Gedaan met laden. U bevindt zich op: Metadata: Tewerkstelling per sector Tewerkstelling per sector

Metadata: Tewerkstelling per sector

Bron

Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium) en Labour Force Survey (LFS), Eurostat, bewerking Steunpunt Werk en Statistiek Vlaanderen

Definities

Tewerkstelling per economische sector: aandeel van de werkende bevolking van 20 tot 64 jaar in de diverse economische sectoren.

Werkende personen zijn personen die:

  • tijdens de referentieweek minstens een uur hebben gewerkt voor loon of winst, met inbegrip van meewerkende gezinsleden.
  • tijdens de referentieweek niet aan het werk waren, maar een baan of een eigen bedrijf hadden waar zij tijdelijk niet aanwezig waren. Hiertoe behoren:
    • personen die niet aan het werk zijn wegens vakantie, werktijdregelingen, ziekteverlof, zwangerschaps- of vaderschapsverlof, personen in een werkgerelateerde opleiding
    • personen met ouderschapsverlof, die ofwel werkgerelateerd inkomen of uitkeringen ontvangen en/of recht hebben, ofwel van wie de verwachte duur van het ouderschapsverlof 3 maanden of minder is
    • seizoenarbeiders tijdens het laagseizoen, waar ze regelmatig taken en plichten voor de baan of het bedrijf blijven uitvoeren, met uitzondering van de nakoming van wettelijke of administratieve verplichtingen
    • personen die om andere redenen tijdelijk niet aan het werk zijn waarbij de verwachte duur van de afwezigheid 3 maanden of minder is
  • personen die landbouwgoederen produceren waarvan het grootste deel bestemd is voor verkoop of ruilhandel.

Personen die productiewerk voor eigen gebruik verrichten, vrijwilligers, onbetaalde stagiairs en personen die betrokken zijn bij andere vormen van werk zoals gedefinieerd in de resolutie van de 19e Internationale Conferentie van Arbeidsstatistieken (ICLS) betreffende statistieken van werk, werkgelegenheid en onderbenutting van arbeid, aangenomen op 11 oktober 2013 worden op basis van die werkzaamheden niet in dienstverband gerekend.

Personen die meer dan 3 maanden tijdelijk werkloos zijn omwille van economische redenen (met inbegrip van de maatregelen ter bestrijding van de Covid-19-pandemie) worden vanaf 2021 niet meer als werkend beschouwd. Wanneer ze actief werk hebben gezocht en beschikbaar zijn om binnen de 2 weken te beginnen werken, worden ze als werklozen beschouwd. Hebben ze niet actief werk gezocht of zijn ze niet beschikbaar om binnen de 2 weken te beginnen werken, dan worden ze bij de inactieven gerekend.

De verdeling per sector van de werkende bevolking van 20 tot 64 jaar is gebaseerd op de internationale classificatie van de economische sectoren (NACE 2008), waarbij 21 hoofdsectoren worden onderscheiden:

  1. Landbouw, bosbouw en visserij
  2. Winning van delfstoffen
  3. Industrie
  4. Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht
  5. Distributie van water, afval- en afval-waterbeheer en sanering
  6. Bouwnijverheid
  7. Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen
  8. Vervoer en opslag
  9. Verschaffen van accommodatie en maaltijden
  10. Informatie en communicatie
  11. Financiële activiteiten en verzekeringen
  12. Exploitatie van en handel in onroerend goed
  13. Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten
  14. Administratieve en ondersteunende diensten
  15. Openbaar bestuur en defensie, verplichte sociale verzekeringen
  16. Onderwijs
  17. Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening
  18. Kunst, amusement en recreatie
  19. Overige diensten
  20. Huishoudens als werkgever, niet-gedifferentieerde productie van goederen en diensten
  21. Extraterritoriale organisaties en lichamen

Voor de vergelijking van het Vlaamse Gewest met de andere gewesten in België en de EU-landen worden de 21 sectoren geaggregeerd tot 6 categorieën:

  1. Industrie, bouw, energie en delfstoffen:
  • Landbouw, bosbouw en visserij
  • Winning van delfstoffen
  • Industrie
  • Elektriciteit, gas, stoom, gekoelde lucht
  • Water, afval- en afvalwaterbeheer, sanering
  • Bouwnijverheid
  1. Handel, vervoer, opslag en reparatie:
  • Groot- en detailhandel, reparatie voertuigen
  • Vervoer en opslag
  1. Zakelijke en andere dienstverlening:
  • Informatie en communicatie
  • Financiële activiteiten, verzekeringen
  • Exploitatie en handel onroerend goed
  • Vrije beroepen, wetenschappelijke en technische activiteiten
  • Administratieve en ondersteunende diensten
  • Overige diensten
  • Huishoudens als werkgever, huishoudelijke productie
  1. Overheid en sociale zekerheid:
  • Openbaar bestuur, defensie, sociale zekerheid
  • Extraterritoriale organisaties en lichamen
  1. Onderwijs, kunst en recreatie:
  • Onderwijs
  • Kunst, amusement en recreatie
  • Accommodatie en maaltijden
  1. Gezondheidszorg en welzijn:
  • Gezondheidszorg en maatschappelijke diensten

Onderwijsniveau:

  • Laaggeschoold: personen zonder diploma of hoogstens een diploma lager secundair onderwijs.
  • Middengeschoold: personen met hoogstens een diploma hoger secundair onderwijs of met een diploma post-secundair niet-hoger onderwijs.
  • Hooggeschoold: personen met een diploma hoger of universitair onderwijs.

Opmerkingen bij de kwaliteit

De gegevens over de tewerkstelling per economische sector zijn schattingen gebaseerd op een enquête. De Labour Force Survey (LFS) is de officiële enquête die in alle landen van de Europese Unie (EU27) wordt afgenomen. Ze wordt gebruikt voor de constructie van Europese, nationale en regionale statistieken over de arbeidsmarkt. De LFS wordt gecoördineerd door het Europese statistiekbureau Eurostat. Voor België wordt de enquête uitgevoerd door het Belgische statistiekbureau Statbel onder de naam Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK).

De EAK wordt in België uitgevoerd vanaf 1983. Deelname aan de EAK is verplicht voor de geselecteerde huishoudens.

Van 1983 tot 1998 werden de huishoudens 1 maal per jaar bevraagd tijdens een beperkte periode. Vanaf 1999 werd de enquête continu uitgevoerd tijdens het jaar, waarbij de steekproef gelijkmatig werd verdeeld over alle weken van het jaar.

Vanaf 2017 werd een nieuwe methode van enquêtering toegepast. De geselecteerde huishoudens en personen nemen deel aan een eerste bevraging. Daarna worden ze uitgenodigd om in de daaropvolgende 15 maanden nog 3 keer een vragenlijst te beantwoorden. De huishoudens worden in 2 opeenvolgende kwartalen bevraagd, daarna in 2 kwartalen niet en ten slotte in 2 kwartalen opnieuw.

De eerste bevraging gebeurt op dezelfde manier als de jaren voordien: de respondent wordt door een enquêteur uitgenodigd voor een persoonlijk interview waarbij de vragenlijst gezamenlijk wordt doorlopen en de antwoorden worden geregistreerd op een tablet (CAPI). Deze bevraging is de meest gedetailleerde en wordt begeleid door een enquêteur.

De vervolgbevragingen zijn korter en beperken zich grotendeels tot de aspecten van de arbeidsmarktpositie die gewijzigd zijn in vergelijking met de vorige bevraging. Deze vervolgbevragingen verlopen telefonisch (CATI) of via het internet (CAWI).

In het kader van de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus te beperken, worden sinds de eerste lockdown in maart 2020 alle face-to-face-bevragingen tijdelijk vervangen door telefonische interviews.

Om de vergelijkbaarheid van de LFS-gegevens op Europees niveau te verhogen, werd in 2021 een nieuwe vragenlijst geïmplementeerd. Een nieuw Europees kaderreglement (EU-verordening 2019/1700) voorziet voor de Enquête naar de Arbeidskrachten een volledige herziening van de variabelenlijst en een meer uniforme manier van meten van bepaalde essentiële concepten. Dit heeft tot doel de vergelijkbaarheid van de gegevens op Europees niveau te verhogen.

De wijzigingen in vergelijking met de oude vragenlijst zijn divers. Zo werden een aantal variabelen geschrapt omdat ze minder relevant geworden zijn of omdat de informatie beschikbaar is in administratieve bronnen. Andere, nieuwe vragen, werden toegevoegd. Soms werd de volgorde van vragen of de frequentie van bevraging (jaarbasis versus kwartaalbasis) aangepast. In een aantal gevallen werd ook de formulering van een bestaande vraag gewijzigd of werden de antwoordmodaliteiten aangepast, doch er werd getracht dit tot een minimum te beperken. Niettemin maakt dit dat de gegevens van voor 2021 niet steeds vergelijkbaar zijn met de gegevens van 2021 en later.

Een essentieel onderdeel van de nieuwe vragenlijst is de meting van het arbeidsmarktstatuut. Via het nieuwe kaderreglement wordt deze meting in overeenstemming gebracht met de aangepaste operationele definities van werkgelegenheid en werkloosheid van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB). Ook voor de meting van de arbeidsduur werden belangrijke wijzigingen doorgevoerd, die opnieuw tot doel hebben om een meer uniforme meting te garanderen tussen de verschillende EU-lidstaten.

In het Vlaamse Gewest werden in de periode 1999-2016 gegevens verzameld van ongeveer 20.000 huishoudens en 50.000 personen (huishoudleden). De responsgraad van de EAK in België lag in die periode tussen 75% en 80%.

Vanaf 2017 namen met de nieuwe methode 15.000 tot 18.000 Vlaamse huishoudens en 35.000 tot 43.000 personen deel. In 2022 ging het om 15.289 huishoudens en 35.418 personen.

In de periode 2017-2022 bedroeg de gemiddelde responsgraad in het Vlaamse Gewest bij de eerste bevraging 68%, bij de tweede bevraging 89%, bij de derde bevraging 90% en bij de vierde bevraging 94%.

Aangezien de gegevens verzameld worden via een steekproef, moet bij de interpretatie van de resultaten van de LFS en EAK rekening worden gehouden met een bepaalde onzekerheidsmarge.

Voor de periode vanaf 1999 moet men rekening houden met een breuk in de tijdreeks tussen 2016 en 2017 en tussen 2020 en 2021.

Naar de statistiek