Gezondheidszorg/maatschappelijke dienstverlening en industrie grootste sectoren qua tewerkstelling
In 2025 was 15,4% van de werkenden tussen 20 en 64 jaar in het Vlaamse Gewest actief in de gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening en 13,5% in de industrie. Daarmee zijn dat de 2 sectoren met het hoogste aandeel werkenden.
De top 5 van sectoren met het hoogste aandeel werkenden van 20 tot 64 jaar werd in 2025 vervolledigd door de groot- en detailhandel, reparatie van auto’s en motorfietsen (11,1%), het onderwijs (9,8%) en de sector openbaar bestuur, defensie en verplichte sociale verzekeringen (7,4%).
De cijfers zijn gebaseerd op de sectorale verdeling van de werkenden in 21 , op basis van de internationale NACE 2008-classificatie.
Grote sectorale verschillen tussen mannen en vrouwen
Bij de grotere sectoren hadden in 2024-2025 vooral de bouwnijverheid, vervoer en opslag en de industrie een hoog aandeel mannen. In de bouwnijverheid bestond 88,0% van de werkenden uit mannen. In vervoer en opslag ging het om 76,6% en in de industrie om 75,7%.
Ook in enkele kleinere sectoren lag het aandeel mannen duidelijk hoger dan het aandeel vrouwen, zoals bij water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering (79,3% mannen), productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht (78,2%), informatie en communicatie (74,0%) en landbouw, bosbouw en visserij (68,7%).
De sectoren met een zeer groot aandeel vrouwen waren de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening (80,8% vrouwen), de overige diensten (73,6%) en het onderwijs (71,1%).
In de overige sectoren is het verschil tussen het aandeel van mannen en vrouwen kleiner. Het aandeel mannen varieert van 58,1% in de sector kunst, amusement en recreatie tot 41,1% in de sector administratieve en ondersteunende diensten.
Grote sectorale verschillen naar onderwijsniveau
In een aantal sectoren lag het aandeel hooggeschoolden bij de werkenden van 25 tot 64 jaar in de periode 2024-2025 veel hoger dan het aandeel kort- en middengeschoolden. Het gaat om het onderwijs (86,9% hooggeschoolden), de financiële activiteiten en verzekeringen (84,1%), de vrije beroepen, wetenschappelijke en technische activiteiten (83,0%), de extraterritoriale organisaties en lichamen (82,1%) en de sector informatie en communicatie (79,1%).
In een aantal andere sectoren lag het aandeel middengeschoolden hoger dan het aandeel kort- en hooggeschoolden. Dat was het geval in onder meer de landbouw, bosbouw en visserij (59,8% middengeschoolden), overige diensten (58,9%), de bouwnijverheid (57,8%), verschaffen van accommodatie en maaltijden (57,7%).
Sectoren met hoge aandelen kortgeschoolden waren onder meer administratieve en ondersteunende diensten (20,6%) gevolgd door verschaffen van accommodatie en maaltijden (19,6%).
In Vlaams Gewest meer werkenden in gezondheidszorg en welzijn dan EU27-gemiddelde, minder in industrie, bouw, energie en delfstoffen
Voor de vergelijking van het Vlaamse Gewest met de andere gewesten in België en de EU-landen werden de 21 sectoren geaggregeerd tot 6 grote categorieën.
In 2025 was in het Vlaamse Gewest 22,3% van de werkenden actief in de categorie industrie, bouw, energie en delfstoffen. Dat is veel hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (9,7%) en ook hoger dan in het Waalse Gewest (18,7%), maar beduidend lager dan het gemiddelde in de Europese Unie (EU27) (27,5%). Er bestaan grote verschillen tussen de EU-landen: Roemenië (42,1%) kende het hoogste percentage in deze categorie, Luxemburg (7,9%) het laagste.
Het aandeel van de categorie handel, vervoer, opslag en reparatie lag in het Vlaamse Gewest in 2025 op 17,1%, tegenover 14,4% in Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 15,7% in het Waalse Gewest en 18,6% in de Europese Unie. Ook hier zijn verschillen tussen de EU-landen: Roemenië (25,7%) kende het hoogste percentage in deze categorie, Luxemburg (12,8%) het laagste.
De categorie zakelijke en andere dienstverlening was in het Vlaamse Gewest goed voor 23,1% van de werkenden. Dat aandeel lag hoger dan in het Waalse Gewest (19,8%) maar veel lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (30,5%). Het Vlaamse Gewest scoorde iets hoger dan het EU-gemiddelde (21,3%). Er zijn grote verschillen tussen de EU-landen: Luxemburg (35,0%) had het hoogste aandeel voor deze categorie, Roemenië (12,0%) het laagste.
In 2025 lag het aandeel van de categorie gezondheidszorg en welzijn in het Vlaamse Gewest op 15,4%, beperkt lager dan in het Waalse Gewest (16,0%) en beduidend hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (11,5%) en in de Europese Unie (11,4%). Denemarken (19,8%) kende het hoogste aandeel voor deze categorie, Cyprus (5,8%) het laagste.
De categorie onderwijs, kunst en recreatie vertegenwoordigde in het Vlaamse Gewest 14,2% van de werkenden. Dat is minder dan in het het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (15,6%) en het Waalse Gewest (16,6%). Het Vlaamse aandeel lag op nagenoeg hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde (14,0%). In Malta (22,0%) lag het aandeel van deze categorie het hoogst, in Roemenië (8,8%) het laagst.
Ten slotte was in het Vlaamse Gewest in 2025 7,9% van de werkende bevolking actief in de categorie overheid en sociale zekerheid, veel lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (18,4%) en in het Waalse Gewest (13,2%), maar iets hoger dan het gemiddelde in de Europese Unie (7,2%). Luxemburg (21,0%) had veruit het hoogste aandeel voor deze categorie, gevolgd door België (10,5%). Finland (4,8%) had het laagste aandeel.
Bronnen
- Steunpunt Werk:
- Statbel: :
- Statbel:
- Eurostat: