Bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit
Ruim de helft van de werklozen leeft in huishouden met zeer lage werkintensiteit
Er is geen verschil naar geslacht in het aandeel personen dat leeft in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. Naar leeftijd is er wel een verschil: 14% van de 50- tot 64-jarigen leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit, wat beduidend hoger is dan in de jongere leeftijdsgroepen.
Naar huishoudtype is het aandeel het hoogst bij alleenstaanden (24%) en bij eenoudergezinnen (13%).
Naar arbeidsstatus komt zeer lage werkintensiteit het vaakst voor bij werklozen (52%). Bij niet-actieven (buiten gepensioneerden) gaat het om 23%.
Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit ligt hoger bij huurders (17%) dan bij eigenaars (4%).
Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit daalt naarmate het opleidingsniveau stijgt: van 17% bij laaggeschoolden naar 4% bij hooggeschoolden.
Ten slotte verschilt het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit duidelijk naar geboorteland. In 2025 ging het om 6% bij personen geboren in België, tegenover 13% bij personen geboren buiten de Europese Unie.
Aandeel in zeer lage werkintensiteit hoogst in provincie Oost-Vlaanderen
Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2025 het hoogst in de provincie Oost-Vlaanderen (9%) en het laagst in Vlaams-Brabant (5%).
Aandeel met zeer lage werkintensiteit in Vlaams Gewest lager dan in andere gewesten en lager dan het EU27-gemiddelde
In 2025 bedroeg het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit in het Vlaamse Gewest 7%. Dat ligt duidelijk lager dan in het Waalse Gewest (15%) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (22%). Voor België als geheel kwam het aandeel in 2025 uit op 11%.
Cijfers voor 2025 zijn nog niet voor alle EU-landen beschikbaar.
In 2024 leefde in de 27 lidstaten van de Europese Unie (EU27) gemiddeld 8% van de bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. België kende met 11% het hoogste aandeel personen in een huishouden met lage werkintensiteit van alle EU27-landen. Ook Denemarken kende een aandeel van 11%. Duitsland volgt met een aandeel van 10%. In het Vlaamse Gewest lag het aandeel op 7%, in het Waalse Gewest op 16% en in het Brusselse Gewest op 20%.
In verschillende Oost-Europese landen en in een aantal Baltische staten lag het aandeel in 2024 onder het EU27-gemiddelde. In Slovenië werd het laagste aandeel opgetekend (4%).
Bronnen
- Statbel:
- Eurostat: