Gedaan met laden. U bevindt zich op: Metadata: Uitvoerratio volgens nationale rekeningen Uitvoerratio volgens nationale rekeningen

Metadata: Uitvoerratio volgens nationale rekeningen

Verantwoordelijke entiteit

Vlaamse Statistische Autoriteit (VSA)

Metadatafiche laatste update

28-03-2026

Databron

Het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) stelt de gegevens op.

Teller: de uitvoer volgens ESR

  • Voor de intracommunautaire handel (handel binnen de EU): de maandelijkse Intrastat-aangifte. Bedrijven moeten een maandelijkse aangifte doen van hun aankomsten en verzendingen met het buitenland als ze minstens één van volgende drempels overschrijden op jaarbasis tijdens het voorgaande kalenderjaar: 1,5 miljoen euro bij invoer en 1 miljoen euro bij uitvoer. Deze omvatten al circa 95-97% van de invoer en uitvoer. Er gebeuren bijschattingen voor de bedrijven die onder deze drempel(s) vallen.
  • Voor de extracommunautaire handel (handel buiten de EU): de douaneaangiften die in principe exhaustief zijn. Er gebeuren kleine bijschattingen voor de non-respons.

Noemer: het bruto binnenlands product (bbp)

De gegevens zijn gebaseerd op meerdere bronnen:

  • Jaarrekeningen van jaarrekeningplichtige ondernemingen,
  • BTW-statistiek voor niet-jaarrekeningplichtige ondernemingen en zelfstandigen
  • Overheidsrekeningen.
  • rekeningen VZW’s voor de andere entiteiten.

Statistische populatie

Vlaamse bedrijven en actoren in alle institutionele sectoren: S11: bedrijven, S12: financiële instellingen, S13: overheid, S14: huishoudens (zelfstandigen) en S15: Instellingen zonder winstoogmerk.

Dat zijn de economische actoren die bruto toegevoegde waarde produceren binnen het grondgebied van de regio of het land en die uitvoeren. De productiefactoren (arbeid, kapitaal) die zij gebruiken kunnen dus van buitenaf komen. Productiefactoren in het grondgebied die elders actief zijn worden niet meegerekend.

Variabelen

De uitvoer van goederen is de totale waarde van de goederenstromen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in België, waarbij er eigendomsoverdracht plaatsvindt. Het heeft geen belang of er daadwerkelijk een fysieke grensoverschrijdende beweging is. Er is ook sprake van uitvoer van goederen als een goederenlevering is tussen een ingezeten en een niet-ingezeten filiaal van eenzelfde bedrijf. Goederentransacties met een tijdelijk karakter en niet met het ook op eigendomsoverdracht (maakloonwerk, herstellingen) zijn geen uitvoer of invoer van goederen. Ten slotte worden goederen die België binnenkomen en weer doorgestuurd worden naar een ander land zonder dat er een ingezetene bij betrokken is, niet opgenomen (transithandel).

De uitvoer van een dienst is de waarde van een verleende dienst tussen een ingezetene en een niet-ingezetene, ongeacht waar die dienst verleend werd.

Het bruto binnenlands product (bbp) is gelijk aan:

  • De verkochte productie (aan de prijs zonder transportkosten indien afzonderlijk gefactureerd en inclusief elke eventuele transportmarge).
  • Intermediair verbruik tegen aankoopprijzen (dit is zonder aftrekbare btw, inclusief eventuele niet-aftrekbare btw).
  • = (1) – (2) Bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten.
  • Niet-productgebonden belastingen (belastingen op gebruik grond, gebouwen, milieubelasting…).
  • Niet-productgebonden subsidies (voor arbeidskrachten, voor milieubehoud…).
  • = (3) + (4) – (5) Bruto toegevoegde waarde tegen basisprijzen
  • Productgebonden belastingen (btw, importheffingen en –belastingen, accijnzen).
  • Productgebonden subsidies (invoersubsidies, andere subsidies)
  • = (6) + (7) – (8) Bruto binnenlands product aan marktprijzen.

De meeteenheid is percentage.

Het gehanteerde classificatiesysteem is het NUTS1-niveau voor de Belgische gewesten.

Bewerkingen

De uitvoerratio is de verhouding tussen de uitvoer en het bruto binnenlands product.

Uitvoer:

Er is een onderscheid tussen uitvoer van goederen en van diensten in het ESR.

Voor de goederenuitvoer wordt vertrokken van de gegevens van de buitenlandse handel volgens het nationale concept. Het betreft de buitenlandse handel door ingezeten bedrijven of instellingen.

Fiscale vertegenwoordigers zijn ondernemingen die administratieve taken vervullen (o.a. in verband met uitvoer en invoer) voor ondernemingen die van een internationale groep die in België een BTW-nummer hebben. Fiscale vertegenwoordigers hebben in België geen of weinig personeel en genereren heel weinig bruto toegevoegde waarde. De invoer van fiscale vertegenwoordigers wordt afgeleid uit de verkopen uit hun verkopen aan ingezetenen en de uitvoer uit de aankopen bij ingezetenen.

De regionale verdeling gebeurt volgens het arrondissement waar de uitvoerder, respectievelijk invoerder van het goed gevestigd is. In het geval van multi-arrondissementele ondernemingen wordt de uitvoer, respectievelijk invoer verdeeld volgens de loonmassa van de vestigingen van dat bedrijf (beschikbaar bij de RSZ).

Er zijn een aantal speciale gevallen, waaronder:

  • de uit- en invoer van fiscale vertegenwoordigers wordt geregionaliseerd volgens de locatie van de ingezeten ondernemingen waarmee de fiscale vertegenwoordigers transacties verricht.
  • Driehoekshandel is de aankoop van goed door een Belgische onderneming bij een niet-ingezetene en de doorverkoop ervan aan een andere niet-ingezetene. De goederen gaan rechtstreeks van de ene naar de andere niet-ingezetene. Enkel het nettocijfer (verkoop min aankoop) wordt geregistreerd als uitvoer van een goed. Voor de jaren 1995-2005 werd de informatie betrokken op basis van de betalingen aan banken. Vanaf 2010 is er een speciale enquête daarvoor, met meteen ook informatie over het arrondissement van uit- of invoerder. Voor de tussenliggende jaren is er een lineaire interpolatie.
  • In het geval van e-commerce wordt de invoer van online aankopen toegewezen aan de consumptieve bestedingen van huishoudens en regionaal verdeeld volgens de informatie die te vinden is in de gezinsbudgetenquête over consumptieve bestedingen van e-commerce-producten.

Bj de diensten is er een verschil tussen het oud systeem (1995-2005) en het nieuwe systeem (in voege sedert 2008).

Er zijn 12 types van diensten:

  • Maakloondiensten
  • Herstellingen
  • Vervoersdiensten
  • Diensten met betrekking tot het reisverkeer
  • Communicatiediensten, informatica, berichtgeving
  • Constructiediensten
  • Verzekeringsdiensten
  • Financiële diensten
  • Royalty’s en licenties
  • Andere diensten aan ondernemingen (waaronder onderzoek en ontwikkeling)
  • Persoonlijke, culturele en ontspanningsdiensten
  • Niet elders vermelde overheidsdiensten

In het oude systeem werden de uit- en invoer van diensten grotendeels geraamd op basis van de aangiften die kredietinstellingen moesten doen. Voor de uit- en invoer waarbij geen Belgische bank betrokken was, moesten de ondernemingen zelf rapporteren. Er gebeurden bijschattingen in het geval van ontbrekende aangiften.

De regionale verdeling gebeurde in het oude systeem op basis van het aantal jobs per vestiging in het geval van multi-arrondissementele ondernemingen.

Er zijn een aantal specifieke gevallen, waaronder:

  • De uitvoer van niet elders vermelde overheidsdiensten naar de Europese instellingen betreft voornamelijk een vergoeding voor de douanediensten voor het innen van invoerrechten. Dit wordt regionaal verdeeld volgens het aantal jobs van de FOD Financiën.
  • De uit- en invoer van reisverkeer wordt geraamd via gegevens van het biljettenverkeer en kredietkaartmaatschappijen.
  • In het oude ESR (ESR95) werden transacties van een goed in het kader van maakloonwerk als uit- of invoer beschouwd worden. Dat is niet meer het geval in het nieuwe ESR 2010. Daar worden de transacties m.b.t. maakloonwerk niet meer beschouwd als uit- of invoer van een goed, maar het maakloonwerk wordt beschouwd als in – of uitvoer van dienst. De berekeningen worden gemaakt op het niveau van de individuele onderneming. Voor een 20-tal ondernemingen worden correcties gedaan voor onrealistische bedragen.
  • Voor herstellingen is er eenzelfde wijziging in registratie tussen het oude ES95 en het nieuwe ESR 2010.

In het nieuwe systeem worden de ondernemingen rechtstreeks bevraagd. Het gebeurt niet meer via de financiële instellingen. In dit nieuwe systeem gebeurt de verdeling voor multi-arrondissementele ondernemingen op basis van de loonmassa per vestiging.

Er zijn geen gegevens over de uit- en invoer van diensten voor de jaren 2006 en 2007. In 2006 ging de inzameling volgens het oude systeem in feite nog door, maar omdat de banken wisten dat ze in de toekomst geen aangifte meer zouden moeten doen is de kwaliteit van de gegevens voor dat jaar ondermaats. In 2007 ging feitelijk de inzameling volgens het nieuwe systeem al van start. Maar er waren te veel fouten in dat eerste jaar. Er wordt daarom geen regionale verdeling van de uit- en invoer van diensten voor 2006 en 2007 gepubliceerd.

Voor het laatste jaar (t-1 genaamd, omdat één jaar verschil ten opzichte van het publicatie jaar van de nationale rekeningen) van de reeks zijn nog niet alle bronnen beschikbaar. De regionale verdeling is voor dat jaar gebaseerd op het repertorium van de productie-eenheden van t-2, het RSZ-vestigingenbestand enkel voor de eerste twee kwartalen van t-1 en een voorlopige versie van het BTW-leveranciersbestand voor t-1. Voor de Belspo-enquêtes (O&O gegevens) en het huishoudbudgetonderzoek zijn de resultaten tweejaarlijks beschikbaar. Voor de jaren wanneer er geen enquête beschikbaar is worden respectievelijk gegevens van de betalingsbalans en gegevens van de laatst beschikbare enquête gebruikt voor de regionale verdeling.

Bij de publicatie van de cijfers in het voorjaar van 2026 zijn enkel de jaren 2019-2024 compatibel met de gereviseerde nationale en regionale rekeningen.

De bruto toegevoegde waarde wordt opgemaakt voor de institutionele sectoren.

  1. Bedrijven en zelfstandigen: De jaarrekeningen van bedrijven en de BTW-aangiften zijn de voornaamste bron voor het ramen van de bruto toegevoegde waarde. Voor ondernemingen met vestigingen in meerdere arrondissementen wordt de bruto toegevoegde waarde verdeeld pro rata de lonen (waarvoor data per arrondissement beschikbaar zijn uit de RSZ).
  2. Overheid: De bruto toegevoegde waarde wordt nationaal geraamd als de som van de kostenelementen (lonen, afschrijvingen). De regionale verdeling (in voorkomend geval) gebeurt aan de hand van de lonen.
  3. Instellingen zonder winstoogmerk: De aggregaten worden geraamd aan de hand van de lonen en in voorkomend geval ook zo regionaal verdeeld.

Voor meer info: m_meth2017n.pdf (nbb.be)

Het INR verwerkt de basisdata op geaggregeerd niveau.

Accuraatheid

Het gaat om de uitvoer, respectievelijk de geproduceerde bruto toegevoegde waarde op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. (Grotere) ondernemingen of entiteiten kunnen vestigingen hebben in meerdere gewesten. Daarvoor worden de gegevens uit de jaarrekeningen over output en intermediair verbruik toegerekend aan de vestigingen in een gewest pro rata de spreiding van de lonen over de vestigingen. Dat is een raming. De informatie over de lonen naar vestiging is afkomstig van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Men gaat ervan uit dat de lonen de beste proxy zijn voor de bruto toegevoegde waarde omdat ze er een (belangrijk) element van uitmaken. In het geval van de uitvoer vormen de lonen een element van de inkomens benadering van het bbp en de uitvoer een element van de bestedingsbenadering van het bbp. Het is ook hier de best mogelijke proxy.

De cijfers voor het laatst beschikbare jaar (T-2) zijn voorlopig omdat nog niet alle bronnenmateriaal voorhanden is voor een goede regionalisering. In T+1 volgt dan het definitieve cijfer voor T-2. Maar ook de cijfers van vroegere jaren kunnen nog herzien worden (revisie nationale rekeningen, beschikbaar komen beter bronnenmateriaal…). Ook dat is een mogelijke bron van onnauwkeurigheid.

Vergelijkbaarheid

De statistiek is vergelijkbaar met andere gewesten (NUTS1), provincies (NUTS2) en arrondissementen (NUTS3). Ook is er vergelijkbaarheid met EU-landen.

De uit- en invoercijfers volgens het ESR (gebruikt in de teller) wijken af van deze volgens het nationaal concept van de statistiek van de buitenlandse handel. Het ESR-concept naast goederen ook diensten. In het ESR-concept zijn de transit van aardgas en de brutostromen met betrekking tot maakloonwerk en herstellingen niet opgenomen. Bovendien maken export en import deel uit van de bestedingsbenadering van het bbp. Dat is één wijze van opmaak van het bbp, naast de inkomensoptiek en de productie-optiek. De drie optieken moeten gecalibreerd worden opdat telkens eenzelfde bbp berekend wordt. Dat kan nog tot kleine wijzigingen leiden van de export en import volgens ESR. Wat de regionalisatie betreft zijn er ook verschillen: in het nationaal concept wordt de invoer toegekend aan het gewest waar de eerste toegevoegde waarde plaatsvindt, of indien niet gekend, het gewest waar de goederen worden verzonden. De uitvoer komt op conto van het gewest waar de laatste toegevoegde waarde gebeurde, of indien niet gekend, het gewest vanwaar de goederen werden verzonden. Ontbreekt alle informatie, dan komt de in- en uitvoer op conto van het gewest waar de hoofdzetel is gevestigd. In het ESR-concept wordt de in- en uitvoer toegekend aan het gewest waar het bedrijf of de instelling vestigingen heeft, en dat wordt (heden) pro rata de loonmassa van de vestigingen verdeeld.

Referenties

Instituut voor de Nationale Rekeningen: Verdeling van de Belgische in- en uitvoer
Macro-economische databank van de Europese Commissie: Ameco