Gedaan met laden. U bevindt zich op: Metadata: ILO-werkloosheidsgraad ILO-werkloosheidsgraad

Metadata: ILO-werkloosheidsgraad

Verantwoordelijke entiteit

Steunpunt Werk (in opdracht van departement WEWIS)

Metadatafiche laatste update

11-03-2026

Opmerkingen bij de kwaliteit

Bevraging (Enquête naar de Arbeidskrachten/Labour Force Survey): De enquête naar de arbeidskrachten (EAK) is een sociaal-economische steekproefenquête bij huishoudens. Haar voornaamste doelstelling is de populatie van 15 tot 89 jaar op te delen in 3 groepen (werkende personen, werklozen en niet-beroepsactieve personen), en over elk van deze categorieën beschrijvende en verklarende gegevens te verstrekken.

De doelpopulatie (die overeenkomt met de extrapolatietotalen) is samengesteld uit alle huishoudens die getrokken worden uit het Rijksregister (zonder het wachtregister, maar met alle personen die legaal op het grondgebied wonen wat ook hun nationaliteit is). Al deze huishoudens mogen getrokken worden, behalve: de collectieve huishoudens (zoals onder andere gevangenissen en bejaardentehuizen), de huishoudens ingeschreven onder ‘letter 9’ (referentieadres voor diplomaten of militairen op missie voor een langere tijd, beschermde getuigen, ...), de huishoudens waarvan alle leden de leeftijd van 89 jaar bereikt hebben, de huishoudens waarvan de referentiepersoon getrokken werd tijdens één van de 10 voorgaande trimesters.

In het Vlaamse Gewest werden in de periode 1999-2016 jaarlijks gegevens verzameld van ongeveer 20.000 huishoudens en 50.000 personen (huishoudleden).

Vanaf 2017 worden elk kwartaal 6.750 huishoudens geselecteerd voor een 1ste bevraging. Daarna worden de huishoudens aangeschreven om deel te nemen aan een 2de, 3de of 4de bevraging. In 2017 namen met de nieuwe methode 15.000 tot 18.000 Vlaamse huishoudens en 35.000 tot 43.000 personen deel.

Voor meer info zie de website van Statbel(opent in nieuw venster).

De enquête wordt al sinds 1983 gehouden en heeft een continue bevraging sinds 1999. De cijfers hebben tot en met 1998 betrekking op het 2de kwartaal van ieder jaar. Sinds 1999 wordt er gewerkt met jaargemiddelden omwille van de overschakeling naar een continue enquête in plaats van enkel een bevraging tijdens het 2de kwartaal.

Statistische populatie

Leden van privé-huishoudens tussen 15 en 89 jaar oud. De doelpopulatie (die overeenkomt met de extrapolatietotalen) is samengesteld uit alle huishoudens die getrokken worden uit het Rijksregister (zonder het wachtregister, maar met alle personen die legaal op het grondgebied wonen wat ook hun nationaliteit is).

Referentiegebied EAK: België. Voor de statistieken gepubliceerd door Statistiek Vlaanderen wordt een selectie gemaakt van het Vlaamse Gewest.

Jaargemiddelde.

Variabelen

ILO-werkloosheidsgraad: het aandeel van de werkloze bevolking in de beroepsbevolking van 15 tot 64 jaar, volgens de bepalingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).

Het onderwijsniveau wordt ingedeeld aan de hand van het hoogst behaalde diploma van de respondent; deze indeling komt overeen met de internationaal geldende ISCED-indeling (International Standard Classification of Education). Tussen 2013 en 2014 is er een breuk in de EAK-cijfers door de overschakeling van ISCED 1997 naar ISCED 2011 die ook gebruikt is voor de bepaling van het onderwijsniveau in de andere Europese landen:

  • kort- of laaggeschoolden zijn de personen zonder einddiploma van het secundair onderwijs (ISCED 1997: 0-2; ISCED 2011: 0-2)
  • middengeschoolden zijn de personen met een diploma van het secundair onderwijs van de 3de graad, samen met de personen in het bezit van een diploma postsecundair niet-hoger onderwijs (ISCED 1997: 3- 4; ISCED 2011: 3-4)
  • hooggeschoolden zijn de personen met een diploma hoger onderwijs (inclusief voortgezette universitaire opleiding en een doctoraat met proefschrift) (ISCED 1997: 5-6; ISCED 2011: 5-8).

Bewerkingen

Het Steunpunt Werk beschikt over de microdata (opgevraagd bij Statbel) en berekent voor Statistiek Vlaanderen (in opdracht van departement WEWIS) al de Vlaamse Openbare Statistieken op basis van de EAK. Meer info over de berekening van deze cijfers kan je terugvinden in het methodologisch rapport(opent in nieuw venster) van het Steunpunt Werk.

