Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Industrie goed voor 17% van bruto toegevoegde waarde en 12% van werkgelegenheid

Het aandeel van de in het Vlaamse Gewest wordt voor 2022 geschat op 17,3% van de totale en 12,0% van de totale .

Tussen 2010 en 2022 nam het belang van de industrie in de werkgelegenheid af met 2,5 procentpunt. Het aandeel in de bruto toegevoegde waarde daalde tussen 2010 en 2019, maar nam nadien weer toe zodat het in 2022 ongeveer even hoog is als in 2010.

Het zijn vooral de sectoren van de investeringsgoederen (productie van elektrische en elektronische apparatuur, van machines, apparaten en werktuigen en van transportmiddelen) en van de consumptiegoederen (voeding en kleding) die aan belang verloren tussen 2010 en 2022. Bij de sector van de intermediaire goederen (chemie, farmacie, metaalindustrie) was er geen sprake van een daling van het aandeel volgens de bruto toegevoegde waarde, maar wel volgens de werkgelegenheid.

Aandeel Vlaamse industrie in bruto toegevoegde waarde op niveau van EU27-gemiddelde

In 2019 bedroeg het aandeel van de industrie in de bruto toegevoegde waarde van het Vlaamse Gewest 15,9%. Dat was ongeveer even hoog als in het Waalse Gewest (16,0%). In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, met zijn typische diensteneconomie, lag dat aandeel veel lager (2,5%). De werkgelegenheidsaandelen van de industrie waren lager in het Vlaamse en Waalse Gewest (12,3% en 10,2%). In het Brusselse Gewest was er weinig verschil (2,6%).

Het aandeel van de industrie in de bruto toegevoegde waarde was in het Vlaamse Gewest in 2019 iets lager dan het EU27-gemiddelde. Het werkgelegenheidsaandeel lag in het Vlaamse Gewest lager.

In de Oost-Europese lidstaten is de industrie belangrijker in het economisch weefsel. Tsjechië, Slovenië en Slovakije scoren het hoogst op beide maatstaven. Opvallend zijn ook de relatief hoge waarden van Duitsland. In Frankrijk en Nederland is de industrie naar verhouding minder belangrijk dan in het Vlaamse Gewest.