonende te […];

Hierna samen genoemd de “Aanvragers”.

De echtgenoten X – Y zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] op xx.xx.2025 onder het stelsel van scheiding van goederen bij huwelijksovereenkomst verleden op xx.xx.2025 voor […].[2]

De Aanvragers hebben drie gemeenschappelijke kinderen:

  • De heer A, geboren op xx.xx.2008; en
  • Mejuffrouw B, geboren op xx.xx.2010; en
  • De heer C, geboren op xx.xx.2012.

De Aanvragers zijn sinds meer dan vijf jaar voor heden inwoners van het Vlaams Gewest.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

1. De huwelijksovereenkomst met optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding

4. De Aanvragers hebben in hun huwelijkscontract waarin ze opteren voor een stelsel van scheiding van goederen voorzien in een optioneel verblijvingsbeding met betrekking tot de goederen die in onverdeeldheid aan de Aanvragers toebehoren enerzijds en in een optioneel toekenningsbeding voor de eigen goederen van de Aanvragers anderzijds.

1.1. Goederen aangehouden in onverdeeldheid

  1. De onroerende goederen die de Aanvragers op heden exclusief in onverdeeldheid toebehoren, zijn:
  • De gezinswoning met omliggende gronden, gelegen te […];
  • Twee appartementen, gelegen te […];
  • Een appartement, gelegen te […];
  • Bouwland, gelegen te […];
  1. De roerende goederen die de Aanvragers in onverdeeldheid bezitten zijn:
  • Een zichtrekening.

Het is zeer waarschijnlijk dat de Aanvragers ook in de toekomst andere onroerende of roerende goederen in onverdeeldheid zullen verwerven.

1.2. Eigen vermogen van de Aanvragers

5. Daarnaast heeft elke Aanvrager ook goederen die niet in onverdeeldheid zijn met de andere echtgenoot.

i. Aan de heer X behoren volgende eigen onroerende goederen toe:

  • […] met gronden, gelegen te […], voor het geheel in volle eigendom;
  • Een loft, gelegen te […], voor het geheel in volle eigendom;
  • Bouwlanden, gelegen te […], voor het geheel in volle eigendom;
  • Weilanden, gelegen te […], voor het geheel in volle eigendom;
  • De helft onverdeelde blote eigendom in een loft met twee parkeerplaatsen, gelegen te […], de overige gerechtigdheden in blote eigendom toebehorende aan een derde, het vruchtgebruik toebehorende aan de vennootschap D;
  • De blote eigendom van twee woningen, gelegen te […], waarvan de vennootschap E het vruchtgebruik heeft;
  • Één vierde in blote eigendom van een woning, gelegen te […], de overige gerechtigdheden toebehorende aan een derde, het vruchtgebruik toebehorende aan zijn moeder;
  • Eén vierde in blote eigendom van een bouwland met bos, gelegen te […], de overige gerechtigdheden toebehorende aan een derde, het vruchtgebruik toebehorende aan zijn moeder;
  • Één derde onverdeeld in een appartement, gelegen te […], de overige gerechtigdheden toebehorende aan derden en mevrouw Y (1/6e);
  • Één derde onverdeeld in een parkeerplaats, gelegen te […], de overige gerechtigdheden toebehorende aan een derde en mevrouw Y (1/3e).

ii. Daarnaast behoren volgende roerende goederen de heer X toe:

  • Beleggingsportefeuilles;
  • Spaarrekeningen;
  • Zichtrekeningen;
  • Participaties in de hierna volgende vennootschappen:
    • De besloten vennootschap E, met zetel te […], met ondernemingsnummer […];
    • De besloten vennootschap D, met zetel te […], met ondernemingsnummer […];
    • De besloten vennootschap F, met zetel te […], met ondernemingsnummer […];
    • De besloten vennootschap G, met zetel te […], met ondernemingsnummer […];
    • De naamloze vennootschap H, met zetel te […], met ondernemingsnummer […];
    • De besloten vennootschap I, met zetel te […], met ondernemingsnummer […].

iii. Mevrouw Y houdt volgende eigen onroerende goederen aan:

