Advies 73.531/1 van 31 mei 2023
- Type
Besluiten van de Vlaamse Regering
- Thema
Onduidelijke bepalingen, Rechtsgrond, Reglementair karakter, Terugwerkende kracht (algemeen)
Relevante passages uit het advies
Reglementair karakter (p.4, punt 3)
De ontworpen artikelen 14/1 en 6¼, §3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 (artikel 15 en 29 van het ontwerp) betroffen de toekenning van een extra subsidiebedrag aan één welbepaalde organisatie, respectievelijk de toekenning van een subsidiebedrag aan vier bij naam genoemde organisaties. Die bepalingen formuleerden geen algemene regel die voor een onbepaald aantal gevallen gold. Ze ontbeerden dan ook het reglementaire karakter in de zin van artikel 3, §1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, zodat de afdeling Wetgeving daarover geen advies kon verstrekken.
Rechtsgrond – Onduidelijke bepaling (p.5-6, punt 7)
In het ontworpen artikel 10, 8° (artikel 10 van het ontwerp), artikel 23, §1, 5° (artikel 12 van het ontwerp), artikel 39, eerste lid, 8° (artikel 17 van het ontwerp), van het besluit van 15 mei 2009 werd aan het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen, de verenigingen waar armen het woord nemen zelf, en opleidingsorganisaties als voorwaarde opgelegd om in de werking “de Nederlandse taal te hanteren” en om, als de werking met mensen in armoede in het Nederlands niet mogelijk is, de werking zo veel mogelijk te laten verlopen in de taal van de mensen of in een taal die de mensen begrijpen.
De draagwijdte van die bepalingen was onduidelijk.
Uit de toelichting door de gemachtigde bleek dat het de bedoeling was van de stellers van het ontwerp om daarmee aansluiting te zoeken bij artikel 76/2, eerste lid, 9°, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, dat als een van de minimale elementen van het subsidiekader “de rechten en plichten van de subsidieontvanger en van de subsidiërende overheid, waaronder ook het engagement van de subsidieontvanger om het belang van het gebruik van het Nederlands te erkennen bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten” vermeldt. De tekst van de ontworpen bepalingen moest dan ook in overeenstemming worden gebracht met artikel 76/2, eerste lid, 9°, van de VCO, waarin sprake is van “het belang van het gebruik van het Nederlands te erkennen” en niet van “de Nederlandse taal te hanteren”. (In arrest nr. 97/2014 van 30 juni 2014 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de gemeenschappen het gebruik der talen niet mogen regelen middels subsidies, behoudens de in artikel 129, §1, van de Grondwet bedoelde aangelegenheden. Voor zover de tekst van de ontworpen bepalingen wordt aangepast in overeenstemming met de bewoordingen van artikel 76/2, eerste lid, 9°, van de VCO, houden die bepalingen geen verplichting in om het Nederlands te gebruiken en moeten de gesubsidieerde organisaties zich er alleen toe verbinden het belang van het gebruik van die taal te erkennen)
Alsdan kon voor die bepalingen ook rechtsgrond worden gevonden in de algemene uitvoeringsbevoegdheid, in samenhang gelezen met artikel 76/2, eerste lid, 9°, van de VCO en moest in de aanhef ook bijkomend naar die laatste bepaling worden verwezen.
Terugwerkende kracht (p.8-9, punt 12)
Artikel 5, 7, 14 en 29 van het ontwerp hadden uitwerking vanaf 1 januari 2023.
Gevraagd om de terugwerkende kracht voor die bepalingen te verantwoorden, verklaarde de gemachtigde:
“Artikel 5: Bij de opmaak van dit dossier werd een aanpassing van de overeenkomst tussen de Vlaamse Regering en het Netwerk tegen Armoede op korte termijn in het vooruitzicht gesteld. Door terugwerkende kracht te verlenen aan artikel 5 zou hiervoor alvast de ontworpen bepaling op deze aanpassing van toepassing kunnen zijn. Deze aanpassing is evenwel niet meer aan de orde, waardoor de administratie voorstelt om artikel 5 uit artikel 31 te schrappen.
Artikel 7: Met ingang van 1 januari 2023 zijn 7 nieuwe verenigingen waar armen het woord nemen erkend door de Vlaamse Regering en stijgt het totaal aantal erkende verenigingen in het Vlaamse Gewest en het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad van 52 naar 58. Het Vlaams Netwerk heeft als decretale opdracht om deze verenigingen te ondersteunen. De ontworpen bepaling verhoogt de subsidie van het Vlaams Netwerk met 76.000 euro. De terugwerkende kracht van deze bepaling stelt het Netwerk tegen armoede in staat de extra subsidie meteen in te zetten voor de ondersteuning van de nieuwe verenigingen om te vermijden dat de kwaliteit van deze ondersteuning door het toegenomen aantal verenigingen in 2023 noodgedwongen zou dalen.
Artikel 14: De ontworpen bepaling verhoogt de subsidies voor de verenigingen waar armen het woord nemen. De terugwerkende kracht stelt de verenigingen in staat de extra middelen reeds aan te wenden voor onder meer de gestegen energiekosten tijdens de eerste maanden van 2023.
Artikel 29: De terugwerkende kracht van dit artikel stelt de administratie in staat om de erkenningsprocedure voor de vormingsorganisaties reeds in 2023 te doorlopen zodat het subsidiekader kan toegepast worden met ingang van 1 januari 2024. De noodzakelijke minimale doorlooptijd voor de erkenningsprocedure is te lang om nog haalbaar te zijn indien ze zou starten op datum van publicatie van de ontworpen bepaling in het Belgisch Staatsblad.
De ontworpen bepalingen in artikel 7, 14 en 29 werden reeds gecommuniceerd naar de organisaties zodat zij hiermee rekening kunnen houden in hun werking in 2023.”
Met het voorstel om geen terugwerkende kracht te verlenen aan artikel 5 van het ontwerp kon worden ingestemd.
Het verlenen van terugwerkende kracht aan besluiten was voorts alleen toelaatbaar als voor de retroactiviteit een wettelijke grondslag bestond, de retroactiviteit betrekking had op een regeling waarbij, met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, voordelen werden toegekend of als de retroactiviteit noodzakelijk was voor de continuïteit of de goede werking van het bestuur en daardoor, in beginsel, geen verkregen situaties werden aangetast.
Wat artikel 7 en 14 betrof, kon de retroactieve uitwerking van het ontworpen besluit toelaatbaar worden geacht, aangezien het om een verhoging van de subsidiebedragen ging en de ontworpen regeling aldus voordelen toekende aan de betrokkenen.
Wel moest een voorbehoud worden geformuleerd bij het verlenen van terugwerkende kracht aan artikel 29 van het ontwerp, dat onder meer procedurele voorschriften bevatte inzake het indienen van het eerste meerjarenplan en de aanvraag tot erkenning voor een welbepaalde datum en de vereiste inhoud van de aanvraag. Dergelijke procedurele bepalingen konden niet met terugwerkende kracht worden opgelegd, aangezien ze berustten op feitelijke handelingen en gebeurtenissen waarvoor de fictie van de terugwerkende kracht niet werkzaam was.
( Advies 73.531/1 van 31 mei 2023 over een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 betreffende de armoedebestrijding )