Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 26059 - Wijziging huwelijksovereenkomst - wettelijk stelsel - toevoeging eenzijdig optioneel toekenningsbeding en clausule vruchten eigen goederen blijven eigen Vlaamse Belastingdienst

VB 26059 - Wijziging huwelijksovereenkomst - wettelijk stelsel - toevoeging eenzijdig optioneel toekenningsbeding en clausule vruchten eigen goederen blijven eigen

Voorafgaande beslissing
Nummer

26059

Datum beslissing

10 augustus 2026

Publicatiedatum

22 september 2026

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.1.0.2. VCF
  • art. 2.7.1.0.3. VCF
  • art. 2.7.1.0.4. VCF
  • art. 2.7.1.0.5. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De echtgenoten zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te […] op xx.xx.1987, onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten, bij gebrek aan huwelijkscontract. Op xx.xx.2016 hebben zij hun huwelijkscontract aangepast, met behoud van het stelsel en toevoeging van een keuzebeding voor de gemeenschappelijke goederen.[1]

2. Zij wensen dit stelsel aan te vullen met een optioneel eenzijdig toekenningsbeding ten voordele van de langstlevende, voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden.[2]

Het bestaande keuzebeding biedt reeds een regeling voor de gemeenschappelijke goederen. De echtgenoten wensen daarnaast een bijkomende zakenrechtelijke bescherming voor de langstlevende met betrekking tot de eigen roerende goederen van de heer X, meer bepaald een zicht-, spaar-, en effectenrekening op zijn naam.

Deze eigen roerende goederen heeft de heer X ontvangen ingevolge erfenis/schenking en zijn dus eigen op grond van de wet en niet op grond van een conventionele regeling tussen echtgenoten. Tot op heden hebben op deze rekeningen geen dividenden, interesten of andere opbrengsten plaatsgevonden, zodat vermenging met gemeenschapsgelden niet aan de orde is geweest. De voorgestelde clausule in de huwelijksovereenkomst is dan ook zuiver toekomstgericht.

De regeling die zij wensen uit te werken voor de langstlevende moet onherroepelijk zijn en geen regeling die door de ene echtgenoot kan worden aangepast op eigen verzoek en zonder informatieverplichting ten aanzien van de andere echtgenoot. Deze regeling mag bovendien zo min mogelijk aantastbaar zijn door de kinderen.

3. Zij wensen met betrekking tot de vermelde verrichting zekerheid over de fiscale behandeling ervan, bij leven en bij overlijden, vooraleer ze deze wijziging doorvoeren. In dat verband vragen de aanvragers om bevestiging te krijgen dat:

  • de toevoeging van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding (en de uitwerking ervan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en geen van deze bepalingen frustreert;
  • de toevoeging van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding (en de uitwerking ervan) geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de toevoeging van een clausule in de huwelijksovereenkomst waarbij de vruchten, inkomsten en interesten van de eigen goederen van de heer X eigen blijven, in afwijking van artikel 2.3.22, §1, 2° BW, geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

4. Deze aanvraag wordt ingediend door […] namens:

De heer X, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer […], en mevrouw Y, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer […] (hierna samen ook genoemd de "echtgenoten" of de "aanvragers").

De echtgenoten hebben beiden de Belgische nationaliteit en wonen samen te […]. Hun fiscale woonplaats hebben zij in het Vlaams Gewest.

Zij zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten, met een keuzebeding.

De echtgenoten hebben samen twee gemeenschappelijke kinderen: mevrouw A, geboren te […] op xx.xx.1989, en de heer B, geboren te […] op xx.xx.1993.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

5. De echtgenoten willen hun basisstelsel van het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten behouden, met behoud van het bestaande keuzebeding. Zij wensen aan dit stelsel twee wijzigingen aan te brengen.

1. Toevoeging van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding

6. Voor het geval van vooroverlijden van de heer X werken de echtgenoten een huwelijksvermogensrechtelijke regeling uit ten voordele van de langstlevende, vervat in een optioneel toekenningsbeding.[3] Het beding is optioneel in die zin dat de langstlevende kan kiezen voor de integrale toepassing ervan, of voor een beperkte toepassing ervan.

Met het toekenningsbeding verleent de heer X aan mevrouw Y, voor zover zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van bepaalde eigen roerende goederen van de heer X, die in de huwelijksovereenkomst worden aangewezen. De regeling geldt louter voor de roerende goederen die in de huwelijksovereenkomst hiervoor worden gespecificeerd (en voor de goederen die daarvoor ingevolge zaakvervanging in de plaats zouden komen).

Het toekenningsbeding is optioneel. Als de langstlevende zich niet integraal op het toekenningsbeding wenst te beroepen, kan zij zich ook beroepen op een beperkte toekenning. De toekenning kan beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle toe te kennen goederen, of voor bepaalde toe te kennen goederen die zij kan aanwijzen, voor een toekenning in vruchtgebruik. De toekenning kan ook beperkt zijn omdat de langstlevende kiest, voor alle toe te kennen goederen, of voor bepaalde goederen die zij hiervoor kan aanwijzen, voor een toekenning beperkt tot een door de langstlevende aan te wijzen breukdeel. Het toekenningsbeding zal geen uitwerking hebben indien de langstlevende geen tijdige keuze voor de integrale dan wel voor een beperkte toekenning maakt.

Het toekenningsbeding heeft betrekking op de volgende eigen roerende goederen van de heer X: alle zicht-, spaar- en effectenrekeningen op zijn naam, voor zover de tegoeden op deze rekeningen behoren tot zijn eigen vermogen, meer bepaald de door hem verkregen gelden en activa uit erfenis of schenking, evenals de opbrengsten en wederbeleggingen daarvan.

2. Clausule eigen karakter vruchten, inkomsten en interesten

7. Daarnaast wensen de echtgenoten in de huwelijksovereenkomst een bepaling op te nemen waarbij de vruchten, inkomsten en interesten van de eigen goederen van de heer X eigen blijven, in afwijking van artikel 2.3.22, §1, 2° BW. [4] Deze afwijking strekt ertoe te vermijden dat gemeenschapsgelden vermengd raken met de eigen goederen, zodat het eigen karakter niet meer kan worden aangetoond bij de ontbinding van het stelsel.

III. Motivering van de aanvraag

8. De heer en mevrouw X-Y vragen van uw Dienst de volgende bevestiging:

  • De toevoeging van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding (en de uitwerking ervan) is niet onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en frustreert geen van deze bepalingen, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • De toevoeging van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding (en de uitwerking ervan) vormt geen fiscaal misbruik, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • De toevoeging van een clausule in de huwelijksovereenkomst waarbij de vruchten, inkomsten en interesten van de eigen goederen van de heer X eigen blijven, in afwijking van artikel 2.3.22, §1, 2° BW, vormt geen fiscaal misbruik, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

De aanvragers verwijzen in dit verband naar de voorafgaande beslissing nr. VB 25136 van 9 februari 2026, waarin uw Dienst in een gelijkaardige situatie (wettelijk stelsel, eenzijdig optioneel toekenningsbeding op eigen goederen) heeft bevestigd dat een dergelijk beding geen aanleiding geeft tot erfbelasting en geen fiscaal misbruik uitmaakt.

1. De verkrijging op grond van het toekenningsbeding is niet onderworpen aan erfbelasting

i. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF

9. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge de voorgenomen verrichting zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking.

10. Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel. De wetgever heeft deze definitie expliciet overgenomen, onder meer in de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW. Hij heeft ook hun toepassing naar analogie in het stelsel van scheiding van goederen expliciet bevestigd (art. 2.3.64, §1, vierde lid BW), zodat huwelijksvoordelen ook van toepassing zijn op eigen goederen in een gemeenschapsstelsel.

Het optioneel toekenningsbeding is een huwelijksvermogensrechtelijk beding dat de wijze van werking en vereffening van het huwelijksvermogensstelsel nader regelt en waaruit voor de langstlevende een huwelijksvoordeel kan ontstaan.

Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voorgaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding ook geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen, sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen is onontvankelijk en mag dus zelfs niet geleverd worden (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

De kwalificatie als huwelijksvoordeel en dus als niet-schenking is absoluut; ze kent geen uitzonderingen. Hooguit kan een huwelijksvoordeel inkortbaar zijn, indien het de maxima of plafonds overschrijdt zoals in artikel 2.3.57 BW vermeld (bij samenloop van de langstlevende echtgenoot met gemeenschappelijke kinderen). Ook een inkortbaar huwelijksvoordeel, ook onvolkomen huwelijksvoordeel genoemd, blijft evenwel een niet-schenking (Cass. 10 december 2010, 5 januari 2017 en 24 maart 2017).

Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als huwelijksvoordeel, en dus niet-schenking, zowel voor volkomen als voor onvolkomen huwelijksvoordelen aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

11. De toekenning op grond van het overwogen optioneel toekenningsbeding kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

ii. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

12. Omwille van de kwalificatie als huwelijksvoordeel kan op het voordeel dat de langstlevende echtgenote zou verkrijgen krachtens het optioneel toekenningsbeding evenmin artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF worden toegepast. Dat artikel belast met erfbelasting schenkingen van roerende goederen die de erflater zou hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het optioneel toekenningsbeding zal weliswaar enkel uitwerking hebben bij overlijden van de heer X, maar van een schenking kan hoe dan ook geen sprake zijn, vermits het om een huwelijksvoordeel gaat, dus om een niet-schenking.

13. De toekenning op grond van het overwogen optioneel toekenningsbeding kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

iii. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF

14. Artikel 2.7.1.0.4 VCF belast ieder huwelijksvoordeel waarbij de langstlevende echtgenoot krachtens een beding van de huwelijksovereenkomst meer dan de helft van de gemeenschap verkrijgt.

Het optioneel toekenningsbeding heeft evenwel betrekking op eigen roerende goederen van de heer X, niet op gemeenschapsgoederen. De goederen waarop het toekenningsbeding ziet, behoren tot het eigen vermogen van de heer X en maken geen deel uit van de huwgemeenschap. De gemeenschappelijke goederen worden reeds geregeld door het bestaande keuzebeding en zullen ook worden belast op basis van dat artikel.

15. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF zijn dan ook niet vervuld voor het toekenningsbeding. Dit werd ook bevestigd door uw Dienst in voorafgaande beslissing nr. VB 25136.

iv. Geen toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF

16. Voor de heffing van erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF moeten drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

  • een kosteloze beschikking;
  • gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden;
  • waardoor een bevoordeling ontstaat die niet onderworpen is geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen.

Het optioneel toekenningsbeding houdt evenwel geen kosteloze beschikking in, zoals hierboven reeds uitgebreid toegelicht. Een huwelijksvoordeel kan niet gelijkgesteld worden met een kosteloze beschikking. Dat bevestigde ook het Hof van Cassatie (Cass. 5 januari 2017), zoals eerder aangehaald.

17. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF zijn niet vervuld. De toekenning op grond van het overwogen optioneel toekenningsbeding kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

2. De verrichting vormt geen fiscaal misbruik

18. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zogenaamde fictiebepalingen) geen toepassing vinden.

Ook het Grondwettelijk Hof stelt dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling. Enkel wanneer bepaalde verrichtingen as such niet onder het toepassingsgebied van een specifieke fiscale misbruikbepaling vallen, maar wel de doelstellingen van een specifieke antimisbruikmaatregel frustreren, kan de algemene antimisbruikbepaling wel worden aangewend.

19. Het door de aanvragers opgenomen toekenningsbeding frustreert echter geen enkele toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling. Evenmin kan daartegen de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. De aanvragers verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de hierna uiteengezette motieven.

Het voorgenomen optioneel toekenningsbeding frustreert de doelstellingen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet, omdat de echtgenoten geen schenking noch kosteloze beschikking ten voordele van mekaar en met uitwerking bij overlijden van de heer X beogen. Ze beogen een huwelijksvoordeel met zijn specifieke toepassingsvoorwaarden en civiele kwalificatie, zoals in deze aanvraag uitvoerig toegelicht. Daarom frustreert deze verrichting ook artikel 2.7.1.0.5 VCF niet, dat enkel van toepassing is op schenkingen.

De voorgenomen verrichting frustreert evenmin artikel 2.7.1.0.4 VCF, omdat het toekenningsbeding betrekking heeft op eigen goederen van de heer X, niet op gemeenschapsgoederen, en de echtgenoten sterke niet-fiscale motieven hebben voor de verrichting.

Het optioneel toekenningsbeding frustreert evenmin artikel 2.7.1.0.2 VCF. Er bestaan immers sterke niet-fiscale motieven, die de echtgenoten hierna toelichten.

20. De algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF kan dan ook niet worden toegepast op de voorgenomen verrichting. Dit werd ook bevestigd door uw Dienst in voorafgaande beslissing nr. VB 25136, waarin een gelijkaardig eenzijdig optioneel toekenningsbeding in het wettelijk stelsel werd beoordeeld en goedgekeurd.

3. Niet-fiscale motieven

21. De verrichting is niet fiscaal geïnspireerd. De echtgenoten wensen aan hun huwelijksovereenkomst een eenzijdig optioneel toekenningsbeding toe te voegen zoals toegelicht.

22. Zij wensen hun principieel wettelijk stelsel te behouden, omwille van de voordelen die dit stelsel hen sedert het begin van hun huwelijk biedt. Zij wensen een goede regeling daarin op te nemen, om invulling te geven aan hun verzorgings- en beschermingswensen jegens elkaar.

23. Het toekenningsbeding beoogt de bescherming van de langstlevende. De wet van 22 juli 2018 biedt mogelijkheden om in het wettelijk stelsel huwelijksvoordelen aan mekaar toe te kennen met civielrechtelijke voordelen die andere technieken niet bieden. Zo kan de langstlevende, door de onmiddellijke en zakelijke werking van het toekenningsbeding, vanaf het overlijden van de eerststervende in het bezit en in de volle eigendom van de toegekende goederen treden, die haar in natura worden toegekend. Dit biedt voor de langstlevende een comfortabele situatie.

De door de echtgenoten beoogde doelstelling kunnen zij niet op een andere manier en met dezelfde civielrechtelijke gevolgen bereiken; noch door de wettelijke devolutie, noch door een testamentaire beschikking, noch door een contractuele erfstelling en evenmin door een schenking.

Iedere erfrechtelijke verkrijging wordt immers louter op de nalatenschap toegekend, terwijl de echtgenoten net willen vermijden dat de eigen goederen van de heer X in de nalatenschap terechtkomen en de kinderen deze in blote eigendom zouden verkrijgen. Dergelijke voordelen zouden, indien via testament of via contractuele erfstelling of schenking buiten huwelijksovereenkomst toegekend, eenzijdig herroepen kunnen worden. Dat wensen de echtgenoten absoluut niet.

Het optioneel toekenningsbeding kan niet eenzijdig worden gewijzigd of herroepen. Het voordeel voor de langstlevende kan haar niet buiten haar weten om, noch tegen haar wil in, worden ontnomen. Dat is precies wat de echtgenoten willen.

De echtgenoten willen ook niet overwegen om via een schenking van de ene echtgenoot aan de andere, vermogenselementen van de ene naar de andere te laten overgaan. Dit zou weliswaar onherroepelijk kunnen worden bedongen, door opname ervan in de huwelijksovereenkomst. Maar dit zou een onmiddellijk effect hebben op het vermogen van de echtgenoot-schenker die veel verder reikt dan wat de echtgenoten wensen: de schenking zou immers onmiddellijk en actueel tot eigendomsoverdracht leiden. De echtgenoten willen daarentegen het eerder beschreven comfort van de langstlevende enkel verwezenlijken via overlevingsrechten, die de langstlevende enkel kan uitoefenen indien zij langer leeft.

Voordelen die in omvang gelijkaardig zouden kunnen zijn, maar die de echtgenoten mekaar via een testament, een contractuele erfstelling of een schenking (al of niet binnen huwelijksovereenkomst) zouden toekennen, zouden bovendien ook steeds in de rekenboedel (art. 4.153 BW) moeten opgenomen worden, en op het beschikbaar deel moeten aangerekend worden. Dat is met huwelijksvoordelen niet het geval. De mate waarin huwelijksvoordelen ontsnappen aan de toepassing van de regel van de inkortbaarheid en dus aan de verplichting tot aanrekening op het beschikbaar deel (met risico voor inkorting indien het beschikbaar deel zou overschreden worden) is veel ruimer dan voor giften. Zolang en voor zover de maxima of plafonds van artikel 2.3.57 BW niet zijn bereikt is er immers voor huwelijksvoordelen geen sprake van opname in de rekenboedel noch van aanrekening op het beschikbaar deel, en dus evenmin van inkortbaarheid. De echtgenoten hebben gemeenschappelijke kinderen, die deze aanrekening op het beschikbaar deel en bijgevolg de inkorting niet zullen kunnen vragen zolang en voor zover de huwelijksvoordelen die hun ouders mekaar toekennen, niet verder reiken dan, enerzijds, hun gezamenlijke aanwinsten, anderzijds, de helft van de niet-aanwinsten van de echtgenoot die als eerste zal overlijden.

Het toekenningsbeding dat de echtgenoten aan hun huwelijksstelsel willen toevoegen, laat hen toe om hun beider wensen voor het comfort van de langstlevende zeer ruim te bereiken, binnen de krijtlijnen die de civiele wet aangeeft.

Het toekenningsbeding slaat op concrete eigen roerende goederen van de heer X, waarvan beide echtgenoten willen dat de langstlevende bij zijn overlijden volkomen, onmiddellijk en louter op basis van de wilsuiting van de langstlevende, ter hare beschikking worden gesteld. De langstlevende behoudt de optie om na het overlijden genoegen te nemen met een kleiner voordeel.

24. De afwijking van artikel 2.3.22, §1, 2° BW, waarbij de vruchten, inkomsten en interesten van de eigen goederen van de heer X eigen blijven, strekt ertoe te vermijden dat gemeenschapsgelden vermengd raken met de eigen goederen, zodat het eigen karakter niet meer kan worden aangetoond bij de ontbinding van het stelsel. Deze bepaling is noodzakelijk voor de zuivere werking van het toekenningsbeding en is niet fiscaal geïnspireerd.

25. Deze civielrechtelijke motieven zijn voor de echtgenoten doorslaggevend bij hun voornemen om het toekenningsbeding, dat in deze aanvraag is vermeld met verzoek tot bevestiging van de fiscale consequentie als uiteengezet, in hun huwelijksovereenkomst op te nemen.

Geen enkele van de voorgenomen bedingen frustreert enige antimisbruikbepaling. Noch een specifieke antimisbruikbepaling, noch de algemene antimisbruikbepaling. Artikel 3.17.0.0.2 VCF kan daarom niet op deze voorgenomen verrichting worden toegepast. De echtgenoten verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de in deze aanvraag uiteengezette motieven.

Vraagstelling

26. Gelet op de feiten, gelet op de voorgenomen verrichting en de toelichting daarbij, wensen de heer en mevrouw X-Y een bevestiging te krijgen van het feit dat:

  • de toevoeging van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding (en de uitwerking ervan) niet onderworpen is aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF en geen van deze bepalingen frustreert, zodat ook de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de toevoeging van een optioneel eenzijdig toekenningsbeding (en de uitwerking ervan) geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is;
  • de toevoeging van een clausule in de huwelijksovereenkomst waarbij de vruchten, inkomsten en interesten van de eigen goederen van de heer X eigen blijven, in afwijking van artikel 2.3.22, §1, 2° BW, geen fiscaal misbruik vormt, zodat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF daarop niet toepasselijk is.

Duurtijd Voorafgaande Beslissing

27. Artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF stelt dat een beslissing wordt getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar, behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt.

Wanneer de rulingaanvraag betrekking heeft op de registratiebelasting, is deze termijn van vijf jaar ruim voldoende. Bij kwesties omtrent erfbelasting, meer bepaald de toepassing van bepaalde fictiebepalingen is dit geheel anders. De heffing zal immers – naar alle verwachting – pas vele jaren later plaatsvinden, bij overlijden van een van de echtgenoten.

Een voorafgaande beslissing inzake erfbelasting is volgens aanvragers een geval waarin het voorwerp van de aanvraag "automatisch" een langere duurtijd rechtvaardigt en vereist aldus niet dat de aanvragers expliciet de bevestiging vragen voor een langere duurtijd.

Ik begreep dat het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst is dat de verlenging van de duurtijd uitdrukkelijk moet worden gevraagd.

Ik wens dan ook voor onderhavige aanvraag een verlengde duurtijd aan te vragen, meer bepaald tot aan het overlijden van één van de echtgenoten gezien de aanvraag betrekking heeft op de uitwerking van een optioneel toekenningsbeding dat slechts uitwerking kan krijgen als het huwelijksstelsel van de echtgenoten door het overlijden van een van de echtgenoten wordt ontbonden.

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

28. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

29. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.

30. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

  • Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel.

  • Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

  • Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

  • Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

De te beoordelen verrichting

31. Volgende verrichting wordt voorgelegd die wordt verwezenlijkt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst:

De echtgenoten X-Y zijn sinds 1987 gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten, bij gebrek aan huwelijkscontract.

Op xx.xx.2016 werd voor notaris […] te […] een wijzigende huwelijksovereenkomst verleden, waarbij het wettelijk stelsel werd behouden en waarbij een keuzebeding werd toegevoegd voor de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.

Thans wensen de echtgenoten X-Y hun stelsel aan te vullen met een eenzijdig optioneel toekenningsbeding met betrekking tot bepaalde eigen goederen van de heer X. Met het toekenningsbeding verleent de heer X aan mevrouw Y, voor zover zij langer leeft, de volle en exclusieve eigendom van bepaalde eigen goederen, die in de huwelijksovereenkomst worden aangewezen.

Het beding wordt optioneel geformuleerd, zodat de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid heeft tot integrale of gedeeltelijke toekenning van de goederen, hetzij in volle eigendom, hetzij in vruchtgebruik, naar keuze van de langstlevende echtgenoot.

In het ontwerp van de voorgenomen clausules is voorzien in een passiefregeling en in zaakvervanging.

Het toekenningsbeding heeft betrekking op alle zicht-, spaar- en effectenrekeningen op naam van de heer X, voor zover de tegoeden op deze rekeningen behoren tot zijn eigen vermogen, meer bepaald de door hem verkregen gelden en activa uit erfenis of schenking, evenals de opbrengsten en wederbeleggingen daarvan.

Volgens de aanvrager heeft de heer X deze eigen goederen ontvangen ingevolge erfenis/schenking. Tot op heden hebben volgens de aanvrager op deze rekeningen geen dividenden, interesten of andere opbrengsten plaatsgevonden, zodat vermenging met gemeenschapsgelden niet aan de orde is geweest.

Om te vermijden dat gemeenschapsgelden vermengd raken met de eigen goederen wensen de echtgenoten in de huwelijksovereenkomst een bepaling op te nemen waarbij de vruchten, inkomsten en interesten van de eigen goederen van de heer X eigen blijven, in afwijking van artikel 2.3.22, §1, 2° BW.

Beoordeling

1. Onderzoek van de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF

32. De aanvragers zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Het voorgenomen toekenningsbeding heeft volgens de echtgenoten X-Y betrekking op goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over tot welk vermogen de in de aanvraag beschreven vermogensbestanddelen behoren, maar gaat in onderhavige beslissing uit van de kwalificatie die de aanvrager hieraan geeft, namelijk zijnde eigen goederen van de heer X. Indien bij overlijden blijkt dat bepaalde goederen zich in de gemeenschap van aanwinsten bevinden, zullen hierop de heffingsregels uit de VCF toegepast worden, zoals hierna uiteengezet.

33. Algemeen wordt aanvaard dat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is.

34. Het besluitvormingsorgaan merkt op dat het begrip ‘huwelijksvoordeel’ niet wettelijk gedefinieerd is, doch slechts omschreven in het kader van stelsels van gemeenschap van goederen.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel dat bovendien zakenrechtelijke werking zou hebben, van een eenzijdig optioneel toekenningsbeding van eigen goederen in een gemeenschapsstelsel, zoals in casu voorligt.

Het besluitvormingsorgaan spreekt zich evenmin uit over de rechtsgeldigheid van de voorgenomen overeenkomsten of clausules op burgerrechtelijk vlak.

In de mate bijgevolg dat het voorgenomen eenzijdig optioneel toekenningsbeding van eigen goederen burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, zal deze kwalificatie doorwerken in het fiscaal recht.

Fiscaal betekent dit dat de toekenning aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel niet behandeld wordt als een erfrechtelijke verkrijging, doch wel als een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden, meer bepaald een overeenkomst onder bezwarende titel.

35. In de mate dat het eenzijdig optioneel toekenningsbeding van eigen goederen van de ene echtgenoot in casu effectief een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking zou zijn, volgt het besluitvormingsorgaan dezelfde redenering voor de fiscale behandeling van deze verrichting.

1.1. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.2 VCF?

36. Overeenkomstig artikel 2.7.1.0.2 VCF worden met erfbelasting belast, de goederen die verkregen worden uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

De verkrijging door een langstlevende echtgenoot van een huwelijksvoordeel is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging.

37. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

1.2. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF?

38. De schenkingen van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het eenzijdig optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

39. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF.

1.3. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF?

40. De toebedeling van meer dan de helft van een gemeenschap bij overlijden wordt fiscaal, zowel voor onroerende als voor roerende goederen onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

Het eenzijdig optioneel toekenningsbeding heeft volgens de aanvrager geen betrekking op gemeenschapsgoederen, maar op goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

41. Er zal voor dit beding geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.4 VCF.

1.4. Mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF?

42. Kosteloze beschikkingen die dagtekenen vanaf 1 januari 2025, gedaan door een erflater gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden, welke niet onderworpen zijn geweest aan schenkbelasting of aan registratierechten op schenkingen worden onder de erfbelasting geplaatst op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

De burgerrechtelijke kwalificatie van het eenzijdig optioneel toekenningsbeding als huwelijksvoordeel heeft als gevolg dat dit beding ten bezwarende titel is.

43. Er zal geen toepassing gemaakt worden van artikel 2.7.1.0.5 VCF.

2. Onderzoek van fiscaal misbruik (artikel 3.17.0.0.2 VCF)

a) Algemeen

44. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan afgetoetst worden aan de algemene antimisbruikbepaling, thans vervat in art. 3.17.0.0.2 VCF. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen.

45. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

46. De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

47. De antimisbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art. 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

b) In casu

48. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten X-Y sinds 1987 gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten, bij gebrek aan huwelijkscontract.

Op xx.xx.2016 werd voor notaris […] te […] een wijzigende huwelijksovereenkomst verleden, waarbij het wettelijk stelsel werd behouden en waarbij een keuzebeding werd toegevoegd voor de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.

De aanvragers hebben twee meerderjarige gemeenschappelijke kinderen.

De echtgenoten X-Y wensen, bij wijze van hetgeen zij als huwelijksvoordeel kwalificeren, een eenzijdig optioneel toekenningsbeding te voorzien met betrekking tot bepaalde goederen behorende tot het eigen vermogen van de heer X.

Volgens de gegevens in de aanvraag heeft het toe te voegen optioneel toekenningsbeding betrekking op alle zicht-, spaar- en effectenrekeningen op naam van de heer X, voor zover de tegoeden op deze rekeningen behoren tot zijn eigen vermogen, meer bepaald de door hem verkregen gelden en activa uit erfenis of schenking, evenals de opbrengsten en wederbeleggingen daarvan.

Daarnaast wensen de echtgenoten in de huwelijksovereenkomst een bepaling op te nemen waarbij de vruchten, inkomsten en interesten van de eigen goederen van de heer X eigen blijven, in afwijking van artikel 2.3.22, §1, 2° BW. Op deze manier willen de echtgenoten vermijden dat gemeenschapsgelden vermengd raken met de eigen goederen, zodat het eigen karakter niet meer kan worden aangetoond bij de ontbinding van het stelsel.

De voorgenomen verrichtingen beogen de bescherming van de langstlevende via overlevingsrechten, op een wijze die niet eenzijdig herroepen kan worden en waarbij eventuele reservataire aanspraken van de kinderen zoveel mogelijk vermeden worden.

De aanvragers geven aan dat het tussen hen bestaande keuzebeding reeds een regeling biedt voor de gemeenschappelijke goederen. Daarnaast willen zij voor de langstlevende een bijkomende zakenrechtelijke bescherming voorzien met betrekking tot de eigen roerende goederen van de heer X.

Door de onmiddellijke en zakelijke werking dat het toekenningsbeding volgens aanvragers heeft, kan de langstlevende echtgenoot vanaf het overlijden van de eerststervende in het bezit en in de volle eigendom van de toegekende goederen treden, voor zover zij hiervoor kiest, wat voor de langstlevende een comfortabele situatie is.

49. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgelegde verrichting in casu geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

50. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Voetnoten

[1] Een kopie van de akte houdende wijziging huwelijksstelsel verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2016 werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[2] Een ontwerp van de voorgenomen wijzigingen aan de huwelijksovereenkomst werd bezorgd als bijlage bij de aanvraag.

[3] Het voorgenomen optioneel toekenningsbeding zoals opgenomen in het ontwerp van de wijzigingsakte luidt als volgt: […]

[4] De voorgenomen clausule zoals opgenomen in het ontwerp van de wijzigingsakte luidt als volgt: […]