Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26053 - Zusterfusie en beding van aanwas Vlaamse Belastingdienst

VB 26053 - Zusterfusie en beding van aanwas

Voorafgaande beslissing
Nummer

26053

Datum beslissing

10 augustus 2026

Publicatiedatum

20 oktober 2026

Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 2.8.1.0.1. VCF
  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe bevestiging te krijgen dat een voorgenomen zusterfusie tussen de naamloze vennootschap “Z”, ondernemingsnummer […], en de naamloze vennootschap “A”, ondernemingsnummer […], verenigbaar is met het beding van aanwas afgesloten tussen de aanvragers betreffende de aandelen van de naamloze vennootschap “Z” bij notariële akte verleden voor ondergetekende notaris op xx.xx.2021.

Het beding van aanwas was voorafgaand aan ondertekening voorwerp van een ruling van uw diensten onder nummer DVS 020376708861 - VB 21042.

In het bijzonder wordt de bevestiging gevraagd dat de vooropgestelde fusie niet in strijd is met het gegeven dat het beding van aanwas ten bijzondere titel werd afgesloten

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt gesteld door notaris […] te […], namens:

2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1958, rijksregister nummer […], en zijn echtgenote

2.2. Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1955, rijksregister nummer […], samenwonend te […].

Gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1986, welk stelsel tot op heden niet gewijzigd werd.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

3. De heer en mevrouw X-Y hebben bij notariële akte verleden voor ondergetekende notaris op xx.xx.2021 een beding van aanwas afgesloten met betrekking tot onder meer de duizend tweehonderdvijftig (1.250) aandelen van de naamloze vennootschap Z.

Dit beding van aanwas werd voorafgaand aan ondertekening voorgelegd aan uw diensten, en werd door uw diensten beschouwd als een beding van aanwas/kanscontract ten bezwarende titel.

Uw diensten oordeelden dat het beding van aanwas in principe geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er ook niet-fiscale motieven aan het contract ten grondslag lagen.

4. Thans wensen de aanvragers over te gaan tot fusie van de NV Z, waarvan zij de enige eigenaars zijn, met de NV A, waarvan zij ook de enige aandeelhouders zijn (door middel van een zusterfusie).

Deze zusterfusie (fusie door opslorping door de NV Z van de NV A) dringt zich op door de stopzetting van de activiteiten van NV A en het behoud en/of terugbetaling van een vordering in rekening-courant in voordeel van de NV Z.

De zusterfusie zal gebeuren zonder creatie van nieuwe aandelen.

5. Door deze fusie zal het voorwerp van het beding van aanwas niet wijzigen (én vindt er binnen de vennootschap Z in se zaakvervanging plaats), zodat het een overeenkomst ten bijzondere titel blijft.

III. Motivering van de aanvraag

6. De heer en mevrouw X-Y zijn van mening dat de voorgenomen zusterfusie van Z en A niet in strijd is met het tussen hen afgesloten beding van aanwas, maar het karakter van de overeenkomst ten bijzonder titel benadrukt.

7. Principe

De tussen hen afgesloten aanwasovereenkomst is ten bijzondere titel afgesloten gezien de overeenkomst betrekking heeft op goederen die nauwkeurig in de overeenkomsten werden omschreven (en dus niet de algemeenheid van de goederen van één van de echtgenoten betreffen). Het betreffen onder meer de 1.250 aandelen van de NV Z.

In het beding van aanwas zijn de echtgenoten overeengekomen dat de in de plaats getreden goederen automatisch ook tot het beding van aanwas behoren, hetgeen schriftelijk zal bevestigd worden.

8. De voorgenomen verrichting: niet-fiscaal motief

De NV Z heeft een vordering in rekening-courant op de NV A voor een bedrag van driehonderdtweeënnegentigduizend zevenhonderddrieënzeventig euro (€ 392.773,00).[1]

De activiteiten van de NV A worden stopgezet, maar een ontbinding-vereffening van deze vennootschap zou een afboeking van de vordering in RC tot gevolg hebben bij de NV Z. Dit zou lijden tot een laag of negatief eigen vermogen van de NV Z, hetgeen vanuit economisch opzicht te vermijden valt (niet-fiscaal motief). De zusterfusie (fusie door opslorping) is derhalve in het (economische) belang van de NV Z.

Door de zusterfusie wordt in wezen de vordering op A vervangen door de activa die van A overgaan naar Z.

Daarbij dient aangestipt te worden dat de activa die naar Z nv zullen overgaan, minder bedragen dan de bestaande schuldvordering in RC t.b.v. € 392.773,00.

Deze activa zijn als volgt samengesteld (op basis van de balans van A per 31-12-2025)

  • Boekwaarde inrichting gebouwen: € 121.065,00
  • Boekwaarde Andere activa: € 13.676,00
  • Waarde stock 31-12-2025: € 30.000,00
  • Klant […]: € 47.000,00 (> - € 24.000,00 d.d. 16/3/26)
  • Liquide middelen: € 74.632,00

SAMEN € 286.373,00

In wezen kan er dan ook geconcludeerd worden dat het voorwerp van het beding van aanwas niet gewijzigd wordt: het blijven nog steeds de 1.250 aandelen van de NV Z (gezien er geen nieuwe aandelen worden uitgegeven naar aanleiding van de fusie) en intern vindt een herstructurering plaatst (die geen vergroting van het vermogen van de vennootschap doet plaatsvinden).

9. Conclusie

Gelet op het bovenstaande kan niet anders besloten worden dat de vooropgestelde zusterfusie in lijn ligt met het beding van aanwas van xx.xx.2021 én haar karakter ten bijzondere titel laat behouden.

De aanwasovereenkomst van xx.xx.2021 zal bijgevolg (ook na de zusterfusie) enkel aanleiding kunnen geven tot betaling van het algemeen vast recht, zonder enige heffing van schenkingsrechten (artikel 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1, § 2 VCF), en evenmin vallen onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF en artikel 2.7.1.0.5 VCF.

Ook zien partijen graag bevestigd dat de voorgenomen verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

10. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

11. Voor de beoordeling van de aanvraag tot voorafgaande beslissing toetst het besluitvormingsorgaan op basis van de burgerrechtelijke kwalificatie die door de aanvrager aan de verrichting wordt gegeven, zonder dat het besluitvormingsorgaan uitspraak doet over de burgerrechtelijke en vennootschapsrechtelijke geldigheid van de verrichting.

12. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • artikel 2.7.1.0.3 VCF dat luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.“

  • artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”

  • artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”

  • artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF dat luidt als volgt:

“§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”

  • artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

13. De echtgenoten X-Y voornoemd in randnummer 2. hebben in 2021 een kanscontract afgesloten met betrekking tot de 1.250 aandelen van de NV Z waarvan zij elk de helft aanhouden.[2] De aanvragers zijn voornemens om door middel van een zusterfusie het gehele vermogen van de NV A te laten overgaan aan de NV Z zonder dat hierdoor nieuwe aandelen worden gecreëerd.

14. Het voorwerp van het oorspronkelijk kanscontract, zijnde de 1.250 aandelen van de NV Z wordt niet gewijzigd door de voorgenomen zusterfusie met NV A. Gezien het kanscontract betrekking heeft op roerende goederen die specifiek in de overeenkomst worden omschreven blijft het kanscontract onder bijzondere titel. De voorgenomen zusterfusie doet hier geen afbreuk aan. De verkrijging door de langstlevende op basis van dit kanscontract zal noch aan de erfbelasting krachtens artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, of artikel 2.7.1.0.5 VCF, noch aan de schenkbelasting krachtens artikel 2.8.1.0.1, of artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF onderworpen worden.

15. Rechtshandelingen gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen worden afgetoetst aan de Vlaamse anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Gelet op de elementen en feiten vermeld in de aanvraag maakt de voorgenomen verrichting in casu geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

16. Het besluitvormingsorgaan is niet bevoegd om zich uit te spreken over de toepassing van het algemeen vast recht. Dit is immers een federale heffing.

17. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.

Voetnoten

[1] De aanvrager heeft bij verdere toelichting verklaart dat de onderlinge schuld/vordering in ontstaan in 2009.

[2] De aanvrager heeft bij verdere toelichting verklaart dat de echtgenoten X-Y momenteel een gelijkaardige levensverwachting hebben.