VB 24111 - Beding van aanwas echtgenoten
- Nummer
24111
- Datum beslissing
13 januari 2025
- Publicatiedatum
30 januari 2026
Heffing
- Erfbelasting
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.7.1.0.3. VCF
- art. 2.7.1.0.5. VCF
- art. 2.8.1.0.1. VCF
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat, gelet op de argumentatie en motivering zoals hierna uiteengezet
1.1. het voorgelegd beding van aanwas tussen de heer X en mevrouw Y rechtsgeldig is en kwalificeert als een contract onder bezwarende titel (kanscontract);
1.2. indien de overeenkomst in België zou worden geregistreerd de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1, §2 VCF niet van toepassing zullen zijn (op zich en in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF) en er derhalve geen schenkbelasting zal verschuldigd zijn, zodat alleen het federaal vast recht verschuldigd zal zijn;
1.3. de artikelen 2.7.1.0.3 3° VCF en 2.7.1.0.5 VCF (op zich en in combinatie met art. 3.17.0.0.2. VCF) niet van toepassing zullen zijn op in de overeenkomst opgenomen roerende goederen, evenals hun vruchten, meerwaarden en andere opbrengsten en alle zaken die worden verkregen in vervanging van voormelde tegoeden bij het overlijden van een partij zodat er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn.
2. De aanvragers verzoeken uitdrukkelijk, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1 VCF, dat gelet op het voorwerp van de aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoeken zij om een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het overlijden van één van hen beiden.
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. De aanvraag wordt ingediend door mevrouw […], advocaat aan de balie te […], met kantoor te […], in naam van haar cliënten namelijk:
3.1. de heer X, geboren te […] op xx.xxx.1955, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer […], wonende te […] (hierna “X” genoemd).
3.2. mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1958, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer […], wonende te […] (hierna “Y” genoemd).
De heer X en mevrouw Y worden hierna afzonderlijk ook genoemd “Partij” en samen de “Partijen”.
4. De heer X en mevrouw Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen blijkens akte verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1981.
5. X en Y hebben een kind.
6. De heer X en mevrouw Y hebben hun fiscale woonplaats sinds meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
7. Feiten
7.1. Op xx.xx.2024 waren de Partijen deels in verdeeldheid en deels in onverdeeldheid, elk voor maximaal de helft, eigenaar van bancaire en financiële activa in verschillende effectenportefeuilles/-rekeningen of bankrekeningen geopend op hun eigen naam of op hun beider naam.
7.2. Sindsdien hebben de Partijen hun activa samengevoegd, waarbij ze in dezelfde verhouding hebben bijgedragen, in verschillende effectenportefeuilles/-rekeningen of bankrekeningen die alleen op hun beider namen zijn geopend.
7.3. De Partijen verklaren hierbij – elk voor de helft – onverdeelde eigenaars te zijn van diverse bank- en andere financiële tegoeden die deel uitmaken van meerdere effectenrekeningen of bankrekeningen die op hun beider namen geopend zijn. Het gaat om de volgende rekeningen:
- Een effectenrekening met het nummer […] bij de bank […] voor een totaalbedrag van ÉÉN MILJOEN ZESDUIZEND ACHTHONDERD VIJFENDERTIG EURO EN NEGENTIEN CENT (€ 1.006.835,19);
- Een effectenrekening met het nummer […] bij de bank […] voor een totaalbedrag van DRIEHONDERD ZESENNEGENTIG DUIZEND EURO (€ 396.000,00); en
- Een bankrekening met het nummer […] bij de bank […] voor een totaalbedrag van ÉÉN MILJOEN DRIEHONDERDDUIZEND EURO (€ 1.300.000,00).
7.4. Het totaalbedrag van voormelde rekeningen is heden TWEE MILJOEN ZEVENHONDERDEN TWEEDUIZEND ACHTHONDERD VIJFENDERTIG EUROS EN NEGENTIEN CENT (€ 2.702.835,19), waarop de overdrachten werden uitgevoerd, d.w.z. xx.2024, hierna de 'Financiële tegoeden'.
7.5. De samenstelling van de Financiële tegoeden kan gewijzigd worden ingevolge zaakvervanging, belegging en wederbelegging van de bestanddelen die de feitelijke algemeenheid uitmaken.
8. De Partijen kiezen bewust voor dergelijke wederzijdse overeenkomst die hen beiden bindt en bijgevolg niet eenzijdig kan worden opgezegd. Het beding van aanwas bindt hen bovendien voor onbepaalde duur en vervult zowel de doelstelling van de financiële bescherming van de langstlevende partij, als deze van een gezamenlijk handelen.
