Bevolking in subjectieve armoede
Subjectieve armoede hoogst bij werklozen, huurders en eenoudergezinnen
Naar geslacht en leeftijd waren er in 2025 geen significante verschillen in subjectieve armoede.
Naar huishoudtype lag het aandeel personen in subjectieve armoede bij eenoudergezinnen (18%) hoger dan bij koppels zonder kinderen.
Naar arbeidsstatus werd het hoogste aandeel vastgesteld bij werklozen (27%) en niet-actieven (exclusief gepensioneerden) (17%).
Huurders maken vaker dan eigenaars deel uit van een huishouden dat aangeeft moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen (23% tegenover 6%).
Het aandeel in subjectieve armoede neemt af naarmate het opleidingsniveau stijgt: bij laaggeschoolden bedroeg dit in 2025 15%, tegenover 5% bij hooggeschoolden.
Subjectieve armoede in Vlaams Gewest lager dan in andere gewesten en EU-gemiddelde
In 2025 leefde in België als geheel 16% van de bevolking in een huishouden dat aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen. In het Vlaamse Gewest lag dit aandeel (9%) duidelijk lager dan in het Waalse Gewest (22%) en in het Brusselse Gewest (29%).
Cijfers voor 2025 zijn nog niet voor alle EU-landen beschikbaar. In de EU27 als geheel lag het aandeel personen in subjectieve armoede in 2024 op 17% van de bevolking. België situeerde zich in dat jaar rond het EU27-gemiddelde. Het aandeel in het Vlaamse Gewest (11%) lag ook in 2024 lager dan in het Waalse Gewest (23%) en in het Brusselse Gewest (31%).
In Nederland, Duitsland, Luxemburg, Finland, Estland en Zweden lag het aandeel personen in subjectieve armoede in 2024 het laagst (rond of onder 10%), terwijl dit aandeel in Griekenland veruit het hoogst lag (67%).
Bronnen
- Statbel:
- Eurostat: