Verantwoordelijke entiteit
VSA – Vlaamse Statistische Autoriteit
Metadatafiche laatste update
23/06/2026
Databron
Voor de dataverzameling bij ondernemingen:
Voor oneven referentiejaren zijn de O&O-cijfers gebaseerd op de Vragenlijst Onderzoek en Ontwikkeling. Voor even referentiejaren zijn de O&O-cijfers hoofdzakelijk gebaseerd op de innovatievragenlijst. Deze twee vragenlijsten worden beurtelings uitgevoerd: in even kalenderjaren wordt de Vragenlijst Onderzoek en Ontwikkeling uitgevoerd, in oneven jaren de innovatievragenlijst.
Sinds COVID-19 worden beide vragenlijsten initieel via e-mail uitgezonden. Doorgaans volgen er vier herinneringen om bedrijven die tot dan toe niet geantwoord hebben, aan te moedigen om te antwoorden. Bij de tweede herinnering krijgen bedrijven die tot dan toe niet geantwoord hebben, een papieren boekje toegestuurd. Bedrijven kunnen dan kiezen of ze digitaal willen antwoorden, dan wel op papier. Er wordt ook telefonisch contact opgenomen met bedrijven om hen aan te moedigen alsnog te antwoorden.
De meest recente O&O-cijfers, de O&O-cijfers voor kalenderjaar 2024, zijn afkomstig van de innovatievragenlijst van 2025. De set van ondernemingen die in de innovatievragenlijst van 2025 bevraagd werden bestaat uit een censusgedeelte, dat exhaustief bevraagd werd, en een willekeurige gestratificeerde steekproef genomen uit de populatie van ondernemingen in Vlaanderen met 10 of meer tewerkgestelde personen (“persons employed”) in NACE-BEL-afdelingen 05-39, 46, 49-53, 58-66, 71-73. In de innovatievragenlijst van 2025 werden op vraag van het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) ook micro ondernemingen bevraagd met minder dan 10 tewerkgestelde personen. Aangezien de innovatievragenlijst ook gebruikt wordt om O&O-cijfers te schatten, bevat het censusgedeelte ook ondernemingen die buiten NACE-BEL-afdelingen vallen waarvoor innovatiestatistieken moeten gerapporteerd worden aan EUROSTAT.
Het censusgedeelte bevat alle ondernemingen met permanente onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten (O&O-activiteiten), met overheidssteun voor O&O of innovatie, die samenwerkten met strategische onderzoekscentra voor O&O of innovatie, of die actief waren in biotech.
In het willekeurig steekproefgedeelte werden alle middelgrote (50-249 tewerkgestelde personen) en grote (250 of meer tewerkgestelde personen) ondernemingen exhaustief bevraagd in NACE-BEL-afdelingen 05-39, 46, 49-53, 58-66, 71-73. Ook kleine (10-49 tewerkgestelde personen) ondernemingen in NACE-BEL-afdelingen 19-21, 26-30, 58-63, 71-72 werden exhaustief bevraagd. Bij de resterende kleine ondernemingen werd Neyman allocatie toegepast op niveau van de NACE-BEL-categorieën waarvoor rapportering van innovatiestatistieken aan EUROSTAT verplicht was: NACE-BEL-groeperingen 05-09; 10-12; 13-15; 16-18; 22-23; 24-25; 31-33; 35; 36-37; 38-39; 46; 49-51; 52-53; 64-66; en 73.
Bij het willekeurig steekproefgedeelte van micro ondernemingen (met minder dan 10 tewerkgestelde personen) waar de data verzameld werden in het kader van een evaluatiestudie, werd ernaar gestreefd om gemiddeld 1.23 controle-entiteiten te hebben voor elke onderneming in Vlaanderen met Vlaamse overheidssteun voor O&O of innovatie.
De steekproef bevatte na afloop van de bevraging 4.455 ondernemingen in het censusgedeelte, en 2.780 ondernemingen in het willekeurige steekproefgedeelte. De resultaten van deze bevraging worden door middel van weging veralgemeend naar een doelpopulatie van 11.273 ondernemingen.
Daarnaast werden ook schattingen gemaakt voor ondernemingen die niet werden bevraagd in de innovatievragenlijst van 2025 maar die in de O&O-vragenlijst van 2024 behoorden tot de set van ondernemingen met O&O-activiteiten. Deze entiteiten waren niet opgenomen in de innovatievragenlijst van 2025 omdat het ging om kleinere spelers op vlak van O&O. Deze set bevatte 859 ondernemingen. Zij kregen ook allemaal een gewicht van één, hun resultaten werden niet veralgemeend naar andere ondernemingen.
De resultaten van de bevraging en van de bijkomende schattingen werden door middel van weging veralgemeend naar een doelpopulatie van 12 132 ondernemingen.
Voor de dataverzameling bij andere instellingen:
In de gehele publieke sector wordt gewerkt met een censusbevraging. Elke instelling die geïdentificeerd werd als mogelijke publieke O&O speler, wordt gecontacteerd met uitleg en een uitnodiging om de bevraging in te vullen via een gepersonaliseerde en beveiligde link naar een online toepassing waar de O&O gegevens ingevuld kunnen worden. Dit gebeurt aan de hand van een online formulier waarin de respondent/instelling naast de gegevens ook definities en bijkomende informatie terugvindt. Dit online formulier wordt standaard gebruikt voor alle not for profit-instellingen binnen België binnen een methodologische afsprakenkader.
De Vlaamse overheid bevraagt de even jaren enkel de grootste instellingen, en de oneven jaren alle instellingen. Kleinere instellingen vullen de enquête in het oneven jaar in, met data voor beide jaren. De grootste publieke O&O-actoren (strategische onderzoekscentra, universiteiten, hogescholen en Vlaamse wetenschappelijke instellingen), die ongeveer 90% van de O&O uitgaven vertegenwoordigen, vullen de enquête jaarlijks in. Dit is een afweging om toch recente data van minstens één van beide jaren te krijgen, wat de kans verhoogt om toch voor één van beide jaren informatie te krijgen, hetgeen bijkomende schattingen betrouwbaarder maakt, en dit systeem maakt het ook mogelijk de door Eurostat opgelegde jaarlijkse rapportering met reële cijfers te doen, terwijl de administratieve last voor de kleinere instellingen die meer occasioneel O&O uitvoeren, beperkt wordt.
Statistische populatie
Voor de dataverzameling bij ondernemingen:
Het officiële bedrijvenregister van Statistics Belgium werd gebruikt voor de steekproeftrekking en voor bepaling van gewichten. Dit bedrijvenregister bevat alle ondernemingen actief in België. Conform de vereisten van EUROSTAT kunnen ondernemingen soms bestaan uit meerdere legale eenheden (die elk een eigen ondernemingsnummer hebben), met één onderliggende hoofdactiviteit en een gezamenlijke beslissingsbevoegdheid.
Voor de dataverzameling bij andere instellingen:
Er is een jaarlijks geactualiseerde lijst van instellingen uit de publieke sector, waarvan geweten is dat ze ofwel structureel of occasioneel aan O&O doen in het Vlaams Gewest. Dit is het repertorium van de publieke O&O instellingen. Het repertorium is een lijst van mogelijke O&O spelers. Het is een lijst die WEWIS in samenspraak met Belspo opgemaakt heeft en die jaarlijks geactualiseerd wordt. Belspo heeft een centrale lijst voor België (dus ook voor alle andere regio’s), waarbij afspraken gemaakt worden wie welke instellingen bevraagt. De Nationale Bank van België (NBB), ECOOM of andere informatie kunnen bronnen zijn over nieuwe instellingen.
Dit repertorium wordt naast het bestand van de ondernemingen gelegd om te zien of een instelling niet binnen beide bevragingen opgenomen is, om dubbeltellingen te vermijden. Doorheen de tijd worden instellingen gefuseerd, of overgenomen en meegenomen in het repertorium. Er worden ook nieuwe (mogelijke) O&O actoren geïdentificeerd uit diverse databanken of andere registers die dan toegevoegd worden.
De not for profit-enquête is een census-enquête voor de sectoren van:
- de collectieve onderzoekscentra (COC, in het repertorium code 1xx.xx)
2. de publieke onderzoekscentra (GOV, in het repertorium code 2xx.xx)
3. het hoger onderwijs (HES, in het repertorium code 4xx.xx)
4. de private non profit (PNP, in het repertorium code 3xx.xx en 5xx.xx)
Variabelen
O&O-intensiteit: de bestedingen voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) in procent van het bruto binnenlands product (bbp).
- O&O wordt aangewend om op geplande en creatieve wijze nieuwe kennis of praktische toepassingen te creëren:
- Nieuw in vergelijking met de bestaande kennis binnen de sector
- Geen routinematig karakter
- De oplossing is niet evident en de uitkomst onzeker
- Er wordt tijd, budget, en personeel voorzien
- O&O kan in alle sectoren plaatsvinden
- Klinische testen (fase 1, 2, of 3) worden altijd beschouwd als O&O
- NACE-BEL 72 ondernemingen hebben altijd O&O
- O&O/R&D kan uitgevoerd worden door werknemers die (voorlopig) niet in aanmerking komen voor de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing.
De O&O-cijfers hebben enkel betrekking op intramurale O&O, d.w.z., O&O die door de onderneming zelf is uitgevoerd. Extramurale O&O, die uitgevoerd wordt door andere ondernemingen of instellingen en die louter aangekocht wordt door ondernemingen, wordt wel gemeten, maar wordt niet meegeteld in de O&O-intensiteitscijfers. Dit is conform de internationale conventies zoals neergelegd in de Frascati Manual (OECD, 2015), voornamelijk om dubbeltellingen te voorkomen.
Intramurale O&O wordt gemeten in vier uitvoeringssectoren:
- Bedrijven: Business Expenditures on Research & Development (BERD): de bedrijvencomponent en de Collectieve Onderzoekscentra (COC) ten dienste van de bedrijven
- Overheden: Government Expenditures on Research & Development (GOVERD)
- Hoger Onderwijs: Higher Education Expenditures on Research & Development (HERD) (zowel universiteiten en hogescholen, als onderzoeksinstellingen verbonden aan universiteiten)
- Instellingen zonder winstoogmerk: Private Not for Profit Organisations Expenditures on Research & Development (PNPERD) (zowel semi-publieke als private organisaties en internationale organisaties).
De internationale richtlijnen zoals neergelegd in de Frascati Manual (OECD, 2015) worden gevolgd bij het toekennen van entiteiten aan de vier uitvoeringssectoren.
Voor cijfers voor O&O-personeel worden enkel de eigen medewerkers meegeteld, in lijn met de voorkeur van OESO voor het rapporteren van O&O-personeelscijfers. In de cijfers van EUROSTAT worden echter ook externe consultants die ingebed worden in O&O-projecten meegeteld in de O&O-personeelscijfers. In de Vlaamse openbare statistiek voor O&O-personeel worden deze externe consultants ingebed in O&O-projecten wel weergegeven in de begeleidende tekst, maar niet in de grafiek.
Bewerkingen
Voor de dataverzameling bij ondernemingen:
Er worden uitvoerige logische en coherentiecontroles uitgevoerd op de met de vragenlijst ingezamelde data. Zo wordt bijvoorbeeld de ratio van O&O-uitgaven over O&O-personeel gemonitord. Wanneer deze ratio zeer hoog of zeer laag is, wordt gepoogd het antwoordende bedrijf te contacteren voor verheldering.
Wanneer gegevens ontbreken bij gekende of vermoede O&O-actieve ondernemingen, worden imputaties gemaakt. Deze imputaties worden gemaakt wanneer bedrijven gedeeltelijk geantwoord hebben, alsook wanneer ze bij de set van vermoede of gekende O&O-actieve ondernemingen horen en geheel niet geantwoord hebben. Ook voor de set van vermoede of gekende O&O-actieve ondernemingen die niet in de innovatievragenlijst opgenomen waren, worden imputaties gemaakt.
- Wanneer een bedrijf gedeeltelijk heeft geantwoord op de vraag naar O&O-uitgaven en O&O-personeel, wordt het ontbrekende cijfer geïmputeerd op basis van antwoorden gegeven in de voorgaande vijf jaar, of wanneer dit ontbreekt op basis van sectorgemiddelden. De hoeveelheid O&O-uitgaven per O&O-personeelslid is hierbij een veelgebruikte ratio.
- Wanneer historische cijfers beschikbaar zijn bij een onderneming met (veronderstelde) permanente O&O uit vroegere antwoorden in de voorgaande vijf jaar, wordt de imputatie gebaseerd op dit historisch cijfer, gecombineerd met een groeivoet. Het gebruikte groeicijfer is het gemiddelde van de groei van het bedrijf zelf (uit historische data) en de gemiddelde groei van de sector waartoe het bedrijf behoort, of enkel de laatste component wanneer maar één historische observatie beschikbaar is.
- Wanneer er geen historische cijfers beschikbaar zijn voor een bedrijf met (veronderstelde) permanente O&O, worden de cijfers voor O&O-personeel geschat met behulp van een ratioschatter. Voor elk bedrijf wordt bepaald tot welke cel ze behoort, op basis van haar NACE-BEL-sector en grootteklasse.
- Voor de imputatie van O&O-personeel wordt de ratio van totaal O&O-personeel over totaal personeel van die cel waartoe een bedrijf behoort, vermenigvuldigd met het totale personeel van het bedrijf.
- Voor de imputatie van uitgaven voor intramurale O&O wordt de ratio van totale uitgaven voor intramurale O&O over omzet van de cel waartoe een bedrijf behoort, vermenigvuldigd met de omzet van het bedrijf zelf.
Bij het bepalen van de diverse ratio’s voor de berekeningen worden uitschieters (outliers) op basis van 1.5 maal de interkwartielafstand telkens buiten beschouwing gelaten.
- Wanneer een bedrijf met (veronderstelde) occasionele O&O niet antwoordt, wordt telkens het celgemiddelde genomen van de cel waartoe het bedrijf behoort. Elk bedrijf behoort tot een specifieke cel op basis van haar NACE-sector en grootteklasse.
- De ongewogen imputatiegraad is respectievelijk 35%, 38% en 37% voor uitgaven voor intramurale O&O voor de maakindustrie, de dienstensector en voor het totaal. De ongewogen imputatiegraad is respectievelijk 36%, 39% en 38% voor eigen O&O-personeel uitgedrukt in VTE voor de maakindustrie, de dienstensector en voor het totaal. De gewogen imputatiegraad is respectievelijk 11%, 24% en 18% voor uitgaven voor intramurale O&O, voor de maakindustrie, de dienstensector en voor het totaal. De gewogen imputatiegraad is respectievelijk 20%, 34%, en 28% voor eigen O&O-personeel uitgedrukt in VTE voor de maakindustrie, de dienstensector en voor het totaal.
Gegevens uit de willekeurige steekproef buiten de set van gekende of vermoede O&O-actieve ondernemingen worden veralgemeend naar de populatie buiten deze set op basis van gewichten. De oorspronkelijke steekproefgewichten werden hier als startpunt genomen. Via poststratificatie werden de gewichten aangepast voor nonrespons.
Voor de dataverzameling bij andere instellingen:
Voor de uitgaven kunnen geen negatieve cijfers aangevuld worden (wordt dan met de instelling nagegaan wat er verkeerd liep), de cijfers moeten worden afgerond op 2 decimalen voor het O&O personeel en op de euro voor O&O uitgaven. Ontbrekende variabelen worden enkel bijgeschat op basis van (1) voorgaande antwoorden van de betrokken instelling, indien die niet ouder zijn dan 5 jaar of (2) sectorgemiddelden.
