Advies 57.876/1/V van 24 augustus 2015
- Type
Besluiten van de Vlaamse Regering
- Thema
Terugwerkende kracht (algemeen)
Relevante passage uit advies
Volgens artikel 7 van het ontwerp hadden de ontworpen wijzigingen met terugwerkende kracht uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Het is alleen toelaatbaar terugwerkende kracht aan verordenende bepalingen te verlenen als er voor de retroactiviteit een wettelijke grondslag bestaat. De retroactiviteit is ook toelaatbaar bij een regeling die, met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, voordelen toekent. Daarnaast is de retroactiviteit toelaatbaar als ze noodzakelijk is voor de continuïteit of de goede werking van diensten of om een feitelijke of rechtstoestand te regulariseren, en daardoor, in beginsel, geen verkregen situaties of rechten worden aangetast. Alleen als de retroactiviteit van de ontworpen regeling onder een van de opgesomde gevallen valt, kan ze worden goedgekeurd.
Voor de terugwerkende kracht van het ontwerp bestond geen wettelijke grondslag en alleen artikel 2 van het ontwerp kende een "voordeel" toe. De terugwerkende kracht van de overige bepalingen van het ontwerp was dus alleen aanvaardbaar als de retroactiviteit noodzakelijk was voor de continuïteit of de goede werking van de diensten of om een feitelijke of rechtstoestand te regulariseren, en daardoor, in beginsel, geen verkregen situaties of rechten werden aangetast.
De gemachtigde verklaart dat in dit geval de voorschotten voor 2015 al werden bepaald op grond van de ontworpen regeling, zodat de terugwerkende kracht er alleen toe strekte om een feitelijke of rechtstoestand te regulariseren aangezien de regeling erop neerkwam dat het (lagere) bedrag van de reeds uitbetaalde subsidies werd geregulariseerd. De vraag bleef echter of een dergelijke handelwijze geen verkregen situaties of rechten aantastte.
In dat verband kon vooreerst worden vastgesteld dat dat niet het geval was voor de terugwerkende kracht van artikel 1, 3 en 4 van het ontwerp. Artikel 51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 bepaalde immers dat "[m]aandelijks (" .) voorschotten [worden] uitgekeerd, berekend op één twaalfde van de geraamde, subsidieerbare, jaarlijkse kosten" en dat "[d]e definitieve vaststelling van de subsidies gebeurt door het bepalen van een regularisatiebedrag, na het kalenderjaar tijdens hetwelk de ( . . .) voorlopige twaalfden aan de voorziening werden uitgekeerd". Daaruit volgde dat de definitieve omvang van het recht op de subsidies pas duidelijk werd in het eerste kwartaal van het volgende kalenderjaar, zodat geen verkregen situaties of rechten werden aangetast door de ontworpen bepalingen.
Er rees evenwel twijfel over de aanvaardbaarheid van de terugwerkende kracht van artikel 5 en 6 van het ontwerp. De subsidies werden aan de vergunde diensten voor pleegzorg (artikel 51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013) en aan de ondersteuningsteams (artikel 52/1 van het decreet van 7 maart 2008) toegekend "[b]innen de beschikbare begrotingskredieten". En artikel 53 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 en artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 bepaalden dat maandelijkse voorschotten werden uitgekeerd en dat het saldo werd uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende kalenderjaar. De laatstvermelde artikelen bepaalden evenwel evenzeer dat "[h]et bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90% van de jaarlijkse subsidie". Daaruit kon worden afgeleid dat de betrokken voorzieningen elke maand een subjectief recht hadden op de uitbetaling van een twaalfde van 90% van het huidige subsidiebedrag volgens besluiten van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 en 14 maart 2014 die van toepassing waren, op voorwaarde dat voldoende begrotingskredieten werden uitgetrokken. Dat zou impliceren dat de subsidiërende overheid maar over een gebonden bevoegdheid beschikte en alleen kon nagaan of al dan niet was voldaan aan die laatstvermelde subsidievoorwaarde. Alleen als de subsidiërende overheid op een objectieve wijze zou kunnen vaststellen dat onvoldoende begrotingskredieten waren uitgetrokken, zou ze een lager voorschot mogen uitbetalen. De terugwerkende kracht van de ontworpen regeling zou dan niets méér doen dan een bestaande (rechts)toestand bevestigen en er zouden geen verkregen (subjectieve) rechten worden aangetast. Alleen in dat geval zou de terugwerkende kracht aanvaardbaar zijn.
De afdeling Wetgeving van de Raad van State kon aan de hand van de gegevens die aan haar voorgelegd werden, echter niet met genoegzame zekerheid beoordelen of de bedragen voor Jongerenwelzijn die in de uitgavenbegroting ingeschreven waren (decreet van 19 december 2014 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015), toelieten om op een objectieve wijze vast te stellen dat niet aan de subsidiëringsvoorwaarde voor de beschikbare begrotingskredieten was voldaan, zodat lagere voorschotten konden worden uitbetaald.
Om die reden maakte de afdeling Wetgeving van de Raad van State voorbehoud bij de terugwerkende kracht die het ontwerp dat voor advies werd voorgelegd, aan artikel 5 en 6 verleende.
Voorts merkt de afdeling Wetgeving van de Raad van State op dat het niet getuigde van behoorlijke regelgeving dat het ontwerp dat voor advies werd voorgelegd, nog in de steigers stond op een ogenblik dat het werkingsjaar voor de betrokken voorzieningen al ver was gevorderd. Het ontbrak dus nog aan juridische zekerheid over de besparing waarmee ze op het vlak van de reeds ontvangen en nog te ontvangen subsidies voor 2015 rekening moesten houden. De gemachtigde voerde aan dat de desbetreffende sector betrokken zou zijn geweest bij de gemaakte keuzes en dat die keuzes bij de omzendbrief van 28 november 2014 bekendgemaakt zouden zijn, maar dat doet daaraan geen afbreuk. De stellers van het ontwerp moesten erop toezien dat de juridische formalisering van beslist beleid in dit geval zo spoedig mogelijk plaatsvond, gelet op het belang van de rechtszekerheid voor de betrokken voorzieningen. ( Advies 57.876/1/V van 24 augustus 2015 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg en van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014 betreffende de erkenning en de subsidiëring van ondersteuningsteams , p4-6, punt 4 en 5 )