Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Bijna 16% van werkenden doet avondwerk, bijna 4% nachtwerk

In 2021 lag het aandeel werkenden in het Vlaamse Gewest dat minstens de helft van de werkdagen avondwerk verricht op 15,6%. Het aandeel schommelde rond 15% in de periode 1999-2010, gevolgd door een daling. Tussen 2013 en 2020 schommelde het aandeel rond 11%.

Het aandeel werkenden met nachtwerk gedurende minstens de helft van de werkdagen lag in de periode 1999-2021 veel lager dan het aandeel met avondwerk. Bovendien daalde het geleidelijk van 5,3% in 1999 tot 3,0% in 2020. In 2021 werkte 3,8% van de werkenden ’s nachts.

Meer mannen dan vrouwen met avondwerk en nachtwerk

In 2021 bedroeg het aandeel werkende mannen met avondwerk in het Vlaamse Gewest 18,0%, bij vrouwen 12,9%. Zowel bij mannen als bij vrouwen lag het aandeel in 2021 ongeveer even hoog als in 1999. In de periode 2012-2020 lag het aandeel in beide gevallen wel een stuk lager: bij mannen rond 13% en bij vrouwen rond 8%.

Het aandeel werkende mannen met nachtwerk lag in 2021 op 4,7%, tegenover 6,8% in 1999. Bij vrouwen daalde het aandeel met nachtwerk van 3,4% in 1999 tot 2,6% in 2021.

Lager aandeel nachtwerk in Vlaams Gewest dan EU-gemiddelde, maar net iets meer avondwerk

In 2021 lag het aandeel werkenden met avondwerk in het Vlaamse Gewest (15,6%) hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (11,3%) en het Waalse Gewest (10,0%).

In de Europese Unie (EU27) bedroeg het aandeel werkenden met avondwerk in 2021 gemiddeld 12,6%. Het Vlaamse Gewest scoorde dus hoger dan het EU-gemiddelde. Griekenland kende met 38,9% het hoogste aandeel werkenden met avondwerk, gevolgd door Finland (22,5%) en Estland (19,0%). Frankrijk (5,9%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Polen (6,0%) en Letland (8,1%).

Het aandeel werkenden met nachtwerk lag in 2021 in het Vlaamse Gewest (3,8%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (3,5%) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (2,7%).

In de Europese Unie (EU27) bedroeg het aandeel werkenden met nachtwerk in 2021 gemiddeld 4,3%. Dat is hoger dan in het Vlaamse Gewest. Slovakije (11,1%) had het hoogste aandeel met nachtwerk, gevolgd door Malta (9,0%) en Finland (6,8%). Polen en Cyprus (beide 2,0%) hadden het laagste percentage, voorafgegaan door Litouwen (2,1%).

Ruim 22% werkenden met zaterdagwerk, bijna 12% met zondagwerk

Het aandeel werkenden in het Vlaamse Gewest dat minstens op 2 zaterdagen per maand werkt, bedroeg 22,2% in 2021, tegenover 19,1% in 1999.

Het aandeel werkenden dat minstens op 2 zondagen per maand werkt, lag veel lager dan het aandeel met zaterdagwerk. Tussen 1999 en 2021 nam het aandeel toe van 9,7% tot 11,9%.

Iets meer vrouwen dan mannen met zaterdagwerk en zondagwerk

Bij werkende mannen lag het aandeel met zaterdagwerk in 2021 op 22,0%, bij vrouwen op 22,4%. Bij mannen steeg dat aandeel sinds 1999 sterker dan bij vrouwen.

Het aandeel werkenden met zondagwerk lag in 2021 bij mannen op 11,6%, bij vrouwen op 12,4%. Bij zowel mannen als vrouwen steeg dat aandeel tussen 1999 en 2021 met 2,2 procentpunten.

Aandeel werkenden met zaterdag- en zondagwerk in Vlaams Gewest iets hoger dan EU-gemiddelde

In 2021 lag het aandeel werkenden met zaterdagwerk in het Vlaamse Gewest (22,2%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (20,8%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (19,7%).

In de Europese Unie (EU27) bedroeg het aandeel werkenden met zaterdagwerk in 2021 21,5%. Het Vlaamse Gewest bevond zich in de middengroep, iets boven het EU-gemiddelde. Er zijn zeer grote verschillen tussen de EU-landen. Griekenland (40,0%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Italië (34,1%) en Spanje (28,8%). Hongarije en Litouwen hadden het laagste percentage (beide 7,4%), voorafgegaan door Polen (9,5%).

In 2021 lag het aandeel werkenden met zondagwerk in het Vlaamse Gewest (11,9%) iets hoger dan in het Waalse Gewest (10,6%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (10,0%).

In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werkenden met zondagwerk in 2021 gemiddeld op 11,4%. Het Vlaamse Gewest bevindt zich hier net iets boven het EU-gemiddelde. Ierland (17,3%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Malta (17,0%) en Spanje (16,4%). Polen (4,8%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Litouwen (5,0%) en Hongarije (5,2%).

Ploegenarbeid bij 15% werknemers, thuiswerk bij ruim 42% werkenden

Het aandeel werknemers met ploegenarbeid lag in het Vlaamse Gewest in 2021 op 14,9%, tegenover 10,0% in 1999. In 2021 lag het aandeel het hoogst in de periode vanaf 1999. Door de hervorming van de vragenlijst van de enquête naar de arbeidskrachten, valt een methodologisch effect hier echter niet uit te sluiten. Tussen 2012 en 2020 schommelde het aandeel rond 8%.

In 1999 lag het aandeel werkenden dat in mindere of meerdere mate thuiswerkt op 13,0%. Sindsdien kende het een gestage stijging tot 26,3% in 2019. Daarna steeg dat aandeel onder invloed van de Covid-19-pandemie tot 42,5% in 2021.

Meer mannen dan vrouwen met ploegenarbeid, iets meer vrouwen met thuiswerk

Het aandeel werknemers met ploegenarbeid lag bij mannen in 2021 op 17,4%, tegenover 11,9% in 1999. Bij vrouwen bedroeg het aandeel ploegenarbeid 12,5% in 2021. Tussen 1999 en 2020 schommelde dat aandeel rond 7%.

Tussen 1999 en 2021 steeg het aandeel werkende mannen en vrouwen met thuiswerk sterk. Bij mannen steeg het aandeel van 13,7% in 1999 tot 41,3% in 2021 en bij vrouwen van 11,9% tot 44,0%.

Aandeel werknemers met ploegenarbeid in Vlaams Gewest onder EU-gemiddelde

In 2021 lag het aandeel werknemers met ploegenarbeid in het Vlaamse Gewest (14,9%) hoger dan in het Waalse Gewest (12,3%) en veel hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (6,6%).

In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werknemers dat in ploegen werkt in 2021 gemiddeld op 18,1%. Het Vlaamse Gewest bevindt zich onder het EU-gemiddelde. Kroatië (33,6%) had het hoogste aandeel, gevolgd door Griekenland (32,6%) en Roemenië (31,7%). Frankrijk (6,8%) kende het laagste percentage, voorafgegaan door Denemarken (7,5%) en Litouwen (12,1%).

Hoger aandeel werkenden met thuiswerk in Vlaams Gewest dan EU-gemiddelde

In 2021 lag het aandeel werkenden dat in mindere of meerdere mate thuis werkt in het Vlaamse Gewest (42,5%) hoger dan in het Waalse Gewest (37,2%), maar lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (49,9%).

In de Europese Unie (EU27) lag het aandeel werkenden met thuiswerk in 2021 gemiddeld op 24,4%, veel lager dan in het Vlaamse Gewest. De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Nederland (57,6%) kende het hoogste aandeel, gevolgd door Zweden (47,3%) en Luxemburg (45,4%). Bulgarije (6,5%) had het laagste percentage, voorafgegaan door Roemenië (6,9%) en Cyprus (12,8%).