Gedaan met laden. U bevindt zich op: Tewerkstelling per sector Arbeid

Tewerkstelling per sector

Gepubliceerd op 11 mei 2023 • Volgende update: mei 2024
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Gezondheidszorg/maatschappelijke diensten en industrie grootste sectoren

In 2022 was 15,4% van de werkenden van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest actief in de gezondheidszorg en maatschappelijke diensten en 13,1% in de industrie. Daarmee zijn dat de sectoren met het hoogste aandeel werkenden. Dat blijkt uit de sectorale verdeling van de werkenden in 21 , op basis van de internationale NACE 2008-classificatie.

De top 5 van sectoren met het hoogste aandeel werkenden van 20 tot 64 jaar werd in 2022 vervolledigd door de groot- en detailhandel en reparatie van voertuigen (12,5%), het onderwijs (9,5%) en de sector openbaar bestuur, defensie en sociale zekerheid (7,2%).

Tussen 2009 en 2022 steeg het aandeel van de sector gezondheidszorg en maatschappelijke diensten het sterkst (+2,0 procentpunt) waardoor deze sector in 2022 de grootste was. In 2009 was de industrie nog de grootste sector met een aandeel van 17,3%. De tweede sterkste stijging deed zich voor in de sector vrije beroepen, wetenschappelijke en technische activiteiten (+,1,8 procentpunt), gevolgd door de sector administratieve en ondersteunende diensten (+1,7 procentpunt). De grootste dalingen waren er in de industrie (-4,2 procentpunt) en in de sector openbaar bestuur, defensie en sociale zekerheid (-1,0 procentpunt).

De categorie ‘overige 6 sectoren’ omvat de 6 kleinste sectoren met een aandeel van minder dan 1% van de tewerkstelling: landbouw, bosbouw en visserij; water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering; elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht; extraterritoriale organisaties en lichamen; huishoudens en huishoudelijke productie; winning van delfstoffen. Samen waren die 6 sectoren in 2022 goed voor 2,7% van de werkenden, tegenover 3,8% in 2009.

Grote sectorale verschillen tussen mannen en vrouwen

De grote sectoren met een zeer groot aandeel mannen waren in de periode 2021-2022 de bouwnijverheid (87,7% mannen), de sector vervoer en opslag (75,2% mannen) en de industrie (74,8% mannen). Ook in de kleinere sector informatie en communicatie lag het aandeel mannen (74,1%) veel hoger dan het aandeel vrouwen.

De typisch vrouwelijke sectoren zijn de gezondheidszorg en maatschappelijke diensten (81,0% vrouwen), het onderwijs (70,7% vrouwen) en de overige diensten (64,9% vrouwen).

In de overige sectoren is het verschil tussen het aandeel van mannen en vrouwen kleiner: van 56,0% mannen in de sector groot- en detailhandel en reparatie van voertuigen tot 46,8% mannen in de sector administratieve en ondersteunende diensten.

De 6 kleinste sectoren zijn niet opgenomen in de grafiek.

Grote sectorale verschillen naar onderwijsniveau

In een aantal sectoren lag het aandeel hooggeschoolden bij 25- tot 64-jarigen in de periode 2021-2022 veel hoger dan het aandeel laag- en middengeschoolden. Het gaat om het onderwijs (88,1% hooggeschoolden), de vrije beroepen, wetenschappelijke en technische activiteiten (82,9%), de financiële activiteiten en verzekeringen (82,5%), en de sector informatie en communicatie (79,7%).

Relatief meer middengeschoolden waren actief in de sectoren vervoer en opslag (55,5%), bouwnijverheid (55,2%), overige diensten (54,1%), groot- en detailhandel, reparatie voertuigen (53,3%), accommodatie en maaltijden (52,6%) en industrie (47,7%).

In de meeste sectoren lag het aandeel van de laaggeschoolden lager dan 20%. De enige uitzondering is de sector accommodatie en maaltijden (22,5%). Ook in de sectoren vervoer en opslag (18,6%), administratieve en ondersteunende diensten (18,1%) en bouwnijverheid (17,6%) was het aandeel laaggeschoolden relatief hoog.

In de grafiek zijn de 6 kleinste sectoren niet opgenomen.

In Vlaams Gewest meer werkenden in categorie ‘gezondheidszorg en welzijn’ dan EU-gemiddelde, minder in ‘industrie, bouw, energie en delfstoffen’

Voor de vergelijking van het Vlaamse Gewest met de andere gewesten in België en de EU-landen werden de 21 sectoren geaggregeerd tot 6 grote categorieën.

In 2022 was in het Vlaamse Gewest 21,8% van de werkenden actief in de categorie ‘industrie, bouw, energie en delfstoffen’. Dat is veel meer dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (11,7%) en iets meer dan in het Waalse Gewest (19,0%), maar beduidend lager dan het gemiddelde in de Europese Unie (EU27) (28,4%). Er bestaan grote verschillen tussen de EU-landen: Roemenië (43,6%) kende het hoogste percentage in deze categorie, Luxemburg (10,1%) het laagste.

Het aandeel van de categorie ‘handel, vervoer, opslag en reparatie’ lag in het Vlaamse Gewest in 2022 op 18,6%, tegenover 14,5% in Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 17,0% in het Waalse Gewest en 18,8% in de Europese Unie. De verschillen tussen de EU-landen blijven hier beperkt. Roemenië (25,0%) kende het hoogste percentage in deze categorie, Luxemburg (12,6%) het laagste.

De categorie ‘zakelijke en andere dienstverlening’ was in het Vlaamse Gewest goed voor 22,6% van de werkenden. Dat aandeel lag iets hoger dan in het Waalse Gewest (20,5%) maar veel lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (32,4%). Het Vlaamse Gewest scoorde hoger dan het EU-gemiddelde (20,9%). Er zijn grote verschillen tussen de EU-landen: Luxemburg (34,2%) had het hoogste aandeel voor deze categorie, Roemenië (12,0%) het laagste.

In 2022 lag het aandeel van de categorie ‘gezondheidszorg en welzijn’ in het Vlaamse Gewest op 15,4%, iets hoger dan in het Waalse Gewest (14,5%) en beduidend hoger dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (8,9%) en in de Europese Unie (11,1%). Denemarken (19,3%) kende het hoogste aandeel voor deze categorie, Bulgarije (5,3%) het laagste.

De categorie ‘onderwijs, kunst en recreatie’ vertegenwoordigde in het Vlaamse Gewest 13,9% van de werkenden. Dat is minder dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (16,0%) en het Waalse Gewest (15,9%). De Vlaamse score lag iets hoger dan het EU-gemiddelde (13,5%). In Malta (21,0%) lag het aandeel van deze categorie het hoogst, in Roemenië (8,1%) het laagst.

In het Vlaamse Gewest was in 2022 7,6% van de werkende bevolking actief in de categorie ‘overheid en sociale zekerheid’, veel lager dan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (16,5%) en in het Waalse Gewest (13,2%), maar iets hoger dan het gemiddelde in de Europese Unie (7,3%). De verschillen tussen de EU-landen zijn niet zo groot. Luxemburg (18,8%) had veruit het hoogste aandeel voor deze categorie, gevolgd door België (10,1%), Cyprus (9,4%) en Griekenland (9,3%). Finland (4,9%) had het laagste aandeel.