Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Ruim 75% van 20- tot 64-jarigen aan het werk

In 2021 lag de bij de bevolking van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest op 75,3%. Dat betekent dat 75,3% van de 20- tot 64-jarigen in dat jaar betaalde arbeid verrichtte. De werkzaamheidsgraad is tussen 1999 en 2019 toegenomen van 67,9% tot 75,5%. In 2020 was er een lichte daling tegenover 2019, gevolgd door een lichte stijging in 2021.

Vanaf 2021 worden personen die meer dan 3 maanden tijdelijk werkloos zijn omwille van economische redenen (met inbegrip van de maatregelen ter bestrijding van de Covid-19-pandemie) niet meer als werkend beschouwd. Als zij toch meegerekend zouden worden bij de werkenden zou de werkzaamheidsgraad in 2021 0,5 procentpunt hoger liggen.

Werkzaamheidsgraad sterker gestegen bij vrouwen dan bij mannen

De werkzaamheidsgraad bij mannen lag in 2021 op 78,6%. Dat is duidelijk hoger dan bij vrouwen (71,9%). Bij vrouwen steeg de werkzaamheidsgraad tijdens de afgelopen jaren wel sterker dan bij mannen. Bij mannen lag de werkzaamheidsgraad in 1999 op 77,4%, bij vrouwen op 58,1%.

Laagste werkzaamheidsgraad maar sterkste stijging bij 55-plussers

De werkzaamheidsgraad van personen van 55 tot 64 jaar lag in de hele periode van 1999 tot 2021 veel lager dan die van de andere leeftijdsgroepen. De werkzaamheidsgraad van de groep van 55 tot 64 jaar steeg wel het sterkst: van 23,9% in 1999 tot 57,0% in 2021.

Bij de 45- tot 54-jarigen steeg de werkzaamheidsgraad van 68,9% in 1999 tot 85,3% in 2021 en bij de 35- tot 44-jarigen van 84,2% in 1999 tot 87,3% in 2021.

Bij jongeren van 20 tot 34 jaar daalde de werkzaamheidsgraad van 77,6% in 1999 tot 73,5% in 2021.

Laagste werkzaamheidsgraad bij laaggeschoolden

In de hele periode zijn er grote verschillen naar onderwijsniveau. De werkzaamheidsgraad bij laaggeschoolden van 25 tot 64 jaar bedroeg 51,2% in 2021, tegenover 52,0% in 1999. Bij middengeschoolde personen lag de werkzaamheidsgraad in 2021 op 77,2%, ongeveer even hoog als in 1999 (77,4%). Bij hooggeschoolden bedroeg de werkzaamheidsgraad in 2021 88,8%, iets hoger dan in 1999 (87,5%).

Hoogste werkzaamheidsgraad bij koppels met kinderen

In 2021 lag de werkzaamheidsgraad bij alleenstaanden zonder kinderen ten laste op 69,9%. In 2012 ging het om 66,8%. Bij alleenstaanden met kinderen schommelde de werkzaamheidsgraad tussen 2012 en 2017 rond 65%. Daarna steeg hun werkzaamheidsgraad tot 72,9% in 2019, maar daalde die weer vrij fors tot 63,1% in 2021.

Koppels zonder kinderen hadden in 2021 een werkzaamheidsgraad van 71,9%, tegenover 61,5% in 2012. Bij koppels met kinderen steeg de werkzaamheidsgraad van 79,8% in 2012 tot 82,3% in 2019, gevolgd door een lichte daling tot 81,3% in 2021. De werkzaamheidsgraad van deze groep lag in de periode 2012-2021 veel hoger dan bij de andere huishoudtypes.

Lage werkzaamheidsgraad bij personen met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem

In 2021 lag de werkzaamheidsgraad bij personen met hinder in hun dagelijkse bezigheden wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem op 49,2%, tegenover 37,5% in 2009. Bij personen zonder hinder steeg de werkzaamheidsgraad van 76,0% in 2009 tot 81,2% in 2019, maar daalde daarna tot 80,2% in 2020 en 2021.

Lagere werkzaamheidsgraad bij personen geboren buiten de Europese Unie

In 2021 lag de werkzaamheidsgraad bij personen geboren buiten de Europese Unie (EU27) op 59,8%, tegenover 62,0% in 2019. In 2007 ging het om 52,0%. Bij personen geboren in België steeg de werkzaamheidsgraad van 73,1% in 2007 tot 76,8% in 2021. Personen die in een ander EU27-land zijn geboren, hadden in 2021 een werkzaamheidsgraad van 77,8%, tegenover 64,2% in 2007.

Vlaamse werkzaamheidsgraad iets boven EU-gemiddelde

In 2021 lag de Vlaamse werkzaamheidsgraad (75,3%) duidelijk hoger dan in de andere gewesten. In het Waalse Gewest ging het om 65,2%, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om 62,2% en in België in zijn geheel om 70,6%.

In de Europese Unie (EU27) bedroeg de werkzaamheidsgraad in 2021 gemiddeld 73,1%. Het Vlaamse Gewest scoort dus iets hoger dan het EU-gemiddelde. Nederland (81,7%) kende de hoogste werkzaamheidsgraad, gevolgd door Zweden (80,7%) en Tsjechië (80,0%). In Griekenland werd de laagste werkzaamheidsgraad genoteerd (62,6%), voorafgegaan door Italië (62,7%) en Roemenië (67,1%).