Gedaan met laden. U bevindt zich op: Bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit Inkomen en armoede

Bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit

Gepubliceerd op 17 maart 2026 • Volgende update: maart 2027
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Volgens de EU-SILC-enquête van 2025 leefde 6,7% van de bevolking tot en met 64 jaar van het Vlaamse Gewest in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. Dat komt overeen met ongeveer 345.000 personen. Het gaat om huishoudens waarin de volwassenen niet of slechts in beperkte mate deelnemen aan de arbeidsmarkt.

De indicator voor lage werkintensiteit werd uitgewerkt in het kader van de opvolging van de Europa 2030-strategie en wijkt licht af van de indicator die eerder werd gebruikt in het kader van de Europa 2020-strategie. Bij de bepaling van de werkintensiteit van een huishouden werd de afbakening van de actieve bevolking namelijk uitgebreid van 59 jaar naar 64 jaar. Beide indicatoren leveren echter nauwelijks verschillende resultaten op.

De jaartallen in de figuur slaan op het jaar waarin de enquête wordt afgenomen. De werkintensiteit wordt berekend op basis van het aantal gewerkte maanden in het jaar voorafgaand aan de enquête.

De EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend gewijzigd. Daardoor zijn vergelijkingen tussen de jaren voor en na 2019 niet mogelijk. In 2020 en 2021 werd de dataverzameling aangepast door de Covid-19-crisis. Vergelijkingen tussen de jaren 2020-2021 en andere jaren vereisen daardoor extra voorzichtigheid.

Ruim de helft van de werklozen leeft in huishouden met zeer lage werkintensiteit

Er is geen verschil naar geslacht in het aandeel personen dat leeft in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. Naar leeftijd is er wel een verschil: 14% van de 50- tot 64-jarigen leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit, wat beduidend hoger is dan in de jongere leeftijdsgroepen.

Naar huishoudtype is het aandeel het hoogst bij alleenstaanden (24%) en bij eenoudergezinnen (13%).

Naar arbeidsstatus komt zeer lage werkintensiteit het vaakst voor bij werklozen (52%). Bij niet-actieven (buiten gepensioneerden) gaat het om 23%.

Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit ligt hoger bij huurders (17%) dan bij eigenaars (4%).

Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit daalt naarmate het opleidingsniveau stijgt: van 17% bij laaggeschoolden naar 4% bij hooggeschoolden.

Ten slotte verschilt het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit duidelijk naar geboorteland. In 2025 ging het om 6% bij personen geboren in België, tegenover 13% bij personen geboren buiten de Europese Unie.

Aandeel in zeer lage werkintensiteit hoogst in provincie Oost-Vlaanderen

Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2025 het hoogst in de provincie Oost-Vlaanderen (9%) en het laagst in Vlaams-Brabant (5%).

Aandeel met zeer lage werkintensiteit in Vlaams Gewest lager dan in andere gewesten en lager dan het EU27-gemiddelde

In 2025 bedroeg het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit in het Vlaamse Gewest 7%. Dat ligt duidelijk lager dan in het Waalse Gewest (15%) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (22%). Voor België als geheel kwam het aandeel in 2025 uit op 11%.

Cijfers voor 2025 zijn nog niet voor alle EU-landen beschikbaar.

In 2024 leefde in de 27 lidstaten van de Europese Unie (EU27) gemiddeld 8% van de bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. België kende met 11% het hoogste aandeel personen in een huishouden met lage werkintensiteit van alle EU27-landen. Ook Denemarken kende een aandeel van 11%. Duitsland volgt met een aandeel van 10%. In het Vlaamse Gewest lag het aandeel op 7%, in het Waalse Gewest op 16% en in het Brusselse Gewest op 20%.

In verschillende Oost-Europese landen en in een aantal Baltische staten lag het aandeel in 2024 onder het EU27-gemiddelde. In Slovenië werd het laagste aandeel opgetekend (4%).