Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Bijna 8% van werknemers heeft tijdelijk arbeidscontract

In 2021 lag het aandeel werknemers van 20 tot 64 jaar met een in het Vlaamse Gewest op 7,8%. Dat aandeel daalde van 8,4% in 1999 tot 6,0% in 2012. Het steeg daarna tot 8,4% in 2019, gevolgd door een lichte daling in 2020 en 2021.

Hoogste aandeel contracten van bepaalde duur, sterkste stijging bij studentenarbeid

De werknemers met een tijdelijk arbeidscontract kunnen worden opgesplitst naar de aard van het tijdelijk contract.

In 2021 had 54,4% van de werknemers met een tijdelijk arbeidscontract een contract van bepaalde duur of voor een bepaald werk. In 1999 was dat nog 64,2%.
Het aandeel werknemers in uitzendarbeid of met een interimcontract steeg van 18,4% in 1999 tot 27,9% in 2019, maar daalde weer tot 24,6% in 2021.
In 2021 had 2,7% van de werknemers een arbeidscontract in het kader van een opleiding, tegenover 6,5% in 1999.

Het aandeel van de studentencontracten steeg de voorgaande jaren sterk, van 7,7% in 2017 tot 16,4% in 2021. In de periode daarvoor schommelde het aandeel tussen 1,3% en 4,7%.

Hoger aandeel met tijdelijk arbeidscontract bij vrouwen

Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract schommelde bij mannen in het Vlaamse Gewest tussen 1999 en 2013 rond 5%. Daarna steeg dat aandeel tot 7,6% in 2019, gevolgd door een lichte daling tot 6,9% in 2021.

Bij vrouwen daalde het aandeel werknemers met een tijdelijk contract van 12,2% in 1999 tot 6,9% in 2013. Daarna steeg het aandeel tot 9,3% in 2018, maar het zakte weer tot 8,7% in 2021.

In 2021 lag het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract bij vrouwen bijna 1,8 procentpunten hoger dan bij mannen. In 1999 bedroeg dat verschil nog 6,5 procentpunten.

Veel hoger aandeel met tijdelijk arbeidscontract bij jongeren

Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract lag met 16,6% in 2021 veel hoger bij de 20- tot 34-jarigen dan bij de andere leeftijdsgroepen. Dat was het geval in de hele periode 1999-2021 en het verschil nam door de sterke stijging tussen 2013 en 2017 nog toe.

Bij de 35- tot 49-jarigen daalde het aandeel met een tijdelijk contract van 5,3% in 1999 tot 3,3% in 2012. Daarna steeg het aandeel tot 5,1% in 2018, maar daalde weer tot 4,1% in 2021.

Bij de 50- tot 64-jarigen steeg het aandeel eerst van 2,9% in 1999 tot 4,3% in 2007, gevolgd door een daling tot 2,5% in 2012. Daarna klom het aandeel weer naar 4,1% in 2019, opnieuw gevolgd door een daling tot 3,3% in 2021.

Meer tijdelijke arbeidscontracten bij laaggeschoolden

In 2021 lag het aandeel laaggeschoolde werknemers van 25 tot 64 jaar met een tijdelijk arbeidscontract op 7,9%, tegenover 6,7% in 1999. Het aandeel kende in de periode 1999-2021 vrij grote schommelingen.

Bij middengeschoolde personen bedroeg het aandeel met een tijdelijk contract in 2021 4,8% en bij hooggeschoolden 5,7%. Bij beide groepen daalde het aandeel tot in de periode rond 2009, gevolgd door een stijging gedurende enkele jaren en een nieuwe daling in 2020-2021. De schommelingen in de periode 1999-2021 waren minder groot dan bij laaggeschoolden.

Hoogste aandeel tijdelijke arbeidscontracten bij alleenstaanden met kinderen

Het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste lag in 2021 op 8,1%, tegenover 6,4% in 2012. Bij alleenstaanden met kinderen schommelde dat aandeel in de periode 2012-2021 rond 10%. Met een aandeel van 11,3% kende deze groep in 2021 het hoogste cijfer van alle huishoudtypes.

Van de koppels zonder kinderen had in 2021 6,5% een tijdelijk contract, tegenover 5,2% in 2012. Bij koppels met kinderen steeg het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract van 5,6% in 2012 tot 7,3% in 2019, maar daalde weer tot 6,3% in 2021.

Lager aandeel werkenden met tijdelijk arbeidscontract bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

In 2021 lag het aandeel werkenden met een tijdelijk arbeidscontract bij personen met hinder tijdens hun dagelijkse bezigheden wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem op 6,4%. Het aandeel schommelde vrij sterk in de periode 2009-2021.

Bij personen zonder hinder steeg het aandeel werkenden met een tijdelijk arbeidscontract van 5,9% in 2009 tot 7,8% in 2019, maar daalde weer tot 7,1% in 2021.

Hoger aandeel met tijdelijk contract bij werknemers geboren buiten de EU

In 2021 lag het aandeel met een tijdelijk arbeidscontract bij werknemers geboren in België in 2021 op 7,2%, tegenover 6,3% in 2007.

Werknemers geboren in een ander land van de Europese Unie (EU27) hebben relatief vaker een tijdelijk contract (10,7% in 2021). Dit is iets hoger dan in 2007 (9,9%). De curve vertoont wel grote schommelingen tijdens de periode 2007-2021.

Bij werknemers geboren buiten de Europese Unie lag het aandeel met een tijdelijk contract in 2021 op 12,1%, tegenover 16,0% in 2007. Het aandeel schommelde tussen 2007 en 2020 rond 15% tot 16%. Het aandeel lag in de hele periode hoger dan bij de 2 andere groepen, maar het verschil werd beduidend kleiner in 2021.

Aandeel tijdelijke contracten in Vlaams Gewest ver onder EU-gemiddelde

In 2021 lag het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract in het Vlaamse Gewest (7,8%) lager dan in het Waalse Gewest (10,4%), in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (14,3%) en in België in zijn geheel (9,2%).

In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werknemers met een tijdelijk contract in 2021 gemiddeld op 13,0%, veel hoger dan in het Vlaamse Gewest. Spanje kende met 24,7% het hoogste aandeel werknemers met een tijdelijk contract, gevolgd door Nederland (23,1%) en Portugal (16,7%). Estland (1,5%) had het laagste percentage met een tijdelijk contract, voorafgegaan door Litouwen (1,8%) en Roemenië (2,3%).