Moet er een EPC opgemaakt worden?

Eerst moet nagegaan worden of er wel een EPC moet opgemaakt worden.

Welk EPC?

Uit de EPC-wegwijzer of het toepassingsgebied volgt dat een EPC nodig is?
Volg dan de onderstaande werkwijze om te bepalen welk(e) EPC(’s) moeten opgesteld worden. Deze werkwijze staat ook beschreven in ‘Wegwijs in het EPC per gebouw(eenheid)(PDF bestand opent in nieuw venster)’.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • een EPC dat wordt opgesteld voor een gebouweenheid, zoals een appartement, woning, collectief woongebouw of (kleine) niet-residentiële eenheid
  • een EPC dat wordt opgemaakt voor (de gemeenschappelijk beheerde delen van) een appartementsgebouw.

Hieronder vindt u de stappenplannen waarmee u bepaalt welk EPC moet opgemaakt worden.

EPC per gebouweenheid

Per gebouweenheid moet een EPC opgesteld worden.

Om te weten of er een EPC voor een woning, winkel, appartement, kantoor, … moet opgemaakt worden, worden een aantal stappen doorlopen. ​​​​​​

  • Stap 1

    Vaak zijn de contouren van een gebouw duidelijk.

    Echter in sommige gevallen, bijvoorbeeld bij gebouwencomplexen of gebouwen met opslagmagazijnen of meerdere functies, is het niet altijd in één oogopslag duidelijk hoe de opdeling in gebouwen moet gebeuren.

    Kijk hiervoor eerst naar de ingetekende situatie van het Gebouwenregister en pas bij twijfel de beslissingsregels voor gebouwafbakening toe.

  • Stap 2

    De definitie van een gebouweenheid is vastgelegd in het Energiebesluit:

    “Een gebouweenheid is de kleinste eenheid binnen een gebouw die geschikt is voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden en die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde circulatieruimte. Een gebouweenheid is in functioneel opzicht zelfstandig.”

      Gaat het niet om een aparte gebouweenheid, dan kan en mag er sowieso geen apart EPC voor opgemaakt worden.

    • Stap 3

      Eenmaal vastgesteld is dat een gebouwdeel effectief een aparte gebouweenheid is, wordt de hoofdstemming van de gebouweenheid bepaald.

      De hoofdbestemming bepaalt welk type EPC moet opgemaakt worden.

      • Residentieel: bestemd voor (collectieve) bewoning
      • Industrie: bestemd voor de productie, de bewerking, de opslag of manipulatie van goederen, zoals herstelplaatsen voor voertuigen (auto, tram, trein), industriële bakkerijen en slachterijen, datacentra, drukkerijen, textielfabrieken, brouwerijen.
      • Landbouw: gebouw(deel) in een landbouwbedrijf dat niet voor bewoning bestemd is
      • Niet-residentieel: niet-residentiële, niet-industriële en niet-landbouw bestemming.

      Voor eenheden met hoofdbestemming ‘Industrie’ of ‘Landbouw’ kan er geen EPC opgemaakt worden.

    • Stap 4A

      Voor gebouweenheden bestemd voor wonen, kan een EPC Residentieel worden opgemaakt voor:

      • Eengezinswoning: Een (eengezins)woning is een gebouw bestaande uit één residentiële gebouweenheid
      • Appartement: Een appartement is een residentiële gebouweenheid in een gebouw met meerdere gebouweenheden
      • Collectief woongebouw: een residentiële gebouweenheid waarbij verschillende personen buiten gezinsverband wonen met uitzondering van welzijns-of gezondheidsvoorzieningen, internaten in een onderwijsinstelling, slaap-, verblijf-en leefruimtes in kazernes, religieuze gebouwen en penitentiaire voorzieningen.

      Een erkende welzijns- en gezondheidsinstelling beschikt over een HCO nummer (Health Care Organisation nummer). Of een instelling een erkende welzijns- of gezondheidsinstelling is, kunt u opzoeken(opent in nieuw venster). Erkende welzijns- en gezondheidsinstellingen hebben bestemming niet-residentieel.

    • Stap 4B

      Voor alle niet-residentiële eenheden kan vanaf 2023 een EPC Niet Residentieel (EPC NR) opgemaakt worden.

      Kleine niet-residentiële eenheden hebben dus vanaf 2023 de keuze om ofwel een EPC kNR ofwel een EPC NR te laten opmaken.

      Definitie kleine niet-residentiële eenheid:

      Een kleine niet-residentiële eenheid is een gebouweenheid die voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

      • Een niet-residentiële (hoofd)bestemming
      • De eenheid is klein: de bruikbare vloeroppervlakte van de gebouweenheid (BVO) ≤ 500 m²
      • De gebouweenheid is geen deel van een groot niet-residentieel geheel: het aaneengesloten geheel van niet-residentiële gebouweenheden binnen hetzelfde gebouw waarvan de gebouweenheid deel uitmaakt, heeft een bruikbare vloeroppervlakte die niet groter is dan 1000 m² en bevat geen niet-residentiële eenheid die groter dan 500 m² is.

        Raadpleeg de werkwijze en voorbeelden over de bepaling van het aaneengesloten geheel van niet-residentiële gebouweenheden.

      Bovenvermelde voorwaarden worden in detail besproken in de definitie van kleine niet-residentiële eenheid. Ga de voorwaarden na en bekijk ook de voorbeelden.

      • Als aan alle voorwaarden is voldaan, moet een EPC Klein Niet-Residentieel (EPC kNR) opgemaakt worden.
      • Vanaf 2023 heeft men de keuze om ofwel een EPC Niet-Residentieel (EPC NR) ofwel een EPC kNR te laten opmaken.
      • Is niet aan alle voorwaarden voldaan, dan moet men vanaf 2023 een EPC NR laten opmaken.

    EPC per gebouw

    Per gebouw met minstens 2 residentiële gebouweenheden moet één EPC Gemeenschappelijke Delen opgemaakt worden.

    In een appartementsgebouw kunnen ook niet-residentiële gebouweenheden aanwezig zijn, zoals een winkel, kantoor, apotheek, medische praktijk, kapperszaak …

    Deze niet-residentiële gebouweenheden zijn deel van het appartementsgebouw en zitten dus ook vervat in het EPC dat wordt opgemaakt van de gemeenschappelijk beheerde delen van een appartementsgebouw.

    Het EPC Gemeenschappelijke Delen wordt opgemaakt per gebouw.

    Het is dus belangrijk om te controleren wat de gebouwafbakening is én of deze overeenkomt met de gebouwafbakening in het Gebouwenregister.

    • Zonder bouwplannen of toegang tot het gebouw kan men meestal aan de hand van de combinatie van enkele uiterlijke kenmerken (= indicatieve criteria) inschatten of een constructie uit één of meerdere gebouwen bestaat.
    • Als de indicatieve parameters aantonen dat de gebouwafbakening in het Gebouwenregister mogelijks niet correct is, dan kunnen de bouwplannen en/of toegang tot het gebouw meer duidelijkheid brengen. De beslissingsregels van het Gebouwenregister zijn dan van toepassing.
    • Beide werkwijzen zijn opgenomen in handige stappenplannen, evenals de aanpak bij fouten of ontbrekende gegevens in het Gebouwenregister.

    Het is niet de VME-structuur die bepaalt hoeveel EPC’s Gemeenschappelijke Delen er moeten opgemaakt worden, aangezien de VME-structuur kan afwijken van de opdeling in gebouwen. Het het aantal gebouwen dat onderscheiden wordt door het Gebouwenregister bepaalt hoeveel EPC’s GD er moeten opgemaakt worden.

    Ook interessant