9. Dit doel kan niet bereikt worden met een schenking of testament aangezien deze eenzijdige (en voor wat het testament betreft eenzijdig herroepbare) rechtshandelingen betreffen en bovendien niet beletten dat de dochter van de heer X en mevrouw Y haar reservatair deel zou opeisen.
10. Het ontwerp van de aanwasovereenkomst wordt gevoegd als bijlage bij de aanvraag.
III. Motivering van de aanvraag
11. Elke echtgenoot wenst voor zichzelf de nodige maatregelen te nemen die hem/haar in staat stellen zijn/haar levenskwaliteit en levensstandaard als langstlevende echtgenoot te garanderen en hem/haar tegelijkertijd in staat stellen een maximale flexibiliteit te behouden.
12. De echtgenoten zijn van mening dat zij een overeenkomst ten bezwarende titel zullen ondertekenen in de vorm van een optioneel beding van aanwas. Zowel de aanwas als het voorwerp van de aanwas zouden optioneel zijn.
13. Om die reden vragen zij – samengevat - enerzijds dat het beding van aanwas geen aanleiding geeft tot de heffing van schenkbelasting, indien de overeenkomst om enige reden zou worden geregistreerd in België.
14. Anderzijds vragen zij dat er bij de uitwerking van het beding van aanwas geen erfbelasting verschuldigd is en dat de overeenkomst geen fiscaal misbruik inhoudt.
15. Principe
15.1. Kanscontracten (en dus ook bedingen van aanwas) zijn wederkerige overeenkomsten waarvan de gevolgen, met betrekking tot winst en verlies, hetzij voor alle Partijen, hetzij voor één van hen, van een onzekere gebeurtenis afhangen (art. 1964 oud BW en art. 5.8, lid 2 nieuw BW).
15.2. In de beschreven verrichting is de onzekere gebeurtenis niet het overlijden op zich (een overlijden is een zekere gebeurtenis), maar wel de volgorde van het overlijden. Elke echtgenoot kan de langstlevende zijn. Ingevolge de gesloten overeenkomst bestaat de kans op winst in de verkrijging van het aandeel of de inleg van de eerst overleden echtgenoot. Het verlies is dan het overlijden als eerste van beide Partijen, waarbij men het eigen aandeel of de eigen inleg moet afstaan aan de langstlevende.
15.3. Een kanscontract heeft een wederkerig karakter. Beide Partijen zullen gezamenlijk tot een besluitvorming moeten komen teneinde hun rechten van beheer en beschikking uit te oefenen. Een wijziging, noch opzegging kan bijgevolg eenzijdig geschieden.
16. Echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen
Dat een beding van aanwas mogelijk is tussen echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen wordt zowel door het Grondwettelijk Hof als door de Vlaamse Belastingadministratie zelf bevestigd (zie o.a. Standpunt nr. 17044 dd. 8 januari 2018).
17. Ten bezwarende titel
17.1. Het beding van aanwas betreft een contract onder bezwarende titel. Het bezwarend karakter vereist dat de kansen van beide Partijen evenwichtig zijn en dat de inleg door de echtgenoten gelijk is.
17.2. De Vlaamse Belastingdienst vereist daarbij niet dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken Partijen. Deze gelijkheid van kansen moet worden beoordeeld op het moment van het sluiten van de overeenkomst.
17.3. In dit geval hebben de Partijen een gelijke overlevingskans bij het afsluiten van de overeenkomst, hetgeen aangetoond wordt door de gelijkaardige leeftijd, in casu 69 jaar voor de heer X en 66 jaar voor mevrouw Y en dezelfde goede gezondheidstoestand.
17.4. De ‘Partijen’ hebben op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst een gelijkaardige levensverwachting. Dit wordt aangetoond door de gelijkaardige leeftijd (een leeftijdsverschil van 2 jaar en 9 maanden) op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst.
17.4. Het beperkte leeftijdsverschil van minder dan drie jaar kwalificeert onder de vigerende rechtspraak als een kansengelijkheid aangezien deze moet beoordeeld worden in de feiten en niet enkel mag gesteund worden op een objectieve leeftijd, zie onder andere:
- Antwerpen 10 februari 1988, T. Not., 1989, 320: leeftijdsverschil van ruim 20 jaar;
- Rb. Turnhout 7 januari 2005, R.A.G.B., 2006, nr. 6, 60: leeftijdsverschil van 16 jaar;
- Antwerpen 4 juni 2012, rolnr. 2010/R/3289, onuitgegeven: leeftijdsverschil van 14 jaar;
- Antwerpen 30 juni 2015, T.Not., 2016, afl. 5, 364: leeftijdsverschil van 10 jaar.
17.5. Ook de Vlaamse Belastingdienst heeft in verschillende voorafgaande beslissingen, waarbij een groter leeftijdsverschil voorlag, bevestigd dat dit leeftijdsverschil geen afbreuk doet aan de kansengelijkheid:
- VB nr. 17046 dd. 19 februari 2018: leeftijdsverschil van 15 jaar;
- VB nr. 18013 dd. 19 maart 2018: leeftijdsverschil van 15 jaar;
- VB nr. 17058 dd. 19 maart 2018: leeftijdsverschil van 6 jaar;
- VB nr. 17025 dd. 4 september 2017: leeftijdsverschil van 8 jaar;
- VB nr. 19033 dd. 16 september 2019: leeftijdsverschil 13 jaar.
17.6. Gezien het leeftijdsverschil minder dan drie jaar bedraagt, kan er geen twijfel zijn over de gelijke kansen in dit kanscontract.
17.7. De inleg van beide echtgenoten is voor het beding van aanwas gelijkwaardig: het goed dat het voorwerp is van het beding van aanwas behoort toe aan ieder van de echtgenoten voor de onverdeelde helft.
17.8. De kwalificatie “kanscontract” tussen Partijen wordt ook aangetoond door gezamenlijk optreden in de vorm van een strikt vervreemdingsverbod en de afwezigheid van een einddatum van de overeenkomst.
17.9. Het bezwarende karakter van de overeenkomst sluit de heffing in de erf- of registratiebelasting in hoofde van de artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.5, 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF uit. Wij verwijzen dienaangaande naar de beslissingen door u genomen die naar analogie van toepassing zijn in dit geval.
18. Ten bijzondere titel
18.1. Het beding van aanwas in casu is ten bijzondere titel afgesloten, aangezien de overeenkomst betrekking heeft op twee effectenrekeningen en een bankrekening die nauwkeurig in de overeenkomst werden omschreven.
18.2. Het beding van aanwas betreft een kanscontract ten bezwarende titel onder de opschortende voorwaarde van vooroverlijden van een contractant en ten bijzondere titel. Het is derhalve geen verboden erfovereenkomst. Dat de aanwas optioneel wordt bedongen, verandert niets aan het voorgaande.
18.3. De echtgenoten bevestigen dat de 'Financiële tegoeden' een feitelijke universaliteit betreft, zodat de in de plaats getreden goederen automatisch ook tot het beding van aanwas behoren. Vruchten en meerwaarden van de betrokken 'Financiële tegoeden' maken ook automatisch deel uit van het beding van aanwas.
19. Niet-fiscale motieven
19.1. Indien en voor zover het besluitvormingsorgaan zou stellen dat er sprake is van fiscaal misbruik, quod non, dan vormt het beding van aanwas nog steeds geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Er zijn immers niet-fiscale motieven die voldoende opwegen tegen de fiscale overwegingen.
19.2. De echtgenoten willen zichzelf beschermen voor het geval zij de langstlevende echtgenoot zijn. Zij wensen meer bepaald de nodige maatregelen te nemen ter garantie van de levenskwaliteit en levensstandaard van de langstlevende. Bovendien wensen zij zich te beschermen tegen eventuele reservataire erfaanspraken van hun kind.
19.3. Deze doelstellingen kunnen niet via een testament of een schenking bereikt worden. Zij zijn namelijk beiden eenzijdig herroepbaar, waardoor de langstlevende echtgenoot absoluut geen zekerheid heeft. Deze zekerheid kan wel worden bekomen door middel van een beding van aanwas aangezien dit slechts kan worden gewijzigd is mits toestemming van de Partijen.
19.4. Bovendien geven noch een testament noch een schenking de garantie dat deze niet zullen worden aangevochten door de dochter. Het beding van aanwas daarentegen is reservebestendig, daar het betrokken goed geen deel uitmaakt van de nalatenschap en zodoende niet onderworpen wordt aan de regels van de reserve.
19.5. Gelet op voorgaande, stellen de echtgenoten dat moet worden besloten dat er voldoende niet-fiscale motieven in casu aanwezig zijn en dat de vooropgestelde verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
20. BESLUIT
De aanvraag tot een voorafgaande beslissing betreft de bevestiging van een aantal implicaties met betrekking tot de schenk- en erfbelasting.
Al deze elementen in acht genomen, dient men te concluderen dat het beding van aanwas dat de echtgenoten voornemens zijn af te sluiten, kwalificeert als een evenwichtig kanscontract onder bezwarende titel en ten gevolge hiervan artikelen 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.5, 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF geen toepassing kunnen vinden.
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
21. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
22. De Vlaamse Belastingdienst doet geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.
23. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:
- Artikel 2.8.1.0.1 VCF dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”;
- Artikel 2.8.4.1.1, §2, VCF dat luidt als volgt:
“Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;
- Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF dat luidt als volgt:
“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
…
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
….”;
- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:
“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de vijf jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van vijf jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”.
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”.
24. Er wordt vanuit fiscaal oogpunt aanvaard dat de betrokken goederen niet zijn onderworpen aan de schenkbelasting (maar bij onroerende goederen wel aan het verkooprecht) mits het contract beperkt is, via beschikking onder bijzondere titel, en ten bezwarende titel is.
25. Het contract is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
26. Het contract is in casu onder bijzondere titel aangezien het contract betrekking heeft op de roerende goederen die specifiek in de overeenkomst worden omschreven.
27. Een effectenportefeuille wordt beschouwd als een feitelijke universaliteit. Bijgevolg aanvaardt Vlabel dat het contract m.b.t. de effectenportefeuilles betrekking heeft op de effectenportefeuilles in hun geheel, zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de vereiste dat het contract onder bijzondere titel moet zijn.
28. De Vlaamse Belastingdienst aanvaardt dat de zakelijke subrogatie speelt als die conventioneel is voorzien of die plaatsheeft uit kracht van de wet, overeenkomstig artikel 3.10 BW.
Het contract zal dus uitwerking krijgen op de effectenportefeuilles zoals deze zijn samengesteld op het ogenblik van het overlijden van één van de partijen ongeacht de gewijzigde samenstelling hiervan ingevolge transacties van wederbelegging.
29. Het contract wordt aanzien als een kanscontract ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. Er wordt niet vereist dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.
30. Een gelijkaardige levensverwachting kan niet enkel worden beoordeeld op basis van sterftetabellen maar kan ook worden beïnvloed door specifieke factoren zoals de gezondheidstoestand van de partijen, bepaalde activiteiten die ze uitvoeren, een overlijden dat kort volgt op het sluiten van het contract, etc...
31. De gelijkaardigheid van de levensverwachting dient aanwezig te zijn bij het afsluiten van het contract. Het is evenwel mogelijk dat pas bij de realisatie van het contract blijkt dat bij het afsluiten van het contract niet aan deze voorwaarde was voldaan.
32. Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat er in casu sprake is van een gelijkaardige levensverwachting. De aanvragers hebben respectievelijk een leeftijd van 69 jaar en 66 jaar. Zij verklaren beiden in dezelfde goede gezondheidstoestand te verkeren conform hun leeftijd.
33. De gelijkwaardigheid van inleg wordt beoordeeld bij het afsluiten van het contract, niet bij het realiseren van de opschortende voorwaarde (een goed kan in waarde stijgen of dalen).
34. Uit de gegevens vermeld in het kanscontract gevoegd bij de aanvraag blijkt dat de inleg van de aanvragers gelijkwaardig is. De betrokken roerende goederen behoren de aanvragers elk voor de onverdeelde helft toe.
35. Op basis van de elementen en feiten vermeld in de aanvraag tot voorafgaande beslissing en haar bijlage kan worden besloten dat het in casu om een beding van aanwas gaat en er bijgevolg noch erfbelasting, noch schenkbelasting geheven zal worden in toepassing van de artikelen 2.7.1.0.3, eerste lid; 3°, VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1, §2, VCF.
36. Het kanscontract voorziet in een optioneel beding van aanwas. Een optioneel beding van aanwas is een beding onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van één van de partijen en van het lichten van de optie door de langstlevende van de partijen (cf. Hof van Cassatie 24 maart 2017, F.16.0067.N). Een beding onder opschortende voorwaarde heeft, als het is opgesteld na 1 januari 2023, bij vervulling van de voorwaarde uitwerking voor de toekomst (art. 5.147 van het Burgerlijk Wetboek). De roerende goederen die het voorwerp uitmaken van het optioneel beding van aanwas waarbij de optie wordt gelicht na het overlijden is bijgevolg onderworpen aan de erfbelasting bij gebrek aan terugwerkende kracht van het optioneel beding van aanwas.
Indien het kanscontract evenwel voorziet in een terugwerking tot op het ogenblik van overlijden van de eerststervende, zoals in casu, zal er bij dit overlijden geen erfbelasting, geheven worden in toepassing van de artikelen 2.7.1.0.3 VCF en 2.7.1.0.5 VCF.
37. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. Het contract maakt in casu geen fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF. Bovendien liggen er ook niet-fiscale motieven aan het contract ten grondslag.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de schenk – en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen. Deze beslissing spreekt zich bovendien niet uit over de mogelijke toepassing van niet door de aanvrager opgeworpen artikelen van de VCF.