Gedaan met laden. U bevindt zich op: Materialenvoetafdruk Milieu en natuur

Materialenvoetafdruk

Gepubliceerd op 29 september 2026 • Volgende update: juni 2027
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Materialenvoetafdruk in 2024 1% lager dan in 2012

Het voortschrijdend gemiddelde van de van de consumptie in het Vlaamse Gewest daalde van 216 miljoen ton in 2012 naar 214 miljoen ton in 2024 (-1%). Het voortschrijdend gemiddelde is hier het gemiddelde van het jaar zelf en de 2 voorgaande jaren. De materialenvoetafdruk geeft het totaal volume aan primaire grondstoffen weer die wereldwijd ontgonnen worden voor de finale consumptie van goederen en diensten in het Vlaamse Gewest.

Het voortschrijdend gemiddelde van de Vlaamse materialenvoetafdruk steeg van 216 miljoen ton in 2012 naar 261 miljoen ton in 2018. Vanaf 2019 daalde het geleidelijk naar 214 miljoen ton in 2024.

Uitgedrukt per inwoner daalde het voortschrijdend gemiddelde van de materialenvoetafdruk van 33,9 ton in 2012 naar 31,2 ton per inwoner in 2024 (-8%).

Materiaalproductiviteit lag in 2024 op 1,23 euro per kg

Door het bruto binnenlands product (bbp) uit te drukken ten opzichte van de materialenvoetafdruk, wordt de materiaalproductiviteit van een regio gemeten. De materiaalproductiviteit meet dus hoeveel economische waarde wordt gecreëerd per kilogram materialenvoetafdruk.

Een hogere materiaalproductiviteit betekent dat aan dezelfde consumptie kan worden voldaan met minder primair materiaalverbruik. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de indirecte consumptie van materialen. Een hogere materiaalproductiviteit wijst dus op een verbeterde milieuprestatie van de productieketens.

De materiaalproductiviteit lag in het Vlaamse Gewest in 2024 op 1,23 euro per kilogram (kg).

Het voortschrijdende gemiddelde van de materiaalproductiviteit steeg tussen 2012 en 2024. In de periode 2012-2024 daalde het voortschrijdend gemiddelde van de materialenvoetafdruk met -1%, terwijl het bbp toenam met 23%. Voor het Vlaamse Gewest was er in die periode dus sprake van een absolute van het bruto binnenlands product ten opzichte van de materialenvoetafdruk.