Bij non-respons van gekende O&O actoren: O&O personeel wordt constant gehouden, en O&O uitgaven (financiën) worden aangepast met behulp van de de consumptie-index gepubliceerd door de OESO op Prices - Price level indices - OECD Data (selecteer table, Yearly en de-selecteer “latest data available” voor een tijdreeks.)
Tijdens het cleanen gebeurt er een interne controle (is er een match tussen personeel met de gerapporteerd uitgaven en vice versa). Daarnaast gebeurt er ook check met data van vorige jaren. Bij grote discrepanties wordt de organisatie gecontacteerd. Organisaties die 5 jaar niet antwoorden, ook niet wanneer ze persoonlijk gecontacteerd worden, en waarvan er op hun website geen duidelijke aanwijzing terug te vinden dat ze nog O&O-actief zijn, worden op 0 gezet.
Accuraatheid
De grootste bron van onnauwkeurigheid is nonrespons. Ook measurement error speelt een rol. Hieronder wordt meer ingegaan op de verschillende soorten fouten die een impact kunnen hebben op de gepubliceerde statistieken.
Voor de dataverzameling bij ondernemingen:
Gezien het censusgedeelte het merendeel van de O&O-cijfers vertegenwoordigt, worden er geen betrouwbaarheidsintervallen berekend. Zie ook sectie S.18.3, dataverzameling, hierboven voor meer details.
Coverage error: Er worden meerdere bronnen gebruikt om potentieel O&O-actieve ondernemingen te detecteren:
- Antwoorden op vroegere vragenlijsten
- Aanvraag van financiële overheidssteun voor O&O of innovatie
- Ondernemingen die tijdens de referentieperiode samenwerkten met strategische onderzoekscentra voor O&O of innovatie
- Ondernemingen die actief waren in biotech
Daarnaast wordt er ook nog een willekeurige gestratificeerde steekproef genomen uit de populatie buiten de set van gekende of vermoede O&O-actieve ondernemingen, om op die manier ook potentiële nieuwkomers te detecteren.
Gezien niet gans de populatie van Vlaamse bedrijven bevraagd wordt, bestaat er steeds een kans dat er O&O-actieve ondernemingen zijn die niet bevraagd zijn. O&O is evenwel scheef verdeeld in de populatie, wat wil zeggen dat er een relatief klein aantal ondernemingen verantwoordelijk is voor het merendeel van de O&O, terwijl er een relatief groot aantal kleinere spelers zijn, die relatief minder bijdragen aan de globale O&O-cijfers. Gezien de diverse bronnen die we gebruiken om gekende of vermoede O&O-actieve ondernemingen op te sporen, gaan we ervan uit dat we de belangrijkste spelers opnemen in onze bevraging. De bijdrage van het willekeurige steekproefgedeelte is steeds vrij beperkt.
Measurement error
Ondernemingen weten niet altijd of sommige van hun activiteiten kunnen beschouwd worden als O&O of niet. Sommige respondenten rapporteren cijfers in uren in plaats van in voltijds equivalenten. Groepsantwoorden komen ook voor, wanneer respondenten relatief hoge cijfers geven, gegeven de relatief beperkte omzet of personeelsaantallen. Sommige respondenten beperken hun cijfers tot de medewerkers voor wie ze een vermindering van bedrijfsvoorheffing hebben gekregen, wat een onderschatting van hun cijfers geeft. Sommige ondernemingen hebben de vermindering van bedrijfsvoorheffing moeten terugbetalen, waardoor ze niet meer bereid zijn om de vragenlijst in te vullen, terwijl hun activiteiten mogelijks wel voldoen aan de vereisten voor O&O zoals neergelegd in de Frascati Manual (OECD, 2015).
Meerdere grote spelers kunnen geen cijfers geven voor externe consultants ingebed in hun O&O-projecten.
Maatregelen om de impact van measurement error te beperken:
Tijdens de veldfase houden we vaak gegeven commentaar van respondenten bij, en in de mate van het mogelijke proberen we daarmee rekening te houden bij de volgende iteratie van de bevragingen. Wanneer nieuwe vragen worden toegevoegd of bestaande vragen worden herzien, worden steeds cognitieve interviews gedaan bij een klein aantal ondernemingen om de vragen te testen.