  • De blote eigendom van en handelspand met parkeerplaatsen, gelegen te […], waarvan […] het vruchtgebruik heeft;
  • De blote eigendom van twee appartementen met kelder en parkeerplaatsen, gelegen te […], waarvan haar moeder het vruchtgebruik heeft;
  • De blote eigendom van een handelspand met parkeerplaatsen, gelegen te […], waarvan […] het vruchtgebruik heeft;
  • De blote eigendom van een appartement met parkeerplaats, gelegen te […], waarvan haar moeder het vruchtgebruik heeft;
  • Een derde in blote eigendom van een appartementsgebouw, gelegen te […], de overige gerechtigdheden toebehorende aan derden, het vruchtgebruik toebehorende aan haar moeder;
  • Één zesde onverdeeld in een appartement, gelegen te […], de overige gerechtigdheden toebehorende aan derden en de heer X (1/3e);
  • Één derde onverdeeld in een parkeerplaats, gelegen te […], de overige gerechtigdheden toebehorende aan een derde en de heer X (1/3e).
  1. Volgende roerende goederen behoren mevrouw Y toe:
  • Beleggingsportefeuilles;
  • Zichtrekeningen;
  • Participaties in de hierna volgende vennootschappen:
  • De besloten vennootschap J, met zetel te […], met ondernemingsnummer […];
  • De naamloze vennootschap K, met zetel te […], met ondernemingsnummer […].

Mogelijks zullen de Aanvragers elk voor zich ook in de toekomst andere roerende of onroerende goederen verwerven of verkrijgen die niet behoren tot een onverdeeldheid met de andere Aanvrager.

6. De Aanvragers willen met het optioneel verblijvingsbeding [2] de roerende en de onroerende goederen die zij in onverdeeldheid bezitten, waaronder de gezinswoning, alsook bepaalde opbrengsteigendommen aan de langstlevende van hen toebedelen.

Hierdoor zullen/kunnen deze onverdeelde goederen bij overlijden van één van hen – en indien en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich overeenkomstig de modaliteiten van het huwelijkscontract op dit verblijvingsbeding beroept – in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende echtgenoot toebehoren, overeenkomstig de bepalingen opgenomen in artikel 19 van hun huwelijkscontract. Bij gebrek aan keuze door de langstlevende echtgenoot, zal de verblijving van de goederen in onverdeeldheid volledig en voor het geheel uitwerking verkrijgen.

7. Op dezelfde manier willen de Aanvragers daarnaast de voornoemde niet onverdeelde roerende goederen en onroerende goederen, die eigendom zijn van de respectieve Aanvragers, onderwerpen aan een toekenningsbeding in het voordeel van de langstlevende echtgenoot, zoals opgenomen in artikel 20 van hun huwelijkscontract.[3]

2. Doel van de verrichting

8. De Aanvragers waren reeds lang wettelijk samenwonend en zijn recent gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen.

De keuze voor dit huwelijksvermogensstelsel is ingegeven door hun gezamenlijke wens om hun vermogens gescheiden te houden, hun bestuursbevoegdheden zelfstandig te kunnen uitoefenen en de bescherming die zij hieruit ontlenen tegen de mogelijke schuldeisers van de heer X (aandeelhouder en bestuurder in verscheidene vennootschappen) en van mevrouw Y ([…], aandeelhouder en bestuurder in verscheidene vennootschappen).

9. Middels een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding in het huwelijkscontract van Aanvragers, wensen de Aanvragers de langstlevende van hen verzorgd achter te laten en in het bijzonder te vermijden dat hun kinderen op enigerwijze aanspraken zouden kunnen laten gelden ten aanzien van de langstlevende echtgeno(o)t(e).

Door voornoemde bedingen in hun huwelijksovereenkomst op te nemen, voorzien Aanvragers een niet-eenzijdig herroepbare regeling indien hun huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van één van de Aanvragers. Deze regeling is volgens Aanvragers noodzakelijk teneinde invulling te geven aan hun verzorging- en beschermingswensen tegen opzichte van elkaar.

Deze beschermingsgedachte was dan ook het hoofdmotief om na jaren wettelijke samenwoning effectief in het huwelijksbootje te stappen. Ook de (relatief) jonge leeftijd van de Aanvragers en hun kinderen vormt een belangrijk element in de wens om in eerste instantie de mogelijkheid te kunnen hebben om te opteren voor een maximale bescherming van de langstlevende van beide echtgenoten.

Bovendien is het de wens van de Aanvragers dat de aandelen van hun respectieve vennootschappen die de eerst overleden Aanvrager op datum van overlijden aanhoudt, zoveel als mogelijk bij de langstlevende worden verankerd en niet worden versnipperd onder de langstlevende en de kinderen, wat de exploitatie en de continuïteit van de diverse vennootschappen zou kunnen bemoeilijken dan wel verlammen. Dit alles tenzij de kinderen op het ogenblik van het overlijden van de eerststervende voldoende maturiteit hebben en de impact op de vennootschappen van een vererving naar de kinderen toe naar de inschatting van de langstlevende geen risico zou vormen (onder meer de reden waarom, zoals aangegeven, het beding optioneel wordt geformuleerd).

