Heffing

  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

Vlaamse Codex Fiscaliteit

  • 2.7.1.0.3.
  • 2.7.1.0.5.
  • 2.8.1.0.1.
  • 2.8.4.1.1.
  • 3.17.0.0.2.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe bevestiging te krijgen dat:

1.1. Het voorgelegde kanscontract tussen de echtgenoten rechtsgeldig is en kwalificeert als kanscontract onder bezwarende titel;

1.2. Het afsluiten van het voorgelegde kanscontract niet onderworpen zal worden aan schenkbelasting en dat aldus de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1, §2 VCF niet van toepassing zullen zijn;

1.3. Het afsluiten van het voorgelegde kanscontract niet onderworpen zal worden aan erfbelasting en dat aldus de fictiebepalingen van artikel 2.7.1.0.3 VCF en 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing zullen zijn;

1.4. Het afsluiten van het voorgelegde kanscontract geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF nu er ook niet-fiscale motieven aan de grondslag liggen van de vooropgestelde verrichtingen.

2. De Aanvragers verzoeken uitdrukkelijk, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1, VCF, dat, gelet op het voorwerp van de aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoeken zij om een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het overlijden van één van hen beiden.

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door de heer […], notaris te […], namens:

3.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1969 en met rijksregisternummer […] en;

3.2. Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1978 en met rijksregisternummer […].

hierna gezamenlijk de "Aanvragers" genoemd.

4. De heer X en mevrouw Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen op xx.xx.2012, ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […], te […], op xx.xx.2012, zonder wijzigingen tot op heden.

5. De heer X heeft twee kinderen uit een vorige relatie. Mevrouw Y heeft geen kinderen uit een vorige relatie. Samen hebben ze één kind.

6. De Aanvragers wonen samen te […]. Zij hebben hun woonplaats reeds meer dan vijf jaar ononderbroken in het Vlaamse Gewest gevestigd.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

7. HET SLUITEN VAN EEN KANSCONTRACT

De Aanvragers zijn elk voor de onverdeelde helft volle eigenaar van hun gezinswoning, gelegen in […]. Zij willen met betrekking tot deze eigendom een kanscontract afsluiten

Het voorgenomen kanscontract is ingegeven vanuit de intentie van de Aanvragers om de langstlevende onder hen te beschermen bij het overlijden van de eerststervende. De Aanvragers wensen vandaag zekerheid te bekomen dat de langstlevende van hen de mogelijkheid heeft het voornoemde onroerend goed volledig in natura te verwerven. Deze zekerheid kan enerzijds niet gerealiseerd worden door middel van een schenking tussen echtgenoten, aangezien deze schenking te allen tijde en zonder enige motivering eenzijdig herroepbaar is. Verder kan deze zekerheid niet gerealiseerd worden door middel van een testament aangezien ook een testament steeds eenzijdig herroepbaar is. Bovendien wordt een eventuele samenloop met andere erfgenamen ingevolge de wettelijke devolutie uitgesloten door het sluiten van een kanscontract, hetgeen niet realiseerbaar is door middel van een verrekenbeding of toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen met beding van ongelijke verdeling of beding van vooruitmaking (in het huwelijkscontract), aangezien de heer X kinderen heeft uit een vorige relatie (cfr. art. 1465 oud BW).

Het is tevens de wil van de Aanvragers om gebonden te zijn door het kanscontract. Zulks kan opnieuw niet worden bereikt door middel van een testament, dan wel door middel van een (wederzijdse) schenking tussen echtgenoten.

Het voorgenomen kanscontract ten bezwarende titel kan slechts worden gewijzigd of opgeheven mits toestemming van alle partijen en vormt aldus het meest geschikte instrument om bovengenoemde doelstellingen van de Aanvragers te bereiken.

Verder wensen de Aanvragers dat de langstlevende echtgenoot bij overlijden van de eerste echtgenoot een voordeel met zakelijke werking verkrijgt, en meer bepaald dat de langstlevende van rechtswege en onmiddellijk bij overlijden de volle en exclusieve eigendom verkrijgt van deze vermogensbestanddelen die hem/haar in natura verblijven.

Een ontwerp van het voorgenomen kanscontract wordt als bijlage bij de rulingaanvraag gevoegd.

III. Motivering van de aanvraag

8. In haar standpunt nr. 17044 dd. 19 september 2018 (oorspronkelijk gepubliceerd op 29 januari 2018) zette de Vlaamse Belastingdienst de voorwaarden uiteen waaraan een aanwasbeding (kanscontract) moet voldoen opdat het op fiscaal vlak aanvaard zou kunnen worden (i.e. dat de betrokken goederen niet onderworpen zullen worden aan de erfbelasting of de schenkbelasting).

Overeenkomstig het standpunt moet het aanwasbeding (1) opgenomen zijn in een notariële akte indien het betrekking heeft op onroerende goederen, (2) beperkt zijn via een beschikking onder bijzondere titel en (3) ten bezwarende titel zijn.

Het feit dat een aanwasbeding tussen echtgenoten wordt afgesloten, maakt dit beding op zich niet ongeldig, zoals bevestigd wordt door de Vlaamse Belastingdienst in voormeld standpunt. Wanneer een aanwasbeding (kanscontract) wordt afgesloten tussen echtgenoten moet het slaan op de goederen die behoren tot de eigen vermogens van de echtgenoten (zoals dat in casu het geval is).

In casu voldoet het voorgelegde kanscontract aan alle voorwaarden, zoals uiteengezet door de Vlaamse Belastingdienst in haar standpunt nr. 17044 dd. 19 september 2018, zodat het moet worden beschouwd als een kanscontract ten bezwarende titel. Dit wordt hieronder nader toegelicht.

8.1. HET KANSCONTRACT IS TEN BIJZONDERE TITEL

Het voorwerp van het kanscontract is een onroerend goed, zodat het kanscontract opgenomen zal worden in een notariële akte. Er zal aldus voldaan worden aan voormelde eerste voorwaarde.

8.2. HET KANSCONTRACT IS TEN BIJZONDERE TITEL

In haar standpunt nummer 17044 dd. 19 september 2018 stelt de Vlaamse Belastingdienst dat de overeenkomst van aanwas onder bijzondere titel is "wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden".

Dat is in casu het geval aangezien het voorgelegde kanscontract enkel betrekking heeft op een specifiek omschreven onroerend goed.

Gelet op het voorgaande kwalificeert het kanscontract in casu aldus als kanscontract ten bijzondere titel.

8.3. HET KANSCONTRACT IS TEN BEZWARENDE TITEL

8.3.1. PRINCIPE

Een kanscontract wordt traditioneel gekwalificeerd als een overeenkomst onder bezwarende titel. Het bezwarende karakter volgt uit het feit dat de partijen gelijke kansen bezitten om het goed in totaliteit te verkrijgen. Het is hierbij evenwel van belang dat er een effectieve kansengelijkheid tussen de partijen bestaat. De gelijkheid van kansen wordt beoordeeld op het moment van het sluiten van de overeenkomst.

De Vlaamse Belastingdienst stelt in haar standpunt 17044 dd. 19 september 2018 dat het aanwasbeding (kanscontract) wordt aanzien als een overeenkomst ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. De Vlaamse Belastingdienst vereist daarbij niet dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.

De rechtspraak stelt zich bovendien soepel op bij de concrete beoordeling van de gelijke kansen. Een groot leeftijdsverschil vormt voor de hoven en rechtbanken geen beletsel voor de gelijkwaardigheid van kansen. Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout dat een groot leeftijdsverschil van 16 jaar niet problematisch is. Ook het hof van beroep te Antwerpen oordeelde in die zin over een leeftijdsverschil van 14 jaar en een leeftijdsverschil van 10 jaar.

8.3.2. IN CASU

Dat de Aanvragers voornemens zijn om een evenwichtig kanscontract met gelijkheid van kansen te sluiten, blijkt uit de volgende concrete omstandigheden.

8.3.2.1. Gelijkaardige levensverwachting

Ten eerste hebben Aanvragers een gelijkaardige levensverwachting.

Zo hebben Aanvragers een gelijkaardige leeftijd, te weten de heer X 53 jaar (° xx.xx.1969) en mevrouw Y 43 jaar (wordt over een tweetal maanden 44 jaar) (° xx.xx.1978).

Daarnaast verkeren Aanvragers in eenzelfde goede gezondheid. Teneinde de kansengelijkheid te bewijzen, zijn de heer X en mevrouw Y overigens bereid om een medisch getuigschrift toe te voegen aan het dossier.

Het leeftijdsverschil van 9 jaar kwalificeert onder de thans geldende rechtspraak als een kansengelijkheid aangezien deze in concreto moet worden beoordeeld en niet enkel mag worden gesteund op een objectieve leeftijd. Aanvragers verwijzen in dat kader naar rechtspraak waarbij er sprake was van een (veel) groter leeftijdsverschil:

Antwerpen 10 februari 1988, T.Not. 1989, 320: verschil van 20 jaar;

Rb. Turnhout 7 januari 2005, RAGE 2006, nr. 6, 60: verschil van 16 jaar; Antwerpen 4 juni 2012, rolnr. 2010/R/3289, onuitg.: verschil van 14 jaar; Antwerpen 30 juni 2015, T.Not. 2016, afl. 5, 364: verschil van 10jaar.

Voor zoveel als nodig verwijzen Aanvragers nog naar enkele voorafgaande beslissingen waarin er ook sprake was van een gelijkaardig of groter leeftijdsverschil en waar uw dienst van oordeel was dat dit leeftijdsverschil geen afbreuk doet aan de kansengelijkheid en dus dat er sprake was van een kanscontract onder bezwarende titel:

Voorafgaande beslissing nr. 20014 dd. 25 mei 2020: verschil van 7 jaar; Voorafgaande beslissing nr. 18013 dd. 19 maart 2018: verschil van 15 jaar; Voorafgaande beslissing nr. 17058 dd. 19 maart 2018: verschil van 6 jaar; Voorafgaande beslissing nr. 17046 dd. 19 februari 2018: verschil van 15 jaar; Voorafgaande beslissing nr. 17025 dd. 4 september 2017: verschil van 8 jaar.

Uit al deze elementen samen, dient dus te worden besloten dat er tussen de heer X en mevrouw Y een gelijkheid van overlevingskansen bestaat.

8.3.2.2. Gelijke inleg

Ten tweede doen Aanvragers elk een gelijke inleg, meer bepaald elk de onverdeelde helft in volle eigendom van hetzelfde onroerend goed.

8.3.2.3. Bewoordingen van het kanscontract

Ook uit de bewoordingen van het voorgelegde kanscontract zelf blijkt dat partijen een evenwichtig kanscontract wensen te sluiten:

- Een strikt vervreemdingsverbod (cfr. punt 7 van het kanscontract in bijlage bij de aanvraag).

Het is partijen niet toegestaan eenzijdig de contracten stop te zetten, te wijzigen, de goederen in pand te geven, te vervreemden etc. Elke daad van beheer of beschikking die gesteld wordt, zal met andere woorden de expliciete en persoonlijke handeling van elke partij vereisen.

- Het kanscontract kan slechts worden beëindigd ofwel met wederzijds schriftelijk akkoord van alle partijen ofwel in geval de ontbindende voorwaarde uitwerking krijgt (cfr. punt 3 van het kanscontract in bijlage bij de aanvraag).

Het kanscontract zal bijgevolg onverkort gelden tussen partijen tenzij ze er, in gezamenlijk overleg, een einde aan stellen of ingevolge de beëindiging van hun huwelijk door de inleiding van een vordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed door één van hen of indien zij meer dan zes maanden feitelijk gescheiden leven om redenen die niet wijzen op een duurzame ontwrichting van de relatie ( cfr. punt 3 van het kanscontract in bijlage bij de aanvraag).

8.3.3. BESLUIT

Uit al deze elementen samen, dient aldus te worden besloten dat het voorgenomen kanscontract ten bezwarende titel is.

9. NIET TOEPASSING VAN DE ANTIMISBRUIKBEPALING

9.1. WETTELIJK KADER

De federale antimisbruikbepaling in artikel 18, §2 Vl.W.Reg., ingevoegd door de Wet van 30 maart 1994, werd fundamenteel gewijzigd door artikel 168 van de Programmawet van 29 maart 2012, in werking getreden op 1 juni 2012. Artikel 106, tweede lid Vl.W.Succ. verwijst naar de toepassing van artikel 18, §2 Vl.W.Reg. Belangrijk is dat de oude antimisbruikbepaling inzake successierechten niet van toepassing was op rechtshandelingen gesteld in de privésfeer, maar alleen op verrichtingen gesteld in de economische sfeer. De gewijzigde bepaling - pas in werking getreden op 1 juni 2012 - is wel van toepassing op handelingen gesteld in de privésfeer.

De oude antimisbruikbepaling, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, werd - met ingang van 1 januari 2015 - geïntegreerd in artikel 3.17.0.0.2 VCF, echter zonder dat deze materieelrechtelijke bepaling inhoudelijk werd gewijzigd.

De antimisbruikbepaling in artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt, als volgt:

"Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.".

In de Omzendbrief 2015/1 van 16 februari 2015 (PDF bestand opent in nieuw venster) heeft de Vlaamse Belastingdienst haar eigen lijst gepubliceerd met rechtshandelingen die worden beschouwd als fiscaal misbruik, al dan niet deel uitmakend van een gecombineerde constructie. Intussen heeft de Vlaamse Belastingdienst tal van standpunten en voorafgaande beslissingen gepubliceerd met betrekking tot rechtshandelingen die al dan niet worden beschouwd als fiscaal misbruik.

9.2. BEWIJSLAST VAN DE ADMINISTRATIE

De Administratie draagt de bewijslast van het fiscaal misbruik en zal moeten bewijzen welke rechtshandeling of geheel van rechtshandelingen het voorwerp van het fiscaal misbruik uitmaken. Hiertoe zal zij in de eerste plaats de geschonden (gefrustreerde) wetsbepaling op basis van concrete en precieze feiten, documenten of akten aanduiden en analyseren (objectief element) en dat de belastingplichtige wezenlijk het behalen van het fiscaal oogmerk voor ogen had (subjectief element). Volgens de Memorie van Toelichting en de Circulaire van 4 mei 201221 moet de strijdigheid met de doelstellingen van de fiscale wetgeving begrepen worden in het licht van het begrip "volstrekt kunstmatige constructie".

Hiermee worden, volgens de Memorie van Toelichting en de Circulaire van 4 mei 2012, rechtshandelingen bedoeld die alleen worden uitgevoerd om belastingen te ontwijken, wanneer een verrichting niet de economische doelstellingen onderliggend aan de fiscale wetgeving nastreeft of geen verband houdt met de economische werkelijkheid of niet aan commerciële of marktvoorwaarden plaatsvindt.

9.3. TEMPOREEL TOEPASSINGSGEBIED

Op 1 juni 2012 trad de antimisbruikbepaling op federaal niveau in werking op vlak van registratie- en successierechten. De antimisbruikbepaling is slechts van toepassing op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen (die eenzelfde verrichting tot stand brengen) die zijn gesteld sinds 1 juni 2012.

Met ingang van 1 januari 2015 werd de antimisbruikbepaling, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, geïntegreerd in artikel 3.17.0.0.2 van de VCF, weliswaar zonder inhoudelijke wijziging. Uw dienst bevestigde eveneens dat de antimisbruikbepaling enkel van toepassing is op handelingen gesteld vanaf 1 juni 2012. In principe is de antimisbruikbepaling dus niet van toepassing wanneer de betrokken rechtshandeling of één van die rechtshandelingen heeft plaatsgevonden vóór 1 juni 2012.

9.4. NIET-FISCALE MOTIEVEN

De Aanvragers zien niet in op welke wijze de voorgenomen rechtshandeling de toepassing zouden frustreren van enige fiscale bepaling, waarbij overigens het bewijs door Vlabel dient te worden aangetoond. Niettemin houden de Aanvragers er aan de niet-fiscale motieven uiteen te zetten die de keuze voor de voorgenomen rechtshandeling verantwoordt.

9.4.1. Kanscontract vs. een testament vs. de wederzijdse herroepelijke schenking vs. het verrekenbeding

9.4.1.1. RECHTSZEKERHEID VAN DE LANGSTLEVENDE ECHTGENOOT

De Aanvragers wensen dat het bovenbeschreven onroerend goed in natura zal toekomen aan de langstlevende van hen. Zij hebben daarbij de intentie om de langstlevende onder hen te beschermen bij het overlijden van de eerststervende en tegen de mogelijke aanspraken van ieders familie.

Deze doelstelling kan niet op een andere wijze, m.n. bij wijze van testament of schenking tussen echtgenoten, dan met een kanscontract bereikt worden ( cfr. supra en infra). Uit het herroepelijk karakter van zowel het testament als de schenking gedaan tussen echtgenoten (buiten huwelijkscontract), vloeit immers voort dat elke aanvrager geen enkele zekerheid heeft dat de andere de beschikkingen opgenomen in zijn/haar testament zou handhaven of de schenking niet zou herroepen. Bovendien wordt een eventuele samenloop met andere erfgenamen - indien de wettelijke devolutie van toepassing zou zijn - uitgesloten door het kanscontract. De Aanvragers wensen echter vandaag de zekerheid te bekomen dat de langstlevende van hen de woning zou verwerven op voorwaarde dat ieder van hen de kans heeft om effectief de woning te verwerven. Deze zekerheid kan geenszins gerealiseerd worden door middel van een testament of bij wijze van (wederzijdse) schenking tussen de echtgenoten (buiten huwelijkscontract). Deze zekerheid kan wel worden bekomen door middel van een kanscontract aangezien dit slechts wijzigbaar is mits toestemming van beide partijen. Bovendien vermijden de echtgenoten zo dat de langstlevende in een eventuele samenloop komt met andere erfgenamen, hetgeen niet realiseerbaar is door middel van een verrekenbeding of toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen met beding van ongelijke verdeling of beding van vooruitmaking (in het huwelijkscontract), aangezien de heer X kinderen heeft uit een vorige relatie (cfr. art. 1465 oud BW).

Het opnemen van een ontbindende voorwaarde van echtscheiding, feitelijke scheiding of einde van de relatie in een kanscontract staat daaraan bovendien niet in de weg. De geldigheid van een dergelijke ontbindende voorwaarde wordt immers op heden uitdrukkelijk aanvaard ingevolge rechtspraak van het Hof van Cassatie, alsook ingevolge wettelijke verankering. Hoewel cliënten wel een ontbindende voorwaarde inschrijven bij echtscheiding, wordt via het kanscontract de (dagelijkse) onzekerheid vermeden over een eventuele herroeping van de schenking.

9.4.1.2 VERMOGENSRECHTELIJKE BESCHERMING IN NATURA

Met een verrekenbeding verkrijgt de langstlevende echtgenoot slechts een verbintenisrechtelijke vordering op de nalatenschap van de eerststervende. Een kanscontract biedt daarentegen een vermogensrechtelijke bescherming in natura, en met name het recht op de goederen zelf. De bedoeling is immers dat de langstlevende de mogelijkheid heeft om de woning van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan zicht te laten toekomen. Ingevolge het kanscontract hebben de erfgenamen (andere dan de langstlevende) dan ook geen enkele zakenrechtelijke alsook geen verbintenisrechtelijke aanspraak m.b.t. deze goederen, vermits deze volledig aan de langstlevende toekomen. De Aanvragers wensen namelijk dat de langstlevende bij overlijden van de vooroverleden echtgenoot een zakelijk recht verkrijgt op het aandeel van de vooroverleden echtgenoot, i.p.v. slechts een verbintenisrechtelijke aanspraak.

9.5. CONCLUSIE

Gelet op het voorgaande, zijn de Aanvragers ervan overtuigd dat er voldoende niet-fiscale motieven in casu aanwezig zijn en dat de vooropgestelde verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

IV. Beslissing

10. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

11. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

12. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

13. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

- Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:

Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”;

- Artikel 2.8.4.1.1, §2, VCF dat luidt als volgt:

Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;

- Artikel 2.7.1.0.3 VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :

1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;

2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”;

- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”.

- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

14. De Aanvragers verklaren dat zij met betrekking het onroerend goed vermeld in het ontwerp van overeenkomst gevoegd bij de aanvraag een beding van aanwas wensen af te sluiten.

15. Er wordt vanuit fiscaal oogpunt aanvaard dat de betrokken goederen in een beding van aanwas niet zijn onderworpen aan de erfbelasting of schenkbelasting, maar bij onroerende goederen wel aan het verkooprecht mits het beding van aanwas beperkt is via een beschikking onder bijzondere titel, en ten bezwarende titel is.

16. Het contract is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.

17. Het contract is in casu onder bijzondere titel aangezien het contract betrekking heeft op het onroerende goed dat specifiek in de overeenkomst worden omschreven.

18. Het contract wordt aanzien als een beding van aanwas ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. Er wordt niet vereist dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.

19. Een gelijkaardige levensverwachting kan niet enkel worden beoordeeld op basis van sterftetabellen maar kan ook worden beïnvloed door specifieke factoren zoals de gezondheidstoestand van de partijen, bepaalde activiteiten die ze uitvoeren, een overlijden dat kort volgt op het sluiten van het contract, etc...

20. De gelijkaardigheid van de levensverwachting dient aanwezig te zijn bij het afsluiten van het contract. Het is evenwel mogelijk dat pas bij de realisatie van het contract blijkt dat bij het afsluiten van het contract niet aan deze voorwaarde was voldaan.

21. Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat er in casu sprake is van een gelijkaardige levensverwachting. De echtgenoten hebben respectievelijk een leeftijd van 53 jaar en 43 jaar. Zij verklaren beiden in dezelfde goede gezondheidstoestand te verkeren.

22. De gelijkwaardigheid van inleg wordt beoordeeld bij het afsluiten van het contract, niet bij het realiseren van de opschortende voorwaarde (een goed kan in waarde stijgen of dalen).

23. Uit de gegevens vermeld in het ontwerp van contract houdende beding van aanwas bij de aanvraag blijkt dat de inleg van de aanvragers gelijkwaardig is. De echtgenoten zijn elk voor de onverdeelde helft volle eigenaar van de gezinswoning.

24. Op basis van de elementen en feiten vermeld in de aanvraag tot voorafgaande beslissing en haar bijlage kan worden besloten dat het in casu om een beding van aanwas ten bezwarende titel gaat.

25. Indien de rechtshandeling (afsluiten van een contract houdende beding van aanwas) wordt gesteld vanaf 1 juni 2012 kan ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. De rechtshandeling vindt plaats na 1 juni 2012 dus de aftoetsing aan artikel 3.17.0.0.2 VC kan plaatsvinden.

De voorgenomen verrichting maakt in principe geen fiscaal misbruik uit in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er ook niet-fiscale motieven aan het contract ten grondslag liggen, tenzij uit de feiten blijkt dat de kansen uiteindelijk niet gelijkwaardig waren omdat één van de partijen kort na het sluiten van de contracten niet onverwacht is komen te overlijden.



Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratie- en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.