Aspecten van werktijd- en werkplaatsregeling
Ruim 41% werkt minstens af en toe thuis
In 2025 verrichte 14,3% van de werkenden in het Vlaamse Gewest minstens de helft van de werkdagen avondwerk. Bij nachtwerk ging het om 3,9%. Daarnaast werkte 14,8% van de werkenden minstens op 2 zondagen per maand en 23,6% minstens op 2 zaterdagen per maand. Ten slotte lag het aandeel werknemers met ploegenarbeid op 14,1% en het aandeel werkenden dat minstens af en toe thuiswerkt op 41,4%.
Iets meer vrouwen dan mannen met thuiswerk
Mannen werken meer ‘s avonds en ‘s nachts dan vrouwen. In 2025 was 16,9% van de werkende mannen ’s avonds aan de slag, tegenover 11,4% bij de vrouwen. Bij nachtwerk ging het om 4,9% bij de mannen tegenover 2,7% bij de vrouwen.
Het aandeel mannen en vrouwen dat in het weekend werkt, was min of meer gelijk. Bij zaterdagwerk was het aandeel mannen in 2025 (23,9%) bijna even groot als het aandeel vrouwen (23,3%). Ook bij zondagwerk was dat het geval (15,2% voor mannen tegenover 14,3% voor vrouwen).
Mannen (17,8%) werkten vaker in ploegverband dan vrouwen (10,5%), terwijl vrouwen (42,7%) iets vaker thuiswerkten dan mannen (40,3%).
Hoger aandeel werkenden met thuiswerk in Vlaams Gewest dan EU27-gemiddelde
In 2025 lag het aandeel werkenden met avondwerk in het Vlaamse Gewest (14,3%) hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (11,3%) en het Waalse Gewest (10,4%). In de Europese Unie (EU27) bedroeg het aandeel werkenden met avondwerk gemiddeld 11,8%. Het Vlaamse Gewest scoorde dus hoger dan het EU-gemiddelde. Griekenland kende met 33,1% het hoogste aandeel werkenden met avondwerk, Litouwen met 5,2% het laagste aandeel.
Het aandeel werkenden met nachtwerk lag in 2025 in het Vlaamse Gewest (3,9%) bijna op hetzelfde niveau als in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest (telkens 3,5%). In de EU27 bedroeg het aandeel werkenden met nachtwerk gemiddeld 4,1%. Slovakije (10,9%) had het hoogste aandeel met nachtwerk en Litouwen (1,3%) het laagste aandeel.
In 2025 lag het aandeel werkenden met zaterdagwerk in het Vlaamse Gewest (23,6%) iets hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest (18,4%) en het Waalse Gewest (22,1%). In de EU27 bedroeg het aandeel werkenden met zaterdagwerk 20,3%. Er zijn zeer grote verschillen tussen de EU-landen: Griekenland (40,7%) kende het hoogste aandeel, Litouwen het laagste aandeel (3,7%).
In 2025 lag het aandeel werkenden met zondagwerk in het Vlaamse Gewest (14,8%) iets hoger dan in het het Waalse Gewest (12,2%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (11,3%). In de EU27 lag het aandeel werkenden met zondagwerk gemiddeld op 11,1%. Het Vlaamse Gewest bevond zich hier boven het EU-gemiddelde. Malta (21,8%) kende het hoogste aandeel en Litouwen het laagste aandeel (2,7%).
In 2025 lag het aandeel werknemers met ploegenarbeid in het Vlaamse Gewest (14,1%) op ongeveer hetzelfde niveau als in het Waalse Gewest (13,6%) en veel hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (8,3%). In de EU27 lag het aandeel werknemers dat in ploegen werkt gemiddeld op 17,4%. Het aandeel in het Vlaamse Gewest lag daarmee lager dan het EU-gemiddelde. Roemenië (34,9%) had het hoogste aandeel en Frankrijk (6,0%) het laagste aandeel.
In 2025 lag het aandeel werkenden dat minstens af en toe thuiswerkt in het Vlaamse Gewest (41,4%) hoger dan in het Waalse Gewest (33,1%), maar lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (48,4%). In de EU27 lag het aandeel met thuiswerk gemiddeld op 23,3%, veel lager dan in het Vlaamse Gewest. De verschillen tussen de EU-landen zijn zeer groot. Nederland (56,1%) kende het hoogste aandeel en Roemenië (3,6%) het laagste aandeel.
Bronnen
- Steunpunt Werk:
- Eurostat: