VB 26079 - Ontbinding van een schenking en nieuwe schenking
- Nummer
26079
- Datum beslissing
5 oktober 2026
- Publicatiedatum
4 november 2026
Heffing
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.6.0.3. VCF
- art. 2.8.6.0.6. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt zich er bijgevolg toe de bevestiging te krijgen dat:
1.1. De voorgenomen ontbinding van de schenking van xx.xx.2020 niet zal zijn onderworpen aan schenkbelasting;
1.2. De nieuwe schenking zal onderworpen zijn aan de normale tarieven in de schenkbelasting, inclusief het gunstregime voor schenking van familiale vennootschappen;
1.3. De algemene misbruikbepaling niet van toepassing is op de ontbinding van de Schenking, gevolgd door de nieuwe schenking;
1.4 Een latere partiële splitsing van de familiale vennootschap waarvan de aandelen voorafgaandelijk werden geschonken met toepassing van het gunstregime familiale vennootschappen, en waarbij de bedrijfsgerelateerde onroerende goederen zullen worden overgedragen aan een nieuw op te richten vennootschap Newco tot gevolg zal hebben dat de a posteriori- controle van de voorwaarden (artikel 2.8.6.0.6, §2, VCF) voor het behoud van het gunsttarief voor familiale vennootschappen in de zin van artikel 2.8.6.0.3 §1, 2°, VCF zal worden uitgevoerd in hoofde van zowel de oorspronkelijke vennootschap als de nieuw op te richten vennootschap;
1.5. De omdeling/verdeling van een deel van het kapitaal van de familiale vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde, naar de nieuw op te richten vennootschap Newco ingevolge de partiële splitsing niet tot gevolg heeft dat het kapitaal van de familiale vennootschap wordt verminderd door uitkering of terugbetaling in de zin van artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, VCF.
2. Voor de goede orde, wordt bevestigd dat deze aanvraag er niet toe strekt thans reeds de bevestiging te krijgen dat de betrokken vennootschap kwalificeert als een familiale vennootschap noch dat bij de a posteriori controle in concreto voldaan zal zijn aan de voorwaarden tot behoud van de vrijstelling. De Aanvragers erkennen dat dit een bewijskwestie betreft waarvoor het besluitvormingsorgaan niet bevoegd is.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. De aanvraag wordt ingediend namens:
3.1. De heer X, rijksregisternummer […], wonende te […];
3.2. Mevrouw Y, rijksregisternummer […], wonende te […].
De heer en mevrouw X-Y zijn gehuwd te […] op xx.xx.1972 onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten, zoals gewijzigd met behoud van het stelsel ingevolge akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2012, en ingevolge akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2017.
3.3. De kinderen van de echtgenoten X-Y, beiden meerderjarig, te weten:
3.3.1. De heer A, rijksregisternummer […], wonende te […], weduwnaar;
3.3.2. De heer B, rijksregisternummer […], wonende te […], wettelijk samenwonend met mevrouw […].
3.4. De heer A heeft één minderjarig kind, te weten:
De heer […], rijksregisternummer […], wonende te […].
3.5. De heer B heeft twee minderjarige kinderen, te weten:
3.5.1. De heer […], rijksregister nummer […], wonende te […];
3.5.2. De heer […], rijksregisternummer […], wonende te […].
4. Zowel de heer X en mevrouw Y als hun kinderen en kleinkinderen zijn allen reeds meer dan vijf jaar inwoners van het Vlaamse Gewest.
5. De overige betrokken partij is: Naamloze vennootschap C, met zetel te […] en met ondernemingsnummer […] (hierna “NV C”).
NV C is een familiebedrijf, nu in handen van de derde generatie, gevestigd in […], dat zich toespitst op […] betreft : […].
Meer informatie over de activiteiten en haar vier bedrijfsunits is te vinden op: […].
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
6. Bij akte van xx.xx.2020 (hierna de “Schenking”) hebben de heer X en mevrouw Y samen 72.796 aandelen van NV C in volle eigendom geschonken aan hun zoon, de heer A (hierna genoemd de “Begiftigde”). Hun andere zoon, de heer B (hierna genoemd de “Begiftigde-Verwachter”) werd aangeduid als verwachter in het licht van het beding van fideïcommis de residuo (zie hierna).
Voor de volledigheid wordt vermeld dat deze schenkingsakte ter registratie werd aangeboden met toepassing van de vrijstelling voor de schenking van aandelen van familiale vennootschappen (artikel 2.8.6.0.3. §1, 2°, VCF).
De akte houdende schenking (Bijlage 1 bij de aanvraag) voorzag onder andere volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten:
- De Schenking gebeurde in volle eigendom als voorschot op erfenis;
- Een optioneel ontbindende voorwaarde van vooroverlijden van de Begiftigde, in zoverre het beding van fideïcommis de residuo (zie hierna) geen uitwerking vindt;
- Een uitsluitingsclausule, die bepaalt dat de geschonken goederen niet kunnen worden ingebracht in een huwelijksvermogen of partnerschapsvoorwaarden etc;
- Een ontbindende voorwaarde, waarbij de Schenkers de ontbinding van de Schenking kunnen vragen bij het niet naleven van de voorwaarden, lasten en modaliteiten verbonden aan de Schenking, en in geval van ondankbaarheid;
- Een beding van conventionele terugkeer, krachtens welk beding bij ontbinding of herroeping van de Schenking de geschonken goederen, hetgeen er op welk wijze dan ook (gedeeltelijk) voor in de plaats is getreden of erbij is aangewassen, terugkeert naar de Schenkers;
- Een beding van fideïcommis de residuo, krachtens welk beding hetgeen overblijft bij het overlijden van een Begiftigde zonder afstammelingen in rechte neerdalende lijn, toekomt aan de Begiftigde-Verwachter.
7. Naar aanleiding van adviezen ingewonnen door de heer A inzake zijn eigen vermogens-en successieplanning – gegeven dat hij weduwnaar is en als enige verantwoordelijk is voor zijn enige nog resterende zoon – werd ook de Schenkingsakte tegen het licht gehouden.
Hierbij werd tot de vaststelling gekomen dat de modaliteiten opgenomen in de Schenkingsakte slechts ten dele een antwoord bieden op de wensen van de Aanvragers en er met bepaalde bekommernissen van Schenkers èn Begiftigden ten tijde van de redactie van de Schenkingsakte geen rekening werd gehouden.
De Aanvragers wensen de Schenking dan ook in onderling overleg te ontbinden.
Vervolgens wensen de Schenkers opnieuw over te gaan tot een nieuwe Schenking van de aandelen, die zich ingevolge de ontbinding van de Schenking opnieuw in hun vermogen bevinden, ditmaal onder gewijzigde modaliteiten, welke op een meer allesomvattende wijze tegemoetkomen aan hun wensen.
Het is de uitdrukkelijke wens van de Aanvragers om de geschonken goederen zo veel en zo lang als mogelijk binnen de familie te houden en de overdracht aan de volgende generaties te waarborgen. Bijgevolg dringt een herevaluatie en een verfijning van de modaliteiten, zoals deze zijn opgenomen in de Schenking zich op.
8. Het tweede luik van de onderliggende aanvraag is gericht op de vennootschap NV C zelf en evoluties die zich op het niveau van de vennootschap zelf hebben voorgedaan.
Op heden zijn zowel de activiteiten als het bedrijfsvastgoed binnen de groep gecentraliseerd in de vennootschap NV C zelf.
Gelet op de sterke groei van de vennootschap en de verdere investeringen, met bijhorende financiering, die in dit kader zullen en dienen te worden gedaan, dringt zich een duidelijk onderscheid op tussen de operationele activiteiten en het beheer van het bedrijfsgerelateerd vastgoed, samen met de hierop betrekking hebbende schulden. Hiertoe zal dit bedrijfsgerelateerd vastgoed, samen met de hierop betrekking hebbende schulden, middels partiële splitsing worden overgedragen aan een in het kader van deze partiële splitsing nieuw op te richten vennootschap Newco.
Een dergelijke opdeling van de operationele activiteiten en het vastgoed zorgt er immers voor dat het vastgoed beter kan worden afgeschermd van de operationele risico’s (en vice versa) en faciliteert bovendien een duidelijke onderscheiden financiële rapportering. De Aanvragers zien het onderbrengen van de operationele activiteiten en het vastgoed in een afzonderlijke entiteit dan ook als een logische volgende stap in het groeiproces van NV C.
9. Familiale luik – aanpassingen aan de Schenking
9.1. Herformuleren van de modaliteiten van de restschenking
Zoals aangegeven is het de uitdrukkelijke wens van de Aanvragers om de geschonken goederen zo veel en zo lang als mogelijk binnen de familie te houden en de overdracht aan de volgende generaties te waarborgen.
In het licht hiervan dringt zich vooreerst in het bijzonder een aanpassing op aan het beding van fideïcommis de residuo.
In het beding van fideïcommis de residuo wordt thans bepaald dat hetgeen overblijft bij het overlijden van een Begiftigde zonder afstammelingen, wordt geschonken aan de Begiftigde-Verwachter.
Op heden heeft de Begiftigde één zoon en de Begiftigde-Verwachter twee zonen.
Deze clausule verleent de Aanvragers in haar huidige formulering op heden niet de absolute zekerheid dat de geschonken goederen, in geval van overlijden van een Begiftigde die wel afstammelingen nalaat, binnen de familie zouden blijven, en uiteindelijk aan de volgende generatie, te weten de kleinkinderen, zullen toevallen.
De Aanvragers hebben met andere woorden op heden niet de zekerheid dat het saldo (waarbij het saldo zeer waarschijnlijk nog steeds het familiebedrijf NV C zal zijn) van het geschonken vermogen uiteindelijk aan de kleinkinderen van de Schenkers zou toevallen.
Bijgevolg wensen zij het beding van fideïcommis de residuo aan te passen in de zin dat het residuair vermogen:
- in geval van overlijden van een Begiftigde die wel afstammelingen in rechte lijn nalaat, dit residuair vermogen rechtstreeks zal worden doorgeschonken aan diens respectieve afstammelingen in rechte lijn, elk voor een gelijk deel, te weten aan de kleinkinderen van de Schenkers (restschenking in rechte lijn);
- in geval van overlijden van een Begiftigde zonder afstammelingen in rechte lijn, dit residuair vermogen zal toevallen aan de Begiftigde-Verwachter, te weten de heer B, dan wel, in geval van diens vooroverlijden, aan diens afstammelingen in rechte lijn, elk voor een gelijk deel bij wijze van plaatsvervulling (restschenking in zijlijn);
- de inlassing van een herverdelingsclausule, zijnde een bepaling krachtens de welke de gelijkheid van de erfgenamen wordt gewaarborgd, indien er nieuwe afstammingsbanden worden gecreëerd in hoofde van de Begiftigde;
Zoals in de feitelijke uiteenzetting toegelicht, is de heer A weduwnaar. Het is niet uitgesloten dat hij op een bepaald ogenblik opnieuw in het huwelijk zou treden en er bijkomende afstammelingen zouden komen. Derhalve is het aangewezen een zgn. herverdelingsclausule te voorzien.
Deze clausule voorziet dat in het geval de Begiftigde, te weten de heer A, maar ook de Begiftigde-Verwachter, te weten de heer B naar de toekomst toe nog kinderen zou krijgen, de restschenking in zowel de rechte lijn als de zijlijn, haar uitwerking zal kennen, maar de kleinkinderen desgevallend een proportioneel deel van hun restschenking zullen dienen te herverdelen en af te staan aan de inmiddels nieuwgeboren broers/zussen, zodat elk kind binnen elk gezin evenveel zal krijgen en bijgevolg de gelijkheid tussen de kinderen van Begiftigde/Begiftigde-Verwachter wordt behouden en gewaarborgd.
De Aanvragers zijn zich ervan bewust dat een eventuele herverdelingsclausule na overlijden zal worden beschouwd als een derdenbeding, waarop het artikel 2.7.1.0.6 VCF van toepassing zal zijn.
Deze aanpassingen aan het beding laten toe om de geschonken goederen rechtstreeks door te plannen naar de kleinkinderen van de Schenkers, zodat een (nieuwe) partner of andere erfgenamen van de Begiftigden hierop in principe geen aanspraken kunnen maken.
In de huidige Schenking zijn er scenario’s waarbij het geschonken vermogen bij gebrek aan verdere planning door de Begiftigden zelf, deels kan toekomen aan de schoonfamilie, wat niet de bedoeling van de Schenkers is.
Het gaat in casu om een restschenking, zodat in hoofde van de Begiftigden zelf, de maximale vrijheid wordt gewaarborgd over de geschonken goederen.
9.2. Herformuleren van de ontbindende voorwaarde van vooroverlijden van de Begiftigde en beding van conventionele terugkeer
Op dit ogenblik is het beding van conventionele terugkeer gekoppeld aan de uitvoering van het beding van fideïcommis de residuo.
Het lijkt Aanvragers opportuun om de invulling hiervan – gegeven ook de vooropgestelde gewijzigde invulling van de clausule fideïcommis de residuo – anders in te vullen.
Een beding van conventionele terugkeer in geval van vooroverlijden van de Begiftigde, ongeacht of deze afstammelingen nalaat, zou de Schenkers in staat stellen de Schenking in geval van vooroverlijden van een Begiftigde, naar hun vermogen te laten terugkeren, om het van daaruit eventueel opnieuw toe te bedelen.
Dit laat de Schenkers ook toe om tijdens hun leven nog de inschatting maken of het al dan niet opportuun is om het vermogen ogenblikkelijk naar het/de betrokken kleinkind/kleinkinderen te laten doorvloeien, dan wel toch een andere invulling daar aan te geven.
9.3. Herformuleren van de ontbindende voorwaarde ingeval van niet-naleving van de voorwaarden
Op heden voorziet de Schenking in de mogelijkheid tot ontbinding in geval van niet-naleving van de voorwaarden, lasten en modaliteiten die eraan worden verbonden, evenals een herroeping in geval van ondankbaarheid.
De Aanvragers wensen een uitbreiding van de mogelijkheden tot ontbinding van de Schenking, waarbij de Schenkers de mogelijkheid wordt geboden om de Schenking te ontbinden in geval van enkele ernstige gedragingen in hoofde van de Begiftigden/Verwachters, zoals toxicomanie, alcoholverslaving, strafrechtelijke veroordeling of lidmaatschap van een sekte, in zoverre deze op een objectieve wijze worden vastgesteld.
Hoewel op heden geen enkele reden is om aan te nemen dat de Begiftigden-Verwachters, zich schuldig zouden kunnen maken aan dergelijke gedragingen, wensen de Schenkers evenwel, gelet op de jeugdige leeftijd van hun kleinkinderen, de kinderen van de Begiftigden, om in deze een bescherming in te bouwen, teneinde ook hiervoor zichzelf een bijkomende zekerheid in te bouwen dat het door hen geschonken vermogen niet teloor zou gaan.
9.4. Toevoegen van een clausule van zaakvervanging
Op heden voorziet de Schenking niet in een expliciete clausule van zaakvervanging. De zaakvervanging is doorheen de schenkingsakte in bepaalde van de onderscheiden clausules opgenomen.
Aangezien het voor Aanvragers zeer belangrijk is – mede in het licht van bijvoorbeeld de voorgenomen verrichting houdende de partiële splitsing van NV C, dat de voorwaarden, modaliteiten en lasten van toepassing op de Schenking – zonder dat hiertoe enige ruimte is voor mogelijke discussie of interpretatie – zeker van toepassing zullen zijn voor wat in de plaats van de geschonken aandelen komt, lijkt het Aanvragers aangewezen ook een generieke clausule van zaakvervanging in te lassen.
10. Luik m.b.t. de vennootschap – partiële splitsing van NV C
Zowel de bedrijfsactiviteiten als het bedrijfsvastgoed zijn op heden gecentraliseerd in NV C.
Gelet op de sterke groei van het bedrijf, en de noodzaak aan bijkomende investeringen, overwegen de Aanvragers een herstructurering van de NV C, waarbij middels een partiële splitsing het bedrijfsgebonden vastgoed van de vennootschap (met bijhorende schulden) wordt ondergebracht in een nieuw op te richten vennootschap Newco, en de operationele activiteiten worden behouden in NV C.
Deze mogelijke partiële splitsing zou als gevolg hebben dat de economische kernactiviteit van de groep wordt verdeeld over zowel NV C als de nieuw op te richten vennootschap Newco. Meer specifiek zal Newco de aanwezige onroerende goederen ter beschikking stellen van NV C met het oog op de uitvoering en de verderzetting van de exploitatie van NV C.
Teneinde onverwachte gevolgen bij het doorvoeren van deze partiële splitsing te vermijden, wordt ook deze verrichting voorgelegd aan uw Dienst, teneinde de bevestiging te verkrijgen dat het gunstregime met betrekking tot familiale vennootschappen, bij het doorvoeren van een eventuele partiële splitsing van NV C noch geheel, noch gedeeltelijk zou verloren gaan, en dat bijgevolg, mits voldaan wordt aan de voorwaarden tot behoud van dit gunstregime, geen schenkbelasting zal verschuldigd zijn indien de voorgenomen partiële splitsing zou worden gerealiseerd binnen de drie jaar na de schenking.
III. Motivering van de aanvraag
11. Familiale luik
11.1. De ontbinding van de Schenking
11.1.1. Een Schenking kan mits wederzijdse toestemming van partijen worden ontbonden
De vraag rijst of de Schenking, omwille van het gegeven dat de voorwaarden ervan bij nader nazicht niet geheel overeenstemmen met de noden en wensen van de Aanvragers, kan worden ontbonden en opnieuw kan worden uitgevoerd, ditmaal onder gewijzigde voorwaarden en modaliteiten die nauwer aansluiten met de wensen en noden van de betrokkenen.
Deze vraag menen de Aanvragers positief te mogen beantwoorden. Civielrechtelijk kan immers worden gesteld dat een schenking een overeenkomst is [1], onderworpen aan de regels van het verbintenissenrecht, behoudens toepassing van eventuele bijzondere regels die ervan afwijken.
Partijen kunnen aldus met wederzijdse toestemming op grond van het artikel 5.70 nieuw Burgerlijk Wetboek te allen tijde een tussen hen gesloten overeenkomst herroepen.
Bijgevolg hebben zij civielrechtelijk het recht om in onderling overleg te beslissen dat zij niet langer door de betrokken overeenkomst (in casu de Schenkingsakte van xx.xx.2020) wensen gebonden te zijn.
Voor een correcte ontbinding van de overeenkomst volstaat het bijgevolg dat Schenkers, de Begiftigde en de Begiftigde-Verwachter het allen eens zijn om de Schenking in onderling overleg te ontbinden, zoals in deze het geval is.
11.1.2. De ontbinding van de Schenking is niet belastbaar in hoofde van het artikel 2.8.1.0.1 VCF
Art. 2.8.1.0.1.VCF bepaalt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een Schenking onder de levenden.”
De Aanvragers menen dat het artikel 2.8.1.0.1 VCF niet van toepassing is op de ontbinding van de Schenking. Uw Administratie heeft eerder eveneens in die zin besloten in haar voorafgaande beslissing nummer 19048 [2] en haar voorafgaande beslissing 22048 [3].
Het ontbinden van de Schenking heeft als gevolg tussen partijen dat de geschonken goederen zonder tegenprestatie ex tunc terugkeren naar het vermogen van de Schenkers.
Of deze terugkeer van goederen naar het vermogen van de Schenkers desgevallend kan worden ge(her)kwalificeerd als een schenking door de Begiftigden aan de Schenkers, hangt af van de concrete omstandigheden. Om te kunnen besluiten tot een herkwalificatie van de ontbinding als schenking, dient eerst en vooral te worden onderzocht of alle constitutieve bestanddelen van een schenking aanwezig zijn.