De vragenlijst bevat een diagram om respondenten te helpen het onderscheid te maken tussen interne en externe O&O, alsook hoe ze de bijdrage van externe consultants die ingebed zijn in eigen O&O-projecten moeten rapporteren.
Er wordt een definitie gegeven van wat O&O is en wat niet. Respondenten kunnen contact opnemen per telefoon bij vragen, en doen dat ook. De webversie van de vragenlijst geeft foutmeldingen wanneer antwoorden inconsistenties bevatten. Deze foutmeldingen zijn vrijblijvend.
Bij de verwerking van de data worden uitvoerige consistentiecontroles gedaan. Vooral bij grotere O&O-spelers wordt gepoogd zoveel mogelijk van deze ondernemingen zelf verduidelijkingen of correcties te bekomen bij de vastgestelde inconsistenties.
Unit Nonresponse error
Tabel 1 geeft de responsgraad weer volgens grootteklasse en NACE-sector. We zien dat de responsgraad groter is bij grotere ondernemingen. Dit weerspiegelt het opvolgingsbeleid tijdens de veldfase. Tijdens de veldfase is er telefonische opvolging en worden bedrijven opgebeld om hen aan te sporen om te antwoorden. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan de grotere spelers op vlak van O&O, gezien de grotere impact die zij hebben op de finale cijfers.
Tabel 1. Responsgraad volgens grootteklasse en NACE-sector
Grootteklasse of NACE-sector | Responsgraad |
1-9 tewerkgestelde personen | 56% |
10-49 tewerkgestelde personen | 64% |
50-249 tewerkgestelde personen | 66% |
250 of meer tewerkgestelde personen | 70% |
Maakindustrie | 68% |
Dienstensector | 61% |
Totaal | 63% |
Item nonresponse error
Binnen de set van antwoordende bedrijven geeft 96% cijfers voor uitgaven voor intramurale O&O, en 95% voor O&O-personeel.
Processing error
Bedrijven kunnen op papier antwoorden of online (met een beveiligde internetverbinding). In de webversie van de vragenlijst zijn consistentiecontroles ingebouwd, die een waarschuwing geven bij inconsistenties. De waarschuwingen zijn vrijblijvend.
Papieren antwoorden worden tweemaal ingegeven in de webversie van de vragenlijst. De twee versies worden dan vergeleken om fouten in het ingeven van de antwoorden op te sporen. Vastgestelde fouten worden verbeterd door terug te gaan naar de papieren antwoorden.
Er worden uitvoerige logische en coherentiecontroles uitgevoerd op de ingezamelde data. In de mate van het mogelijke worden bedrijven opnieuw gecontacteerd om inconsistenties uit te klaren.
Voor de dataverzameling bij andere instellingen:
Elke instelling die geïdentificeerd werd als publieke O&O speler, krijgt de bevraging opgestuurd. Anders dan in de profit sector wordt dus niet met steekproeven gewerkt bij de publieke onderzoekscentra.
Nieuw toegevoegde organisaties die niet antwoorden, worden (voorlopig) op 0 gezet omdat er geen enkele basis is om een schatting op uit te voeren. Er worden dus geen cijfers bijgeschat van non-respons instellingen als er geen recent referentiepunt voor O&O beschikbaar is.
Naar analogie met de afspraken voor de profit-enquête stellen we dat een volledig antwoord een antwoord is waar alle door de Europese reglementering verplichte variabelen gegeven zijn (O&O uitgaven, O&O personeel en onderzoekers).
De responsgraad situeert zich tussen 85% en 90%.
Vergelijkbaarheid
Gezien de data-inzameling conform de internationale richtlijnen gebeurt, kunnen de Vlaamse cijfers rechtstreeks vergeleken worden met die van de andere regio’s in België, met die van andere Europese lidstaten of landen elders in de wereld.