Bevolking naar socio-economische positie (op basis van EAK-enquête)
Bijna 72% van 15- tot 64-jarigen aan het werk
Op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) kan de bevolking van 15 tot 64 jaar worden opgedeeld naar socio-economische positie. Daarbij wordt aangegeven of een persoon , of is, volgens de definities van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).
In 2025 werkte in het Vlaamse Gewest 71,9% van de bevolking van 15 tot 64 jaar. Dat aandeel ligt beduidend hoger dan in 1999 (62,6%) en beperkt hoger dan in 2024 (71,3%).
Het aandeel ILO-werklozen schommelde in de periode 1999-2024 tussen 2,4% en 3,8%. In 2025 lag dat aandeel op 3,2%, iets hoger dan in 2024 (2,8%).
Het aandeel van de niet-beroepsactieve bevolking daalde van 33,8% in 1999 tot 24,9% in 2025, het laagste aandeel sinds 1999.
Hoger aandeel werkenden bij hooggeschoolden en samenwonende partners met kinderen
In 2025 waren bijna 4 op de 5 mannen van 15 tot 64 jaar beroepsactief, hetzij als werkende (74,6%) hetzij als werkloze (3,8%). Van de vrouwen op die leeftijd was 69,2% aan het werk en was 2,6% werkloos. In 2025 waren dus meer vrouwen (28,2%) dan mannen (21,5%) niet-beroepsactief.
Bij de 35- tot 54- jarigen was 86,8% aan het werk. Bij de jongere en oudere leeftijdsgroepen lag dat aandeel lager. Vooral bij de 15- tot 34-jarigen is het aandeel niet-beroepsactieven hoog. Wie zich in die leeftijdsgroep wel aanbiedt op de arbeidsmarkt, is vaker werkloos dan bij de oudere leeftijdsgroepen.
De socio-economische posities bij de 25- tot 64-jarigen vertonen grote verschillen naar onderwijsniveau. Van de kortgeschoolden werkte in 2025 53,0%, tegenover 77,6% van de middengeschoolden en 90,0% van de hooggeschoolden. Omgekeerd lag het aandeel niet-beroepsactieven het laagst bij de hooggeschoolden (7,7%) en het hoogst bij de kortgeschoolden (42,6%).
Ook naar huishoudpositie zijn er verschillen. Samenwonende partners met kinderen hadden in 2025 het hoogste aandeel werkenden (87,9%) en het laagste aandeel niet-beroepsactieven (10,4%). Personen die bij hun ouders inwonen, waren veel minder vaak aan het werk (39,7%) en waren vaker niet-beroepsactief (55,0%).
Personen die hinder ervaren in hun dagelijkse activiteiten wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem waren in 2025 veel minder vaak aan het werk dan personen zonder hinder (respectievelijk 51,1% en 76,2%). Het aandeel niet-beroepsactieven lag bij personen met hinder ruim dubbel zo hoog als bij personen zonder hinder (45,2% tegenover 20,7%).
Er zijn ten slotte ook verschillen naar geboorteland. Personen geboren buiten de EU kennen een lager aandeel werkenden en een hoger aandeel niet-beroepsactieven dan personen geboren in België of personen geboren in de EU. Ook het aandeel werklozen ligt hoger bij personen geboren buiten de EU.
Aandeel werkenden in Vlaams Gewest iets boven EU27-gemiddelde
In 2025 lag het aandeel werkenden van 15 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest (71,9%) hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (58,6%) en het Waalse Gewest (62,4%). Het aandeel werklozen en niet-beroepsactieven lag in het Vlaamse Gewest lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest.
Algemeen genomen werkte in de Europese Unie (EU27) in 2025 71,0% van de bevolking van 15 tot 64 jaar, terwijl 4,6% werkloos en 24,3% niet-beroepsactief was.
Het Vlaamse Gewest kende een iets hoger aandeel werkende personen dan het EU-gemiddelde, samen met een lager aandeel werklozen, maar ook een iets hoger aandeel niet-beroepsactieve personen.
In Nederland (82,3%) lag het aandeel werkende personen het hoogst, gevolgd door Malta (80,0%) en Duitsland (77,2%). In Italië (62,5%) lag het aandeel werkenden het laagst, terwijl het aandeel niet-beroepsactieve personen (33,3%) daar het grootst was. Spanje en Finland kenden het hoogste aandeel werklozen (beiden 7,9%).
Bronnen
- Steunpunt Werk:
- Eurostat: