Gedaan met laden. U bevindt zich op: Verval aangifteplicht andere erfopvolgers op het ogenblik dat in gebreke gebleven erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden hun verplichtingen nakomen Vlaamse Belastingdienst

Verval aangifteplicht andere erfopvolgers op het ogenblik dat in gebreke gebleven erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden hun verplichtingen nakomen

Rechtspraak
Nummer

23/1577/A

Datum beslissing

4 november 2025

Publicatiedatum

14 januari 2026

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Voorlopig

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 3.18.0.0.9. VCF
  • art. 3.3.1.0.5, §1 VCF

Samenvatting

De betwisting draait in essentie om de vraag hoe, voor de aangifte van de erfbelasting, moest worden gehandeld bij het overlijden van L met betrekking tot de goederen uit zijn nalatenschap. Dit aangezien er onenigheid bestond tussen enerzijds zijn twee kinderen K en W (reservataire erfgenamen) en anderzijds zijn zus M (legataris ten algemene titel voor een derde in volle eigendom).

De vereffening-verdeling van de nalatenschap van de erflater verliep moeizaam als gevolg van (i) de klacht met burgerlijke partijstelling die K en W lastens (o.a.) M op 12 maart 2013 indienden omwille van valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken, oplichting en misbruik van vertrouwen en (ii) de procedure gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap waarbij K en W de inkorting van alle schenkingen die tot aantasting van hun reserve hebben geleid vorderden en vroegen om het eigenhandig testament ten aanzien van M zonder voorwerp te verklaren.

De rechtbank merkt op dat ze geen uitspraak doet over de burgerrechtelijke/erfrechtelijke kwesties die tussen de kinderen en de zus van de erflater werden gevoerd. Alle opmerkingen van de partijen op dit punt zijn naast de kwestie en worden niet ontmoet. Dit geschil betreft enkel de vraag hoe de erfgenamen en de legataris ten algemene titel dienden te handelen voor doeleinden van de erfbelasting en over de aanslag in de erfbelasting die op naam van M werd gevestigd.

Bij het vestigen van de betwiste aanslag werd een belastingverhoging van 219.112,34 EUR (20 %) opgelegd. De belastingverhoging werd opgelegd wegens niet indiening van aangifte door M.

Krachtens het eerste lid van 3.3.1.0.5, § 1 VCF rust de verplichting tot indiening van de aangifte op de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden. De indiening van de aangifte door deze personen is verplichtend van rechtswege en moet spontaan gebeuren zonder dat de tot indiening gehouden personen daartoe effectief worden aangemaand.

Alle andere erfopvolgers, zoals de legatarissen en begiftigden onder algemene titel, zijn in principe, niet gehouden tot het indienen van de aangifte van nalatenschap. Enkel in geval van stilzitten van de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden kan de administratie zich wenden tot de andere erfopvolgers, waarvoor de indieningsplicht niet van rechtswege bestaat, d.w.z. dat deze laatsten slechts tot indiening verplicht zijn nadat ze daartoe door de administratie bij aangetekende brief werden aangemaand.

De aanmaning is noodzakelijk om:

  1. de aangifteplicht te doen ontstaan;
  2. de termijn van een maand waarbinnen deze aangifte moet ingediend worden te doen lopen;
  3. de andere erfopvolgers de mogelijkheid te geven om een aangifte in te dienen.

De aangifteplicht van de andere erfopvolgers houdt op te bestaan op het ogenblik dat de in gebreke gebleven erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden hun verplichtingen nakomen (zie en vergelijk DECUYPER, J., RUYSSEVELDT, J., Successierechten, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen 2021, p. 2103, randnr. 4494).

In casu rustte de verplichting om de aangifte in te dienen op K en W (als erfgenamen). M was als legataris ten algemene titel slechts verplicht om een aangifte in te dienen (a) wanneer K en W hun aangifteplicht niet vervulden en (b) nadat ze door de administratie werden aangemaand om een aangifte in te dienen.

De administratie heeft M bij brief van 6 augustus 2019 aangemaand om op uiterlijk 10 september 2019 een aangifte in te dienen.

Aangezien de erfgenamen K en W op 6 augustus 2019 een gezamenlijke aangifte indienden, verviel op dezelfde datum de verplichting tot aangifte in hoofde van M, aldus de rechtbank.

Dit betekent dat de administratie bij het vestigen van de betwiste aanslag op 24 september 2019 geen belastingverhoging van 20 % wegens verzuim van aangifte van goederen mocht opleggen.

De belastingverhoging van 219.112,34 EUR (20 %) dient te worden ontheven.