Accuraatheid

Volgens Statbel brengt elke steekproefenquête bepaalde soorten fouten (van zeer verscheiden aard of statuut) met zich mee op het gebied van de resultaten (of schattingen):

  • steekproeffouten te wijten aan het toevallige karakter van de trekking (waarbij, door louter toeval, een mogelijk verschil optreedt tussen de resultaten van een steekproef en de resultaten van een volledige volkstelling),
  • dekkingsfouten (in de steekproefbasis, het Rijksregister, ontbreken onrechtmatig verblijvende personen en diplomaten; om praktische redenen worden ook de dunst bevolkte statistische sectoren (minder dan 0,15% van de populatie) niet gedekt door de enquête),
  • fouten te wijten aan het non-responsfenomeen (gezinnen die vaak verhuizen zullen minder waarschijnlijk geënquêteerd worden, wat de resultaten kan vertekenen),
  • observatiefouten (technische fouten, coderingsfouten, verkeerde verklaringen van de respondent, …) die men eveneens kan vaststellen bij exhaustieve enquêtes (tellingen).

Statbel stelt echter vast dat, naarmate men een gedetailleerdere classificatie van de resultaten nastreeft, de relatieve kans op toevalsfouten groter wordt: de schattingen van zeer geringe deelgroepen ondergaan dan dusdanige toevallige schommelingen dat ze uiteindelijk slechts moeilijk interpreteerbaar worden. In praktijk moet elke schatting met minder dan 5.000 individuen met grote voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.

Er werd getracht bij Statbel de precisie van de ramingen uit de enquête met een zekere betrouwbaarheid te schatten. Doorgaans werkt men met een 95% betrouwbaarheidsinterval rondom de schatting.

Omwille van kwaliteitsproblemen in de steekproef in Vlaams-Brabant beschouwt Statbel de gegevens voor die provincie voor de periode 2021-2024 als onvoldoende betrouwbaar. De impact op de cijfers voor het Vlaams Gewest en België blijft volgens Statbel beperkt en is niet groter dan de breedte van het betrouwbaarheidsinterval. Meer informatie kunt u over dit specifiek probleem vinden op: https://statbel.fgov.be/sites/default/files/files/documents/Werk%20%26%20opleiding/9.2%20Arbeidsmarkt/9.2.0%20Emploi%20et%20ch%C3%B4mage/250508_Nota_EAK_gebruikers_NL.pdf(PDF bestand opent in nieuw venster).

Vergelijkbaarheid

De data zijn vergelijkbaar met de andere regio’s (gewesten) van België. Daarnaast zijn er ook voor sommige reeksen provinciale cijfers mogelijk.

De data zijn ook internationaal vergelijkbaar op EU-landen niveau (en sommigen zelfs tot op NUTS 1-regio niveau). De data van de Europese landen zijn onderling (goed) vergelijkbaar omwille van de Europese coördinatie (door Eurostat) van de bevraging (bijvoorbeeld sterk gelijkende vragenlijsten, gebruik van gelijke definities en classificaties).

De (meeste) gegevens zijn beschikbaar vanaf 1983. Er zitten zowel tijdreeksbreuken in de Belgische cijfers als in de Europese cijfers. Zie ook het beknopt methodologisch rapport(PDF bestand opent in nieuw venster) van het Steunpunt Werk.

In de cijfers voor België en de gewesten zit een tijdreeksbreuk tussen 1998 en 1999. Dit omwille van 3 redenen:

− Er is een breuk omwille van een verandering in de vragenlijst. Om beter te kunnen voldoen aan internationaal geldende definities van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO – International Labour Organisation), werd de vraag naar de arbeidssituatie sterk gewijzigd. Dit impliceert een essentieel verschil in de manier waarop bepaald wordt of iemand al dan niet aan het werk is. Tot en met 1998 werd de respondent zelf gevraagd om zijn socio-economische positie aan te duiden. Vanaf 1999 is de ruimte voor deze subjectieve invulling veel kleiner, en wordt iemand reeds als werkende omschreven op het moment dat hij in de afgelopen week reeds één uur betaalde arbeid presteerde.

− Daarnaast is er ook een breuk in de tijdreeks tussen 2000 en 2001 omwille van een verandering in de berekening van de ILO-statuten. Vanaf 2001 worden de personen die langer dan 3 maanden in loopbaanonderbreking zijn niet meer bij de werkenden geteld.

− De cijfers hebben tot en met 1998 betrekking op het 2de kwartaal van ieder jaar. Vanaf 1999 wordt er gewerkt met jaargemiddelden omwille van de overschakeling naar een continue enquête in plaats van enkel een bevraging tijdens het 2de kwartaal.

In de jaren voorafgaand aan 2011 werd de vraag of de respondent op zoek is naar werk niet expliciet gelinkt aan een bepaalde periode of tijdspanne. Vanaf 2011 heeft de vraag betrekking op de referentiemaand waardoor een deel van de werklozen verschoven is naar de niet-beroepsactieven. Aangezien deze vraag één van de criteria is om te bepalen of een niet-werkend persoon ILO-werkloos of inactief is, zijn de resultaten over de werkloze en inactieve bevolking vanaf 2011 niet volledig vergelijkbaar met voorgaande jaren.

In 2017 werd de Enquête naar de Arbeidskrachten grondig hervormd. Zo wordt vanaf 2017 met een roterend panel gewerkt, worden verschillende dataverzamelingsmodi gebruikt en werd de weegmethode herzien. Dit zorgt voor een breuk in de resultaten, waardoor de cijfers volgens de oude methode niet meer vergelijkbaar zijn met deze volgens de nieuwe methode. Zie ook de nota(PDF bestand opent in nieuw venster) op de website van Statbel.

Als gevolg van een nieuw Europees kaderreglement (EU-verordening 2019/1700) dat van toepassing is op de dataverzameling van verschillende enquêtes in het domein van sociale statistieken werd er in 2021 een grondige hervorming doorgevoerd in de EAK met als doel de vergelijkbaarheid op Europees niveau te verhogen:

− volledige herziening van de variabelenlijst.

− meer uniforme manier van meten van bepaalde essentiële concepten, zoals arbeidsmarktstatuut en arbeidsduur.

− betere vertegenwoordiging van de oudere populatie.

− Vanaf 2021 zijn er wijzigingen aangebracht in de classificatie van personen met een job die afwezig zijn in de referentieweek:

o Personen die reeds langer dan 3 maanden ononderbroken tijdelijk werkloos zijn, worden niet langer tot de werkenden gerekend. Deze methodologische wijzing resulteert in België voor het eerste kwartaal van 2021 bij de 20- tot 64-jarigen tot 9.700 extra werklozen en 66.700 extra niet-beroepsactieven, ten koste van 76.400 werkenden.

o Personen die meer dan 3 maanden met ouderschapsverlof zijn en een RVA-uitkering ontvingen worden vanaf heden tot de werkenden gerekend.

o Seizoenarbeiders worden nu ook tot de werkenden gerekend wanneer zij buiten het seizoen regelmatig taken en opdrachten uitvoeren in het kader van hun baan of zelfstandige activiteit (met uitzondering van de naleving van hun wettelijke en administratieve verplichtingen).

Vooral de eerste wijziging heeft belangrijke gevolgen, zeker in tijden van crisis. Zo heeft de Covid-19-crisis een belangrijke invloed op de werkzaamheidsgraad. Vooral in het eerste kwartaal van 2021 zorgde dit voor een duidelijk lagere werkzaamheidsgraad, door een sterk aantal tijdelijke werklozen met duurtijd hoger dan 3 maanden. Sindsdien is het aantal tijdelijk werklozen en de intensiteit van de tijdelijk werkloosheid afgenomen, waardoor het effect van de methodologische wijziging stelselmatig afnam. Kijk voor meer informatie over de wijzigingen in de EAK in 2021(opent in nieuw venster) naar de website van Statbel.

Ook in 2024 werd de Belgische vragenlijst gewijzigd: de bevraging voor niet-formeel leren werd uitgebreid om meer in lijn te zijn met de Adult Education Survey (AES). Dit gaf aanleiding tot een breuk in de resultaten met betrekking tot opleidingsdeelname. In een uitgebreide nota(PDF bestand opent in nieuw venster) gaat Statbel verder in op de Belgische verbeteringen in de vragenlijst.

Niettegenstaande de data van de Europese landen onderling goed vergelijkbaar zijn, blijven er onvermijdelijk verschillen bestaan tussen de landen in de enquête, onder andere door een verschil in de overschakeling van een kwartaalbevraging naar een continue bevraging. Deze overschakeling leidt ook tot tijdreeksbreuken. Eurostat geeft per indicator per land aan waar er een tijdreeksbreuk is. Een overzicht van deze tijdreeksbreuken(opent in nieuw venster) in de verschillende landen kunt u vinden op de website van Eurostat.

De voorliggende openbare statistiek kan ook gemeten en berekend worden via de Vlaamse Arbeidsrekening (VAR)(opent in nieuw venster) die berekend wordt door het Steunpunt Werk. Met de Vlaamse Arbeidsrekening krijgt men zicht op belangrijke arbeidsmarktindicatoren op het niveau van België, haar gewesten, provincies, referentieregio’s en gemeenten op basis van administratieve data.

Een andere alternatieve bron vormt de VDAB die een werkzoekendengraad berekent op basis van administratieve gegevens: https://arvastat.vdab.be/burgers_basisstatistieken.html(opent in nieuw venster). Ook hier zijn (Vlaamse) gegevens beschikbaar tot op gemeentelijk niveau en voor een aantal gemeenten zelfs tot op wijkniveau.

Nog een andere (federale) bron is de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) die de (administratieve) werkloosheidscijfers aanbiedt op verschillende niveaus: Belgisch, regionaal, …, gemeentelijk niveau. Zie https://www.rva.be/statistieken(opent in nieuw venster).

Naar de statistiek