Gedaan met laden. U bevindt zich op: Diepte van het armoederisico Inkomen en armoede

Diepte van het armoederisico

Gepubliceerd op 17 maart 2026 • Volgende update: maart 2027
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Mediaan inkomen van personen in armoede 15% lager dan armoededrempel

De relatieve mediane armoedekloof lag volgens de EU-SILC-enquête van 2025 in het Vlaamse Gewest op 14,6%.

Deze indicator geeft een beeld van de diepte van de armoede in een land of regio. Hij meet het verschil tussen de armoededrempel en het mediaan beschikbaar huishoudinkomen van de personen onder die armoededrempel, uitgedrukt als een percentage van de armoededrempel.

Een armoedekloof van 15% betekent dus dat het mediaan inkomen van personen onder de armoededrempel 15% lager ligt dan de armoededrempel. Hoe hoger dit percentage, hoe lager het inkomen van personen in armoede en hoe dieper de armoede.

De jaartallen in de figuur slaan op het jaar waarin de enquête wordt afgenomen. De statistieken worden berekend op basis van het totale beschikbare jaarinkomen van het huishouden in het jaar voorafgaand aan de enquête. De cijfers van 2025 hebben dus betrekking op de huishoudinkomens van 2024.

De EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend gewijzigd. Daardoor zijn vergelijkingen tussen de jaren voor en na 2019 niet mogelijk. In 2020 en 2021 werd de dataverzameling aangepast door de Covid-19-crisis. Vergelijkingen tussen de jaren 2020-2021 en andere jaren vereisen daardoor extra voorzichtigheid.

Bij het berekenen van het aandeel personen onder de armoededrempel wordt traditioneel een drempel van 60% van het nationale mediaan beschikbaar huishoudinkomen gebruikt. Personen met een inkomen net boven deze 60%-drempel komen hierbij niet in beeld, terwijl personen die iets onder de drempel zitten zich in een andere situatie bevinden dan personen met een inkomen dat ver onder de drempel ligt.

Om een beter beeld te krijgen van de spreiding van inkomens rond de armoededrempel kan men daarom de hoogte van de drempel laten variëren, bijvoorbeeld naar 40%, 50% of 70% van het mediaan inkomen.

Volgens de EU-SILC-enquête van 2025 (gebaseerd op de inkomens van 2024) beschikte

  • 1% van de bevolking in het Vlaamse Gewest over een inkomen dat lager lag dan 40% van het mediaan inkomen,
  • 3% over een inkomen lager dan 50% van het mediaan inkomen, en
  • 15% over een inkomen lager dan 70% van het mediaan inkomen.

Diepte armoederisico blijft beperkt in EU27-perspectief

In 2025 bedroeg de armoedekloof zowel in het Vlaamse Gewest als in het Waalse Gewest 15%, terwijl deze in het Brusselse Gewest 17% bedroeg. In België in zijn geheel ging het om 15%.

Cijfers voor 2025 zijn nog niet voor alle EU-landen beschikbaar.

In België bedroeg de armoedekloof in 2024 16%, waarmee België, na Ierland, tot de EU27-landen met de laagste armoedekloof behoorde. Het EU27-gemiddelde lag in 2024 op 23%. Letland liet zich optekenen als land met de grootste armoedekloof (29%).

In 2024 waren de verschillen tussen de gewesten iets groter. Het Vlaamse Gewest kende een armoedekloof van 12%, in het Waalse Gewest bedroeg de armoedekloof 16% en in het Brusselse Gewest 19%.

In Europees perspectief behoorde België in 2024 tot de landen met de laagste bevolkingsaandelen onder de 40%- en 50%-drempel. Voor de 70%-drempel lag België dichter bij het EU27-gemiddelde.

Wat het aandeel van de bevolking met een inkomen onder de 40%-drempel betreft, waren er in 2024 geen verschillen tussen het Vlaamse en het Waalse Gewest: in beide gewesten lag dit aandeel op 2%, terwijl het in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met 7% aanzienlijk hoger lag. In 2025 daalde het aandeel in het Vlaamse Gewest naar 1%, bleef het in het Waalse Gewest op 2%, en bleef het in het Brusselse Gewest relatief hoog op 6%.

Voor de 50%- en 70%-drempel zijn de verschillen tussen de gewesten duidelijker. Zowel in 2024 als in 2025 hadden het Waalse en het Brusselse Gewest een duidelijk hoger aandeel van de bevolking met een inkomen onder deze drempels dan het Vlaamse Gewest. Het Brusselse Gewest kende hierbij de hoogste aandelen, terwijl het Vlaamse Gewest telkens het laagste aandeel liet zien.