In casu zou de ontbinding van de Schenking enkel en alleen geschieden vanuit de bedoeling om deze Schenking te vervangen door een nieuwe, aangepaste schenking, beter aansluitend bij de noden van de familie. Bijgevolg is duidelijk dat in hoofde van de Begiftigden elke animus donandi ontbreekt bij de teruggave van de oorspronkelijk geschonken goederen aan het vermogen van de Schenkers.
Civielrechtelijk ontbreekt bijgevolg een constitutieve voorwaarde van de schenking, zodat van een (her)kwalificatie in die zin geen sprake kan zijn.
Aangezien het artikel 2.8.1.0.1 VCF verwijst naar het civielrechtelijk begrip “schenking”, volgt het fiscaal recht onvermijdelijk de civielrechtelijke definitie, en kan in deze de ontbinding fiscaalrechtelijk evenmin als een schenking worden ge(her)kwalificeerd bij gebrek aan begiftigingsinzicht.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst, voor de goede orde, te bevestigen dat de ontbinding van de Schenking van xx.xx.2020 niet ge(her)kwalificeerd wordt als een nieuwe Schenking, en het artikel 2.8.1.0.1 VCF bijgevolg geen toepassing kan vinden.
11.1.3. De nieuwe Schenking is belastbaar onder de gewone tarieven van de schenkbelasting van toepassing in het Vlaams Gewest en desgevallend ook van het gunstregime van artikel 2.8.6.0.3 VCF kan genieten, in zoverre aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan.
De Aanvragers menen dat de nieuwe schenking is onderworpen aan de gewone tarieven van de schenkbelasting in Vlaanderen overeenkomstig het artikel 2.8.1.0.1 VCF en desgevallend ook kan worden genoten van het gunstregime van het artikel 2.8.6.0.3 VCF in zoverre aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan.
Aansluitend op de ontbinding van de Schenking wensen de Schenkers een nieuwe schenking te doen van de aandelen van de NV C, met de hiervoor geschetste aangepaste modaliteiten, welke bij notariële akte zal worden verleden voor een Belgische notaris. De Schenkers bevestigen dat zij sinds meer dan 5 jaar inwoners zijn van het Vlaams Gewest.
De Aanvragers menen dat deze nieuwe schenking, net als de te ontbinden Schenking, zal worden onderworpen aan de gewone tarieven schenkbelasting in het algemeen, zoals deze van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest, en in het bijzonder aan het gunstregime geldend voor de schenking van familiale vennootschappen, zoals vastgelegd in het artikel 2.8.6.0.3 VCF, mits wordt voldaan aan de voorwaarden opgelegd door deze bepalingen. De vraag naar de concrete beoordeling van de toepassing van het vrijstellingsregime maakt, zoals aangegeven, niet het voorwerp uitmaakt van onderhavige Aanvraag. Hiertoe zal afzonderlijk een attest van vrijstelling van schenkbelasting voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen worden aangevraagd.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst dan ook te bevestigen dat de nieuwe schenking zal onderworpen zijn aan de normale tarieven zoals deze gelden in de Vlaamse schenkbelasting, met inbegrip van het gunstregime voor familiale vennootschappen, zoals vastgelegd in artikel 2.8.6.0.3 VCF.
11.1.4. De algemene bepaling inzake fiscaal misbruik
Art. 3.17.0.0.2. VCF bepaalt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst tevens te bevestigen dat de voorgenomen verrichtingen, zijnde de ontbinding en de nieuwe schenking, niet vallen binnen het toepassingsgebied van de algemene rechtsmisbruikbepaling van het artikel 3.17.0.0.2 VCF.
De Aanvragers zijn van oordeel dat het geheel van de verrichtingen op geen enkele wijze de doelstellingen van de bepalingen van de VCF frustreert.
Voor zover de Vlaamse Belastingdienst zou menen dat er wel degelijk sprake is van frustratie van de doelstelling van de bepalingen van de VCF, wijzen Aanvragers erop dat het geheel van de verrichtingen die zij beogen is ingegeven door andere dan fiscale motieven, zoals hierboven uiteengezet.
De meer doorgedreven visie op de transgenerationele vermogensplanning van de Aanvragers, heeft ertoe geleid dat de Aanvragers tot het besef zijn gekomen dat de modaliteiten en de bewoording zoals deze zijn opgenomen in de Schenking, niet afdoende overeenstemmen met de wensen, de noden en verwachtingen van de Aanvragers.
De Schenkers hebben de intentie om over te gaan tot een nieuwe schenking, onder lasten, voorwaarden en modaliteiten die beter aansluiten bij de wensen en verwachtingen van de Aanvragers met betrekking tot het behoud van het patrimonium binnen de familie.
De aanpassing van de Schenking zou de Aanvragers meer zekerheid verschaffen dat de geschonken goederen worden overgedragen aan de volgende generaties, en het vermogen, doorheen vele jaren zorgvuldig opgebouwd door de Schenkers, zo lang als thans voorzienbaar is, in de familie kan blijven.
Zo verschaft de uitbreiding van het beding van fideïcommis de residuo naar de/het kleinkind(eren) toe de zekerheid dat, wanneer een Begiftigde zonder afstammelingen als laatste zou komen te overlijden, het restvermogen alsnog binnen de familie, te weten bij de kleinkinderen van de Schenkers terecht zou komen, indien deze Begiftigde zelf geen regelingen zou hebben getroffen aangaande deze goederen omwille van een plotse onbekwaamheid, onverwacht overlijden of andere op heden onvoorziene gebeurtenissen.
Tevens behoedt deze uitbreiding de Schenkers ervoor dat een deel van het vermogen ongewild terecht kan komen bij de schoonfamilie, wat niet de bedoeling is.
Daarenboven wordt voorzien in de mogelijkheid tot herverdeling, in geval er in de komende jaren nog kleinkinderen zouden worden geboren, zodat te allen tijde de gelijkheid tussen de kinderen van de Begiftigde blijft gewaarborgd.
Daarenboven stelt de vooropgestelde uitbreiding van de mogelijkheden tot ontbinding van de schenking door de Aanvragers, hen in de gelegenheid om, wanneer op een objectieve wijze kan worden vastgesteld dat hetzij de Begiftigden, hetzij de Begiftigde-Verwachters het verkeerde pad opgaan, het nodige te doen teneinde het geschonken vermogen te vrijwaren.
Gelet op de jeugdige leeftijd van het/de kleinkind(eren), geeft deze uitbreiding van de mogelijkheden tot ontbinding van de Schenking de Schenkers de nodige gemoedsrust, dat zij in voorkomend geval dadelijk kunnen ingrijpen.
Ten slotte zorgt de herformulering van de ontbindende voorwaarde en conventionele terugkeer voor afstemming van het geheel van de akte op de gewijzigde invulling van de fideïcommis de residuo en de inlassing van een afzonderlijke clausule van zaakvervanging voor meer duidelijkheid en dus zekerheid voor Aanvragers.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst dan ook te willen bevestigen dat het geheel van de verrichtingen geen frustratie van de doelstellingen van de VCF inhoudt en deze aldus buiten het toepassingsgebied van de algemene rechtsmisbruikbepaling van het artikel 3.17.0.0.2 VCF valt en, mocht uw Dienst al van oordeel zijn dat artikel 3.17.0.0.2 VCF toepassing kan vinden (quod non in casu) er voor de voorgenomen verrichtingen voldoende niet-fiscale motieven voorhanden zijn.
12. Luik m.b.t. de vennootschap
12.1. Beoordeling van de voorwaarden tot behoud van het gunstregime bij een eventuele partiële splitsing
Artikel 2.8.6.0.6, §2 luidt als volgt:
“§2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §2, 2°;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
3° voor elk van de drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.””.
De omzendbrief nr. 2015/2 van 15 december 2015 betreffende de overdracht van familiale ondernemingen en vennootschappen verduidelijkt daarbij onder titel 5 dat in geval van splitsing of fusie in de drie jaren na de schenking of het overlijden de a posteriori-controle in hoofde van alle bij de reorganisatie betrokken vennootschappen zal gebeuren:
‘In geval van splitsing of fusie in de drie jaren voorafgaand aan de schenking of het overlijden, waardoor geen (geconsolideerde) jaarrekening voorhanden is, gebeurt de controle van de parameters op basis van de afzonderlijke gepubliceerde jaarrekeningen van de bij de reorganisatie betrokken vennootschappen.
In geval van splitsing of fusie in de drie jaren na de Schenking of het overlijden zal de a posteriori controle op gelijkaardige wijze gebeuren.’
De omzendbrief verduidelijkt verder dat indien voor een vennootschap de gunstmaatregel werd genoten en deze vennootschap nadien gesplitst wordt in twee vennootschappen, elk van deze vennootschappen aan de voorwaarden zal dienen te blijven voldoen opdat de gunstmaatregel zou worden behouden.
Bijgevolg zal in casu moeten worden nagegaan of zowel NV C als de nieuw op te richten vennootschap Newco aan de voorwaarden blijven voldoen opdat het gunstregime behouden kan blijven.
NV C blijft na de doorvoering van de partiële splitsing een actieve familiale vennootschap, met als voornaamste activiteiten het ontwikkelen en creëren van hoogwaardige kunststofoplossingen, zoals geschetst in de feitelijke uiteenzetting.
Ook de nieuw op te richten vennootschap Newco zal voormelde activiteiten dienen, meer specifiek door het verhuren van de afgesplitste bedrijfsactiva aan de andere groepsvennootschappen.
Noch in NV C noch in de Newco wordt er residentieel vastgoed aangehouden. Uw Dienst aanvaardde reeds in het verleden dat indien er sprake is van de verhuring van bedrijfsgebouwen aan één of meerdere verbonden vennootschappen die deel uitmaken van dezelfde groep (intragroepsverhuur), er sprake was van een kwalificerende activiteit. Dit werd ook zo bevestigd in de rechtspraak [4].
De omzendbrief 2015/2 bepaalt uitdrukkelijk in titel 2.2.3 dat de verhuur van onroerende goederen binnen de groepsstructuur in aanmerking kan komen als kwalificerende activiteit.
De Aanvragers zijn van mening dat het gegeven dat de omzendbrief louter de gewone splitsing als voorbeeld geeft, daar geen afbreuk aan doet. Eerder werd door Uw Dienst reeds in diezelfde zin geoordeeld [5].
12.2. De partiële splitsing heeft geen impact op de beoordeling van de voorwaarde inzake het behoud van kapitaal
Eveneens gedurende drie jaar vanaf de datum vanaf de authentieke akte van de schenking mag het kapitaal van NV C niet dalen door uitkeringen of terugbetalingen ingevolge artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, a) VCF.
Ingeval van een belastingneutrale partiële splitsing in toepassing van artikel 211, §1, WIB92, wordt de verkrijgende vennootschap Newco, overeenkomstig de bepalingen van artikel 213 WIB92, geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van NV C te hebben overgenomen of verkregen evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste gedane inbreng. Een omdeling van de fiscale vermogensbestanddelen conform het bepaalde in artikel 213 WIB92 is één van de voorwaarden van een belastingneutrale partiële splitsing.
Het kapitaal van NV C zal ingevolge de partiële splitsing deels worden overgeheveld – evenredig met de fiscale nettowaarde van het vermogen dat wordt afgesplitst – naar Newco.
Deze omdeling van het kapitaal is evenwel geen vermindering van het kapitaal door “uitkeringen” of “terugbetalingen” in de zin van artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, a) VCF.
Het kapitaal wordt immers verdeeld tussen de partieel te splitsen vennootschap (NV C) en de verkrijgende vennootschap (Newco). De aandeelhouders van de partieel te splitsen vennootschap verkrijgen ingevolge de partiële splitsing duidelijk geen uitkering of terugbetaling van het kapitaal van de vennootschap. Het volledige kapitaal blijft behouden, evenwel verdeeld over NV C en Newco en wordt door deze (familiale) vennootschappen aangewend ter verwezenlijking van hun activiteiten.
Bijgevolg zijn de Aanvragers de mening toegedaan dat de omdeling van het kapitaal ingevolge de partiële splitsing geen invloed zal hebben op het (volledige) behoud van het gunstregime voor familiale vennootschappen.
De partiële splitsing dient als een neutrale handeling te worden beschouwd, waarbij de a posteriori-controle van de voorwaarde inzake behoud van kapitaal (artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, a) VCF) moet worden uitgevoerd in hoofde van de oorspronkelijke vennootschap NV C én de nieuw op te richten vennootschap Newco.
Indien blijkt dat het kapitaal van één van deze vennootschappen toch zou dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de periode van drie jaar na de authentieke schenkingsakte van aandelen NV C, heeft dit niet het volledige verval van de vrijstelling tot gevolg. In voorkomend geval zal voor het bedrag van het kapitaal dat wordt uitgekeerd of terugbetaald het normaal tarief inzake de schenkbelasting van toepassing zijn.
13. BESLUIT
Uit voorgaande blijkt duidelijk dat de ontbinding van de Schenking van xx.xx.2020, in onderling overleg tussen de Schenkers en de Begiftigden, met het oog op het uitvoeren van een nieuwe schenking van de aandelen, nadat deze ingevolge ontbinding zijn teruggekeerd naar het vermogen van de Schenkers, niet is onderworpen aan de schenkbelasting uit het artikel 2.8.1.0.1 VCF.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst dit te willen bevestigen.
Voorts blijkt tevens duidelijk dat een nieuwe schenking van de aandelen, die ingevolge de ontbinding zijn teruggekeerd naar het vermogen van de Schenkers, is onderworpen aan de gewone tarieven van de schenkbelasting zoals deze van toepassing zijn in Vlaanderen, tenzij kan worden genoten van het gunstregime van het artikel 2.8.6.0.3 VCF, zoals in casu het geval is.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst dit te willen bevestigen.
Daarnaast blijkt duidelijk dat de voorgenomen verrichtingen, zijnde de ontbinding van de Schenking en de nieuwe schenking, de doelstellingen van de VCF op geen enkele wijze frustreren, zodat het geheel van de verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken overeenkomstig het artikel 3.17.0.0.2 VCF en er, voor zoveel als nodig, bovendien andere dan fiscale motieven aan de basis liggen van deze verrichtingen.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst dit te willen bevestigen.
Tot slot blijkt dat een omdeling van het vermogen van NV C ingevolge een partiële splitsing waarbij het bedrijfsgebonden vastgoed wordt ondergebracht in een nieuw op te richten vennootschap, geen aanleiding geeft tot verlies van het gunstregime van artikel 2.8.6.0.3 VCF voor de schenking van de aandelen voor zover de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.6 VCF gedurende drie jaar na de datum van de authentieke akte van de nieuwe schenking vervuld blijven in hoofde van beide vennootschappen, noch dat deze omdeling van het kapitaal gelijkgesteld kan worden met een vermindering van het kapitaal door “uitkeringen” of “terugbetalingen” in de zin van artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, a) VCF.
De Aanvragers verzoeken uw Dienst dit te willen bevestigen.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
14. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
15. De Vlaamse Belastingdienst doet geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.
16. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”
- Artikel 2.8.6.0.3 VCF:
“§ 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van de schenkbelasting vrijgesteld:
1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1°/1;
2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen. De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.
In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder:
1° familiale onderneming: een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de schenker of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap: een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden;
3° aandelen:
a) naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° familie van de schenker of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°:
a) de partner van de schenker of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
b) de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
c) de zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
d) de kinderen van broers en zussen van de schenker of aandeelhouder.
§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.”;
- Artikel 2.8.6.0.6 VCF:
“§1. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 1°, wordt behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
2° als de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.
§2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, §2, 2°;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
3° voor elk van de drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.”;
- Artikel 3.17.0.0.2. VCF:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”.
17. Op de wederoverdracht van de roerende goederen naar aanleiding van de ontbinding, met instemming van alle partijen, van de op xx.xx.2020 gedane schenking zal geen Vlaamse schenkbelasting worden geheven aangezien de aanvragers aanbrengen dat niet alle constitutieve elementen van een schenking aanwezig zijn (bij gebrek aan begiftigingsinzicht).
18. Er zal onmiddellijk na de ontbinding een nieuwe schenking van de roerende goederen, in casu de aandelen (die zich ingevolge de ontbinding van de schenking opnieuw in het vermogen van de schenker bevinden) plaatsvinden, ditmaal met gewijzigde modaliteiten, lasten, voorwaarden en restschenking ten voordele van de Begiftigde-Verwachter en de/het kleinkind(eren) van de Schenkers. Op de nieuwe schenking zal de schenkbelasting worden geheven (art. 2.8.1.0.1 VCF).
19. Het besluitvormingsorgaan kan zich niet uitspreken over het feit of voldaan zal zijn aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF in deze specifieke casus, aangezien ze geen bewijsmiddelen kan beoordelen.
Met het oog op de rechtszekerheid kan een (voorafgaand) attest aangevraagd worden om na te gaan of op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker al dan niet aan de voorwaarden van artikel 2.8.6.0.3 VCF is voldaan. Dit attest leidt niet automatisch tot een vrijstelling van de schenkbelasting. Het recht op vrijstelling moet op het ogenblik van de schenking beoordeeld worden.
20. Ingeval van partiële splitsing van de vennootschap die het gunstregime van 2.8.6.0.3 VCF heeft genoten gebeurt de controle bij de bij de splitsing betrokken vennootschappen. De omdeling/verdeling van een deel van het kapitaal van de familiale vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde, naar de nieuw op te richten vennootschap Newco ingevolge de partiële splitsing heeft niet tot gevolg dat het kapitaal van de familiale vennootschap wordt verminderd door uitkering of terugbetaling in de zin van artikel 2.8.6.0.6, §2, 4°, VCF.
21. Het beding van fideicommis de residuo, ook genoemd schenking met restschenking, wordt aangepast. De restschenking is een dubbele schenking in twee fasen:
- In de eerste fase gebeurt er een dadelijke schenking van bepaalde goederen aan een eerste begiftigd.
- Er gebeurt een toekomstige schenking aan een tweede begiftigde. Deze toekomstige schenking is onderworpen aan de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de eerste begiftigde en het overleven van de tweede begiftigde en heeft betrekking op hetgeen bij het overlijden van de eerste begiftigde nog overblijft van de in de eerste fase aan deze begiftigde door de schenker geschonken goederen.
22. Als de eerste begiftigde komt te overlijden, en de tweede begiftigde is nog in leven, wordt de restschenking actueel (tweede fase). Op dat moment wordt er dus schenkbelasting opeisbaar op de tweede schenking. De heffing op tweede schenking moet als volgt gebeuren:
- het toepasselijke tarief van de schenkbelasting is dat wat van kracht was op de datum waarop de tweede begiftigde de restschenking heeft aanvaard, volgens de verwantschap tussen de schenker en de tweede begiftigde;
- de belastbare grondslag moet worden bepaald op de datum van het overlijden van de eerste begiftigde. Er moet m.a.w. worden bepaald welke van de in de eerste fase geschonken goederen op die datum nog in zijn vermogen aanwezig zijn en wat de verkoopwaarde ervan is op diezelfde datum. Op de nieuwe schenking zal de schenkbelasting worden geheven (art. 2.8.1.0.1 VCF) tenzij er van een vrijstelling kan worden genoten.
23. De omstandigheid dat de actuele schenking zou kwalificeren voor de vrijstelling in de schenkbelasting voor de schenking van aandelen van een familiale vennootschap (art. 2.8.6.0.3 VCF) betekent niet noodzakelijk dat de restschenking eveneens voor de vrijstelling zal kwalificeren.
24. De voorgenomen verrichtingen maken geen fiscaal misbruik uit in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.
Voetnoten
[1] R. BARBAIX, Het contractuele statuut van de Schenking, Antwerpen, Intersentia, 2008, 3, nr 2.
[2] Voorafgaande Beslissing nr. 19048 de dato 4 november 2019
[3] Voorafgaande Beslissing nr. 22048 de dato 5 december 2022
[4] Gent, 19 november 2024 (rolnummer 2023/AR/712).
[5] Voorafgaande Beslissing nr. 25115 de dato 12 januari 2026 en Voorafgaande beslissing nr. 21030 de dato 25 mei 2021