Zij wensen dit alles te doen op een wijze die hen toelaat tijdens hun leven niet te hoeven inboeten aan enige autonomie inzake het beheer en het bestuur van hun eigen vermogen, zoals dit ook het geval was toen zij nog wettelijk samenwonend waren.

10. Het verblijvingsbeding slaat onder meer op de gezinswoning, het goed bij uitstek met een gezinsbestemming, waarvan het gebruik en het genot niet hoort te eindigen bij overlijden van één van de Aanvragers. De gezinswoning moet daarom, op basis van een loutere wilsuiting van de langstlevende van de Aanvragers, tot zijn of haar beschikking blijven.

Daarnaast betreft het verblijvingsbeding eveneens een aantal opbrengsteigendommen, die Aanvragers tijdens hun relatie samen hebben verworven. Deze opbrengsteigendommen genereren middels verhuur een stabiel inkomen, welk inkomen thans ten goede komt aan het gezin van de Aanvragers. Ook hiervoor geldt dat het in beginsel de intentie is dat niet enkel de inkomsten van deze goederen bij overlijden van één van de Aanvragers aan de langstlevende zou toekomen, maar ook dat zij er zelfs – zo gewenst – de integrale beschikkingsvrijheid willen kunnen over behouden.

11. Het toekenningsbeding daarentegen slaat op concrete eigen goederen [5] van iedere Aanvrager, waarvan beide Aanvragers willen dat de langstlevende van hen beiden daar bij overlijden van de eerststervende op basis van de loutere wilsuiting van de langstlevende Aanvrager tot zijn of haar beschikking moet worden gesteld.

12. De verzorgingsgedachte jegens elkaar kan evenwel op diverse burgerrechtelijke manieren worden gewaarborgd, maar er is geen enkele andere burgerrechtelijke regeling of beding gepast om integraal de intenties en de bedoelingen van de Aanvragers na te streven. Noch door contractuele erfstelling, noch door wettelijke devolutie, noch door een testament en evenmin door een schenking.

Gelet op het gegeven dat het eigen vermogen van de Aanvrager, de heer X, groter is dan dat van mevrouw Y kunnen de gewenste doelstellingen evenmin via een beding van aanwas worden bewerkstelligd, aangezien er geen gelijkwaardige inleg is van beide partijen.

Een testament of een contractuele erfstelling (buiten huwelijksovereenkomst) biedt minder waarborgen, gezien deze eenzijdig herroepen kunnen worden. Hetzelfde geldt voor schenkingen tussen echtgenoten gedaan buiten huwelijksovereenkomsten om, dewelke ten alle tijde herroepbaar zijn door de schenker. De Aanvragers kiezen bewust voor een wederzijds contract dat hen in principe beiden bindt.

Een schenking tussen echtgenoten is bovendien niet ‘reserveproof’, aangezien de schenking tussen echtgenoten in elk geval buiten deel is, zodat één van de kinderen desgevallend de schenking alsnog zou kunnen laten inkorten.

Het is dan ook een wezenlijk element dat het voordeel dat de langstlevende echtgeno(o)t(e) ingevolge de voormelde artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst zal verkrijgen, niet uit de nalatenschap wordt verkregen (dus niet via de wettelijke devolutie, noch via uiterste wilsbeschikking, noch via een contractuele erfstelling), maar louter huwelijksvermogensrechtelijk als een huwelijksvoordeel in toepassing van het huwelijksvermogensrecht.

Mocht dezelfde begunstiging via een testament, een contractuele erfstelling of een schenking (al dan niet binnen huwelijksovereenkomst) worden toegekend, zou dit steeds moeten opgenomen worden in een rekenboedel (artikel 4.153 BW) en op het beschikbaar deel moeten aangerekend worden. Dit is met huwelijksvoordelen niet het geval. Zolang en voor zover de maxima van artikelen 2.3.57 en 2.3.59 BW niet zijn bereikt, is er geen sprake van opname in de rekenboedel, noch aanrekening op het beschikbaar deel.

13. Verder wensen de Aanvragers de goederen, die het voorwerp van het toekenningsbeding vervat in artikel 20 van de huwelijksovereenkomst uitmaken, tijdens het huwelijk zelfstandig te kunnen blijven besturen en van ieder schuldeisersrisico (van de andere echtgenoot) te onttrekken.

De echtgenoten blijven met andere woorden ten aanzien van de goederen die het voorwerp van het toekenningsbeding vervat in artikel 20 van de huwelijksovereenkomst uitmaken volledig beschikkingsbevoegd en schuldeisers kunnen hen op die goederen slechts aanspreken ter betaling van de schulden waartoe elk van hen gehouden is.

14. Voormelde voorafgaandelijke civielrechtelijke motieven zijn dan ook voor de echtgenoten doorslaggevend. Het is voor de Aanvragers belangrijk dat het verblijvingsbeding en het toekenningsbeding:

  • Niet eenzijdig door één van hen kan worden herroepen; en
  • Niet erfrechtelijk kan worden verrekend en derhalve vatbaar zou zijn voor inkorting; en
  • Zakelijke werking heeft.

15. Zoals aangegeven, werd het – mede gelet op de huidige leeftijd van de Aanvragers en hun kinderen - zowel het verblijvingsbeding als het toekenningsbeding optioneel voorzien, waardoor de langstlevende de optie behoudt om eventueel genoegen te nemen met een kleiner voordeel, hetgeen ten tijde van het overlijden van de eerststervende door de langstlevende kan worden beoordeeld onder meer in functie van zijn/haar eigen leeftijd, de leeftijd van de kinderen en de verstandhouding met de kinderen op dat ogenblik.

De voormelde regeling kadert dan ook in de interne solidariteits-en verzorgingsgedachte die de echtgenoten tegenover elkaar hebben, en beoogt tevens een billijke en eerlijke huwelijksvermogensrechtelijke regeling tussen de echtgenoten tot stand te brengen, los van iedere vrijgevigheidsgedachte.

De huwelijksovereenkomst met de artikelen 19 en 20 wordt als bijlage bij deze aanvraag gevoegd.

III. Motivering van de aanvraag

16. De Aanvragers verzoeken met betrekking tot de artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst bevestiging te krijgen dat het voordeel dat de langstlevende van de Aanvragers zal verkrijgen door de toepassing van het verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding, niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen.

A. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

1. Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.2 VCF

“De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.”

2. Toepassing in concreto

17. Het voordeel dat de langstlevende van de Aanvragers ingevolge voormelde artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst zal verkrijgen, wordt niet uit de nalatenschap van de eerststervende van de Aanvragers verkregen, maar louter huwelijksvermogensrechtelijk als een huwelijksvoordeel in toepassing van het huwelijksvermogensrecht.

Een huwelijksvoordeel wordt burgerrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor één van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. Dergelijk voordeel wordt erkend in het Belgisch huwelijksvermogensrecht. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW en heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen expliciet bevestigd, overeenkomstig artikel. 2.3.64 § 1, vierde lid BW.

De vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel gaat steeds de vereffening en verdeling van de nalatenschap vooraf. Derhalve kan een verkrijging op basis van het huwelijksvermogensrecht nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.[6]

Er is in casu geenszins sprake van een schenking. Een huwelijksvoordeel is overigens civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling, ongeacht de concrete beweegreden om een huwelijksvoordeel in de huwelijksovereenkomst op te nemen.[7] Een huwelijksvoordeel wordt gekwalificeerd als een niet-schenking. Deze kwalificatie is objectief en derhalve ongeacht de intenties en bedoelingen van de Aanvragers. Een intentie om te begiftigen (zgn. ‘animus donandi’) kan dergelijke kwalificatie als niet-schenking niet wijzigen. Het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet geleverd worden.[8]

De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut; ze kent geen uitzonderingen. Hoogstens kan een huwelijksvoordeel inkortbaar zijn, indien het de maxima of plafonds overschrijdt zoals in artikel 2.3.57 BW wordt vermeld (zoals in casu bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met gemeenschappelijke kinderen). Een inkortbaar huwelijksvoordeel blijft tevens een niet-schenking.[9]

Bovendien willen de Aanvragers benadrukken dat zij een niet-eenzijdige herroepbare regeling wensen te voorzien ten voordele van de langstlevende echtgenoot die moet toelaten de langstlevende echtgenoot verzorgd achter te laten en mogelijke geschillen met de kinderen uit te sluiten. De Aanvragers achten dergelijke regeling noodzakelijk teneinde invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar. Deze regeling is derhalve ten bezwarende titel.

18. Aanvragers zijn in casu recent getrouwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Bovenvermelde kwalificatie werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen. De wettelijke grondslag daartoe is artikel 2.3.64 § 1, in fine BW. Dit betekent dat indien uit de samenstelling, werking, vereffening, verdeling of verrekening van het stelsel van scheiding van goederen zoals in een huwelijksovereenkomst is uitgewerkt, voor één van de echtgenoten een voordeel kan ontstaan, dat dit voordeel een huwelijksvoordeel zal zijn.

De civielrechtelijke kwalificatie werkt ook door in het fiscaal recht. Dit is vaststaande rechtsleer en rechtspraak. Het fiscaal recht moet derhalve de kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus niet-schenking aanvaarden, tenzij een specifieke en uitdrukkelijke bepaling van fiscaal recht daar zou van afwijken.

De overgang en toebedeling op grond van het overwogen verblijvingsbeding, respectievelijk toekenningsbeding zoals voorzien in de artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst kunnen dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

B. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

1. Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;

2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”;

2. Toepassing in concreto

19. Zoals hierboven reeds wordt toegelicht, kwalificeren artikelen 19 en 20 als een huwelijksvoordeel, waarop artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet kan worden toegepast.

Hoewel het beding pas uitwerking zal hebben bij het overlijden van de eerststervende van de Aanvragers, is er in casu geen sprake van een schenking, gezien het om een huwelijksvoordeel gaat. De burgerrechtelijke kwalificatie dient kortom te worden doorgetrokken op fiscaal vlak.

De artikelen 19 en 20 van de wijzigende huwelijksovereenkomst kunnen dan ook niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

C. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

1. Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.4 VCF

“De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”

2. Toepassing in concreto

20. De Aanvragers zijn gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen, zonder toegevoegde of beperkte gemeenschap. Artikel 2.7.1.0.4 VCF daarentegen beperkt zich tot situaties waarin er sprake is van een stelsel met een gemeenschap. Zowel het optioneel verblijvingsbeding als het optioneel toekenningsbeding hebben geen betrekking op gemeenschapsgoederen.

Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de toebedeling, overgang of toekenning op grond van de artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst.

D. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

1. Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 2.7.1.0.5 VCF

“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”

2. Toepassing in concreto

21. In het kader van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie (3) cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:

  1. Een kosteloze beschikking

Zoals hierboven reeds wordt toegelicht onder III.A.2, verstrekt het opgenomen optioneel verblijvingsbeding en toekenningsbeding uit de artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst geen kosteloze beschikking.

  1. Gedurende vijf (5) jaar voorafgaand aan het overlijden

Mocht het huwelijksvoordeel als een kosteloze beschikking worden beschouwd, quod non, kan er hoe dan ook geen sprake zijn van een beschikking die tot stand is gekomen in enige periode vóór het overlijden, gezien het eventuele voordeel slechts ontstaat bij zijn/haar overlijden.

Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een schenking in een periode van vijf (5) jaar voorafgaand aan het overlijden.

  1. Waardoor een bevoordeling is ontstaan die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen

Aangezien er in casu geen sprake is van een kosteloze beschikking en er bijgevolg geen sprake is van een bevoordeling in de zin zoals bedoeld in artikel 2.7.1.0.5 VCF, kon/kan er geen aanleiding zijn tot de heffing van schenkbelasting of enig registratierecht.

Gelet op al het voorgaande, is artikel 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing op de overgang, toebedeling of toekenning op grond van het verblijvings- en toekenningsbeding in de artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst.

E. Geen beding van aanwas in de zin van het SP 17044

22. De uitwerking van het optioneel verblijvingsbeding en toekenningsbeding verleent een huwelijksvoordeel, dat beheerst wordt door de specifieke regels van het huwelijksvermogensrecht. Huwelijksvoordelen zijn met het huwelijksstelsel verweven en maken daar integraal deel van uit.

Een beding van aanwas is een kanscontract dat ook tussen niet gehuwden kan worden gesloten. Wordt het door gehuwden gesloten, dan staat het los van hun huwelijksstelsel en wordt het niet in een huwelijksovereenkomst opgenomen.

Naar het oordeel van uw Dienst is de uitwerking van een kanscontract niet onderworpen aan de heffing van schenk- en erfbelasting (maar wel aan de heffing van het verkooprecht als het op onroerende goederen betrekking heeft) onder de voorwaarden die in het Standpunt 17044 zijn vermeld.

In de eerste plaats moet het gaan om een beding van aanwas dat slaat op goederen die ten bijzondere titel zijn aangewezen (in de zin die hieraan wordt gegeven in artikel 1100/1 §4 van het oud Burgerlijk Wetboek).

In de tweede plaats moet het gaan om een beding van aanwas dat ten bezwarende titel is verleend. Hiervoor is, aldus Standpunt 17044, vereist dat de kansen van beide partijen (indien het contract slechts tussen twee partijen is gesloten) evenwichtig zijn. Daarvan kan slechts sprake zijn wanneer de inleg van beide partijen gelijkwaardig is, en wanneer de levenskansen van beide partijen gelijkaardig zijn.

Aanvragers wijzen erop dat hun levensverwachtingen quasi gelijk zijn, aangezien ze nauwelijks in leeftijd verschillen.

Hun inleg is echter niet gelijk, daar er sprake is van een merkbaar verschil tussen de vermogens van beide Aanvragers. De kansen van de Aanvragers zijn hierdoor niet evenwichtig.

Het door de Aanvragers opgenomen optioneel verblijvingsbeding en toekenningsbeding kwalificeert niet als een aanwascontract en is bijgevolg niet onderworpen aan de eisen van het Standpunt 17044.

F. (Desgevallend) toepassing van artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF

1. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 2.9.1.0.1 VCF

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”

Artikel 2.10.0.1 VCF

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :

1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;

2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;

3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.”

2. Toepassing in concreto

23. Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge overlijden van één van de Aanvragers, onroerende goederen, in casu de gezinswoning en op heden een aantal opbrengsteigendommen, in onverdeeldheid tussen de echtgenoten bestaan, zal de uitwerking van het verblijvingsbeding, op grond waarvan het aandeel van de eerststervende in de onverdeeldheid zal toekomen aan de langstlevende, aanleiding geven tot de heffing van het verdeelrecht (2,5 %), indien de onverdeeldheid die tussen de Aanvragers bestaat zodanig ophoudt te bestaan.

Indien bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge overlijden van één van de Aanvragers, een echtgenoot een eigen onroerend goed heeft (niet in onverdeeldheid met de andere echtgenoot, zoals op heden voor beide echtgenoten het geval is), zal de uitwerking van het toekenningsbeding, dat de Aanvragers hebben toegevoegd aan hun huwelijksvermogensstelsel, op grond waarvan een eigen onroerend goed van de eerststervende zal toekomen aan de langstlevende echtgenoot onder hen, aanleiding geven tot de heffing van verkooprecht (12%), vermits deze laatste een onroerend goed verwerft waarin hij/zij eerder geen aandeel in had (artikel 2.9.1.0.1 VCF).

G. Geen fiscaal misbruik

1. Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 3.17.0.0.2 VCF

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

2. Toepassing in concreto

24. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zgn. fictiebepalingen) geen toepassing vinden. Ook het Grondwettelijk Hof heeft reeds gesteld dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling.

De door de Aanvragers voorgenomen verrichting, zoals uiteengezet in huidige aanvraag, frustreert echter geen enkele mogelijke toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling.

Evenmin kan daarentegen de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. Om de algemene antimisbruikbepaling zoals vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF te kunnen aanwenden, moet de Vlaamse Belastingdienst enerzijds aantonen dat de belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen stelt dat eenzelfde verrichting tot stand brengt (objectief element) en anderzijds dat het doorslaggevende, zo niet exclusieve, motief erin bestaat belasting te ontwijken (subjectief element).

De Aanvragers verzoeken om te bevestigen dat er geen antimisbruikbepaling van toepassing is, op grond van de hierna uiteengezette motieven.

  1. Geen frustratie van de in de VCF opgenomen specifieke antimisbruikbepalingen

25. De voorgenomen verrichting verleent huwelijksvoordelen die huwelijksvermogensrechtelijk worden verkregen. De voordelen zijn dus niet onderworpen aan artikel 2.7.1.0.2 VCF.

De Aanvragers frustreren artikel 2.7.1.0.2 VCF niet, vermits ze enkel een huwelijksvermogensrechtelijke regeling beogen teneinde de langstlevende echtgenoot op een niet-eenzijdig herroepbare manier te beschermen. De Aanvragers kunnen dezelfde doelstelling niet met dezelfde burgerrechtelijke gevolgen bereiken, noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, aangezien dit alles eenzijdig herroepbaar is. Binnen het opzet van de Aanvragers is dit niet de bedoeling.

Bovendien wordt iedere erfrechtelijke verkrijging op de nalatenschap aangerekend, terwijl de Aanvragers net willen vermijden dat de goederen die het voorwerp van de verrichting uitmaken in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot zou terechtkomen. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de Aanvragers om de voordelen aan de langstlevende echtgenoot toe te kennen op het niveau van de huwelijksovereenkomst, teneinde op burgerrechtelijk vlak de langstlevende maximaal te beschermen tegen inkorting.

26. De voorgenomen verrichting frustreert evenmin de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, omdat de Aanvragers niet overgaan tot enige schenking of kosteloze beschikking waarvan de uitwerking artificieel tot aan het overlijden wordt uitgesteld. Ze passen hun huwelijksovereenkomst aan om tot een regeling te komen, die tot een billijke regeling moet leiden voor goederen waarin ze beiden (verblijvingsbeding) of elk afzonderlijk (toekenningsbeding) gerechtigd zijn.

In de memorie van toelichting bij het Vlaams Decreet van 24 december 2004 leest men het volgende over de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (het toenmalige artikel 4, 3° W.Succ.):

“Het verschil met de tarieven van de successierechten voor verervingen tussen dezelfde personen is enorm. Dit kan betrokkenen ertoe aanzetten om nog tijdens het leven, op een fiscaal voordelige manier, de roerende goederen aan de toekomstige erfgenamen of legatarissen over te dragen. Er blijkt echter een gemakkelijke manier te bestaan om enerzijds het voordeel van het verlaagde Vlaamse tarief voor de schenkingen te genieten, maar toch de overdracht van de goederen uit te stellen tot op het ogenblik van het overlijden. Een schenking van roerende goederen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden, geeft immers bij registratie van de akte slechts aanleiding tot de heffing van het algemeen vast recht van 25 euro, overeenkomstig de principes van artikel 16 van het wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten. Slechts op het ogenblik van het overlijden zal het evenredige recht, met toerekening van het reeds geheven algemeen vast recht, opeisbaar worden. En dat was eigenlijk niet de bedoeling die de decreetgever zich met de invoering van de bijzonder verlaagde tarieven had vooropgesteld. Een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, heeft burgerrechtelijk qua dezelfde gevolgen als een legaat. Fiscaalrechtelijk worden ze echter sedert 1 januari 2004 aan een sterk verschillend tarief onderworpen. De Vlaamse Regering vindt het dan ook volkomen logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt gesteld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden.”

Uit deze overwegingen blijkt dat het de bedoeling was van de decreetgever om schenkingen die burgerrechtelijk (quasi) dezelfde gevolgen hebben als een legaat ook op fiscaal vlak als een legaat te behandelen, om een ongelijke behandeling ten opzichte van de erflater van een legaat te voorkomen. De decreetgever wilde met andere woorden verhinderen dat de bij het Vlaams Decreet van 19 december 2003 ingevoerde verlaagde en vlakke tarieven in de schenkbelasting (i.e. 3% of 7%) gecombineerd worden met het uitstel van overdracht van het geschonken goed tot het overlijden van de schenker. Men mag niet fiscaal voordelig schenken en tegelijk eigenaar blijven van het geschonken vermogen.

In casu is op geen enkele manier sprake van een schenking. De Aanvragers hebben reeds uitvoerig aangetoond en beargumenteerd dat in de artikelen 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst sprake is van een toebedeling van een onverdeeld goed, respectievelijk van een eigen goed dat dient te worden gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel. De Aanvragers namen deze bedingen, die ten bezwarende titel zijn, op in hun huwelijksovereenkomst om tot een regeling te komen bij overlijden die tot een billijke en in het bijzonder beschermende regeling moet leiden ten voordele van de langstlevende echtgenoot.

27. Verder wordt ook artikel 2.7.1.0.4 VCF niet gefrustreerd. De Aanvragers zijn gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen omdat ze een groot belang hechten aan het behoud van (professionele) autonomie van elk van hen en om een grotere bescherming te genieten voor (professionele) schuldeisers van de andere echtgenoot, zeker gegeven de professionele activiteiten van elk van de Aanvragers. De voorgenomen verrichting frustreert aldus artikel 2.7.1.0.4 VCF niet omdat er tussen de Aanvragers geen gemeenschap heeft bestaan en ook niet zal bestaan.

28. Ten slotte zijn de Aanvragers ook van oordeel dat ook artikel 2.7.1.0.5 VCF niet wordt gefrustreerd omdat het verblijvingsbeding respectievelijk het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel niet kan worden gelijkgesteld met een kosteloze beschikking.

2. Niet-fiscale motieven

29. Er liggen verschillende niet-fiscale motieven aan de huwelijksovereenkomst ten grondslag, zoals hierboven omstandig aangehaald onder punt II.B.2.

CONCLUSIE

30. Gelet op al het voorgaande, dient te worden geconcludeerd dat:

  • Het artikel 19 - “Optioneel verblijvingsbeding van onverdeelde goederen in geval van overlijden” - geen aanleiding zal geven tot:
  • Het heffen van erfbelasting in geval van overlijden van de eerststervende van de Aanvragers, op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF; en
  • Fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
  • Het artikel 20 - “Optioneel toekenningsbeding van eigen goederen in geval van overlijden” – geen aanleiding zal geven tot:
  • Het heffen van erfbelasting in geval van overlijden van de eerststervende van de Aanvragers, op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF, artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, artikel 2.7.1.0.4 VCF of artikel 2.7.1.0.5 VCF; en
  • Fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

De Aanvragers verzoeken Uw Dienst te willen bevestigen.

De Aanvragers vragen dat de geldigheid van de voorafgaande beslissing zich in de tijd zou uitstrekken tot aan het overlijden van één van de Aanvragers.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

31. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

32. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.

33. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

34. De echtgenoten X-Y zijn op xx.xx.2025 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen bij huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.2025.

In voormelde huwelijksovereenkomst hebben zij voor het geval van ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel door overlijden van één van hen ook voorzien in een optioneel verblijvingsbeding en een optioneel toekenningsbeding.

Met het verblijvingsbeding willen de echtgenoten de roerende en onroerende goederen die zij in onverdeeldheid bezitten, aan de langstlevende van hen toebedelen.

Ingevolge het toekenningsbeding komen de eigen niet-onverdeelde onroerende en roerende goederen die de eerstoverleden echtgenoot toebehoren, onmiddellijk en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot.

De bedingen worden optioneel geformuleerd. De langstlevende echtgenoot kan kiezen voor een integrale of een beperkte toepassing ervan volgens de diverse keuzemogelijkheden die in artikel 19 en 20 van de huwelijksovereenkomst zijn uitgewerkt.

Partijen voorzien tevens in een passiefregeling en in zaakvervanging.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF

35. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

36. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen. In de rechtsleer bestaan verschillende stromingen voor de invulling van het begrip huwelijksvoordeel in stelsels van scheiding van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie van de in casu voorgenomen bedingen als geldige huwelijksvoordelen die bovendien zakenrechtelijke werking zouden hebben.

In de mate bijgevolg dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de verblijving en/of toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

37. In de mate dat het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding in casu effectief geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

38. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

39. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

40. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

41. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

42. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

De (optionele) verblijving van de onverdeelde goederen en de (optionele) toekenning van de eigen niet-onverdeelde goederen hebben volgens de aanvrager geen betrekking op gemeenschapsgoederen.

43. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

44. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het (optioneel) verblijvingsbeding en het (optioneel) toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat deze bedingen ten bezwarende titel zijn.

45. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

46. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

47. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

48. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

49. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

50. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de aanvragers, de echtgenoten X-Y, recent gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen bij huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.2025. Hiervoor waren zij volgens de gegevens in de aanvraag reeds lang wettelijk samenwonend.

Zij hebben drie gemeenschappelijke minderjarige kinderen.

De keuze voor een basisstelsel van scheiding van goederen is ingegeven door hun wens om hun vermogens gescheiden te houden, hun bestuursbevoegdheden zelfstandig te kunnen uitoefenen en de bescherming die zij hieruit ontlenen tegen de mogelijke schuldeisers van de andere echtgenoot, gelet op hun professionele activiteiten.

Tegelijk wensen de echtgenoten de langstlevende van hen verzorgd achter te laten door te voorzien in een niet eenzijdig herroepbare huwelijksvermogensrechtelijke regeling, waarbij het inkortingsrisico zoveel als mogelijk wordt uitgeschakeld. Zij verkiezen het optioneel verblijvings- en toekenningsbeding omwille van de zakelijke werking die zij hieraan toekennen.

Gelet op de (relatief) jonge leeftijd van de aanvragers en hun kinderen willen de echtgenoten initieel kunnen opteren voor een maximale bescherming van de langstlevende van hen beiden, waardoor ze ook versnippering vermijden van de aandelen van de vennootschappen van de eerstoverleden echtgenoot tussen de langstlevende en de kinderen.

51. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichtingen in casu geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

52. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Voetnoot van de aanvrager: Voorafgaande Beslissing nr. 22018 d.d. 9 mei 2022, publ.9 juni 2022; Voorafgaande Beslissing nr. 22046 d.d. 10 oktober 2022, publ. 10 november 2022.

[2] Een kopie van de huwelijksovereenkomst verleden voor notaris […] op xx.xx.2025 werd bezorgd bij emailbericht van 9 juni 2026.

[3] Het optioneel verblijvingsbeding zoals opgenomen in artikel 19 van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt: […]

[4] Het optioneel toekenningsbeding zoals opgenomen in artikel 20 van de huwelijksovereenkomst, luidt als volgt: […]

[5] Opmerking van het Besluitvormingsorgaan: In het optioneel toekenningsbeding opgenomen in artikel 20 van de huwelijksovereenkomst worden de concreet toe te kennen eigen goederen niet opgesomd. Het voorwerp van het optioneel toekenningsbeding zijn de eigen goederen die de eerstoverleden echtgeno(o)t(e) toebehoren.

[6] Voetnoot van de aanvrager: Cass. 24 maart 2017.

[7] Voetnoot van de aanvrager: H. CASMAN en A. VERBEKE, “Het toekenningsbeding bij scheiding van goederen”, TEP 2022, afl. 1, (3) 3.

[8] Voetnoot van de aanvrager: GwH 23 november 2005, nr. 170/2005.

[9] Voetnoot van de aanvrager: Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017.